Diverse lezingen over Europese landen.
Inhoudsopgave:
- Duitsland
- De Augustus staatsgreep en het einde van de Sovjet-Unie
- het uiteenvallen van Joegoslavië
- Het Iberisch schiereiland
- Een geschiedenis van de Britse eilanden
- Frankrijk
- Italië

DUITSLAND: van leidersbeginsel tot democratie door Loek van Straaten
De Oostpolitiek
Het rijk van Karel de Grote omvatte rond 800 n.Chr. vrijwel heel West-Europa, maar na hem viel het al snel uiteen in drie delen. Macht was namelijk gebaseerd op grondbezit. Daar kon je mee belonen, omkopen, afkopen enz. Door dit gebruik was al eerder in de middeleeuwen het leenstelsel ontstaan. Koningen verwierven zich in onderlinge oorlogen grote gebieden, maar tegelijkertijd werden zij steeds afhankelijker van diegenen die zij het meest voor hun diensten beloonden. Dat was een militair en bestuurlijk zeer belangrijke groep die wij de edelen noemen. Geboorterecht en erfrecht speelden hier een grote rol. Men zag de in leen gegeven grond als familiebezit.
De drie resten van het Karolingische rijk, groeiden tenslotte uit tot twee rijken, gebaseerd op dat leenstelsel, Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk. De nadruk op dat ‘roomse’ is verklaarbaar vanuit de in de middeleeuwen levende angst, dat de ondergang van de Romeinse beschaving het einde der tijden zou aankondigen. Vandaar dat een man als Karel de Grote de keizerstitel aannam om aan te tonen dat zijn rijk een voortzetting was van het christelijke Romeinse rijk. De opvolgers van de Karolingen in het Duitse gebied, werden de Saksische koningen (919-1024). Zij breidden hun gebied vooral naar het oosten uit in oorlogen tegen de Slavische volken en de Hongaren. Zij kenden geen erfopvolging, maar werden aangewezen door hun voorganger, waarna de adel en geestelijkheid van de vier stammen (Saksen, Zwaben, Franken, Beieren) hem kozen. In tegenstelling tot de Karolingen was niet het hele rijk zijn particulier bezit, maar slechts een deel daarvan.
De taak van het christelijke rijk bestond uit de verbreiding van het geloof en de onderwerping van de heidenen. De kerstening van de Slaven vond plaats door stichting van bisdommen (o.a. Sleeswijk, Brandenburg). Onder de Frankische keizers (1024-1125) werden Bohemen en Hongarije Duitse leengebieden. Er bleef in het rijk steeds familiestrijd bestaan. Een aantal belangrijke families streed steeds om de koningskeuze en om de macht in Italië. Rome moest het centrum zijn van het Roomse rijk. Elke nieuwe Duitse koning werd door de paus tot keizer gekroond.
In 966 werd Polen officieel een christelijke staat en verkreeg het een dominerende positie onder de West-Slaven. Het plan van een West Slavische eenheidsstaat kwam echter niet overeen met de Duitse Oostpolitiek. Vanaf 1200 begon daarom het proces van verwestersing. De westelijke Poolse gebieden, Pommeren en Silezië werden verduitst. De territoriale vorsten werden met de kolonisatie van het gebied belast.
De verbeteringen in de agrarische techniek in de 11de eeuw leidde tot een groter aanbod van levensmiddelen, daarmee begon het geboortecijfer in Europa snel te stijgen. De steden begonnen als gevolg hiervan te groeien in aantal en omvang. Duitse en Slavische vorsten begonnen Duitse boeren en burgers hun gebied binnen te halen. Ook Friezen, Vlamingen en Walen namen deel aan de trek naar het oosten, veelal als deskundigen voor het droogmaken van moerassen. Monniken en nonnen trokken mee naar het oosten (Augustijnen, Cisterciënzers, Duitse orde, Johannieters e.d.) Zo kreeg de Duitse Orde in 1226 van de paus de opdracht tot de verovering van het heidense Pruisen. De verovering ging verder, de hele Oostzeekust tot en met Estland werd bezit van de Duitse Orde. De steden werden (Duitse) economische, culturele en religieuze centra.
In de 14de eeuw kwam er een einde aan de kolonisatie in het oosten. Dit was vooral een gevolg van de pestepidemieën (Zwarte dood) die in Europa in die eeuw woedden. Er waren simpelweg niet meer genoeg mensen beschikbaar. De landelijke bevolking trok naar de steden, veel landbouwgrond lag braak.
De Slavische bevolking werd niet onderworpen in de Duitse expansie naar het oosten, maar er vond wel een germanisatie plaats. De handel die zich tot de 12de eeuw in handen bevond van de Slaven en Scandinaviërs was overgegaan in handen van de Duitsers, met hun betere schepen.
De anarchie van de 14de eeuw zorgde voor de ontwikkeling van een keurvorstenstand. Het keuzerecht werd beperkt tot drie geestelijke en vier wereldlijke keurvorsten die van de kandidaat speciale rechten eisten en die belang hadden bij een zwakke koningsmacht. Italië werd opgegeven, de koningen probeerden hun ‘huismacht’ te versterken en concentreerden zich zo op hun eigen gebied. De anarchie van die eeuw zorgde er ook voor dat vele steden bondgenootschappen sloten om zichzelf en hun belangen te beschermen (Hanzesteden, Rijnstedenbond, Zwabische stedenbond). Aan het eind van de eeuw werden deze bonden onder dwang opgeheven, maar mochten zij naast de adel en geestelijkheid deel gaan nemen aan de rijksdagen (1489).
De Hervorming
In de 15de eeuw klonken de protesten tegen het functioneren van de kerk en de corruptie steeds sterker. In Bohemen leidde dat tot de opkomst van de Hussieten, volgelingen van Johannes Hus. Na diens terechtstelling als ketter ontlaadde het verzet tegen de Roomse kerk zich tegen de Duitsers. Hus werd zo een nationale martelaar van de Slaven. Het resultaat van de hevige strijd die hieruit volgde was een verzwakking van de kroon, de kerk en de Duitsers in Bohemen. De hoge adel verrijkte zich met het kerkelijke bezit, maar was niet in staat een nationale eenheid tot stand te brengen.
In de 15de eeuw groeide in het oosten een Pools-Litouws rijk. Het gebied van de Duitse orde werd daardoor gedeeld. Een ander land dat op begon te komen was Rusland, dat zijn gebied uitbreidde naar de Oostzee. In Hongarije drongen in dezelfde periode de Turkse legers binnen. De familie Habsburg werd door deze strijd steeds sterker en breidde zijn invloed ook in West-Europa uit.
Er was een algemene onvrede over de rijkdom van de kerk, die zou leiden tot zedelijk verval van de clerus en over het functioneren van de kerk. De boekdrukkunst bracht grote veranderingen, vooral toen Luther de bijbel in het Duits vertaalde.
Dit alles leidde tot de Reformatie. Veel Duitse vorsten gingen over tot Luthers leer. Zij zagen hier vooral de mogelijkheid in om de macht van de Habsburgers aan te tasten en de kerkelijke bezittingen in beslag te nemen. De boeren zagen hierin een mogelijkheid zich vrij te maken van allerlei knellende verplichtingen, belastingen en regels. De Boerenoorlogen die hierop volgden leidden na het neerslaan daarvan tot een verstening van het landbouwbestel. De boer was politiek rechteloos en lijfeigen. De religieuze volksbeweging ging over in een door de vorsten gedragen politieke beweging. De godsdienstoorlogen leidden in het Oostzeegebied tot een strijd tussen Polen, Rusland, Zweden en Denemarken, en in het westen tot diverse wisselende bondgenootschappen. In 1648 vond de strijd zijn einde in de Vrede van Westfalen in Münster. Het Duitse rijk loste zich op in een statenbond. Het totale bevolkingsaantal was teruggelopen van 15 tot 10 miljoen mensen. Het rijk bestond toen uit ongeveer 300 soevereine gebieden. Oostenrijk werd geheel afgescheiden.
Pruisen
Na 1660 werd Brandenburg-Pruisen de sterkste Duitse staat op Oostenrijk na. De Pruisische militaire traditie begon hier in een oorlog tegen Zweden. In 1701 werd Pruisen tot koninkrijk gemaakt. De 18de eeuw liet een sterke uitbreiding van het Pruisische gebied zien ten koste van Oostenrijk en andere Duitse landen en Polen (Frederik de Grote). De door epidemieën ontvolkte delen van Oost-Pruisen werden her bevolkt (o.a. door 15000 emigranten uit Salzburg).
De zevenjarige oorlog (1756-’63) bracht in Midden-Europa een machtsevenwicht tussen Pruisen en Oostenrijk. De grondslag was gelegd voor een gespannen Duits-Poolse verhouding, die door zou spelen tot in de 20ste eeuw. In plaats van een politiestaat werd Pruisen een rechtsstaat.
Napoleon veranderde de situatie in 1801 volkomen. Het Duitse rijk, dat theoretisch nog steeds bestond werd opgeheven. Napoleon creëerde een kleiner aantal Duitse staten, als politiek tegenwicht tegen Oostenrijk (Rijnbond). Er kwam wel een gemeenschappelijk doel van de Duitse staten en dat was: de Franse overheersing afschudden. In dit licht ontstonden er twee opvattingen, nl. het idee van een klein-Duitse eenheid en het idee van een groot-Duitse eenheid (met Oostenrijk).
De vernieuwde Pruisische staat werd na Napoleons ondergang de hoop van de Duitse patriotten. In Pruisen en in de Rijnbond-staten bevorderde de eerste vormen van grondwetgeving de liberale en democratische staatsopvattingen, maar vooralsnog werd de ‘medezeggenschap van het beperkte onderdanenverstand’ als overbodig beschouwd.
Om een einde te maken aan de 38 Duitse tolsystemen werd de Duitse handels-en nijverheidsbond gesticht (1819). De oude Pruisische protestantse conservatieve landbouwgebieden en de nieuwverworven katholieke industriële en liberale landsdelen (Rijnprovincie, Westfalen) moesten in elkaar opgaan. Het bleek mogelijk de economische kloof te overbruggen (1834) en de productie te verhogen door uitbreiding van de afzetmarkt. De Franse aanspraak op de Rijn als grens ontketende stormen van protest in geheel Duitsland, waardoor patriottische liederen ontstonden als ‘die Wacht am Rhein’ en het ‘Deutschlandlied’.
Men wilde nationale eenheid, maar men wilde ook democratische hervormingen. In 1848 greep de revolutionaire geest om zich heen. Na hevige strijd stemde de Bondsdag toe in de verkiezing van een volksvertegenwoordiging. Er vormden zich politieke groeperingen, maar het werk van het parlement werd bemoeilijkt door sociaal-revolutionaire onlusten, het toenemend verzet van Oostenrijk en Pruisen en de druk van buitenlandse mogendheden. De conservatieve partij (Bismarck) ijverde voor het behoud van stands-privileges en het koninklijk gezag.
Het Duitse Keizerrijk
Liberale ondernemers en naamloze vennootschappen brachten de mijnbouw, de ijzer- en machine-industrie en de chemische industrie tot ontwikkeling. Het bevolkingsoverschot bleef dwingen tot economische uitbreiding, vooral in Pruisen. De economische belangen wekten de behoefte aan meer politieke medezeggenschap en aan nationale eenheid.
Oostenrijk probeerde de Duitse Bond te mobiliseren tegen Pruisen, maar de Duitse oorlog van 1866 zorgde juist voor een toenadering tussen Pruisen en de Zuid Duitse staten. Er ontstond een nationale oorlogsgeestdrift toen een conflict met Frankrijk uitliep op de Duits-Franse oorlog (1870-’71), die eindigde met een Franse nederlaag. Wilhelm I, koning van Pruisen, werd tot Duits keizer gekroond.
Het rijk beheerde de strijdkrachten, handel, verkeer, posterijen. Het werd een bondsstaat.
De parlementaire mogelijkheden tot oppositie tegen de autoritaire staatsleiding van de Rijkskanselier Bismarck werden onvoldoende gebruikt.
Duitsland ontwikkelde zich tot de sterkste Europese industriële natie: de buitenlandse handel en de handelsvloot concurreerden met Engeland. de zware-,de elektrotechnische-, en de chemische industrie concentreerden zich in concerns als Krupp, Siemens, AEG en IG-Farben.
De socialistische partij (SPD) werd verboden, maar tegelijk nam Bismarck wel een programma ter hand dat sociale wetten voor ziekte, ongevallen-, ouderdoms- en invalidenverzekering in het leven riep.
De nieuwe keizer Wilhelm II (1888-1918) wijzigde de koers en ontsloeg Bismarck. Van dat moment af ontstond er een verhoogd risico op oorlog met Frankrijk of Groot-Brittannië door de keizerlijke machtspolitiek. Het herverzekeringsverdrag met Rusland werd niet vernieuwd en zo kon Frankrijk toenadering gaan zoeken tot Rusland. Het gevaar voor Engeland werd steeds groter toen Duitsland in 1898 een vloot bouwprogramma opzette.
Toen Duitsland in de eerste 10 jaar van de 20ste eeuw steeds meer zijn ‘rechtmatige plaats onder de zon’ opeiste, vond de leuze: ‘Wereldpolitiek als taak, wereldmacht als doel, vloot als instrument’ instemming bij het volk. Duitsland verkreeg Togo, Kameroen, Zuidwest- Afrika, Oost-Afrika en enkele Zuidzee-eilanden. Maar de keizer wilde meer, terwijl hij toch in politiek opzicht geïsoleerd was komen te staan. Alleen het bondgenootschap met Oostenrijk bestond nog en dat land liep grote risico’s op de Balkan in oorlog te raken.
Tegelijkertijd waren er binnenlandse problemen:
- het rijk was financieel afhankelijk van de afzonderlijke staten;
- er kwam geen parlementaire traditie, want de partijen die niet aan bod kwamen voor politieke verantwoordelijkheid versplinterden;
- door de ambtelijke structuur van het rijk gingen militaire vormen ook het burgerlijke leven beheersen;
- geen democratisering door het drieklassen-kiesrecht;
- de Ostpolitik, waarbij Poolse protesten werden onderdrukt.

De Eerste Wereldoorlog en de Vrede van Versailles
De Duitse generale staf wilde wel een oorlog in 1914, want anders zou het onmogelijk worden Frankrijk snel te onderwerpen. Hun plan ging uit van een Blitzkrieg, waarbij de kust van Europa in Duitse handen moest zijn, voordat Engeland in actie kon komen. Men rekende op een Engelse neutraliteit i.v.m. de slechte verstandhouding tussen Engeland en Frankrijk. Het pakte anders uit: de Blitzkrieg verzandde in een loopgravenoorlog; Engeland deed wel mee aan de geallieerde kant; Duitsland raakte door zijn partner, Oostenrijk, ook in oorlog met Rusland; Japan nam de Duitse koloniën in Azië in bezit.
Duitsland werkte mee aan de Russische revolutie (1917) in de hoop dat er een gordel van bufferstaten zou ontstaan van Finland tot aan de Kaukasus. De vrede die Lenin na de revolutie met Duitsland sloot was inderdaad zeer voordelig voor Duitsland.
De Duitse aanval kon zich nu totaal richten op het doorbreken van de stellingen in Frankrijk. Duitsland begon de totale oorlog. Met haar nieuwe machtige wapens, tanks en duikboten, werd alles aangevallen. Hierdoor kreeg zij echter met een nieuwe vijand te maken, de USA. Een jaar later (1918) was Duitsland al gedwongen de strijd te staken. Oorlogsmoeheid en een gebrek aan grondstoffen waren de belangrijkste oorzaken van de nederlaag.
In Duitsland vonden grote stakingen plaats en een muiterij op de vloot. Er werden arbeiders- en soldatenraden gevormd. In november 1918 brak een revolutie uit in München en in Berlijn. Hierdoor vluchtte Wilhelm II naar Nederland. De republiek werd uitgeroepen.
Bij de vrede van Versailles werd Duitsland aangewezen als de schuldige van de Eerste Wereldoorlog. Nieuwe grenzen werden vastgesteld, waardoor Duitsland grondstofrijke gebieden (Elzas-Lotharingen, Posen, West-Pruisen, Saarland) kwijtraakte, waarbij Frankrijk het vruchtgebruik kreeg over de Elzas en het Saarland. Ook raakte Duitsland zijn koloniën kwijt, zijn vloot en het grootste deel van zijn leger. Bovendien moest Duitsland als schuldige herstelbetalingen doen aan het westen, terwijl de vrede met Lenin ongeldig werd verklaard. Het Duitse gebied werd in twee delen gebroken door het ontstaan van de vrijhaven Danzig (Gdansk). Duitsland bleef dit verdrag van Versailles als onrechtvaardig beschouwen.
De Weimar-republiek
De revoluties van 1918-’19 in Duitsland zorgden bijna voor een succes van communistische krachten. Maar door het gezamenlijk optreden van de SPD-voorzitter Ebert en generaal Groener en door de samenwerking van vakbonden en ondernemers werd dit verhinderd. Bij de Spartakistenopstand onder de communistische leiders Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht, werden de laatsten vermoord door regeringsgetrouwe vrijkorpsleden. De nationale vergadering in Weimar koos Ebert tot rijkspresident en er werd een coalitie gevormd van SPD, Centrum (Rooms-Katholieken) en Duitse Democraten. Zij aanvaardden het vredesverdrag van Versailles. Er leek een prachtige parlementaire democratische republiek te zijn ontstaan met een door het volk gekozen president. Maar een echte democratie werd het niet, want artikel 48 zorgde voor een grote macht van de president, terwijl er een versplintering van de politieke partijen plaatsvond. Verder kon een volksstemming (eentiende van de kiesgerechtigden) grote druk uitoefenen op de landsregeringen.
De nationaal denkende burgerij en het leger stonden afwijzend tegenover de republiek. Dat gold ook voor de extreme rechtsen en -linksen.
Het rechtsradicalisme beriep zich steeds weer op de ‘dolkstootlegende’. De politieke leiders van de Weimar-republiek hadden het zegevierende Duitsland verraden en achter de rug van de legerleiding om de nadelige vrede van Versailles getekend. Dat werd door de radicalen als landverraad gezien. Deze legende ging steeds meer een leven op zich leiden.
De rechtsradicalen pleegden vele politieke moorden en in 1920 (Kapp-Putsch) en 1923 (Putsch in Küstrin) vonden pogingen tot een staatsgreep plaats.
Voortdurende aanvallen van oppositionele elementen verzwakten de coalitie, waardoor in 1920 na de Rijksdagverkiezingen een regering gevormd werd uit Centrum en DVP en een jaar later Centrum, SPD, DDP. Hun werk werd sterk bemoeilijkt door de aandrang die de geallieerden uitoefenden tot nakoming van de Duitse verplichtingen. De herstelbetalingen, waar vooral Frankrijk op aandrong, betekenden een veel te zware belasting voor de geamputeerde Weimar-republiek. De inflatie bereikte in 1922 een climax, terwijl Frankrijk en België troepen naar Duitsland zonden om hun eisen af te dwingen.
Rijkskanselier Stresemann kon de interne extremistische aanvallen en de buitenlandse druk niet de baas. Een communistische opstand en een poging tot een staatsgreep door Hitler werden in 1923 nog verijdeld. De noodtoestand werd uitgeroepen, want er kwamen pogingen van Beieren, van het Rijngebied en van de Palts zich los te maken van Weimar. De kabinetten wisselden elkaar in hoog tempo af.
De economische wereldcrisis die in 1929 uitbrak zorgde voor het feitelijke einde van de parlementaire republiek. Het mislukken van de Weimar-republiek was o.a. te wijten aan het meten met twee maten in de rechtspraak tegen de tegenstanders van de republiek. De rechts-radicalen werden hierin veel meer ontzien. Een andere factor was het feit dat de burgerij steeds rechtser werd. Ten derde kon de economie niet worden gestabiliseerd. Ten vierde waren er de vele regeringscrises en ten vijfde raakte het leger steeds meer bij de politiek betrokken.
Er was één lichtpunt in de wereldcrisis en dat was de behoefte aan rust en veiligheid van de geallieerden uit de eerste wereldoorlog. Daardoor was het Stresemann mogelijk overeenkomsten te sluiten, die Duitsland uit de bevoogding van het westen haalden en trokken de geallieerde soldaten zich terug van Duitse bodem.
In het machtsvacuüm van een niet functionerende republiek, kwam de NSDAP bovendrijven. Er ontstond een belangenvermenging van kapitalisten (industriëlen), grootgrondbezitters, leger en nationaalsocialisten. Het herstel van de economie en het tegengaan van de chaotische situatie in Duitsland was naar hun mening alleen mogelijk met een strak leiderschap. Zo werd de nationaalsocialistische beweging een verzamelbekken voor ontevredenen. Door massapsychologische effectieve betogingen, marsen, fakkeltochten en partijdagen werd de angst voor een communistische machtsgreep aangewakkerd; werd het verraad van de (Joodse) politici (dolkstootlegende) gebruikt om een nationaal sentiment te kweken. Met steun van brede lagen uit het volk wist de NSDAP haar aantal zetels in de Rijksdag voortdurend te verhogen. Het succes van de NSDAP kwam in hoog tempo. Hitler streefde naar het herstel van het rijk en zelfs naar uitbreiding (De Groot-Duitse gedachte uit de 19de eeuw).
De Weimar-republiek was in 1918 een noodoplossing, niet het resultaat van een grote revolutie. De burgerij beschikte niet over een republikeins gevoel en politieke ervaring. Het leger vormde een staat in de staat. Daarvan profiteerde de NSDAP, die het volk suggereerde dat alleen zij een sterke staat kon scheppen.
Hitler kon zijn beloften waar maken. Hij zorgde voor werkgelegenheid (oorlogsindustrie, wegenaanleg e.d.), voor orde (gelijkschakeling, 1 partij, 1 leider), voor Duits prestige (verwerving van Elzas-Lotharingen, Silezië, Tsjechië, Oostenrijk, verbinding Duitsland met Pruisen etc.) We weten echter allemaal dat een oorlogseconomie ook tot oorlog zal leiden. De tweede wereldoorlog was dan ook onvermijdelijk.
Duitsland na de capitulatie
Duitsland werd verdeeld, totdat er een vredesregeling afgesproken kon worden, in vier zones. Ook Berlijn, liggend in de Russische zone, werd in vier zones gedeeld.
Er kwam een grote volksverhuizing op gang van Duitsers uit Polen, Hongarije, Tsjechoslowakije en het nieuwe Russische gebied aan de Oostzee (Pruisen). In alle zones werden landen gevormd.
In 1946 kwam de geallieerde controle raad met een industrie plan. Die moest ontmanteld worden tot 50% van de vooroorlogse capaciteit. Dit alles leidde tot een economische chaos. Daarom wijzigde zich de Brits-Amerikaanse politiek. Er diende een economische eenheid van de bezettingszones te komen en een verkiezing van een Duitse regering. Ondanks Franse en Russische protesten drukten de USA en Engeland dit door.
Doordat de oost-west spanning vergroot werd, werd de Franse bereidheid tot samenwerking groter, toen de eerste crisis in de Koude Oorlog dreigde. De drie westelijke zones werden samengevoegd en in 1948 kwam er een geldzuivering. De SU reageerde met een blokkade van Berlijn. Het verkeer naar West-Berlijn werd stopgezet. De Amerikanen organiseerden een luchtbrug om de bevolking van de westelijke Berlijnse zones te bevoorraden. Tenslotte leidde dit tot de deling van Berlijn, waarbij Oost-Berlijn hoofdstad werd van de communistische DDR.
In 1949 kwam de grondwet van Bonn tot stand en bij de eerste Bondsdagverkiezingen vormde Adenauer een coalitieregering.
De grondwet ging uit van een Democratische rechtsstaat met een meerpartijensysteem, met gescheiden machten en een evenredige volksvertegenwoordiging (de Bondsdag).
De verschillen met de oude republiek van Weimar zijn:
- Algemeen evenredig kiesrecht, geen volksstemming en een indirecte keuze van de bondspresident, die representatieve taken heeft.
- Een kiesdrempel van 5%.
- Een sterke positie van de bondskanselier.
- Een bondsgrondwetgerechtshof, dat beslist over grondwet kwesties.
- Federalisme. Vertegenwoordigers van de landen in de Bondsraad.
De DDR werd een volksrepubliek naar sovjet-voorbeeld. De Duitse Communistische Partij o.l.v. Ulbricht voerde een Moskouse koers.

Het Wirtschaftswunder
In de Bondsrepubliek werd een groot programma in gang gezet. Het trad toe tot diverse westerse internationale organisaties. de kleine vakbonden sloten zich aaneen tot de DGB (1949). De Koreaoorlog (1950-’53), een nieuwe confrontatie tussen oost en west deed de wereldmarktprijzen snel stijgen. In Duitsland zorgde dat voor stijgende belastingopbrengsten en prijzen en een dalende werkloosheid. Hierdoor kon het opbouwprogramma uitgebreid worden. Voor in de 50-ger jaren werd de woningbouw bevorderd, kwam er een wet tot de verzorging van oorlogsslachtoffers, wetten over de medezeggenschap in de bedrijven en groene plannen, waarmee de landbouw gesubsidieerd werd. Het Wirtschaftswunder is de term waarmee deze periode van opbouw wordt aangeduid. De toestroming van vluchtelingen uit de Oostzone versnelde deze opbouw (van ’49 tot ’61 1,5 miljoen). In de DDR leidde dit in 1961 tot de bouw van de Berlijnse muur.
De geschiedenis van de twee Duitse staten stond de eerste twee decennia in het teken van een onoverbrugbare kloof. Onder leiding van de christendemocraat Adenauer, die van 1949 tot 1963 bondskanselier was, richtte de Bondsrepubliek zich op het Westen (WEU, NAVO, EGKS, EEG). Alleen de binding met de democratische wereld kon volgens hem leiden tot de genezing van Duitsland. Het Wirtschaftswunder, met behulp van het Marshallplan, versterkte de eenheid met het vrije westen tegen het communistische oosten. De erkenning van de DDR was dan ook uitgesloten.
Voor de Oost-Duitsers was er geen Marshallhulp. Behalve het feit dat Rusland en Polen delen van het vroegere Duitsland inpikten moesten de Oost-Duitsers ook herstelbetalingen aan hen doen. De Oost-Duitse industrie was ontmanteld en in de SU weer opgebouwd. Er groeide snel een enorm welvaartsverschil tussen de BRD en de DDR. In 1953 moest Ulbricht met Russische hulp een opstand de kop indrukken. De Oost-Duitsers vormden een deel van het Oostblok, maar zij bleven door de Oost-Europeanen als de vijand gezien worden. De bouw van de muur droeg nog meer bij aan hun isolatie in de wereld. Door de ontspanning in de Koude Oorlog in de 60-ger jaren kwamen er andere opvattingen. De doorbraak volgde in 1969 toen Brandt bondkanselier werd van een sociaalliberaal kabinet. De SPD en FDP zette voor het eerst de CDU buitenspel. Het uitgangspunt van de nieuwe ‘Ostpolitik’ was de tegenstrijdigheid te lijf gaan. Het was nu eenmaal niet mogelijk tegelijkertijd de BRD uit te bouwen tot een volwaardige staat en vast blijven houden aan de eis dat het Duitse rijk binnen de grenzen van 1937 zou worden hersteld.
De nieuwe ontspanningspolitiek leidde in de DDR tot de val van Walter Ulbricht (1971) Zijn opvolger Honecker had meer oog voor de nieuwe ontwikkelingen. De nauwere banden met de BRD leverden aanzienlijke economische voordelen op (toegang tot de EG, sterke uitbreiding reisverkeer). Deze toenadering zou echter een ideologische afgrenzing onmogelijk maken en zou uiteindelijk de roep om liberalisering en democratie in de DDR versterken.
De belangrijkste Europese macht
De sterke economische positie van de Bondsrepubliek zorgde ervoor dat Duitsland de grootste macht binnen de EG werd. Toch was het niet bereid de politieke leiding in Europa op zich te nemen. Het verleden zat het land dwars. Politici, zakenlieden, ambtenaren en vele anderen kwamen nu eenmaal uit de Hitler- staat voort en daardoor was men zeer gevoelig voor de internationale opinie. Daarom werden de nazi-processen steeds opnieuw gevoerd. Daarom zag men in rechtse splintergroepjes direct het spookbeeld van het nazisme. Het idee van een Duitse eenheid was natuurlijk in de ogen van de wereld ook verdacht. Het feit dat in de grondwet bepaald was, dat elke Duitser uit het Oostblok gerechtigd was zich in de BRD te vestigen, de afspraken van Brandt met Rusland over de Poolse grens, zonder dat Polen daar zelf over mee mocht praten, dat alles plaatste Duitsland niet in een gunstig daglicht. Temeer daar de economische crisis van 1973 een verandering in de ideeën over gastarbeid brachten. In Duitsland zelf leidde dat bij linkse en rechtse groepen tot de overtuiging dat de Bondsrepubliek door en door rot was. Dialoog was volgens hen niet mogelijk, alleen geweld kon uitkomst brengen. De Rote Armee Fraction (Baader-Meinhof) was zo’n radicale groepering. Het politieke ideaal dat zij aanhingen, vervaagde als snel. Moorden en overvallen werden al snel niet meer uit politieke motieven gepleegd, maar louter om buiten het bereik van de wet te blijven en zich als voortvluchtigen in leven te houden.
De economische mogelijkheden die ontstonden door de ineenstorting van het Oostblok en de technologische ontwikkeling bracht Duitsland weer in een stroomversnelling. Japan werd als economische macht achterhaald, de ontwikkelingen binnen de EG werden door Duitsland gestimuleerd. Niet Frankrijk was meer de leidende mogendheid, maar Duitsland. Het verschil was dat Duitsland nu ook haar politieke verantwoordelijkheid durfde te nemen. (Het was aan Duitsland te danken dat landen als Kroatië en Bosnië-Herzegowina internationaal werden erkend.
De Duitse politiek heeft grote moeite, na de val van het Oost-Duitse regiem van Honecker, de voormalige DDR naar eenzelfde welvaartsniveau te tillen als het westelijk deel. Alleen al het verbeteren van wegen en communicatie is een gigantisch werk. Maar West-Duitse particulieren en bedrijven profiteren op grote schaal van de ontwikkelingen. Er worden enorme winsten gemaakt. Alleen de Oost-Duitsers zelf dreigen een nieuw soort gastarbeider te worden, een tweederangs burger.
Het wegvallen van de communistische ideologie en de socialistische verzorgingsstaat zorgde ervoor dat de Oost-Duitsers met lege handen staan. Zij hadden zich altijd de ogen uitgekeken op de materiële welvaart van het westen. Logischerwijs dacht men bij een vereniging met de BRD dezelfde levensstandaard te krijgen. Zij zijn echter niet opgegroeid in een kapitalistische maatschappij, hebben geen intellectueel zelfstandig denken ontwikkeld en vallen dus in een zwart gat.
De West-Duitsersmoeten steeds meer porties van hun welvaart gaan inleveren, zij worden geraakt in hun portemonnee en dat terwijl de investeringen in het oosten (ook in Tsjechië, Polen, Hongarije, Oost-Pruisen) toenemen en er grove winst wordt gemaakt.
Extremisme en democratisch gehalte
Het rechts-extremisme is zowel in West- als in Oost-Duitsland toegenomen. De schuld van alle problemen zoeken zij niet in het kapitalisme zoals de RAF deed, maar bij minderheidsgroepen. ‘Er is niet genoeg ruimte in Duitsland’, zeggen zij. Mensen die een Duitse oorsprong hebben kunnen natuurlijk niet geweigerd worden, maar ‘Turken en anderen moeten maar terug naar hun land’, luidt hun opinie.
Er zijn in 1992, en op dit moment ook, ernstige incidenten geweest, waarbij mensen zijn omgekomen (brandstichting), maar er is één heel groot lichtpunt voor de Duitse democratie.
Het blijkt dat het om splintergroepen gaat, die praktisch geen plaats kunnen verwerven in de politiek (kiesdrempel). De massa komt in manifestaties bijeen om te protesteren tegen het radicalisme. Overal in de Duitse samenleving zijn volop discussies gaande over deze kwesties. De Duitsers durven hun verantwoordelijk als leidende macht te nemen, zonder bang te zijn om als opvolgers van het Derde Rijk aangewezen te worden.
De conclusie moet luiden dat het gevaar van een ondermijning van de democratie, zoals in de Weimar-republiek nu niet aanwezig is. Toen waren er geen democratische tradities en het gros van de bevolking geloofde in discipline en leiderschap en in nationaliteit. Nu is juist het Duitse volk doordrongen van de noodzaak van internationale samenleving, is zij door de naoorlogse opbouw en scholing tot zelfstandig denken gekomen en kan zij door parlementaire en buitenparlementaire acties haar gelijk halen. Als ook het Oost-Duitse deel en de ‘Heimsiedlers’ kennis maken met het Duitse onderwijs en hun normen en waarden zich gaan richten naar die van de West Duitsers, zal de democratie vast verankerd zijn in de Duitse samenleving. De overheid zal daarom ervoor moeten waken dat deze nieuwe Bonds-Duitsers tweederangsburgers worden. Gelijktrekking van lonen zou daar goed bij helpen, nu zijn alleen de prijzen gelijk.
De Augustusstaatsgreep en het einde van de Sovjet-Unie
Het grootste probleem voor de Sovjet-Unie was al in de jaren dertig van de vorige eeuw de concentratie op de zware industrie en het gebrek aan consumptiegoederen. De noodzakelijke militarisering in de Tweede Wereldoorlog tegen het Derde Rijk, werd na de oorlog doorgezet in de Koude Oorlog. De wapenwedloop met de Verenigde Staten, ging nog steeds ten koste van de productie van consumptiegoederen en de infrastructuur. Een te groot deel van het budget ging op aan bewapening. Daar was de partijtop zich ook van bewust, maar daar was een constante strijd om de macht tussen de haviken en de duiven. Na Stalin probeerde Chroesjtsjov de binnenlandse problemen aan te pakken. Hij begon daarmee in de gecollectiviseerde landbouw. Een stukje privébezit en daarmee verantwoordelijkheid voor de voedselproductie kwam terug voor de boeren. Wanneer productiedoelen in diverse sectoren niet werden gehaald werden de cijfers vervalst. Daar wilde hij een einde aan maken. De haviken in het Politburo waren bang dat hun greep op de samenleving en het evenwicht met de Verenigde Staten verloren zou gaan. Zij benutten de Cubacrisis om de positie van Chroesjtsjov te verzwakken. Na 1963 wist een van hen de nieuwe leider te worden, Breznjev. Onnodig te zeggen, dat door het accent op de militaire kracht van de Sovjet-Unie te leggen, het onmogelijk was het welvaartsniveau te verhogen. De corruptie bleef, de streefcijfers werden niet gehaald. Na 1982 trad Andropov aan met het doel de politieke lijn van Chroesjtsjov weer op te pikken. Er moesten veranderingen in het systeem komen. Het probleem was dat de Amerikaanse president Reagan de ontwikkeling van een ruimteschild propageerde. Deze nieuwe ontwikkeling in de wapenwedloop zou een nog verdere verhoging van de defensiekosten voor de Sovjet-Unie betekenen. Toen Andropov door nierfalen in 1984 stierf, sloegen de haviken opnieuw toe. De angst voor de Amerikaanse suprematie met de ontwikkeling van het ruimteschild (SDI), bracht Tsjernenko als nieuwe leider. Het Russische SDI- plan stierf op de tekentafel. Het jaar daarop stierf Tsjernenko. Nu kwam er een nieuwe partijleider, die wel in staat bleek modernisering door te voeren. Een kliek van haviken bleef zich verzetten tegen de glastnost en perestrojka-politiek van Gorbatsjov. Deze politiek om door herstructurering een meer open systeem te creëren. De hardliners binnen de Communistische Partij waren bang dat deze hervormingen minderheden meer zeggenschap zouden geven ten opzichte van de centrale regering. Estland, Letland, Litouwen en Georgië
verklaarden zich onafhankelijk. Toen er op 20 augustus 1991een verdrag zou worden getekend dat de individuele republieken meer autonomie zou geven, besloten de haviken dat het tijd was om handelend op te treden. De KGB isoleerde Gorbatsjov tijdens een bezoek aan het buitenhuis van premier Baklanov, met als doel om Gorbatsjov de noodtoestand af te laten kondigen.
De 8 samenzweerders richtten vervolgens een nieuw Staatscomité op dat de noodtoestand uitriep en een gewapende tankdivisie en een infanteriedivisie Moskou te laten binnentrekken. Op 20 augustus werd het parlementsgebouw aangevallen. Troepen die loyaal waren aan Jeltsin namen de verdediging op zich. Burgers sloten zich bij hen aan en wierpen barricaden op bij het Witte Huis. De aanvallers trokken zich terug.
Gorbatsjov keerde terug en de coupplegers kregen slechts lichte straffen.
Gorbatsjov stapte in augustus op voorzitter van de Communistische Partij. Hierop nationaliseerde Jeltsin alle bezittingen van de partij.
Alle republieken verklaarden zich onafhankelijk. Op 25 december kwam er een einde aan de Sovjet-Unie.

1. Armenië, 2. Azerbeidzjan, 3. Wit-Rusland (Belarus), 4. Estland, 5. Georgië, 6. Kazachstan, 7. Kirgizië, 8. Letland, 9. Litouwen, 10. Moldavië, 11. Rusland, 12. Tadzjikistan, 13. Turkmenistan, 14. Oekraïne, 15. Oezbekistan.

Karadzic, Babic en Milosevic zijn enige namen die in het geheugen staan gegrift. Zij moesten zich verantwoorden voor het Joegoslavië-tribunaal.
Op de zuidflank van Europa liggen 7 landen die lange tijd deel uitmaakten van het voormalige Joegoslavië. Door bloedige oorlogen kwam een einde aan deze veel volkeren staat.
Het voormalige Joegoslavië Loek van Straaten sept.’95
Het Romeinse Rijk bestond uit een veelheid van volken. Dat werd nog geïntensiveerd na de volksverhuizingen die een einde maakten aan datzelfde rijk. Rond het jaar 1000 woonden in heel Oost-Europa verschillende volken, met een latijns-christelijk geloof of een oosters-orthodox geloof. Het Slavische element was onder die bevolking het grootst. Verschillende Slavische rijken werden gevormd, o.a. een groot Pools rijk en een Servisch rijk.
Een Groot-Servisch ideaal dateert van het einde van de 13e eeuw en kwam uit de koker van koning Milutin die in 1282 Skopje veroverde, waardoor Macedonië open lag voor een Servische opmars, ten koste van het Byzantijnse rijk.
Op 28 juni 1389 kwam er op de hoogvlakte van Kosovo een einde aan die Servische cultuur door de hand van de Turken, die te hulp geroepen waren door -en een eind zouden maken aan- het Byzantijnse rijk. 28 Juni werd Vidov Dan ofwel St. Vitusdag en het zou een dag worden van de hoop op een nationale herrijzenis.
Kosovo was in de middeleeuwen het kernland van Servië, nu is er een Albanese meerderheid van ± 87%.
In het nationale bewustzijn (dat de laatste jaren flink aangewakkerd is) is bovengenoemde ‘Slag op het lijsterveld’ in Kosovo het gewelddadige einde van een eigen cultuur naar Byzantijnse voorbeeld geworden. Men beschouwt de regering van koning Stefan Dusan (1330) als hoogtepunt van de Servische beschaving. De Turkse overheersing is zo vereenvoudigd tot de oorzaak van alle moderne kwaad; de minder ontwikkelde economie, het uiteenvallen van het Joegoslavië van Tito etc. In de steden heersten de Turken, op het land de Servische boeren.
Alle Zuidslaven in Servië, Kroatië en Bosnië-Herzegovina zijn etnisch en taalkundig één volk, afstammelingen van hen die vanaf de 6e eeuw v.Chr. naar deze streek kwamen. De Serviërs ondergingen de invloed van de orthodoxe kerk van Constantinopel, terwijl de Kroaten de invloed van Rome ondergingen. Het schisma (scheuring) van 1054 maakte de scheiding tussen orthodoxe- en katholieke kerk definitief. Bosnië-Herzegovina werd door beide groepen bekeerd. Pas 150 jaar geleden begonnen deze mensen zichzelf aan te duiden als Serviër of Kroaat. De Servische minderheid in Kroatië stamt af van de zogenaamde Grensmannen. Zij beschermden het christelijke Europa tegen de Islam. Na 1389 hadden de Turken Servië, Bosnië-Herzegovina heel Hongarije en een groot deel van Kroatië onderworpen. De Kroatische adel riep de Oostenrijkse keizer te hulp. Deze stelde een Militaire Grens in (1522). Deze bufferzone werd bestuurd door Oostenrijk, maar steunde op een leger van orthodox-christelijke soldaten (annex kolonisten) bekend onder de naam Grenzer. Zij waren gevlucht uit het door Turken bezette Servië en Bosnië. Aan het eind van de 19e eeuw werden zij pas als Serviërs beschouwd.
Toen het Turkse leger geen bedreiging meer vormde begonnen de Kroatische burgers te klagen over de Militaire Grens. De Kroatische adel kon niet verkroppen dat de Grenzer vrije boeren waren, zonder feodale verplichtingen. De Rooms-Katholieke kerk stond afwijzend tegenover de godsdienstvrijheid die aan deze “schismatici” was geschonken.
De Oostenrijkers gingen bij het terugtrekken van de Turken steeds meer de Grenzer als stoottroepen zien, die overal inzetbaar waren. De Grenzer kregen dezelfde reputatie van onderdrukkers als de Russische Kozakken. In 1848 werden zij gebruikt om nationale- en progressieve opstanden in Italië, Hongarije en Wenen te onderdrukken.
De afstammelingen van de Grenzer in het oude Militaire Grensgebied Krajina leefden in vrede met hun katholieke buren tot april 1941.
De opstand aan het begin van de 19e eeuw kwam van het platteland en het noorden, daar waar de contacten met Oostenrijk-Hongarije ook Servië vatbaar maakten voor ideeën van nationalisme en staatsvorming.
Kroatië werd vanuit Hongarije bestuurd, Slovenië vanuit Wenen. Servië heroverde zijn onafhankelijkheid na eeuwenlange Turkse overheersing. In het nieuwe koninkrijk Servië (1878) werd St. Vitusdag een nationale feestdag.
Bosnië was sinds 1878 uit handen van de terugtrekkende Turken onder Oostenrijks protectoraat geraakt en in 1908 geannexeerd. Na de Eerste Wereldoorlog raakte Oostenrijk als verliezende partij haar gebieden op de Balkan kwijt en ontstond er onder invloed van de vrede van Versailles een nieuw koninkrijk van Serven, Kroaten en Slovenen. Het centrale bestuur zetelde in Belgrado. Servië bezette de Hongaarse provincie Vajdaság (Vojvodina). Hongaren en Duitsers werden verdreven en Serviërs gingen zich daar vestigen. In 1961 was nog 26% van de bevolking in Vojvodina Hongaars, in 1991 16% en snel dalende. Hongaarse namen werden gewijzigd in Servische namen, de taal werd verboden etc. Veel Hongaren zijn sindsdien naar Hongarije gevlucht.
Macedonië was na de Balkanoorlogen in 1913 al opgesplitst. Griekenland kreeg 50% van het gebied, Servië 40% en Bulgarije 10%.
In 1941 ontstond, gesteund door Hitler, de onafhankelijke staat Kroatië, o.l.v. Ante Pavelic. Het doel van deze Pavelic was een etnisch zuiver Kroatië. De Ustasja’s, een fascistische paramilitaire organisatie wilden dit d.m.v. terreur onder de minderheidsgroepen bereiken. De Rooms-Katholieke kerk in de persoon van bisschop Stepinac collaboreerde met de fascistische leiders van Kroatië. Kroaten (Ustasja’s) en Serviërs (Cetniks) slachtten elkaar af. Er vielen meer doden dan in de Partizanenoorlog tegen de Duitsers. Holen en ravijnen die tot massagraven dienden werden na de oorlog door Tito dichtgemetseld. Tito stelde toen een verbod in op het oprakelen van het verleden. Dat werd een politieke doodzonde waar dwangarbeid op stond. De Ustasja’s en de Cetniks waren verantwoordelijk voor de martelingen en massamoorden in de Tweede Wereldoorlog. De Cetniks hebben inderdaad duizenden communisten en Kroaten vermoord, maar in omvang en wreedheid waren zij in geen geval gelijk te stellen aan de Ustasja’s. Zij begonnen nog vóór Tito’s partizanen de Duitse bezetter te bestrijden o.l.v. Draza Mihajlovic. Daarna begonnen zij ook te vechten tegen Tito’s partizanen. De reden waarom de geallieerden na de Tweede Wereldoorlog niet de Cetniks steunden, maar de communistische partizanen is gelegen in het feit dat Mihajlovic in 1943 een verbintenis aanging met Hitler tegen de partizanen.
In de oorlog beloofde Tito de diverse nationalistische gebieden autonomie in ruil voor steun tegen Hitler.
Na de oorlog wilde Tito een buffer schuiven tussen Serviërs en Kroaten en bedacht daarom de politieke truc om een land van moslims te “ontdekken”. Mensen die moslim zijn maar van oorsprong Serviër of Kroaat.
In 1948 rebelleerde Tito tegen Stalin en legde hij daarmee tijdens de Russische economische blokkade en militaire dreiging de basis voor een nationale eenheid. Iedere vorm van kritiek werd onderdrukt. Het communisme moest het bindmiddel zijn om al die volken bijeen te houden. Het verenigd Joegoslavië werd in 1961 de leider van de ongebonden landen in de wereld. Tito was daarmee de leider geworden van een blok dat naast het Sovjetblok en het Amerikaanse blok invloed kon uitoefenen op het wereldgebeuren. Dit verschafte Tito in binnen- en buitenland een immens prestige.
Joegoslavië was een buffer tussen de zuidflank van de NAVO en het Warschaupact. Hieraan dankte het dan ook zijn grote politieke belang in de wereld. Als de Sovjetunie in 1980 na de dood van Tito geprobeerd zou hebben een machtsvacuüm op te vullen en Joegoslavië in het door haar geleide communistische kamp terug te halen, zou dat als een bedreiging van de NAVO-landen zijn gezien en een oorlog zou onvermijdelijk zijn geweest. Het ging tenslotte om het machtsevenwicht in de wereld. Door de politiek van Gorbatsjov verloor Joegoslavië zijn strategisch-politiek belang.
Na Tito’s dood zouden 8 vicepresidenten bij toerbeurt het land besturen. De economische
situatie was echter catastrofaal. Het noorden, Slovenië en Kroatië, was geïndustrialiseerd.
De bevolking van deze gebieden had eigenlijk niet de bereidheid het onderontwikkelde zuiden
uit de moeilijkheden te halen. Eigenlijk stuitte de erfenis van Tito op een aantal problemen:
- de kloof tussen het rijkere noorden en het arme zuiden;
- de ambities van Servië;
- de bestaande grondwet gaf de federale regering volstrekt onvoldoende macht;
- de bond van communisten was gesplitst in groepen die elkaar per republiek beconcurreerden.
Fabrieken en collectieve landbouwbedrijven begonnen eind jaren ’80 te weigeren hun producten af te leveren, zolang ze van de overheid in Belgrado geen toestemming kregen hun prijzen te verhogen of deviezen te krijgen van de centrale overheid om hun ondernemingen voort te kunnen zetten.
In een communistisch land zijn de gevolgen van zo’n actie ernstig, omdat de bureaucratie in de centrale planning niet snel genoeg kan reageren om de ontstane tekorten in de winkels onmiddellijk te dekken.
Het systeem van arbeiderszelfbestuur had tot verlaging van de productiviteit en van de lonen geleid, terwijl de prijzen in verhouding sterk stegen. Westerse mede-eigenaren van Joegoslavische ondernemingen waren boos over de lage opbrengsten. De levensstandaard daalde tussen 1980 en 1986 met 30%. De kritiek op de overleden Tito werd steeds groter.
Volgens Servië wilde Tito met de invoering van de nieuwe grondwet in 1974, die de grote mate van zelfstandigheid van de verschillende Joegoslavische republieken vastlegde, bewust zijn eigen republieken Kroatië en Slovenië bevoordelen.
In 1987 volgde een golf van stakingen en politieke onrust. Er werd geprotesteerd tegen loonmaatregelen. Een campagne van nationalistische Serviërs zorgde in 1988 voor het gedwongen ontslag van de leiding in de Joegoslavische provincie Vojvodina. Van juni tot oktober trokken zo’n 3 miljoen mensen van de ene stad naar de andere om te eisen dat Servië meer te zeggen zou krijgen over de provincies Kosovo en Vojvodina, die een grote mate van autonomie hadden. De Serviërs streefden naar een wijziging van de grondwet die hun het feitelijke bestuur over de twee provincies zou geven.
Die ‘veldtocht’ begon omdat de Serviërs en Montenegrijnen zich in Kosovo door de Albanese meerderheid (87%) onderdrukt en weggepest voelden. Slobodan Milosevic begreep dat hij met deze lang onderdrukte nationale gevoelens een machtig wapen in handen kon hebben. Hij begon zich als woordvoerder van de Serviërs op te werpen, zweepte hen op, zuiverde zijn tegenstanders weg uit partij en pers en verwierf binnen twee jaar vrijwel de alleenheerschappij in Servië.
Zijn oplossing voor de problemen: Een sterk Servië is een sterk Joegoslavië. De invloed van Servië in het federale bestuur zou toenemen als de macht van de deelrepublieken zou worden ingeperkt. Servië zou dan 5 (Servië, Vojvodina, Kosovo, Montenegro en Macedonië) van de 8 stemmen hebben. Wel duidelijk was op dat moment dat een Servische overheersing zoals die voor de Tweede Wereldoorlog bestond, voor met name Slovenië en Kroatië onaanvaardbaar zou zijn. Natuurlijk gingen de Albanezen in Kosovo weer de straat op om te betogen tegen de republiek Servië (al in 1981 waren de onlusten in Kosovo hevig geweest). Milosevic zette de federale overheid onder druk om de Albanese leiders van het protest te arresteren op basis van contrarevolutionaire activiteiten. In de propaganda werd de grotendeels islamitische Albanese bevolking op een gemakkelijke manier vereenzelvigd met de islamitische Turken uit de geschiedenis. De mummie van vorst Lazar werd 600 jaar na de historische veldslag naar het lijsterveld in Kosovo teruggebracht, op 28 juni 1989 (St. Vitusdag!)
Gebeurtenissen uit de vaderlandse geschiedenis kregen nu een nieuwe, revolutionaire functie. Was ook niet de bevrijdende moord op de onderdrukkende Oostenrijkse kroonprins op 28 juni 1914 geweest?! De nationale religie, de Servisch-orthodoxe kerk, kreeg op diezelfde dag in 1989 een nieuwe kerk, het nationale heiligdom in Belgrado.
Servische politici en de gelijkgeschakelde pers praatten graag over de misleide Albanezen, die door een kleine groep nationalistische leiders werden opgehitst. De doorsnee-Serviër is de mening toegedaan dat een Albanees, die hij cultureel ver onder zich voelt staan, helemaal geen eisen mag stellen en zich maar moet aanpassen.
Milosevic zette zijn Albanese marionetten op sleutelposities in de partij en het provinciebestuur.
De vooruitstrevende deelrepublieken Slovenië en Kroatië konden het dogmatische Servië niet overhalen een meerpartijenstelsel in te voeren. De Communistische ideologie begon als bindmiddel van de Joegoslavische volken weg te vallen.
De politieke crisis was alleen oplosbaar door de republieken meer autonomie te geven, maar de economische crisis verlangde eigenlijk een grote gemeenschappelijke krachtsinspanning.
Gedurende het jaar 1990 werden in alle Joegoslavische republieken verkiezingen gehouden.
In Kroatië won in mei de Kroatische Democratische Unie (HDZ), de nationalistisch ingestelde partij van ex-generaal Franjo Tudjman, de verkiezingen. Elementen in die partij maakten aanspraak op Bosnische gebieden, die vroeger deel uit hadden gemaakt van het fascistische Kroatië. De Serviërs zagen dit als een bedreiging. De communistische partij in Servië o.l.v. Milosevic zag alleen in een sterker Joegoslavië de oplossing voor de crisis. De verkiezingsoverwinning van Tudjman was een bedreiging voor dat streven. Steeds meer werd de nationalistische kaart gespeeld. Dat leidde tot vreemde situaties en valse informatieverstrekking via de gecontroleerde media.
Zo werd bijvoorbeeld in juli 1990 in Servië een plan aan het parlement voorgelegd om kinderloze echtparen een extra belasting op te leggen (hierdoor zou indirect het geboortecijfer stijgen), terwijl in Kosovo de Albanezen zouden worden beboet voor te grote kindertallen.
Serviërs werden angstig gemaakt voor een Groot-Kroatisch streven, daarbij werd vermeld dat de HDZ bestond uit Ustasja’s. Ook werd angst opgeroepen voor een Groot-Albanees streven, dat islamitisch georiënteerd zou zijn. De oprichting van de Islamitische Partij voor Democratische Actie van Alija Izetbegovic in Bosnië-Herzegovina werd ook gebruikt om de Serviërs angstig te maken voor een islamitische dreiging. Hierbij werd steeds weer verwezen naar de Turks-islamitische overheersing in de voorgaande eeuwen.
De grootste fout van Tudjman was dat hij na zijn grote verkiezingsoverwinning de Servische minderheid in Kroatië volkomen negeerde. Daardoor kon Milosevic inspelen op de angst voor een herlevend fascistisch Kroatië. 40% van het grondgebied van Kroatië werd daarom opgeëist door Servische groepen. Tudjman had bij voorbaat elke vorm van politieke autonomie voor Serviërs uitgesloten. De Servische pers maakte handig gebruik van o.a. de invoering van de rood-wit geblokte Kroatische vlag (Dat was de vlag van het fascistische Kroatië uit de Tweede Wereldoorlog) en de door Tudjman gecontroleerde Kroatische pers wees de Kroaten erop dat de Serviërs niet deugden. Politie, veiligheidsdienst en media werden gezuiverd van Serviërs.
In december 1990 waren er verkiezingen in Servië. De socialisten (voorheen communisten) van Milosevic beheersten de media volledig. Zij wonnen de verkiezingen. Na alle verkiezingen bleven slechts in Servië en Montenegro de communisten aan de macht. Hier bleven staatseigendom en staatsbedrijven bestaan, terwijl in de andere republieken geprivatiseerd werd.
Intussen konden de federale instellingen praktisch niet meer functioneren, want de betalingen aan de federale schatkist werden drastisch verminderd. Minderheden in Kroatië die bang gemaakt waren voor een Kroatisch onafhankelijkheidsstreven werden bewapend.
Kroatië en Slovenië begonnen in 1991 met de opbouw van eigen legers.
Slovenië en Kroatië wilden een confederatie, een losser verband (een beetje vergelijkbaar met de huidige E.U.). Daarmee zou het politieke overwicht van Servië teniet gedaan worden. Maar de Serviërs in hun gebied wilden in dat geval de onafhankelijkheid. De door Servië voorgestane bondsstaat, waar in Belgrado in de twee kamers van het parlement bij meerderheid beslissingen moesten worden genomen, werd door Slovenië en Kroatië volledig afgewezen. Zij zouden constant weggestemd worden. Daarom stelden zij een datum, waarop hun ultimatum voor veranderingen zou aflopen en zij uit de Joegoslavische federatie zouden stappen. Toen die datum naderde spoorde Servië de Joegoslavische federale overheid aan om via het leger Slovenië en Kroatië terecht te wijzen. De oorlog die daarop volgde (27 juni 1991)leidde tot een nederlaag van het federale leger in Slovenië en de onafhankelijkheid van Slovenië. De voornaamste reden dat dit kon gebeuren was dat er zich in Slovenië geen minderheidsgroepen bevinden.
In Kroatië lag dat even anders. Daar waren o.a. Roms (zigeuners), Hongaren en zeer grote groepen Serviërs.
Krajina, een gebied in het westen van Kroatië riep op zijn beurt de onafhankelijkheid uit. De Kroaten die daar woonden voelden zich toen op hun beurt weer bedreigd. De diverse Servische milities begonnen terroristische acties, zoals begin april 1991 in het natuurpark van Plitvice. Krajina werd uitgeroepen door haar leiders tot “onafscheidelijk deel van Servië” als gevolg van een referendum. Op dat moment was de situatie onomkeerbaar, want dit hield in dat er eisen kwamen dat de binnengrenzen van Joegoslavië herzien werden. Alleen oorlog kon het vervolg zijn. De Serviërs begonnen een offensief om die gebieden van Kroatië waar zij aanspraak op maakten bij een Groot-Servië (Klein-Joegoslavië) te trekken. Perfect uitgevoerde guerrilla, waartegen de slecht bewapende Kroaten niet bestand waren.
De internationale politiek inzake Joegoslavië was wereldvreemd en incompetent gebleken. Men dacht nu met de erkenning van Slovenië en Kroatië een vrede te kunnen afdwingen (jan. 1992). In Krajina waren de Marticevci bewapend. Dit waren ongeregelde Servische troepen (meestal politieagenten, die door de Kroatische regering waren ontslagen). De conflicten die gedurende 1991 plaatsvonden werden in het begin meestal uitgelokt door de Kroatische autoriteiten. Zij waren een gevolg van de machtsstrijd om 3 districten ten zuiden van Zagreb tussen Tudjman en Milosevic (via de leider van Krajina, Babic). Er werden discriminerende maatregelen tegen Serviërs genomen. De Serviërs (600.000) werd culturele autonomie geweigerd, mochten hun eigen schrift niet gebruiken, Servische politie in Servische districten, zoals Krajina werd vervangen door Kroaten, lokale bestuurders werden ontslagen.
Serviërs werden bewapend om de Kroatische politiebureaus te bestormen. Als een burgemeester weigerde schakelden de Marticevci hem uit. Het federale leger scheidde de vechtende partijen, maar beschermde tevens de territoriale winst van de Servische milities! De Cetniks en de Marticevci slachtten na elke verovering de Kroatische dorpelingen af. Tegelijkertijd werden Serviërs geïntimideerd en stonden zij bloot aan willekeurig geweld in door Kroaten beheerste gebieden. Vanaf augustus 1991 begonnen gerespecteerde Serviërs hier te verdwijnen t.g.v. ontvoeringen. Het aantal aanslagen op Serviërs nam toe.
In april 1992 vond een uitbreiding van de oorlog plaats. Er kwam een onmiddellijke reactie op de onafhankelijkheidsverklaring van Bosnië-Herzegovina, na een referendum aldaar. Paramilitaire eenheden als de Arkanovci begonnen de steden in oost-Bosnië-Herzegovina te chanteren. De bevolking werd opgeroepen de wapens neer te leggen en vervolgens gingen zij tot de aanval over. Het patroon was hetzelfde als in Kroatië: Eerst beschoot de artillerie langdurig de stad of het dorp, daarna trokken de strijdgroepen er binnen, dan werd er geplunderd en tenslotte trok het federale leger binnen om de vrede te bewaren.
In juni sloot de Bosnische president Izetbegovic een akkoord met de Kroaat Tudjman, daarmee toestemming gevend aan Kroatische troepen om de strijd aan te binden met de Servische milities die tweederde van Bosnië-Herzegovina hadden veroverd. Het was een noodsprong van de slecht bewapende moslims, want Kroatië was een onbetrouwbare bondgenoot. Kroatië was sinds het begin van de oorlog éénderde van zijn grondgebied aan de Serviërs kwijtgeraakt. Om in het zadel te blijven had Tudjman een succes nodig. West-Herzegovina -waar de Kroaten veelal een meerderheid vormen- inlijven zou zo’n succes zijn.
De HOS-militie van de extreemrechtse Kroaat Paraga opereerde in dat gebied en begon concentratiekampen op te zetten. Hetzelfde deden de Arkanovci en Cetniks aan Servische kant in het door hen beheerste gebied.

De E.U. maakte de fout in te gaan op een van de voorstellen tot een oplossing, namelijk de deling van Bosnië-Herzegovina in 3 etnische kantons. Het bespreekbaar maken hiervan gaf Serviërs én Kroaten eigenlijk een volmacht hun ‘gerechtvaardigde’ strijd voort te zetten. Maar we weten dat er geen etnische gebieden waren! De samenstelling van de bevolkingsgroepen verschilde per dorp. De etnische zuiveringen die nu door Serviërs en Kroaten werden uitgevoerd zorgden juist voor het ontstaan van etnische kantons, want het aantal vluchtelingen en de moordpartijen namen in omvang snel toe. Vooral Karadzic beijverde zich voor een Servische republiek in Bosnië-Herzegovina, dat zich t.z.t. zou moeten aansluiten bij een Groot-Servië. Hij begon in april ’92 samen met het ‘gezuiverde’ federale leger aan de etnische zuiveringen. Dit gebeurde d.m.v. gedwongen vertrek van niet-Serviërs, moordpartijen, platbranden van wijken, concentratiekampen en achtervolging van vluchtelingen.
De VN- politiek inzake Bosnië-Herzegowina was zwak ten gevolge van meningsverschillen in de internationale politiek en van tegengestelde belangen van de wereldgrootmachten. De USA werd het niet eens met haar Europese bondgenoten, De E.U. was met o.a. Griekenland als splijtzwam t.a.v. het probleem Macedonië intern sterk verdeeld. Het gevoel van verwantschap tussen Serviërs en de Russische bevolking was te groot om Rusland op één lijn met het westen te brengen in haar politiek.
De VN en de NAVO konden dus geen consequent beleid voeren op de Balkan en werden daarom gebruikt door mensen als Karadzic. Stapje voor stapje werden beslissingen afgezwakt, teruggedraaid of in hun tegendeel gewijzigd.
De internationaal erkende staat Bosnië-Herzegowina staat nu (sept.’95) op het punt om werkelijk opgedeeld te worden in twee entiteiten, de Moslim-Kroatische federatie en de Bosnisch-Servische Republiek.
De belangrijkste achtergrond hiervoor is het feit dat het de Kroatische regering lukte na de beëindiging van de oorlog tegen Klein-Joegoslavië haar staats- en militaire apparaat snel op te bouwen. Zo snel dat het in 1995 in staat was West-Slavonië en de Krajina te heroveren op de Kroatische Serviërs. Deze vluchtten in grote getale naar Servië, waar ze vaak een tweede keer door Belgrado werden teleurgesteld. De eerste teleurstelling was het feit dat Belgrado hen niet te hulp schoot tegen de Kroatische aanval. De tweede teleurstelling was dat zij of direct doorgestuurd werden naar Bosnië, waar de mannen direct naar het front werden gestuurd, of dat zij gehuisvest werden in Kosovo, om het Servische element daar te versterken tegenover het Albanese element, wat tenslotte tot een gelijkluidende situatie zou kunnen leiden als waar zij uit gevlucht zijn.
De Groot-Servische gedachte, die vele Kroatische-en Bosnische Serviërs beheerst, is door Milosevic losgelaten. Zijn macht in Klein-Joegoslavië is verzekerd en het doel is nu de opheffing van de internationale sancties tegen zijn land. De ‘veroorzaker’ van de Joegoslavische crisis wordt een respectabel man en zelfs pleitbezorger voor de vrede in Bosnië-Herzegowina.
Met de uitschakeling van de Servische Republiek in Krajina en de opmars van het Moslim-Kroatische leger in Bosnië werd de positie van de Bosnische Serviërs -die inmiddels wel 70% van het Bosnische grondgebied in handen hebben- verzwakt. Aan de verzwakking van die positie wordt ook bijgedragen door de NAVO, die nu in staat is acties uit te voeren, omdat bondgenoten Frankrijk, Groot-Brittannië en de USA tot overeenstemming kwamen. (Alleen Jeltsin biedt weerwerk onder druk van de Russische publieke opinie).
Het principeakkoord over vrede in Bosnië dat op 8 sept. ’95 bereikt werd door de partijen biedt vooralsnog geen werkelijk uitzicht op een oplossing van het conflict. Men werd het weliswaar eens over de splitsing in twee gebieden, maar wie krijgt welk gebied?
Vrijwel alle gebieden worden elkaar betwist door Moslims, Kroaten en Serviërs. De Serviërs moeten 21% van het door hen gecontroleerde gebied afstaan. Beide (toekomstige) gebiedsdelen zullen het recht krijgen relaties aan te gaan met hun buurlanden, “zolang dit in overeenstemming is met de soevereiniteit en territoriale integriteit van Bosnië-Herzegovina” Dus de Moslim-Kroatische federatie mag banden onderhouden met Kroatië en Bosnisch-Servië met Klein-Joegoslavië. Die banden mogen echter “het voortbestaan van de republiek Bosnië-Herzegovina niet in gevaar brengen”. Dit ziet uit naar een situatie waarbij de Moslims het kind van de rekening kunnen worden.
Volgens het principeakkoord moeten verder vluchtelingen “de mogelijkheid krijgen terug te keren naar plaats van herkomst, en moeten zij eigendommen terugkrijgen of een geëigende compensatie krijgen”. Zal het Servische gedeelte de terugkeer van moslims toestaan? Laten de Kroaten in het Bosnische gedeelte van de Krajina weer Serviërs toe na alles wat zich heeft afgespeeld? Het mag wel duidelijk zijn dat de resultaten van de in veel gevallen succesvolle strijd van ‘etnische zuivering’ teruggedraaid zullen worden door de belanghebbende partijen. Eerder ziet het er naar uit dat nog vele mensen huis en haard in de steek zullen moeten laten om tot een totale uitruil van gebieden te komen, waarna de grens getrokken kan worden. En dat is nu juist de ‘oplossing’ die het westen altijd afgewezen heeft!
Men vermoedt dat de Basken afstammen van een vóór-Indo-Europese volksstam. In hun taal zouden Kaukasische of Afrikaanse wortels zijn te herkennen. Het Baskisch is 1 van de slechts 2 talen die niet verwant zijn aan de overige talen die in Europa worden gesproken. Aangrenzend woont in Frankrijk ook een Baskische bevolkingsgroep.

Euskadi (Baskenland)
Vóór de Indo-Europese volksverhuizingen in het Neolithicum werd het Iberische schiereiland bewoond door Iberiërs en Basken. Over de oorsprong van deze volken is weinig bekend. Men denkt dat ze rond 5000 v.C. vanuit Klein-Azië via Noord-Afrika in Spanje terecht zijn gekomen. In ieder geval vestigden zich hier volken aan de Middellandse Zeekust die later in contact kwamen met de mediterrane koloniale culturen van Grieken en Phoeniciërs (Carthagers). De Iberische cultuur beleefde een hoogtepunt in de 6de eeuw v.C., waarna de Iberische volken dieper het binnenland introkken en zich vermengden met de Kelten.
Men vermoedt dat de Basken afstammen van een vóór-Indo-Europese volksstam. In hun taal zouden Kaukasische of Afrikaanse wortels zijn te herkennen. Ze kwamen in de Bronstijd op het schiereiland aan en zouden afstammen van de Cro-Magnon-mens. Ze woonden in de Pyreneeën en trokken zich uiteindelijk terug in de bergen, het huidige Baskenland. Daar wisten de Basken alle invasies van andere culturen en talen te weerstaan, met name van de Kelten, die wel grote invloed uitoefenden op de rest van Spanje.
De Kelten
De Kelten kwamen in de 8ste eeuw v.C. over de Pyreneeën naar het schiereiland. De toestroom duurde tot in de 6de eeuw v.C., waarbij de Kelten zich over het gehele noorden verspreidden. Ze vestigden zich alleen in gebieden die niet door de Iberiërs waren bewoond. Cantabrië en Asturië zijn namen van Keltische oorsprong (Kent-Aber betekent Hoek der golven en As-Thor Hooggebergte). In deze streek werden resten van Keltische dorpen aangetroffen, castros genaamd, waar ongeveer 30 tot 40 gezinnen woonden in ronde leistenen huizen met een dak van stro.
In enkele gebieden vermengden de bevolkingsgroepen zich en vormden zo de Kelt Iberische Stammen, met als belangrijkste vestigingsplaats Numancia, bij het huidige Garray.
De Romeinen
In de 3de eeuw v.C. begonnen de Romeinen ook Spanje te koloniseren. De Punische oorlogen, waarin de Romeinen en de Carthagers om de heerschappij van he Middellandse Zeegebied streden, hadden alleen invloed op de Spaanse kust. Nog voordat de Carthagers van het Iberisch schiereiland waren verdreven had de Romeinse senaat al besloten de veroverde gebieden in twee provincies in te delen: Hispania Citerior aan de Middellandse Zeekust en Hispania Ulterior in Andalusië. Na 197 v.C. veranderde Rome zijn strategie in Hispania: tot dat moment had men zich beperkt tot militaire controle, maar nu werd daadwerkelijk begonnen met de kolonisatie van het land, omdat Rome grote behoefte had aan natuurlijke grondstoffen als gevolg van zijn expansionistische politiek. De bezetting van de kuststreken verliep vrij eenvoudig, maar hoe verder de Romeinse troepen in het binnenland doordrongen, des te sterker werd het verzet van de Kelt Iberische stammen van de meseta (hoogvlakte). De Lusitaniërs uit Portugal en de Kelt Iberiërs uit Numancia boden bittere tegenstand en het duurde tot 153 v.C. voordat de Romeinen Numancia veroverden.
Pas in 19 v.C., 200 jaar na het begin van de kolonisatie, kregen de Romeinen het gehele Iberische schiereiland in hun macht.
In het Middellandse Zeegebied en Andalusië werd de inheemse taal al snel vervangen door het Latijn. Op de meseta en in het noorden verliep de romanisering langzamer. Vanwege de waardevolle grondstoffen legden de Romeinen wel een zeer goed wegennet in het binnenland aan: ook nu nog volgen veel belangrijke wegen deze routes. De slaven uit het zuiden werden naar de mijngebieden van Galicië en León (goudmijnen) gestuurd, de oorspronkelijke bevolking werd in militaire dienst weggevoerd en droeg na terugkeer bij aan de verdere romanisering.
Het eerste contact met het christendom kwam rond het jaar 58 tot stand: in dat jaar wilde Paulus Hispania bezoeken. De kerstening begon in West-Andalusië. Onder Theodosius I (3de eeuw) kreeg de christelijke kerk vrijstelling van belastingen en groeide uit tot een machtige instelling.
De Westgoten en de Arabieren
In de 4de eeuw drongen de Hunnen vanuit Centraal-Azië Midden-Europa binnen, waar ze de volken verdreven die aan de grenzen van het Romeinse Rijk woonden. Deze Germaanse stammen trokken naar het westen waar ze het Iberisch schiereiland bereikten (Alanen, Sueven, Vandalen, West-Goten. Na enkele aanvallen van de Franken trokken de West-Goten zich zelfs helemaal op het Iberisch schiereiland terug (507). Zij brachten grote gebieden onder hun controle. De laatste streek die verzet bood, het Baskenland, werd in 624 onder West gotisch bestuur gebracht, maar nooit volledig onderworpen. Het Rooms-katholieke geloof werd in 587 definitief de staatsgodsdienst in dit rijk.
In 711 staken de Arabieren over naar Spanje. Zij kwamen op verzoek van een aantal West-Gotische bestuurders die hun interne problemen niet konden oplossen. De Berber Tarik stak over naar Gibraltar en veroverde in vier jaar tijd heel Spanje. De moslims eisten nooit religieuze onderwerping en vonden steun bij Joodse groeperingen, die door de West-Goten onderdrukt werden. Met behulp van de Basken, die zich in de bergen van Navarra hadden teruggetrokken werd een verbond gesloten tegen Karel de Grote. De Arabische stadhouder van Zaragoza had in 778 namelijk de hulp ingeroepen van Karel de Grote, die niet alleen voor de Arabieren, maar ook voor de Basken een bedreiging bleek te vormen. Karel werd gedwongen Spanje te verlaten toen de Saksen in het noorden van zijn rijk in opstand kwamen. Bij zijn terugtocht stak hij bij Roncesvalles de Pyreneeën over en liet daar een achterhoede van 20.000 man achter met twaalf van zijn beste ridders, waaronder Roeland, hertog van Bretagne. Zij werden in Roncesvalles door de Basken overvallen en allen gedood.
De Reconquista
Alleen het aller noordelijkst gebied van Spanje werd niet door de moslims veroverd, en zou gaan uitgroeien tot het koninkrijk Asturië, dat langzaam maar zeker de Islam uit Spanje zou verdrijven. In de 10de eeuw was het koninkrijk Asturië-Léon uitgebreid tot aan de Duro. Het Baskische koninkrijk Navarra reikte met haar invloedssfeer tot de Pyreneeën, waar zich kleine onafhankelijke staten hadden gevormd: Ribagorza, Sobrarbe en het door Karel de Grote veroverde Frankische graafschap, dat zich van Urgell tot Barcelona uitstrekte. De bergstaten lagen zo afgelegen dat zij tot de 12de eeuw onafhankelijk konden blijven.
De Reconquista, de herovering van Spanje door de christenen begon al in de 10de eeuw. Na Ibn Abi Amir al-Mansoer (940-1022) viel het islamitische rijk uiteen in verschillende stammenrijken, zoals Toledo en Sevilla. De christelijke staten waarin onderling nog sterk verdeeld.
In 1212 werden de Moren in de Slag van Las Navas de Tolosa echter vernietigend verslagen door de gezamenlijke legers van Alfons VIII van Castilië, Peter II van Aragon en Sancho VII van Navarra. Het was de laatste grote slag tussen christenen en Moren: hierna begon de teloorgang van Al-Andalus.
De intellectuele bloei werd vooral bevorderd door Alfons X (1221-1284) van Castilië. Vele Arabische geschriften werden vertaald en er vond een culturele versmelting plaats.
Door het huwelijk van Ferdinand en Isabella versmolten Aragon en Castilië letterlijk tot één koninkrijk. In 1512 werd ook Navarra in het Spaanse koninkrijk opgenomen.
Ontwikkelingen vanaf de 20ste eeuw
In de 20ste eeuw stonden in Spanje twee sociale groeperingen tegenover elkaar: de ene was een reactionaire, agrarische stroming die de middeleeuwse feodale verhoudingen voorstond; de andere was een moderne, industriële groepering die voortbouwde op de ontwikkelingen van het 19de -eeuwse Europa. De pijlers van de wankelende Spaanse landbouw waren de grootgrondbezitters in het zuiden en zuidoosten, de kleine bedrijfjes in heel het noorden en de pachtboerderijen in de rest van het land. De industriële centra waren beperkt in aantal: in het noorden de mijnen en de metaalindustrie met daarnaast de textielindustrie in Catalonië.
Er ontstond een arbeidersklasse met revolutionaire ideeën. De socialisten verspreidden zich over de meseta, de mijngebieden in de bergen en de industriële regio’s van Lëon, Asturië en Baskenland.
De oorlogen die Spanje voerde tegen Cubaanse separatisten en tegen de USA (op Cuba en op de Filipijnen) bracht Spanje in 1898 twee zware nederlagen. Het gehele koloniale rijk was in rook opgegaan. Deze rampzalige nederlagen waren nog niet verwerkt toen het onafhankelijkheidsstreven van Baskenland en Catalonië vaste vorm begon te krijgen.
Na een tijdelijke economische bloei in de Eerste wereldoorlog waren er steeds opnieuw opstanden onder arbeiders en boeren.
Terwijl het parlement onmacht tentoonspreidde, deed generaal Primo de Rivera in 1923 een greep naar de macht. De revolutionairen en vakbonden gingen zich ondergronds organiseren. De economische problemen werden zo groot dat Rivera zich in 1930 gedwongen zag af te treden. De republikeinen wonnen de verkiezingen en de koning werd gedwongen het land te verlaten. Catalonië kreeg een eigen regering en men begon met landbouwhervormingen. Maar de werkloosheid bleef hoog. Bij de verkiezingen van 1932 won rechts waarop Spanje uiteen begon te vallen (stichting van een radenrepubliek in Asturië). Weer nieuwe verkiezingen zorgde voor een overwinning van het Volksfront, een coalitie van arbeiderspartijen en republikeinen. Rechts was echter niet onder de duim te houden en in 1936 ondernam generaal Franco vanuit Marokko een staatsgreep die werd gesteund door extreemrechts (Falange), de katholieke kerk en door de Carlisten in Navarra. De burgeroorlog was een feit. De bevolking viel in twee delen uiteen: de republikeinen en de nationalisten. Op 1 april 1939 eindigde de oorlog en vele republikeinen gingen in ballingschap in Frankrijk, Engeland of Latijns-Amerika.
Na de Tweede Wereldoorlog
De economische problemen spitsten zich toe in de jaren vijftig. Toenemende arbeidsonrust dwong tot opening van de handels- en kapitaal markt en tot loononderhandelingen. Het militaire verbond met de USA, de toetreding tot de VN in 1953 en het lidmaatschap van de OESO maakten een einde aan het isolement van Spanje. In de daaropvolgende periode werd de industrie opgebouwd, vooral in de grensgebieden, waar de grondstoffen en de havens waren te vinden. Baskenland en Catalonië maakten in deze periode een snelle ontwikkeling door.
Maar de zware industrie bleek niet te kunnen concurreren op de wereldmarkt, bovendien
zorgde de oliecrisis in de jaren zeventig voor economische stagnatie, gepaard gaan met inflatie, werkloosheid en een nieuwe emigratiegolf van gastarbeiders. Na de eerste verdragen met de EG kon de economie zich geleidelijk herstellen.
In 1975 stierf Franco en besteeg Juan Carlos de troon. In de nieuwe grondwet werden Baskenland, Galicië en Catalonië autonome regio’s (1983). Zij kregen daarbij het recht op het gebruik van de eigen taal in het onderwijs en het ambtelijk verkeer. In de meeste streken is de verhouding tot de centrale overheid sindsdien ontspannen, alleen in Baskenland bleef de onafhankelijkheidsbeweging ETA terreuraanslagen plegen
ETA
De Basken traden nooit op als één politieke eenheid. In de middeleeuwen sloten de drie provincies, elk met behoud van eigen privileges, persoonlijke unies met de vorst van Castilië. Het eerste pan-Baskisch nationalisme ontstond aan het eind van de vorige eeuw. En een gewapend onafhankelijkheidsstreven groeide pas uit het verzet tegen de Franco-dictatuur, met de geboorte van de ETA in 1959
In 1973 bliezen ETA-leden met een zware bom admiraal Carrero Blanco, de rechterhand van Franco, op. Zij werden door de hele Spaanse oppositie tot helden uitgeroepen. ETA werd niet zozeer als de strijder van een onafhankelijk Baskenland gezien, als wel als symbool van het verzet tegen de dictator.
Francisco Franco stierf in 1975, daarna begon de Spaanse regering onderhandelingen met Catalonië, Galicië en Baskenland. In 1979 resulteerde dat voor Baskenland tot de autonomiestatuten van 1979. De grootste Baskische partij, de PNV zag dit als de eerste stap in de richting van een zekere vorm van onafhankelijkheid van Spanje.
De drie voornaamste ontwikkelingen op weg naar Baskische onafhankelijkheid werden achtereenvolgens in 1986, ’87 en ’88 zichtbaar. Na 20 jaar gewapende actie kwam ETA tot het inzicht dat ze geen ‘militaire overwinning’ kon bereiken; dat de aanslagen Madrid niet op de knieën kregen en evenmin een volksopstand in het Baskenland zouden uitlokken. Geheime onderhandelingen van ETA-leider Txomin mislukten in 1986. Het leidde er wel toe dat minister Solana in 1987 officieel verklaarde dat Madrid contacten had gelegd met de ETA. Die contacten verliepen met horten en stoten omdat ETA-acties voor lange onderbrekingen zorgden.
In 1986 werden de historische ETA-leiders Txomin, Antxon, Txikierdi en Mamarru gevangen gezet. Dat was een klap voor de organisatie, maar onder Paco Mugica ‘Artapalo’ werd de ETA streng geleid. Mamarru en Txikierdi begonnen vanuit de gevangenis een muiterij tegen de meedogenloze Artapalo.
Ondertussen speelde zich nog een omwenteling af in Baskenland. De PNV ging in 1988 overleggen met andere democratische partijen, hetgeen in 1988 uitmondde in het Pact van Ajuria Enea, een verenigd front tegen het geweld. Hierbij eiste men van de ETA dat het de wapens neer zou leggen, omdat de ETA niet gelegitimeerd is om in naam van het Baskische volk te spreken.
In 1989 begon de Spaanse regering in Algerije (de uitwijkplaats van ETA-terroristen) te onderhandelen met de ETA. Voor het eerst was er een wapenstilstand.
De hefboom van de ETA-leiders bij onderhandelingen met Madrid was de sympathie die een deel van het Baskische volk voelde voor sommige van hun eisen. Die sympathie ligt bijvoorbeeld bij de amnestie voor gevangen of voortvluchtige ETA-activisten.
Democratisering en integratie in de EG werden voor de Basken echter veel belangrijker dan het achterhaalde ideaal van een onafhankelijk Baskenland, dat alleen geldigheid had binnen de dictatuur die Spanje was.

De huidige ontwikkeling
Bij de laatste verkiezingen in oktober 1994 kalfde de aanhang van Herri Batasuna (HB), de politieke tak van de afscheidingsbeweging ETA verder af. Zij beschikt nu nog over 11 van de 75 zetels in het Baskische parlement.
De conservatieve Nationale Baskische Partij (PNV) heeft 22 zetels, de Baskische socialisten (PSE-EE) heeft er 12. Samen met de rechtse Partido Popular deelt HB de derde plaats in het parlement. Het betekent dat één op de zes Basken nog steeds op de politieke tak van de ETA stemt. Maar sinds 1987 is de dalende populariteit van de radicaal nationalistische partij duidelijk waar te nemen. Men hoopt dat bij elke verkiezingsnederlaag van HB, de gematigde factie binnen de ETA aan invloed zal winnen. Hoe meer HB verliest, hoe moeilijker het zal worden voor de haviken binnen de ETA de terreurcampagne voort te zetten. Kennelijk is de ETA-leiding er van overtuigd geraakt dat terreur niet meer loont, want de laatste maanden is het aantal aanslagen en ontvoeringen afgenomen.
Binnen de top van de ETA speelt zich een strijd af. Sinds de vrijwel complete ETA-top in 1992 in Frankrijk werd gearresteerd, rommelt het. Er is een steeds kleiner wordende harde kern die de strijd zonder concessies wil voortzetten, totdat Baskenland onafhankelijk is. De gematigden krijgen echter de overhand. Zij vinden dat onderhandelingen met de Baskische en de Spaanse regering de enige manier is om nog enig resultaat te boeken na 26 jaar strijd en 800 politieke moorden. De gevangen ETA-leden (ruim 500 man achter de tralies.) behouden hun ‘stemrecht’ binnen de organisatie, en zijn het totaal oneens met het nieuwe ETA-bestuur.
Madrid wijst directe onderhandelingen over de politieke eisen van de ETA af. Zij wil alleen praten over zaken als strafvermindering voor ETA-terroristen, terwijl de Baskische regering pas met ETA gaat onderhandelen als de afscheidingsbeweging onvoorwaardelijk de wapens neerlegt. En dat heeft ETA tot nu toe altijd geweigerd.
De weer eens door een economische crisis geplaagde Basken putten moed uit de gebeurtenissen van de afgelopen drie maanden in Noord-Ierland. Als het daar kan, waarom dan niet in Baskenland?
Steeds meer steun voor terroristen weg (Palestijnen, Libië, Syrië, Oost-Europa en m.n. de DDR)) Samenwerking Frankrijk en Spanje na Franco.
Een geschiedenis van de Britse eilanden
- De mens in de prehistorie
Het is niet precies bekend hoe oud de aarde is, maar toch wel enkele miljarden jaren. We hebben de geschiedenis ervan in 4 tijdvakken verdeeld, waarvan de jongste, waarin wij leven, het quartair heet.
Tot nu toe gaande oudste sporen van menselijk bestaan zo’n 7 miljoen jaar terug. Deze mensachtigen kenden geen andere hulpmiddelen dan die zij in de natuur vonden, zoals stokken en stenen. Pas later leerden ze het bewerken van hout, been en steen, het prepareren van huiden, het maken van vuur en het pottenbakken. Het hout dat ze gebruikten is in de meeste gevallen vergaan. Daarom noemen we deze tijd naar de overgebleven resten, het stenen tijdperk.
Tegen 3000 v.Chr. leerden de mensen in Voor-Azië bronzen voorwerpen te maken en omstreeks 1500 v.Chr. volgde ijzeren voorwerpen. Voorwerpen van deze metalen werden voor het eerst op de Britse eilanden gebruikt vanaf respectievelijk ca.1600 v.Chr. en 650 v.Chr.
Aan het begin van het quartair bedekten gletsjers uit het noorden een groot deel van de eilanden. Toen het ijs zich terugtrok lag daar een toendralandschap. Elk voorjaar trokken er uit het zuiden rendierkudden binnen en achter hen aan kleine groepen jagers. Bewerkte stenen voorwerpen getuigen nog van deze bewoners.
Toen het klimaat weer warmer werd, verdwenen de toendra’s en hun bewoners. Er vestigden zich rond 8000 v.Chr. jagers en vissers in dit gebied en vanaf 4000 v.Chr. werd in Zuid-Engeland landbouw beoefend. De eerste grotere nederzettingen ontwikkelden zich.
De Drentse hunebedden en ander stenen bouwwerken, die verspreidt liggen langs de kust van de Atlantische Oceaan, dateren uit de periode van het einde van de steentijd, rond 2000 v.Chr. De meest indrukwekkende megalieten (grote stenen) zijn te vinden in Bretagne en Engeland. In Bretagne de menhirs, een groot aantal lange, loodrecht geplaatste stenen, in Engeland bij Sarum (Salisbury) de tempel van Stonehenge. Toen deze laatste werd gebouwd was de bronstijd al begonnen.

- De ontwikkeling van cultuur en maatschappij
Honderdduizenden jaren hebben mensen geleefd in kleine groepen, die de grootste moeite hadden in leven te blijven. Er werd gejaagd en voedsel verzameld door zowel mannen als vrouwen. Als het jachtgebied was uitgeput moesten ze weer verder trekken. De ontwikkelingen in cultuur verliepen uiterst langzaam.
Na 9000 v.Chr. begon hierin verandering te komen, toen er een begin werd gemaakt met akkerbouw in het Midden-Oosten. De overgang van jagen en verzamelen naar akkerbouw voltrok zich het meest volledig in Mesopotamië (het huidige Irak) en Egypte. Akkerbouw werd daar, dankzij de vruchtbare grond, de hoofdzaak. Men ging zich vestigen en er kwam voedsel voor meer mensen, de bevolkingsdichtheid nam toe. Zo ontstonden grote dorpen en later steden. Bovendien kwam er tijd vrij voor andere dingen dan de zorg voor het voedsel.
Vanaf dit ogenblik ontwikkelde de beschaving zich sneller dan ooit eerder het geval was geweest. In uitvindingen (het maken van brons, het wiel), wetenschap (sterrenkunde), kunst (bouwkunde), godsdienst en politiek (het vormen van staten) kwam men tot zodanige prestaties, dat wij zijn gaan spreken van ‘hogere’ culturen.
Een nadeel van deze ontwikkeling was het ontstaan van grote verschillen in bezit. Diegenen die over veel akkers beschikten, kregen tenslotte steeds meer macht en konden de armen voor zich laten werken.
Oorspronkelijk vormde elke familie een groep, samengesteld uit gezinnen. Toen de familie talrijker werd groeide ze uit tot een stam. Zij stonden vijandig tegenover andere stammen wanneer hun belangen botsten. Er was wel regelmatig uitwisseling van jonge mensen tijdens (jaar)markten. Het terrein van zwakkere stammen kon worden overgenomen en deze versmolten met de overwinnaars. Zo ontstond een staat, die alle bewoners van een bepaald gebied omvatte. Er ontstond een nieuwe vorm van bestuur, waarin vermogenden en priesters leiding gaven. Als hoofd van de staat werd de aanvoerder tijdens oorlogen een vorst, die zorgde voor veiligheid en rechtspraak.

- De Kelten
Rond 1300 v.Chr. bevond zich aan de oevers van de Donau in Zuidoost-Europa een gemeenschap van boeren. Zij verbrandden hun doden en begroeven hen in urnen. In de Zwitserse Alpen, in de Champagne en in Zuid-Duitsland zijn restanten van hun nederzettingen gevonden. Overal waar zij zich vestigden namen ze een belangrijke plaats in. De Grieken noemden hen Keltoi en de Romeinen namen later die benaming over.
De Keltische taal werd ten tijde van Julius Caesar (40 v.Chr.) de voertaal van heel West-Europa. De taal was rijk, poëtisch en mystiek. De Kelten creëerden hun epische verhalen en legenden. De Keltische taal bestaat nog steeds in de twee varianten van het Welsh- en Ierse Gaelic. Rond 1000 v.Chr. zien we Keltische krijgers, die in hun strijdwagens lange tijd onoverwinnelijk waren, vanwege de lange ijzeren zwaarden, waarmee ze naar het voetvolk hieuwen. Ze werden met complete strijdwagens en bijgiften in het graf gelegd. Tussen 900 en 500 v.Chr. trokken deze Kelten over het Kanaal Brittannië binnen. Ze versmolten geleidelijk aan met de al aanwezige bevolking.
De Kelten maakten strijdwagens, prachtige sieraden van goud, zilver en brons, aardewerk met golvende patronen en tunieken in verblindende kleuren. Hun barden zongen lofliederen op hun goden. De Kelten kenden vele stamhoofden en koningen, met elkaar verbonden door generaties van bloedbroederschap en een clientèle systeem. Deze samenleving was voor de Romeinen te ongeordend. Zij raakten rond 40 v.Chr. volop in strijd met de Keltische stammen van Frankrijk en België (de Galliërs en de Belgae). Julius Caesar onderwierp deze stammen. De Belgae, die hem het felst hadden bestreden vestigden zich hierna in Brittannië. Van hieruit ondernamen ze plundertochten naar het vasteland
In het zuidoosten van het Britse eiland was een groter koninkrijk ontstaan met als hoofdstad Camulodunum (Colchester). Hoewel dit vooral een agrarisch rijk was, had het ook een levendige handel ontwikkeld met het continent (graan, huiden, vee, goud, zilver, ijzer, lood, tin, jachthonden en slaven). Hierdoor werd de levensstandaard van de Keltische adel vergroot en werden ze aangetrokken door de Romeinse beschaving. De Romeinen waren tolerant op godsdienstig gebied, maar ten aanzien van de Keltische druïden maakten ze een uitzondering. Deze zouden mensenoffers brengen. In 43 n.Chr. liet keizer Claudius dit gebied onderwerpen door zijn legioenen.
Onder Claudius hadden de Romeinen hun bezit uitgebreid tot aan de Humber in het noorden, en tot Cornwall en Wales in het westen. In 59 n.Chr. werd de hoofdzetel van de druïden, het eiland Mona, bezet. Er brak een grote opstand uit tegen het harde optreden van de Romeinen. De Iceni en de Trinovantes vernietigden de Romeinse steden Camulodunum, Verulamium (St.Albans) en Londinium (Londen), waarbij 70.000 Romeinen om het leven kwamen. Uiteindelijk werd de opstand neergeslagen en pleegde koningin van de Iceni, Boadicea, zelfmoord. De Romeinse gouverneur Agricola onderwierp tussen 77 en 84 n.Chr. Noord-Engeland en versloeg in Schotland de Caledoniërs.
De vroege Kelten hebben zelf geen geschreven bronnen nagelaten. Onze kennis over hen komt van opgravingen en wat de Grieken en Romeinen over hen hebben geschreven. De Romeinen kwamen voor het eerst met hen in contact, toen een aantal Keltische stammen de Alpen overtrokken en zich in Noord-Italië vestigden in het gebied van de Etrusken. De Kelten verjoegen de Etrusken uit de Po-vallei. Hun buren, de Romeinen, noemden het gebied vanaf die tijd Gallia Cisalpina (Gallië aan deze kant van de Alpen) en Frankrijk Gallia Transalpina (aan de de andere kant). Pas toen de Ieren in de 4de eeuw overgingen op het Christendom, gingen ze hun mondelinge literaire tradities opschrijven.


De Gundestrupketel
Dit is een product van een Thracisch-Keltische mengcultuur, die vanuit Oost-Europa in Denemarken terecht is gekomen. De ketel is bijna 9 kilo zwaar en versierd met pictogrammen in hoog reliëf die een mythe weergeven van een koning die wordt geboren en wedergeboren door de interventie van een godin. Het is een meesterwerk van de voorhistorische kunst in Europa.
De Kelten leefden vooral van de veeteelt, zowel rondtrekkend als nomaden als na hun vestiging in Brittannië. In Caesars tijd werden al zeer veel mantels van schapenwol uit Brittannië geïmporteerd. Volgens Caesar geloofden de Kelten in persoonlijke onsterfelijkheid. De wereld na de dood leek op deze wereld, zo dachten zij.. Ze kenden heilige bomen, rivieren en bronnen. In deze wateren zijn zeer veel voorwerpen gevonden die waarschijnlijk offerandes waren. In het hoofd zetelde de ziel. De hoofden van verslagen tegenstanders werden meegenomen en thuis tentoongesteld. Ook weer volgens Julius Caesar waren de druïden een soort priesters van de Keltische godsdienst, maar droegen zij ook kennis over en verzorgden de rechtspraak. Door de aanwezigheid van tinmijnen in Brittannië (brons is een legering van tin en koper) was er sinds de 6de eeuw v.Chr. al een intensieve handel met de Griekse stadstaten. De Grieken noemden de inwoners van de Britse eilanden Pretani. De Romeinen latiniseerden dit tot Brittones. Het is de Romeinen nooit gelukt heel Brittannië te veroveren. Ierland en Schotland zijn buiten schot gebleven. De Kelten kenden oppida, forten die vooral op heuvels werden gebouwd. In eerste instantie werden deze gebouwd als toevluchtsoord, vaak met genoeg ruimte om het vee te laten grazen. Het waren ook handels- en opslagplaatsen. De oppida konden zich tot steden ontwikkelen. Het bekendste voorbeeld hiervan is Parijs, genoemd naar de stam die hier controle uitoefende.
Op het hoogtepunt van hun expansie leefden de Kelten in een gebied dat zich uitstrekte van het uiterste westen van Europa tot in het huidige Turkije. Zij vormden echter nooit 1 groot rijk. De opkomst van het Romeinse Rijk en van de Germaanse stammen in het noorden dreven de Kelten naar gebieden waar ze nu nog leven, nl. Bretagne, Wales, Schotland en Ierland.
Beroemde Keltische manuscripten stammen uit de tijd na de bekering tot het christendom. De twee bekendste zijn: The Book of Kells en The Book of Durrow. Daarnaast kennen we vooral de Keltische kruisen, die stammen uit de periode van de 7de tot en met de 12de eeuw. Deze hoogkruisen hebben een gevarieerde geometrische decoratie. Vanaf de 9de eeuw zijn de eerste scènes uit het Oude Testament te zien. Bij het kruis van Muiredach zijn de echte decoratieve elementen alleen op de zijkanten en op de voet. De panelen tonen Bijbelse scènes en natuurlijk de kruisiging van Christus. Verhalende kunst was nieuw voor de Kelten, want tot die tijd was hun kunst versierend en symbolisch geweest.

Het kruis van Muiredach in Monasterboice, County Louth, Ierland. 10de eeuw.
- De groei naar eenheid
Gedurende de 6de en 7de eeuw waren er grote ontwikkelingen te zien in de kloosters van Engeland en Ierland. De Kelten en de Angelsaksen bleken enthousiaste bekeerlingen van de Romeins-katholieke kerk en er kwam op de eilanden een sterke vermenging van Keltisch/Angelsaksische en christelijke cultuur tot stand. Vervolgens verspreidden zij door hun missiewerk deze mengcultuur over grote delen van Europa. De monniken van Engeland en Ierland gingen zo de toekomst van het middeleeuwse christendom vormen. Het voortbestaan van heidense gewoonten, vooral met nieuwjaar, midzomer en Halloween vormde een belangrijk element in het leven van de gewone man in de middeleeuwen.
Een missie van de paus aan de ene kant en Ierse monniken aan de andere kant zorgden voor de bekering van de Angelsaksen. Augustinus kwam in Engeland (597 n.Chr.) in een nogal primitieve samenleving terecht, waar niet veel herinnerde aan de Romeinse invloed. Op dat tijdstip groeiden er 7 koninkrijkjes uit de chaos van kleine staatjes, die gevormd waren tijdens de Angelsaksische invasies van het eiland in de 5de eeuw. Deze nieuwe koninkrijken waren: Kent, Wessex, Sussex, Essex, East-Anglia, Mercia en Northumbria. Deze landen bloeiden in geestelijk opzicht vooral op door de boekproductie van de vele kloosters die waren gesticht. Een van de belangrijkste epische verhalen uit die periode (700) is Beowulf. De kerstening van Europa kwam op gang vanuit deze landen (Bonifatius ca. 680-755).
Onderstaande kaart laat de invloed zien van monniken die naar het vasteland trokken om het evangelie te prediken. De kloosters die ze stichtten werden centra van geletterdheid en van religieus leven.

- Saksen en Noormannen in Engeland

De golf van Viking-invasies was enorm in omvang. Van Scandinavië tot in het Middellandse Zeegebied en van de Britse eilanden tot ver in Rusland en naar Constantinopel. In Rusland en Normandië wisten zij zich permanent te vestigen.
De lange strijd tegen de Denen in de negende en tiende eeuw zorgde voor de eenwording van Engeland. Met zijn broer was Alfred de Grote (871-899) degene die uiteindelijk in 885 een vredesovereenkomst sloot met de Denen, het Angelsaksische militaire systeem reorganiseerde en een vloot liet bouwen, alsmede een keten van forten op strategische punten, om toekomstige aanvallen van de Vikingen te weerstaan. Hij probeerde ook het voortdurende verlies aan kennis te stoppen. Kennis ging al lange tijd verloren doordat de Vikingen vele kloosters vernietigden. Alfred moedigde zelfs leken aan om lezen en schrijven machtig te worden. Als koning hielp hij zelf met het vertalen van belangrijke Latijnse werken in het West Saksische dialect. Daarnaast stelde hij wetboeken samen.
Zijn zoon Edward (899-925) en zijn kleinzoon Aethelstan (925-939) veroverden Oost-Schotland tot aan Edinburgh op de Denen. Het verschil tussen de Deense en Saksische bewoners van Engeland bleef echter bestaan, de Denen met hun eigen wetten, tradities en gewoonten te midden van de Angelsaksen.
De eerste Engelse shires of graafschappen waren administratieve gebieden geweest binnen het koninkrijk Wessex en de kleinere koninkrijkjes die door Wessex waren geannexeerd. (o.a. Kent, Sussex en Essex). In de gebieden die heroverd werden op de Denen werden graafschappen gecreëerd rond de forten en ieder graafschap kreeg de naam van zijn belangrijkste burcht: Nottinghamshire en Nottingham, Cambridgeshire en Cambridge, Bedfordshire en Bedford, enz.
De monarchie was in theorie een keuzekoningschap, maar de keuze bleef in de praktijk beperkt tot de nakomelingen van Alfred. In ieder graafschap had de koning een vertegenwoordiger, die zich alleen aan hem hoefde te verantwoorden, de shire-reeve, of sheriff. De koning benoemde ook de bisschoppen en abten en beschouwde hen als een onderdeel van zijn regering.
In de 11de eeuw vond weer een invasie door Denen plaats in Engeland onder leiding van koning Sven en diens zoon Knut. De Engelse koning Edmund Ironside maakte een afspraak met Knut om Engeland onderling te verdelen en als een van hen stierf, zou de overlevende over het hele gebied regeren. Al snel hierna overleed Edmund en Knut werd koning van heel Engeland (1016-1035). Aangezien zijn zoons ruzieden om de Deense troon werd de jonger broer van Edmund na zijn dood tot koning gekozen (Edward de Belijder).
Door familiebanden van Edward met de hertog van Normandië kwamen veel Normandische edelen in het bezit van leengronden. Er ontstond een breuk tussen deze Normandiërs en de adellijke Angelsaksen. Toen Edward kinderloos stierf, zag z’n neef Willem de Veroveraar zijn kans schoon de Engelse troon in handen te krijgen. In 1066 ondernam hij een invasie in Engeland met de steun van de paus. De laatste zag z’n kans schoon de Engelse kerk onder controle te krijgen. De bisschoppen in Engeland werden namelijk al heel lang door de koning benoemd. Vandaar dat de paus de aanspraken van Willem op het land graag erkende.

Detail van het Wandtapijt van Bayeux. Het toont de dood van koning Harold bij de slag om Hastings in 1066. (Schatkamer van de kathedraal, Bayeux; Giraudon)
- Het beperkte koningschap van Engeland
Om het land beter te kunnen controleren liet Willem in elke borough een kasteel bouwen. De beroemdste van deze kastelen is de Tower of London. Kent kwam in zijn geheel onder z’n halfbroer, de bisschop van Bayeux. Als de Saksen in opstand kwamen, kon die opstand woden neergeslagen vanuit de kastelen (Arundel, Hastings, Lewes, Pevensea, Bramber etc.). Niet alleen de Saksen vormden een bedreiging voor de Normandiërs, ook de Noormannen, Wales en het koninkrijk Schotland waren vijanden. De nieuwe staat die in de 12de eeuw hieruit groeide, was niet Saksisch en niet Normandisch, maar een versmelting van die twee. Er werd een complete inventarisatie van het rijk gemaakt, die bekend staat als het Domesday Book uit 1086.
Engeland werd al snel de belangrijkste wol producent van Europa. Vlaanderen werd het centrum van de wol- en lakenhandel in West-Europa. Met de komst van de Normandiërs werd de wijnhandel tussen Zuid-Frankrijk en Engeland steeds belangrijker. Dit herstel van de handel betekende een groeiende behoefte aan muntgeld. In West-Europa waren geen goudmijnen, de zilveren munt vormde de basis (pound-sterling). De grootste bankiers waren de Orde der Tempeliers en de Hospitaalridders.
De Kruistochten ter ‘bevrijding van het Heilige Land’ waren in volle gang. Paus Innocentius III gebruikte deze kruistochten ook om zijn macht over de Europese koningen te vestigen. Zo moest de Engelse koning Richard Leeuwenhart persoonlijk op kruistocht gaan. Op de terugweg door Oost-Europa werd hij gevangen genomen om zoals gebruikelijk in die tijd tegen losgeld vrijgelaten te worden. Z’n broer John regeerde tijdens Richards afwezigheid. Hij weigerde het losgeld te betalen en kwam keer op keer in aanvaring met de paus. Deze periode kennen we vooral uit de geromantiseerde verhalen over Robin Hood en Ivanhoe. Hierin is John de slechterik. Feit is echter dat onder zijn bestuur het beter ging met het land dan eerder onder Richard.
Zowel Richard als John probeerden de koninklijke macht te vergroten. Richard was de beste militaire leider van zijn tijd, maar hij gebruikte Engeland als zijn bron om oorlogen tegen Frankrijk en een kruistocht te financieren. Onder John bloeide de Engelse handel. Er ontstond een sterke klasse van kooplieden en rijke landeigenaren, maar het inkomen van het bestuur bleef gelijk. John wilde dat het mee zou profiteren van de nieuwe rijkdom. Met zijn nieuwe belastingen joeg hij de baronnen tegen zich in het harnas. Bovendien raakte hij Normandië kwijt. Geen wonder dat de baronnen in 1215 een gewapende opstand begonnen. Zij eisten hervormingen. John zag zich gedwongen toe te geven en dit resulteerde in een document, dat bekend staat als de Magna Carta. Hierin werden de verhouding tussen kerk en staat en tussen de koning en zijn vazallen geregeld. Er kwam ook een verandering in de rechtspraak. Deze Magna Carta ging de basis vormen voor parlementaire controle op de belastingheffing en voor onderwerping aan rechterlijke procedures voor ‘iedere vrije man’. Hiermee werd de koning aan de wet onderworpen.
Onder John’s zoon Henry III grepen de baronnen daadwerkelijk de macht, maar daarna raakte ze onderling verdeeld, waardoor Edward I (1272-1307) de koninklijke macht kon herstellen. Sinds de verovering van Engeland door Willem de Veroveraar, hadden de baronnen en ridders van Engeland constant oorlog gevoerd tegen de Welsh. In de bergen hielden de Welsh stand. Edward I drong hen terug tot in de bergen en bouwde een aantal grote kastelen rond dat gebied. Zo werden de Welsh gedwongen zich te onderwerpen. Schotland wist voorlopig een onafhankelijk koninkrijk te blijven.
De bouwkunst
De Christelijke kerk had in de vierde eeuw vaste grond onder de voeten gekregen, maar werd bijna vernietigd door de Angelsaksen. Van die oudste kerken resteert niet veel. Er stond in 597 al een kathedraal in Canterbury en in de 7de eeuw waren er grote kerken in Londen, York, Lichfield, Winchester, Hereford en Worcester. Hier bleef niets van over. Met de komst van de Normandiërs werd een nieuwe architectuur geïntroduceerd. Deze Noormannen hadden zich in 911 in Noord-Frankrijk gevestigd en in 1066 stak een leger over naar Engeland. De Normandische architectuur wordt gekenmerkt door rondbogen, verdiepte deurstijlen en ramen met rondbogen, alsook roosvensters.. Ze kent dikke muren, ronde zuilen, die de arcaden van het schip dragen. De klokkentorens zijn versierd met rijen kleine bogen en de daken zijn piramidaal. De versieringen hebben zigzag lijnen en dierfiguren. Ze kent ook primitieve gebrandschilderde ramen. De gewelven zijn zwaar en hebben de vorm van een ton. Ze werden gedragen door even massieve ribben tussen de dragende zuilen en de muren.

In alle Romaanse gebouwen waren de stenen daken ongelooflijk zwaar. Er waren dus dikke muren nodig om de constructie te kunnen dragen. Om de muren niet te verzwakken konden er slechts kleine ramen in. Ze waren daarom somber en donker. Ze werden wel de forten van God genoemd. Vooral in de 10de en 11de eeuw werd zo gebouwd. Zeer praktisch want men had behoefte aan kastelen in die tijd. Er werden wel veel ornamenten gebruikt. In de voorportalen was veel beeldhouwwerk met scenes uit de bijbel te vinden. De figuren waren bedoeld als symbolen en niet als portretten.. Een veel gebruikt motief was de vier levende wezens die in de Apocalyps worden genoemd -de man, de leeuw, de os en de adelaar- die geacht werden de vier evangelisten Mattheus, Marcus, Lucas en Johannes te verbeelden. Een duif stond voor de kerk, een lam voor Christus, een lelie voor de zuiverheid, een roos voor het bloed van de martelaren, een netel voor de kwade krachten. Hier werden de Gregoriaanse liederen eenstemmig gezongen.
De 12de eeuw bracht een nieuwe bouwstijl. Door de contacten met het Moorse Spanje en met het Midden-Oosten (de Kruistochten) kwamen architectonische vernieuwingen naar Europa. Men leerde kruisbooggewelven te maken, waardoor de daken niet meer een enorme druk op de muren uitoefenden. Dit betekende dat de kerken hoger konden zijn en dat het mogelijk werd grotere gebrandschilderde ramen in de muren te plaatsen. Deze nieuwe stijl staat bekend als de Gotische stijl.

- De Honderdjarige oorlog
De Honderdjarige oorlog tussen Engeland en Frankrijk was niet echt één oorlog, maar een reeks van oorlogen. Tenslotte ontstond er in Frankrijk als gevolg van deze oorlogen een soort nationaal gevoel, dat de Franse koning hielp onafhankelijker te worden van zijn leenmannen.
De Honderdjarige oorlog, 1360

Hoewel Henry III in 1259 afstand had gedaan van zijn aanspraken op Normandië, Maine, Anjou en Poitou, bleef het hertogdom van Aquitanië in zijn bezit. Dit werd erkend door de Franse koning Lodewijk IX. In z’n streven meer macht over z’n leenmannen te verkrijgen, werd ook de Engelse koning aangepakt. Toen diens neef, Alfons van Poitou, kinderloos overleed, kreeg hij het gebied niet, waar hij volgens het erfrecht graaf behoorde te worden. De Engelse koning werd hiermee geschoffeerd. Ook de piraterij op elkaars handel zorgde voor oorlogsdreiging tussen Frankrijk en Engeland. Een derde twistpunt was het ingrijpen van de Franse koning in Vlaanderen. De Engelsen wilden niet dat hun belangrijkste wolmarkten in Vlaanderen onder zijn gezag kwamen.
De verhouding tussen de twee landen werd nog vreemder toen achtereenvolgens Lodewijk X in 1316, Philippe V (1322) en Charles IV (1328) zonder een zoon na te laten overleden. Plotseling werd de Engelse koning Edward III een potentiële troonopvolger.
De machtshonger van zowel de nieuwe Franse koning, Philippe VI, als van z’n Engelse tegenhanger bracht oorlog tussen beide landen. Engeland had toen een inwonertal van 3,5 miljoen en Frankrijk had 16 miljoen inwoners.
De oorlog kwam voornamelijk neer op grote plundertochten van de Engelsen in Frankrijk en het nemen van gijzelaars tegen losgeld. De boerenbevolking was het grootste slachtoffer van deze strijdwijze. Vooral wanneer er (tijdelijk) een einde kwam aan een oorlog, want dan werden de huursoldaten niet meer betaald. Deze trokken dan in groepen plunderend door het land. Tenslotte vielen de Engelse forten in Frankrijk stuk voor stuk en werd er in 1396 een twintigjarige wapenstilstand gesloten.
Tijdens de Honderdjarige oorlog waren de machtsverhoudingen in Engeland gewijzigd. Niet langer bepaalde het aantal ridders te paard de kracht van een heer, maar geld. Het parlement werd daarom ook gespitst in een Hogerhuis (House of Lords), die als raadgever van de koning functioneerde, en een Lagerhuis (House of Commons), waar vertegenwoordigers van de steden en graafschappen in zaten. De aparte vergadering van het Lagerhuis dateert van 1341. In eerste instantie mochten zij alleen maar goedkeuren wat de koning en het Hogerhuis hadden besloten en petities aan hen aanbieden. Maar langzamerhand kreeg het Lagerhuis steeds meer bevoegdheden ten aanzien van belastingheffing. De strijd om het koningschap tussen Richard II en Henry IV werd beslecht toen tenslotte het parlement de laatste tot koning koos. Een precedent was geschapen, want Richard was de wettelijke erfgenaam. Hierdoor verstevigde het parlement z’n macht.
- De Zwarte Dood
De veertiende eeuw was ook de eeuw van de grote pestepidemieën. Vlooien afkomstig van geïnfecteerde ratten, besmetten mensen met de pestbacil. Builenpest en longpest zorgden gedurende de eeuw voor de dood van een derde tot de helft van de Europese bevolking. Door ondervoeding waren velen nog gevoeliger voor deze ziekte. Veel mensen geloofden dat de pest expres werd veroorzaakt door vergiftiging. De joden zouden hieraan schuldig zijn. Het was tenslotte wel opvallend dat naar verhouding minder joden het slachtoffer van de ziekte werden, dan christenen. Er werden verschrikkelijke moordpartijen uitgevoerd op de joodse bevolking van Europa.

Een danse macabre: Skeletten dansen met figuren die de diverse lagen van de samenleving vertegenwoordigen. Gedeelte van een muurschildering in de abdijkerk, La Chaisse-Dieu, Haute Loire, ca.1460.
Een belangrijk gevolg van de Zwarte dood, zoals de pest werd genoemd, was een tekort aan arbeidskrachten in heel Europa. Overal in Europa kwamen boerenopstanden tegen de onderdrukkende maatregelen van de regeringen. Fanatieke religieuze meningen werden verspreid. Moordende bendes terroriseerden het land. Door dit alles verdween het lijfeigenschap. Grondbezitters huurden nu arbeidskrachten, of verpachtten hun land aan vrije boeren. Omdat er zoveel minder mensen waren, liep de handel terug en grote gebieden kwamen weer braak te liggen.
De meeste vijftiende -eeuwse kunstwerken toonden de verschrikkingen van de hel. De kerk moedigde niet het idee aan dat je na de dood rechtstreeks naar de hemel zou gaan. Integendeel, daar moest je wel voor betalen. Zonder dat kwam je eerst in het voorgeborchte, waar je pijn kon lijden, die alles overtrof wat je op aarde had meegemaakt. Rond 1400 werd nog een thema populair in de Europese kunst, de danse macabre, de dans van de dood. De oorsprong hiervan was een dertiende-eeuws verhaal over drie edelen die op een dag, tijdens een rit op het platteland, aangesproken werden door drie skeletten. Na wat heen en weer gepraat vroegen ze de skeletten wie zij waren en kregen ze te horen dat zij het zelf waren ergens in de toekomst. Nu werd overal in de kunst skeletten afgebeeld, die tussen de levenden dansten. Er ontstond echter ook een nieuwe schilderstijl die gevuld was met leven en licht. Deze stijl noemen we internationaal gotisch en het wordt gekenmerkt door een sierlijk lijnen spel, heldere kleuren en veel decoratief detail. Twee grote dichters kwamen uit Engeland, William Langland (ca. 1332-1400) en Geoffrey Chaucer (ca. 1340—1400). Langland ’s Piers Plowman is het enige grote werk uit de middeleeuwse literatuur dat geschreven is vanuit het gezichtspunt van een arme dorpsgeestelijke en de boeren tussen wie hij leefde. Het richt zich vooral tegen misstanden in de kerk:
See there a pardoner preaching like a priest
A papal bull he brought sealed by the bishop
If the bishop were holy and worth both his ears
He would not send his seal to deceive the people
But against the bishop your pardoner preacheth not
For the parson and the pardoner share the sermon-silver
Which the parish poor would get if the pardoner were away.
Chaucer is vooral bekend om zijn Canterbury Tales. De pelgrims, zoals ze beschreven worden in de proloog, geven ons een prachtig overzicht van die tijd, van de nobele ridder tot de onbehouwen molenaar, van de zachtaardige abdes tot de arme parochiepriester. De Canterbury Tales vormen een soort medley van alles wat de laat middeleeuwse literatuur te bieden heeft.
In de bouwkunst maakten de rondbogen van de Normandische periode eerst plaats voor de lichtere, hoge, spitsbogen in de omlopen, vensters en portalen. De kathedraal van Salisbury (1220-1258) is daar een uitstekend voorbeeld van. De volgende fase 1250-1380) in de Engelse gotische architectuur is vooral herkenbaar aan het stenen maaswerk in de grote vensterpartijen. In steen uitgevoerde ornamenteringen van dierfiguren, bloemmotieven werden op naturalistische wijze gehouwen. In de derde en laatste gotische fase (loodrechte of perpendicular gotiek, 1350-1550) wordt steeds meer gebrandschilderd glas toegepast. De waaiergewelven zijn prachtig.

Het koor van bisschop Fox

Kapel van Henry VII in Westminster Abbey. Het waaiergewelf oogt spectaculair
- De Rozenoorlogen (ca. 1455-1485)
Toen de legitieme erfgenaam Richard II werd afgezet ten gunste van Henry IV (1399) bleef er onenigheid in Engeland. Een groep van belangrijke edelen kreeg steeds meer politieke macht. Deze groep bestond uit zo’n 50 families, die onmetelijk rijk waren, de peers. De belangrijkste twee families, de Mortimers en de hertogen van York, vonden elkaar in het huwelijk tussen Anne Mortimer en Richard, de graaf van Cambridge. Hun zoon zou recht kunnen doen gelden op de Engelse troon. Engeland raakte verdeeld in een langdurige serie oorlogen toen Henry V stierf met achterlating van slechts een paar maanden oude kroonprins.
Deze Rozenoorlogen hadden relatief weinig effect op Engeland. Ze werden uitgevochten door edelen. Men lette er op dat een veldslag niet uitgevochten werd in een korenveld of op een akker. Londen en andere grote steden sloten gewoon hun poorten voor de strijdende partijen.
Toen Henry VII de troon besteeg (1485) was de middenklasse de strijd zat en steunde zij van harte een sterke koning, die de orde kon handhaven. Zo’n koning was Henry VII.

De slag bij Bosworth in 1485
- Het nieuwe koninkrijk van de Tudors
De grote families hadden elkaar in de Rozenoorlogen behoorlijk verzwakt. Koning en stedelingen profiteerden hiervan. Voortaan was het bij de wet verboden aan een edelman om er een eigen leger op na te houden. De koninklijke raad, the Star Chamber werd het hoogste rechtsorgaan. Hiermee werd de orde in Engeland hersteld.
Engelse Renaissance
In de 16de eeuw werden er in Engeland en Schotland slechts weinig kerken gebouwd. De Reformatie van de kerk was begonnen en de Renaissance beweging had tegelijkertijd Engeland vanuit Italië en Frankrijk bereikt. Gedurende deze periode (1550-1660) bestond er een grote vijandigheid tegenover ‘roomse’ praktijken, zoals de aanbidding van relikwieën en heiligen. Er vond een beeldenstorm plaats, waarbij veel heiligenbeelden werden vernietigd. In de 17de eeuw werd ook maar een enkele kathedraal gebouwd. Maar die uitzondering was dan ook speciaal. De gigantische gotische kathedraal van St. Paul in Londen verloor z’n hoge spits toen het in 1561 werd getroffen door de bliksem en verkeerde in verwaarloosde staat, toen de beroemde architect Inigo Jones tussen 1634 en 1643 aanving met de restauratie. Gelukkig had z’n opvolger Sir Christopher Wren al een blauwdruk voor de herbouw klaar liggen, toen in 1666 het gebouw in de as werd gelegd door de Grote Brand in Londen. De nieuwe kathedraal die Wren bouwde verschilt in elk opzicht van alle Engelse kathedralen die tot dan toe waren gebouwd. Het is eigenlijk on-Engels in stijl en de koepel is zelfs naar onze maatstaven gemeten een bijzonder architectonisch staaltje.

De prachtige St.Paul kent aan elke kant 4 traveeën. Hierlangs loopt in z’n geheel een kroonlijst, waarboven de ijzeren reling van de ramen. Rechts bovenin is een lichtbeuk van gewoon glas.

De bouw ving aan in 1675 en was in 1710 klaar. Het bijzondere is dat deze kathedraal door 1 man werd ontworpen en dat hij onder zijn leiding binnen zijn levensspanne werd voltooid.
In de 16de eeuw domineerde de strijd binnen de kerk en de afscheiding van protestanten de gebeurtenissen in Europa. Deze revolutionairen hadden tot doel de kerk weer te grondvesten op de bijbel in plaats van op de dogma’s en verordeningen die gedurende eeuwen het gezicht van de Rooms Katholieke kerk hadden bepaald.
Het gevolg was dat er door heel Europa godsdienstoorlogen ontstonden, die ook gebruikt werden door vorsten om hun wereldlijke macht te vergroten. Engeland is daarbij een mooi voorbeeld. Henry VIII (1509-1547) wist de koninklijke macht, die z’n vader al in de schoot werd geworpen door de burgerij, nog verder uit te bouwen door zichzelf hoofd te maken van de Anglicaanse kerk. Hierdoor vergrootte hij z’n macht ten koste van de paus. Eigenlijk veranderde in de kerk niet zo gek veel. Het bleef een kerk met een geestelijke rangorde (priesters, bisschoppen etc.), maar hoewel het uiterlijk katholiek bleef, kwamen er steeds meer protestantse ideeën in de Anglicaanse kerk. De katholieke Franse koning wilde z’n macht in Frankrijk versterken en vocht daarom met de protestanten in de Nederlanden tegen de katholieke Spaanse koning. De conclusie luidt dat het niet zozeer om godsdienstoorlogen ging als wel om machtspolitiek. Henry’s dochter Elizabeth I raakte natuurlijk ook betrokken bij deze internationale schermutselingen. Maar Engeland was een nog niet erg dicht bevolkt land (zeker niet sinds de Zwarte Dood). Het was nog lang geen wereldmacht. Toen aan de andere kant van de Noordzee de Nederlanders hun Spaanse koning kwijt wilden, deden ze hun land in de aanbieding bij de Franse kroonprins en toen hij geen koning van de Nederlanden wilde worden, probeerden ze Elizabeth over te halen hun vorstin te worden. Maar zij was net als de Franse prins bang voor de macht van de Spaanse Habsburgers, want het Spanje van die tijd kun je vergelijken met de USA in onze tijd. Elizabeth was wel bereid om Spanje lekker dwars te zitten, bijvoorbeeld door de kaapvaart, maar niet om de Habsburgers openlijk uit te dagen door het koningschap te aanvaarden van een gebied dat de Spaanse vorst als de zijn beschouwde. Bovendien had Elizabeth genoeg problemen om haar positie in Engeland zelf veilig te stellen. Ze was bang dat bij een oorlog tegen Spanje de Engelse katholieken zich tegen haar zouden keren. De katholieke Schotse koningin Mary, die 17 maanden koningin was van Frankrijk tot haar man vroegtijdig overleed en koningin van Schotland totdat ze werd verdreven door Calvinistische edelen, maakte aanspraken op de Engelse troon. Daarbij werd zij gesteund door de paus, de Jezuïeten, de koning van Spanje en de Engelse katholieken. Hoewel Elizabeth deze Mary Stuart in gevangenschap hield, werden er veel intriges beraamd tegen haar.
De Spanjaarden zouden de Nederlanden heroveren en dat land gebruiken als uitvalsbasis om een invasie in Engeland te plegen, waarna Mary Stuart op de Engelse troon gezet zou worden. Hierdoor werd Elizabeth gedwongen partij te kiezen. Mary werd na 20 jaar gevangenschap in 1587 geëxecuteerd en Elizabeth stuurde troepen onder de hertog van Leicester naar de Nederlanden om het Spaanse leger van de hertog van Alva te stoppen. De invasie met behulp van een gigantische Spaanse vloot, de Armada, liep uit op een grote mislukking. De Armada ging aan stormen, slecht leiderschap en aanvallen van Engelse en Nederlandse schepen ten onder in de Noordzee. Door deze nederlaag van Spanje werd de weg vrijgemaakt voor Nederlandse en Engelse handelsschepen om de wereldzeeën te bevaren en groeide Engeland door de toename van haar rijkdom uit tot wereldmacht nummer één.

Reconstructietekening van een houten openluchttheater in Cornwall, Universiteitsbibliotheek, Bristol.
Shakespeare en het Elizabethaanse toneel
Engeland kende in de middeleeuwen al een rijke toneeltraditie. Kerkelijk spel werdgedeeltelijk gemengd met wereldse kluchten en vormde een bont theaterspektakel. Op veel plaatsen werden op hoogtijdagen mysterie- en heiligenspelen opgevoerd. Men speelde op wagens of een houten podium. Maar in een aantal streken werden openluchttheaters opgebouwd. Het publiek zat op een ronde, houten tribune, waren tussen de zitplaatsen enkele podia waren neergezet. Daarop en op het middenterrein werd gespeeld door honderden amateurs.
In de 15de en 16de eeuw maakte men aan het hof kennis met toneel uit de Oudheid. Kunstenaars en geleerden kwamen uit heel Europa naar het hof. Op het vasteland was de Renaissance in volle gang. De hernieuwde belangstelling voor de kunst en cultuur van de oude Grieken en Romeinen kwam zo ook in Engeland.
Met de Renaissance-ideeën kwam ook de Reformatie in Engeland aan. De nieuwe religieuze denkbeelden veroorzaakten veel onrust. De mysterie- en heiligenspelen kregen een politieke lading. Geestelijken konden het toneel als wapen gebruiken in de godsdienstige ideeën-strijd. Een theatergezelschap vormde een bedrijf. Ze waren meestal de eigenaren van het theater waarin werd gespeeld en schreven stukken, speelden of regelden de financiën. Het was een soort familie van mannen, want een vrouw op het toneel was het toppunt van zedeloosheid. Dat kon niet. De vrouwenrollen werden daarom gespeeld door jongens, die nog niet de baard in de keel hadden. Een eigenaar was ook de leermeester van zo’n jongen die leerde acteren. Vaak erfde zo’n leerling de aandelen als z’n leermeester overleed en trouwde hij zelfs met de weduwe van zijn leermeester. Zo werden de aandelen binnen de groep gehouden. Als de acteur geen mede-eigenaar werd kon hij voor een termijn op contractbasis door een gezelschap in dienst worden genomen.

Het Swan theater in Londen. Dit is de enige oorspronkelijke tekening van de binnenkant van een Elizabethaans theater, gemaakt door de Nederlander de Wit, tijdens een reis naar Londen in 1596, Universiteitsbibliotheek, Utrecht.
Er werd voornamelijk in de namiddag gespeeld. Een trompetter kondigde de voorstelling om een uur of vier aan. Als er een zwarte vlag boven het theater werd geheven, wist men dat er een tragedie zou worden gespeeld. Een witte vlag betekende een komedie.
Het theater kende een open binnenplaats met daaromheen galerijen. Aan 1 kant bevond zich het grote podium met daarachter de kleedruimte. Boven de kleedruimte was een overdekt balkon gebouwd dat met 2 pilaren op het podium steunde. Rondom het podium waren de staanplaatsen, de duurdere zitplaatsen bevonden zich op de galerijen. Er was in totaal plaats voor zo’n 2000 bezoekers.
Er was een nijpend tekort aan geschikte stukken om te spelen. Nu de katholieke kerk buitenspel was gezet, waren de traditionele geestelijke stukken verboden. Toneel was big business geworden en koningin Elizabeth was ervan overtuigd dat gezonde concurrentie goed toneel opleverde. De concurrentie tussen gezelschappen nam toe en het publiek werd kritischer. Men had dus dringend behoefte aan goede stukken en iedereen die wilde schrijven kreeg de kans. Als je succes had was je toekomst verzekerd.
De theaters werden buiten de stad gebouwd zodat de puriteinse stadsbestuurders zich niet met het toneel kon bemoeien. Shakespeare was in het Globe-theater de vaste huisschrijver van de toneelgroep. In de zomer gingen de toneelgezelschappen op tournee door het land. Hun eigen theater was dan gesloten. In oktober begon het theaterseizoen weer en speelde men zoveel mogelijk in Londen. Als echter de pest z’n kop weer opstak, moesten de theaters dichten vroegen de toneelgroepen een tournee aan. Er moest tenslotte geld worden verdiend. Het was altijd afwachten welke groepen door Elizabeth gevraagd zouden worden. Zij koos de beste van het seizoen. Er waren dus stukken nodig die zowel bij het volk als aan het hof succes hadden.
- De groei van het Britse imperium
Onder James I werden na Elizabeth Engeland en Schotland verenigd in 1603, maar beide landen bleven soeverein met een eigen parlement, rechterlijke macht en wetten. Zijn zoon Charles I was minder succesvol. Het Engelse parlement kreeg genoeg van hem en de botsing leidde tenslotte tot de stichting van de Engelse republiek onder leiding van Oliver Cromwell. Economisch gezien ging het Engeland nu voor de wind. Het parlement had in feite de macht om economisch voordelige wetten aan te nemen, die nu niet meer konden botsen met de dynastieke belangen van de koning. De Republiek der Verenigde Nederlanden werd in een aantal oorlogen voorbijgestreefd. Voortaan mochten Engelse producten en koloniale goederen alleen nog maar met Engelse schepen worden vervoerd. Deze maatregel wurgde de Nederlandse handel en Engeland verwierf de grootste vloot ter wereld, waarmee haar macht steeds verder werd uitgebouwd.
Cromwell kreeg steeds meer tirannieke neigingen. Hij schakelde z’n tegenstanders in het parlement uit en regeerde verder met een zogenaamd ‘rompparlement’ bestaande uit jaknikkers. Toen hij z’n zoon als opvolger aanwees kon verzet natuurlijk niet uitblijven. De zoon overleefde z’n vader niet lang als politiek leider. Men koos toch maar weer voor een koning. Met Charles II verliep alles wel goed en James II (1685) gedoogde men in de verwachting dat z’n protestantse dochter zou opvolgen. Maar toen nog een jongetje werd geboren dat katholiek werd opgevoed, was de maat weer vol. James werd afgezet en men verzocht zijn dochter Mary II om koningin te worden. Ze deed dat alleen op voorwaarde dat haar man koning zou worden. In ruil tekende het echtpaar een document, waarin de controlerende rechten van het parlement werden vastgelegd. Deze gebeurtenis staat bekend als de Glorious Revolution en vormde het begin van de democratische ontwikkeling in West-Europa.
Het huwelijk van Mary Stuart en Willem van Oranje (stadhouder Willem III in de Nederlanden) bleef kinderloos en de dynastieke lijn eindigde. De nieuwe vorst George kwam uit de familie die Hannover bestuurde. Onder deze ‘Duitse’ dynastie begon Engeland aan de uitbouw van haar koloniale rijk. Amerika werd gebruikt als oplossing voor de slechte levens- en werkomstandigheden in Engeland zelf. Bezit werd steeds belangrijker en op overtredingen ten aanzien van bezit stonden zware straffen. De diefstal van een portemonnee kon al leiden tot de doodstraf. Amerika werd gebruikt als een soort open gevangenis, waar men de probleemgevallen van de Engelse samenleving kon dumpen.
De overzeese gebieden die Engeland verwierf, lagen verspreid over de hele aardbol en telden vele volken, talen en godsdiensten. Ze verschilden daardoor sterk van elkaar. Behalve koloniën met een grote groep Europese kolonisten, waren er ook gebieden waar bijna geen Europeanen woonden. Daardoor ontwikkelden de gebieden zich in een verschillend tempo en werden ze op verschillende manieren bestuurd.
In de Engelse kunst vormde de natuur het centrale thema. De natuurschilder bij uitstek was Turner (1775-1851). Dikwijls zijn de voorwerpen op z’n schilderijen nauwelijks te herkennen, zozeer domineren de nevelachtige kleuren de vormen. Hij werd een voorloper van de impressionisten, die in navolging van hem in de open lucht gingen werken.

- Het British Empire
Het verbod op de slavenhandel verminderde de belangstelling voor de Afrikaanse koloniën (Gambia, Sierra Leone, Goudkust) en in 1865 werd zelfs overwogen ze op te geven. De groeiende Engelse handel en industrie zochten nieuwe afzetmarkten in Zuid-Amerika, Indië en China. Nieuw verworven bezittingen dienden om de handelsroutes over zee te beveiligen (Singapore 1819, Falklandeilanden 1833, Aden 1839), om markten te openen (Hongkong 1841) of, na het verlies van Noord-Amerika, om Britse emigranten op te nemen {1806/1814 de Kaapkolonie, 1829 West-Australië, 1814/1840 Nieuw-Zeeland).
Ondanks de toenemende concurrentie van de USA, Duitsland en Japan, hield Engeland vast aan de vrijhandel. Het beschikte in 1880 over 46% van de wereldhandelstonnage. De Britse leiding op de wereldmarkt werd beschermd door de versterking van het imperium. Naast de economische en politieke belangen speelde de overtuiging mee dat het de plicht was van de Britten om de vooruitgang in de wereld en de beschaving te bevorderen.
In 1875 werden Egyptische Suezkanaal-aandelen gekocht om de zeeweg naar Indië te beschermen. Voor het prestige van het land werd Victoria keizerin van Indië gemaakt (1877), want de vorming van het Duitse keizerrijk in 1871 werd als een uitdaging voor de Engelse suprematie beschouwd. De verwerving van Egypte en andere gebieden in Afrika moest dienen om een verbindingslijn middels een spoorweg te krijgen tussen Caïro en Kaapstad. Dit bracht Groot-Brittannië meerdere malen op het randje van een oorlog met Frankrijk, dat haar eigen ambities had in Afrika.
De stijging van de productie verhoogde de levensstandaard en verzachtte de klassentegenstellingen. De armenzorg en het gevangenissysteem werden herzien. Er kwam een gezondheidszorg van staatswege en er werden fabriekswetten uitgevaardigd, die de arbeiders een betere bescherming boden en hun werkomstandigheden verbeterden. De partijen waarin de adel domineerde werden omgezet tot democratische massabewegingen door politieke leiders als Benjamin Disraeli (1804-’81) en Gladstone (1809-’98). Het Engelse politieke landschap veranderde snel. Door de druk van de internationale concurrentie met Naamloze Vennootschappen en grote concerns, kwam er een depressie, die zorgde voor de vorming van vakorganisaties. De binnenlandse crisis hield aan. Sufragettes onder Emmeline Pankhurst (1858-1928) demonstreerden voor de emancipatie van de vrouw en het vrouwenkiesrecht. Spoorweg-, haven- en mijnwerkersstakingen waren schering en inslag. De in 1905 gestichtte radicale Sinn Fein-partij organiseerde in Ierland de nationale opstand. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog drong de binnenlandse verwikkelingen en de dreigende burgeroorlog in Ierland echter naar de achtergrond.
Deze wereldoorlog betekende een zware slag voor de Engelse economie. In feite namen de USA de leiding in de wereld in economisch opzicht over. In Groot-Brittannië kwam men steeds meer tot het inzicht dat het Imperium omgebouwd diende te worden tot een Commonwealth, waarbij autonomie voor de diverse gebiedsdelen onvermijdelijk zou zijn. In het Midden-Oosten verkreeg Engeland Palestina, Jordanië en Irak als mandaatgebieden. De oliebelangen werden steeds groter. De wereldcrisis van 1929 trof Groot-Brittannië zeer hard, de schulden liepen op. De Britse eerste-minister Chamberlain was daarom onwillig om hard op te treden tegen de buitensporige eisen van het nazistische Duitsland van Hitler.

De mode verandert in de 19de eeuw. Tijdens de Romantiek draagt de vrouw een jurk met wijde mouwen. De vele onderrokken die het lopen bemoeilijkten worden nu vervangen door een crinoline, een bouwsel van stalen hoepels, die bijeen worden gehouden door linten. Het vergt wel een aparte manier van lopen, want de jurk kon wel een diameter bereiken van drie meter. Het heeft een ovale vorm met het accent naar achteren.
De drie interessantste schilders van het Victoriaanse Engeland werden respectievelijk geboren in Dronrijp (Friesland), in Lowell Massachusetts (USA) en in Florence (Italië). Sir Laurens Alma Tadema, James Abbott McNeill Whistler en John Singer Sargent. Het verschil hoe er over hen gedacht tijdens hun leven en de reputatie die ze later verwierven is groot. Voor Whistlers werk was destijds geen belangstelling, wel voor zijn kritiek op de natuur als leermeester van de kunst. De inhoud van de voorstelling was volgens hem slechts de helft van het schilderij. Subtiliteit was belangrijk in de artistieke beleving. Dit bracht hem in botsing met het zuiverheidsideaal van de natuur, dat John Ruskin propageerde. In 1877 exposeerde Whistler een serie nachttaferelen, die later beroemd werden zoals Nocturne: Blue and Gold – Old Battersea Bridge, 1872/73. Er kwam zelfs een rechtszaak van die Whistler won, maar die hem tot faillissement bracht vanwege de hoge proceskosten die hij voor een groot deel moest betalen. Dit was de oorzaak van zijn vertrek naar Venetië.


Sargent, The Chess Game, 1907. Privé collectie
- Na de Tweede Wereldoorlog
De Tweede Wereldoorlog had Groot-Brittannië uitgeput. Het was nu echt afgelopen met de leidende rol in de wereld. Al snel kwam men tot het inzicht dat de koloniën, die vooral tussen de wereldoorlogen in verzet kwamen tegen het kolonialisme, niet langer behouden konden blijven. De dekolonisatie van Azië begon in 1947 met India en Pakistan. Maar het Midden-Oosten en het gebied rond de Perzische Golf was in verband met het toenemend belang van olie te aantrekkelijk om de onafhankelijkheid te verlenen. Irak, Jordanië, een gedeeld Palestina, Saoedi-Arabië kregen wel de onafhankelijkheid, maar werden tegen elkaar uitgespeeld, zodat Engeland grote invloed kon behouden. Koeweit werd losgescheurd van Irak en werd tot in de zestiger jaren door Engeland stevig vastgehouden. De Afrikaanse koloniën konden langer worden vastgehouden. Toen daar in de zestiger jaren een dekolonisatiegolf kwam, werd dezelfde verdeel en heers-tactiek toegepast. De kunstmatige grenzen die de Europese landen hier hadden getrokken, waren daarbij uitermate behulpzaam.
Naast de afkalving van het Britse rijk werd een tweede probleem gevormd door de (Amerikaanse) wens tot samenwerking in Europa. In Groot-Brittannië riepen de ideeën over samenwerking binnen de Europese Economische Gemeenschap voornamelijk negatieve reacties op. Men vond die organisatie te Frans in karakter. De Gaulle, de president van Frankrijk, wilde Europa tot een onafhankelijk derde macht maken naast de USA en de Sovjetunie. Groot-Brittannië als lid van de E.E.G. zou volgens hem de Amerikanen via een achterdeurtje invloed geven in Europa. Maar toen De Gaulle overleed en de Britse economie drastisch verslechterde was de noodzaak toe te treden tot de E.E.G. groot. Maar een federatie zou voor de Britten een stap te ver zijn.
Een derde probleem was Noord-Ierland. Het Verenigd Koninkrijk kreeg door de problemen daar te maken met een echte oorlog in eigen huis. Door de garanties die aan het protestantse bevolkingsdeel van Noord-Ierland was gegeven, was een oplossing van het conflict niet mogelijk.
Het is niet zo vreemd dat de protestbewegingen van de jaren zestig en de ontwikkeling van een jeugdcultuur vooral in Engeland zo sterk tot uiting kwamen. Omdat Groot-Brittannië ingeslapen was, traditioneel en zelfingenomen met haar verleden en fantaserend over de positie in de wereld (Ze bezat nog het vetorecht in de Verenigde Naties) kwam met de moderne communicatiemiddelen de jeugd in verzet tegen het gezag. Rock and Roll kwam overwaaien uit de USA. De jeugdcultuur uitte zich in popmuziek. Bands als de Beatles, Rolling Stones, Kinks, Who en Fairport Convention gaven in hun gedrag en in hun teksten blijk van de behoefte aan verzet tegen vastgeroeste instellingen, ideeën en generaties. Engelse piratenzenders als Radio Caroline werden opgezet, waar deze muziek en informatie uitgezonden kon worden zonder bemoeienis van de overheid, die de staatsomroep (BBC) aanstuurde.
Groot Brittannië werd de leider in een nieuwe kuststroming, de pop-art. Hier werd vooral aandacht geschonken aan de uiterlijke verschijningsvorm van de moderne westerse wereld en de visuele weergave van haar producten. De aanhangers van de pop-art verhieven de trivialiteit van de consumptiemaatschappij tot het enige thema. Reclame, alledaagse gebruiksvoorwerpen, plaatjes uit strips en de voortbrengselen van de massamedia werden voortaan aanvaard als motieven in de kunst. Het doel was de mensen bewust te maken van de grootschalige productie en de anonimiteit van de massacultuur. Ze dreven daar tevens de spot mee. Eduardo Paolozzi was de voorman van de pop-art. Belangrijke vertegenwoordigers van de stroming waren Richard Hamilton, David Hockney en Allen Jones.

Eduardo Paolozzi – Meet the People, 1948. The estate of Eduardo Paolozzi / Photo (c) Tate

Richard Hamilton – Just What is It That Makes Today’s Homes So Different, so Appealing?, 1956. Kunsthalle Tubingen
De jaren 80 waren magere jaren. De Labourpartij wist de massa niet meer te mobiliseren en de economie moest uit het slop worden getrokken. De conservatieve eerste-minister Margaret Thatcher wilde de macht van de vakbonden inperken en een liberaler Groot-Brittannië creëren. Ze werd de held van rechts omdat ze door een hard kapitalistisch beleid Groot-Brittannië er weer bovenop hielp. De sociaaleconomische situatie in veel arme gebieden, waar mijnbouw werd bedreven en waar veel werk was in de zware industrie, verslechterde. Er kwamen geen reddende maatregelen van de overheid. De kwestie Noord-Ierland speelde tijdens haar regeringsperiode een belangrijke rol. Het geweld tussen de Brits-Protestantse en de Iers-Katholieke bevolking nam toe. Pas na de periode-Thatcher kon op 10 april 1998 in Belfast het Goede Vrijdagakkoord worden getekend tussen de Ierse en de Britse regering en 8 politieke partijen uit Noord-Ierland. Het akkoord maakte een einde aan de bloedige burgeroorlog.
In 2015 werd de UKIP de op twee na grootste partij van Engeland. Nigel Farage stuurde met deze partij aan op een beëindiging van het EU-lidmaatschap. Door de interne problemen van de Conservatieve partij leidde strategieën van de politieke leiders tot een referendum over een brexit in 2016.
Er volgden lange onderhandelingen over de scheidingsvoorwaarden en een overgangsperiode na de brexit, die op 31 december 2020 afliep. De onderhandelaars van de Europese Unie en van het Verenigd Koninkrijk bereikten uiteindelijk een handels- en samenwerkingsovereenkomst. Die overeenkomst regelde vanaf 1 januari 2021 de relatie tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk.
Een geschiedenis van Frankrijk
- De mens in de prehistorie
Eind 1944 werden in de grotten van Vallon in de Ardèche grottekeningen gevonden, waarvan de oudheid bij een eerste datering lijkt terug te gaan tot 16 duizend tot 18 duizend v.Chr. Naast de grottekeningen van Lascaux was dit dus de tweede grote vondst met nieuw materiaal om de vroegste ontwikkeling van Frankrijk te leren kennen.

Paarden in de grotten bij Vallon-Pont-d’Arc

Buffels en paarden bij Vallon-Pont-d’Arc
Naast de honderden tekeningen waren er ook vele voetafdrukken van mensen uit het Stenen Tijdperk. De kunstwerken hadden een religieus en sociaal belang. Mogelijk speelden zich in de beschilderde grotten rituelen en initiatieriten af. Vroege naturalistische kunst, het soort tekeningen dat beroemd is geworden door de grotten van Lascaux in Frankrijk en die van Altamira in Spanje, lijken samen te hangen met de IJstijd en haar klimaat. Niet alleen komen begin en eind van de kunstvorm overeen met die van de laatste IJstijd, het hoogtepunt van de stijl is vrij exact te dateren in de tijd waarin ook de ijsvorming het sterkst was. De grootste Franse grotkunstenaars waren ingesloten door de ijskappen van de Pyreneeën, Alpen en het Centraal Massief.
Toen het klimaat weer opwarmde, vestigden zich rond 8000 v.Chr. jagers en vissers in de kustgebieden. De betere levensomstandigheden kwamen tot uiting in een toename van soorten in het woud met berk, wilg en eik. De zee en de oevers van rivieren, beken en meren fungeerden vooral als voedselbron. Handel en verkeer ontstonden (boten en sleden) en begon dieren (o.a. de Hond) te domesticeren en akkerbouw te bedrijven en ook het pottenbakken te beoefenen.
In de Jonge Steentijd bleken de toegenomen handelscontacten uit de groeiende invloed vanuit Noord-Afrika. Kenmerken daarvan zijn dolmen, grafkamers uit stenen, in de vorm van een tafel en de koepelgraven gebouwd met behulp van de kraagtechniek. In Bretagne (Carnac) zijn stenen lanen te bezichtigen van 200 tot 1500 meter lang bestaande uit menhirs. Ze functioneerden als grafmonumenten, reusachtige kalenders en herkenningspunten voor de scheepvaart langs de kust. De intensieve landbouw die ontstond gedurende deze periode bracht met zich mee dat de nederzettingen voortdurend moesten worden verplaatst om de grond weer te laten herstellen.
De culturele beïnvloeding van Europa door de oriëntaalse culturen voltrok zich in de Bronstijd (1700-800 v. Chr.) over drie routes:
- Via Anatolië naar de Balkan;
- Van het Iberisch schiereiland verbreidde de Klokbekercultuur zich over Europa;
Vanuit de Kaukasus en de Karpaten naar Midden- en West-Europa.

- Kelten, Romeinen en Franken
Er ontstonden grote cultuurgebieden, waar naast landbouw en veeteelt nu ook nijverheid en handel begonnen te groeien. De urnenveldencultuur ontwikkelde politieke activiteit.
Vanaf 750 v.Chr. werd Zuid-Frankrijk beïnvloed door de Grieken via het door hen gestichte Marseille en door de Etrusken van Noord-Italië. De Kelten (La Tène-cultuur) vormden de dominante cultuur in Frankrijk, zozeer dat de in Italië opkomende Romeinse staat te maken kreeg met een belegering van het Capitool in Rome door de Keltische leider Brennus (387 v.Chr.). Een eeuw later raakten de Kelten hun controle over de Italiaanse gebieden kwijt aan diezelfde Romeinen.
Tussen 58 en 51 v.Chr. werd Frankrijk (Gallië) veroverd door Julius Caesar. Gallië werd intensief ontwikkeld. Er kwamen vuurtorens langs de hele kust, er werd een uitgebreid wegennetwerk aangelegd, alsmede aquaducten (waterleidingen), havens en dokken in de kuststeden en er werden overal kanalen gegraven om rivieren met elkaar te verbinden. Ambachtslieden werden verplicht zich aan te sluiten bij vakorganisaties.

Na de verdrijving uit China en de vernietiging van het tweede Hunnenrijk in Turkestan door de Chinezen, drongen de Hunnen naar het westen op. Ze kwamen de zuid Russische steppen binnen en vernietigden het Ostrogothenrijk in 375 n.Chr. Hele volksstammen vluchtten voor deze invasie uit naar het westen. Tenslotte werden de Hunnen in Noord-Frankrijk verslagen op de Catalaunische Velden (451 n.Chr.)
Deze uitermate kort geschetste periode van de Grote Volksverhuizingen (375-568) dreunde in Europa nog tijdenlang door. Het Romeinse Rijk stortte in en daarmee verdween de intensieve Europese handel en de geldeconomie vrijwel volkomen. Men werd teruggeworpen op ruilhandel en zelfvoorziening.
De Franken veroverden onder hun Merovingische en Karolingische vorsten grote delen van Frankrijk na de ondergang van het Romeinse Rijk. Ze brachten de opmars van de Islam vanuit Spanje tot stilstand. In de slag bij Poitiers (732) versloeg Karel Martel de Ommajaden. Om controle op dit islamitische rijk te kunnen uitoefenen stichtte Karel de Grote de Spaanse mark ten zuiden van de Pyreneeën. Het Roelantslied, één van de meesterwerken van de middeleeuwse literatuur, gaat over de strijd tussen de Franken en de Ommajaden.
In 817 werd bepaald dat de keizerlijke waardigheid alleen zou overgaan op de oudste zoon. Het Germaanse erfrecht maakte het zeer moeilijk het rijk van Karel de Grote bijeen te houden, omdat alle kinderen een gelijk deel konden opeisen. Onder de zoons van Lodewijk de Vrome viel het rijk daarom in drie delen uiteen. Uit deze delen zouden zich tenslotte Duitsland (Oost Frankenland) en Frankrijk (West Frankenland) ontwikkelen.
In West Frankenland werd in 888 een einde gemaakt aan het Karolingische bewind door Odo, de graaf van Parijs. Weliswaar handhaafden de Karolingen zich nog 100 jaar, maar de werkelijke macht was overgegaan op de nakomelingen van Odo, de Robertingen. Wat we in deze machtsovername zien is vrij algemeen in het Europa van die tijd. De adel schuift zich langzamerhand tussen de koning en het volk in en wordt de belangrijkste tegenspeler van de koning. Het leenstelsel zorgde ervoor dat de adel haar belangen steeds beter kon behartigen.
Er was een constante strijd over de erfopvolging door de ingewikkeldheid van het leenstelsel. Dat de Engelse vorsten en adel daar ook bij betrokken was in de Honderdjarige Oorlog compliceerde die kwestie nog verder. Daaraan werd ook bijgedragen door oorlogen met vorsten uit het Duitse rijk. Binnen Frankrijk waren het vooral de families Plantagenet en Bourgondië die grote delen van Frankrijk beheersten. De Franse koning probeerde hier een einde aan te maken door de steun van de katholieke kerk te gebruiken en de burgers van de steden als maatschappelijke, economische en militaire factor te gebruiken. Langzamerhand zien we daardoor in Frankrijk de groei van een moderne, bureaucratische staat, waar de edelen hun macht verliezen en de koning burgers gaat gebruiken als ambtenaren. Dit betekende de overgang van een standenmaatschappij naar een klassenmaatschappij.

Strijdtafereel op een miniatuur uit het Oude Testament. Het laat de wapens zien die ridders rond het midden van de 13e eeuw droegen en de bescherming die ze gebruikten. Een Poolse kardinaal schonk het manuscript aan de Sjah van Perzië, vandaar het commentaar in het Perzisch links van de afbeelding. (miniatuur uit Frankrijk, ca.1240.Pierpont Morgan Bibliotheek, New York)
- Het ontstaan van een Franse nationale staat
Het was vooral Filips IV, de Schone, die de koningsmacht versterkte door middel van zijn financiële politiek. Hij vervolgde en ontbond de Orde der Tempeliers, stelde een Rekenkamer in en kocht de leenplichten af. In 1309 werd de paus onder druk gezet en werd de pauselijke zetel verplaatst van Rome naar Avignon. Frankrijk werd uitgebreid met de Champagne en Vlaanderen. Onder het huis van Valois verloor Frankrijk aanvankelijk veel terrein in de Honderdjarige oorlog (1339-1453). Vooral toen na 1348 economische crises ontstonden als gevolg van de Zwarte Dood. Huursoldaten (Armagnacs) werden een plaag voor het land, omdat ze plunderden om in hun te kunnen levensonderhoud voorzien. De boerenopstanden die hier op volgden, werden onderdrukt door de adel. In 1360 werd vrede gesloten, waarbij Edward III afstand deed van z’n aanspraken op de Franse troon in ruil voor de soevereiniteit over zuidwest-Frankrijk. De oorlog brak in 1369 echter weer opnieuw uit. De Engelse tegenstander werd uitgeput door middel van een guerrillastrijd.
Maar er ontstond ook een machtsstrijd tussen de regenten van de krankzinnige Charles VI, de hertogen van Orleans en Bourgondië en hun partijen (Cabochiens tegenover Armagnacs) en er waren opstanden wegens de hoge belastingen in de Vlaamse steden.
Redster in de grote nood van de Franse koning Charles VII werd de ‘maagd van Orléans, Jeanne d’Arc (1412-1431), een boerenmeisje uit Lotharingen, die met haar geloof inspireerde tot een algemeen verzet. Ze werd door de Bourgondiërs gevangen genomen en uitgeleverd aan de Engelsen, die haar als ketterin lieten veroordelen door de Inquisitie. Op 30 mei 1431, hetgeen nu een nationale gedenkdag is, werd zij verbrand. In 1456 volgde vanuit de kerk een herziening van het vonnis en in 1920 werd ze heilig verklaard.
Het resultaat van de oorlog was dat er tenslotte in 1453 ondanks de nog grote macht van de koninklijke zijtakken een nationale staat ontstond. Nu was het zaak om de macht van zijtakken van de stamboom als Bourgondië en Anjou in te gaan perken.
Het einde van de pauselijke wereldheerschappij was al eerder gekomen. Maar van 1378 tot 1415 was er een groot westers schisma in de kerk. Urbanus VI in Rome en Clemens VII in Avignon werden gelijktijdig tot paus verkozen. De Parijse professoren D’Ailly en Gerson eisten om de kerk te hervormen een algemeen concilie, waar niet de paus, maar het geheel van alle gelovigen de wil van God moest representeren. Het gevolg was de keuze van een derde paus door het Concilie van Pisa. De andere twee pausen weigerden echter het veld te ruimen. Pas tussen 1417 en 1418 werd door alle partijen de bevoegdheid aanvaard van het Concilie van Konstanz om de kerk weer tot een eenheid te maken. Alle pausen werden afgezet en een nieuwe werd gekozen. Deze strijd betekende voor Frankrijk een versterking van de positie van de koning ten opzichte van de paus.
Kunst
Weelderige decoraties in de laatgotische ‘stil flamboyant’. De Renaissance-architectuur heeft een zekere invloed bij de bouw van de Loirekastelen van François I. Delorme bouwt de façade van de Tuilerieën, Lescout bouwt een vleugel aan het Louvre. In de schilderkunst zien we een overgang van de miniatuurschildering naar de paneelschildering bij Jean Fouquet (tot 1481). Uitermate renaissancistisch is de ‘School van Fontainebleau’(Rosso, Primaticcio), alsmede het werk van Jean en François Clouet rond 1540. De satiricus Rabelais (1495-1553) schrijft reeds in de nieuwe stijl ‘Gargantua en Pantagruel’, evenals de dichters van de Pléjade: Ronsard, Pelletiers, Bellay, die al een theorie der grammatica ontwerpen.

Vendome église de l’abbaye de la Trinité dpt Loir et Cher

Jean Fouquet – Étienne Chevalier met de heilige Stephanus. Gemäldegalerie der Staatlichen Museen zu Berlin
- De Reformatie
De Reformatie, die begon met de 95 stellingen van Luther in Wittenberg, vormde niet alleen een bedreiging voor de machtspositie van de katholieke kerk, maar ook voor het streven van de Europese vorsten om hun bestuur te centraliseren. In Frankrijk waren het vooral de hugenoten (calvinisten) die door hun vooraanstaande positie in de handel de koning dwongen tot concessies. De 16de eeuw wordt gekenmerkt door de oorlogen tussen de Habsburgers en Frankrijk.

François (Frans) I duldde geen ‘ketters’, omdat hij de inkomsten van de katholieke kerk nodig had. Maar het calvinisme verspreidde zich desondanks snel. Tussen 1562 en 1598 zorgde dat voor acht Hugenotenoorlogen. De hugenoten kregen ‘veiligheidssteden’. De strijd vond een hoogtepunt in de Bartholomeusnacht (de Bloedbruiloft), waarin ongeveer 20.000 Hugenoten werden vermoord. De hugenoten handhaafden zich echter in La Rochelle en bouwden hun eigen militaire organisaties op. Henry IV van Bourbon, zelf een hugenoot, besteeg de troon en ging over tot het katholieke geloof. Door hem kwam het edict van Nantes in 1598 tot stand. De hugenoten kregen hierbij het recht op gewetensvrijheid, beperkte vrijheid van godsdienstoefening, politieke gelijkgerechtigdheid en vrijsteden. Het ideaal van een eenheidsstaat werd door Henry IV gerealiseerd.
De Barok (1600-1750)
Als hoofse stijlperiode representeert de Barok het levensgevoel van de contrareformatie en het absolutisme. De stijl is net als de Renaissance daarvoor uit Italië afkomstig. De architectuur is nauw verbonden met de beeldhouwkunst en de schilderkunst. Het kent zwierige vormen en is zeer decoratief. In de kerkbouw is er een centrale aanleg en overkoepeling gebaseerd op een ovale vorm. De muzikale vorm verandert in Italië (fuga, suite, cantate, sonate). Cavalli en Scarlatti ontwikkelen de opera. Dit alles wordt door Italiaanse kapelmeesters naar Europese hoven gebracht. Lully legt de grondslag voor de heroïsche opera en Rameau voor de nationaal-Franse opera. In de filosofie vertegenwoordigt Descartes het rationalisme. De waarheid kan volgens hem alleen worden gevonden door het denken en het trekken van algemeen-logische conclusies. De Franse klassieke literatuur krijgt door Boileau haar formele regels. De heroïsche tragedies van Racine en Corneille zijn daarop georiënteerd, alsmede de blijspelen van Molière en de fabels van Lafontaine. De schilderijen van Poussin, Lorrain en Rigaud laten decoratief gevormde landschappen zien, of staande figuren in antiek-mythologische aankleding. De koning is de grote bevorderaar en opdrachtgever van de kunst.

Rigaud, Louis XIV (Lodewijk IV), de zonnekoning, 1700-1701. Het Louvre
Minister Colbert ontwikkelde de eerste door de staat geleide nationale economie, met begrotingen en een geregelde boekhouding. Zijn mercantilisme schiep de financiële voorwaarden voor de ontplooiing van het absolutisme, omdat de staat winst kon maken door tolgelden, directe- en indirecte belastingen ter bekostiging van het leger, het bestuur en het hof. Daar volgens de opvatting van die tijd rijkdom bestond uit geld, streefde het mercantilisme naar een positieve handelsbalans door export van goederen van hoge waarde Luxe- en modeartikelen, glaswaren, parfums, porselein etc.). Vandaar dat de land- en waterwegen dringend verbeterd moesten worden en dat de staat steun gaf aan industriële manufacturen. De zeevaart en de handelsgenootschappen werden bevorderd door beschermende rechten. De staat zorgde voor vaste landbouwprijzen, bevorderde de gezinsvorming en verbood emigratie. Het mercantilisme stimuleerde de handel en nijverheid en verhoogde de welstand van de burgers. De adel en de geestelijkheid genoten voorrechten door grondbezit, vrijstelling van belastingbetaling en speciale rechtspraak. De kleine burgerij en de boeren droegen door de hoge belastingen de lasten van de staat.
De opheffing van het Edict van Nantes in 1685 dwong een half miljoen hugenoten (op een totale bevolking van 16 miljoen) het land te verlaten. Ze werden grotendeels opgevangen in Holland. Het gevolg van dit alles was een verstoring van de mercantilistische economie en zorgde voor het begin van de kritiek op het absolutisme.
Hofabsolutisme
Symbool van de absolutistische staat werd het koninklijk paleis van Versailles, dat ontworpen was door Mansart en tussen 1624 en 1708 werd gebouwd. Het werd luxueus ingericht met decoraties van Lebrun. Het was nauwelijks te bewonen, maar wel representatief, omgeven door groene, geometrisch aangelegde parken door Lenôtre, met waterpartijen en radiale assen naar het midden van het paleis, de slaapkamer van de koning. Dit soort paleizen met slotparken werden samen met de Franse taal en de hofcultuur mode in heel Europa.
- Het absolutisme
Waar Henry IV de edelen flink kort had gehouden, kreeg z’n opvolger Louis XIII (1610-1643) het al snel aan de stok met een groep voorname edelen. Het koninklijk gezag kon wat later worden hersteld door kardinaal Richelieu, die optrad als voornaamste minister. De Dertigjarige oorlog bracht echter nieuwe problemen, want die leidde tot hogere kosten en dus nieuwe belastingen. Er kwamen noodzakelijke veranderingen in het bestuur om de belastingen te kunnen innen. Intendanten hielden toezicht op de inning per district. De bevolking begon natuurlijk te morren. De adel zagen de intendanten als een inbreuk op hun zaken en de stadsbewoners en boeren vonden dat ze te zwaar werden belast. Tussen 1648 en 1653 brak een reeks opstanden uit. Deze Frondes verscheurden Frankrijk, maar uiteindelijk won het verlangen naar orde en rust van de chaos. Onder de nieuwe koning, Louis XIV zou men dat krijgen. Hij regeerde ‘absoluut’, dat wil zeggen dat hij door God op de troon was gezet en aan niemand verantwoording hoefde af te leggen. Z’n politiek vergrootte het prestige van z’n familie en zijn roem. Dat gebeurde vooral door de vele oorlogen die hij voerde met omringende landen.
Ondanks de staatsschulden ten gevolge van de oorlogen van Louis XIV werd er gigantisch veel geld uitgegeven door de dure hofhouding van regent Philippe van Orléans. Louis XV volgde als vijfjarige in 1715 op en kreeg deze Philippe als regent. Door een intensieve speculatie in aandelen van maatschappijen tot exploitatie van de koloniën kwam er in 1720 een enorme inflatie en volgde een staatsbankroet. Na 1743 kregen de maîtressen van de koning (markiezin de Pompadour en gravin du Barry) steeds meer invloed op de politiek. De adel en geestelijkheid hielden financiële hervormingen tegen. De kritiek op het absolutisme klonk steeds openlijker en luider.
Cultuur
Bloei van het speelse Rococo, operettes en herderspoëzie. De dames droegen hoepelrokken en hoge kapsels, de heren een driekantige steek en een sierdegen. De ornamentale omlijstingen kenschetsen de decoraties binnenshuis, evenals de vele vergulde spiegels, tapisserieën en chinoiserieën. Watteau, Boucher en Fragonard zijn beroemde Rococo schilders.

Fragonard – De schommel, 1767. Wallace Collection, Londen
De groeiende immigratie aan de Engelstalige oostkust van Amerika versterkte de druk van 400.000 kolonisten op de dun bevolkte, maar door forten goed versterkte Franse koloniale gebieden. De voortdurende grensconflicten verscherpten in 1754 tot gevechten in het dal van de Ohio-rivier. De Britse overwinning bij Montreal in 1760 zorgde echter dat het gebied van de Grote Meren open kwam te liggen voor de kolonisten. Ook in Indië ging met Calcutta bijna geheel Zuid-Indië, op Madras na, verloren. In West-Afrika verloren de Fransen ook veel steunpunten van hun koloniale rijk aan de Engelsen. In 1763 verwierf Groot-Brittannië bij de Vrede van Parijs, Canada, Louisiana, Kaap Breton en Senegal van Frankrijk.
- De Verlichting
Door de debacles in de buitenlandse politiek en de onbekwaamheid van Louis XV verloor de koning aan gezag. De kerkelijke en adellijke voorrechten riepen veel wrevel op. Ambten konden worden gekocht. Het parlement maakte zich sterker voor controle op de koninklijke wetten Er waren veel sociale spanningen. De adel bezette de officiers- en de hogere ambtenarenrangen. Er was ook een gapende kloof tussen de rangen binnen de clerus. De opkomst van de bourgeoisie (bankiers, fabrikanten, juristen, kooplieden, dokters) werd begunstigd door het mercantilisme. De handwerkers maakten zich los uit de gilden. Het hof en het leger maakten gebruik van massaproducten, die fabrieksmatig werden geproduceerd, waardoor een industrie-proletariaat ontstond. Er was een groeiende laag van bezitloze landarbeiders. Ze maakten wel 50% van de bevolking uit.
De uitgaven van de staat waren voortdurend te hoog. Om de tekorten te dekken werden steeds nieuwe leningen uitgeschreven tegen hoge renten. De belastingdruk trof de armste landarbeiders, want tot 70% van het boereninkomen ging op aan het betalen van belasting. Bovendien waren er constant prijsstijgingen.
De oppositie tegen het regime ging uit van de bevoorrechte klasse, die vast wilde houden aan de oude feodale rechten, maar tevens beperking wilde van de absolute monarchie. Het ging ook uit van de bourgeoisie, die aanspraak maakte op sociale gelijkgerechtigdheid en medezeggenschap. Radicale kritiek op de situatie werd geleverd door de encyclopedisten en Voltaire. Leuzen over vrijheid en gelijkheid beïnvloedden de openbare mening.
Louis XVI (174-’92) besloot tot hervormingen. Maar na het toelaten van de handel in graan brak er opstand uit onder de Parijse arbeiders tegen de stijging van de broodprijzen, die hiervan het gevolg waren. Het hervormingsprogramma werd door de hofpartij van koningin Marie Antoinette en door het parlement tegengewerkt en ondanks waarschuwingen werden vrijwilligers naar Amerika gezonden onder markies de La Fayette. De samenwerking met de Amerikaanse vrijheidsstrijders tegen Groot-Brittannië betekende een klap voor de schatkist. De Amerikaanse vrijheidsoorlog wakkerde de kritiek op het regime aan. Salons, koffiehuizen, clubs en vrijmetselaarsloges werden centra van een ‘patriottische partij’ van liberale adellijken, geestelijken en burgers. Voor het goedkeuren van belastinghervormingen werd de bijeenroeping van de Generale Staten (voor het eerst na….) geëist.