Inhoudsopgave:
- Godsdiensten bij schriftloze volken
- Hindoeïsme
- Boeddhisme
- Islam
- Christendom
- Bahai
- Sikh
DEEL 1
Godsdiensten bij schriftloze volken
Onder cultuur verstaan we niet alleen wetenschap, religie en kunst, maar alle dingen die je leert van je medemens. Bijvoorbeeld: wat we eten en op welke manier we dat doen is cultuurbepaald. Een cultuur is onderhevig aan veranderingen door contacten met andere culturen en door technologische vernieuwingen.
Het is lastig en andere cultuur te begrijpen. Het Pawnee-volk in het zuiden van de Verenigde Staten legt verband tussen mais, de bizon en een bepaalde prairiebloem. Komend uit een West-Europese cultuur is het moeilijk dat verband te zien. Daarvoor moet je eerst meer van de Pawnee-indianen weten. Vóór de komst van de Europeanen leefden zij deels van de landbouw en deels van de jacht en visvangst. De Europeanen brachten het paard mee als rij- en lastdier. De indianen namen dit gretig over. Voor een aantal stammen betekende dit een totale verandering van hun leven. Ze gingen het grootste deel van het jaar achter de bizonkuddes aan. Ze verlieten dus hun dorpen en verbouwden niets meer. De Pawnee-indianen gaven de landbouw echter niet op na de introductie van het paard. De mannen trokken slechts een deel van het jaar achter de bizons aan. Wanneer op de prairie een bepaalde bloem begon te bloeien was dat voor hen het sein om naar huis te gaan en te helpen met het oogsten van de mais.
Goden en geesten
De mens kent het monotheïsme. Daar gelooft men in 1 God. Er bestaat echter nog steeds polytheïsme, waar men in meerdere goden gelooft. Hier wordt door de gelovige in 1 God op neergekeken.
Bij zowel schriftloze volken in verleden en heden, als volken die het schrift wel kennen, worden meerdere goden of geesten vereerd, maar uiteindelijk blijken dat toch vaak verschijningsvormen van 1 god. Bij de Nuer, een herdersstam aan de bovenloop van de Nijl, manifesteert de god of geest Kwoth zich in een grote hoeveelheid goden en geesten. Iets soort gelijks zien we bij het Hindoeïsme. Daar is sprake van de Trimurti. Brahma als schepper, Vishnu als beschermer en Shiva als vernietiger vormen een drie-eenheid.
Veel volken die het meer godendom kennen, vereren toch 1 god als de leider van zo’n pantheon.
Het verschil tussen goden en geesten is moeilijk aan te geven. In het animisme beleeft de mens de natuur en ook dingen als wezens met een eigen wil. Zoals overal is het een poging van de mens om het onverklaarbare verklaarbaar te maken.
Voorouderverering
In een aantal religies is een belangrijke rol weggelegd voor de voorouderverering. De overledenen blijven deel uitmaken van de gemeenschap. De voorouders worden op een of andere manier meegedragen in het dagelijks leven. De Aboriginals dragen tsjoeringa’s met zich mee. Dit zijn plankjes met ingekerfde vooroudersymbolen. Als de regels worden overtreden kunnen de voorouders straffen uitdelen, zo gelooft men.
Cultuurbrengers
In alle culturen is sprake van een god, goden of goddelijke wezens, die de mensen alles hebben geschonken en onderwezen wat zij nodig hebben voor het leven op aarde (vuur, wapens, landbouwtechnieken enz.). Deze goden noemen we ‘cultuurbrengers’.
Een speciaal type van de cultuur brengende god is de ‘demagod’. Men gelooft dat deze demagoden op aarde leefden in de oertijd. Zij stierven vrijwillig om de mens alles te kunnen geven voor z’n welzijn. Dit geloof tref je voornamelijk aan in tropische gebieden.
Vooral onder deze volken vinden we een wereldbeschouwing, die leert dat het leven voort komt uit de dood. Dat kan nog verder gaan. Dan gelooft men dat mensen moeten doden om nieuw leven voort te brengen. Er bestaat een samenhang met hun landbouwmethode. Ze verbouwen knolgewassen. De knollen worden in stukken gesneden en in de grond gestopt. Ze worden als het ware doodgemaakt en begraven. Daar komen weer nieuwe knollen uit voort, die het hoofdvoedsel van deze mensen zijn. In letterlijke zin beleven deze volken dus dat het leven voort komt uit de dood.
We zien overigens dat het idee van leven dat voort komt uit de dood ook terug bij de grote wereldgodsdiensten. Denk bijvoorbeeld aan de hostie in de katholieke kerk. De hostie symboliseert het lichaam van Jezus, dat hij offerde voor de zonden van de mens.
Iets soortgelijks zie je vaker bij culturen waar een god bij wijze van offer wordt gedood. Een vertegenwoordiger van de god wordt gedood. Dit kan een mens zijn of een dier. Het sterven van de demagod in de oertijd wordt op die manier herhaald voor het heil van de mensen.
Orde en chaos
De goden hebben een orde ingesteld. Wanneer die orde wordt verstoord, betekent dat een aanslag op het fundament van het menselijk bestaan. De mens gaat dan een verklaring zoeken voor die verstoring.
Veel volken kennen een soort goddelijke ordeverstoorder. Zo’n god houdt mensen voor de gek en dat is niet altijd onschuldige grappenmakerij. In West-Indië is Ghede tegelijkertijd de goddelijke grappenmaker en de god van de dood. Zo’n orderverstoorder is prettig als verklaring voor het onverwachte. Stel je eens voor dat zo’n verstoring van iets buiten het bekende zou liggen. Dan zou dat een grotere macht kunnen zijn en dat is heel eng. Dus liever het bekende.
De Kwakiutl-indianen in Brits Columbia vieren in de winter hun religieuze feesten. Eén groep fungeert dan als ordeverstoorders. Zij parodiëren de plechtigheden. Door deze inbreuk op de orde te beschouwen als onderdeel van het patroon van de wereldorde, wordt het al van de ergste dreiging ontdaan.
De goden moeten kunnen rekenen op de mensen en andersom. De goden van schriftloze volken zijn daarom nooit wispelturig. Dat wordt mooi geïllustreerd door de volgende gebeurtenissen in Nieuw-Guinea. Na een lange tijd bewerkt te zijn door zendelingen ging een stam over tot het christendom. Echter enige jaren later keerde de stam terug tot het oude geloof. Wat was er aan de hand? Voor de arme Papoea was elke witte persoon in zijn land rijk. In het oorspronkelijke geloof van deze stam hadden de mensen niet alleen verplichtingen tegenover hun goden, maar ook rechten en andersom gold dat ook voor de goden. De plicht voor de goden was te zorgen voor welzijn en rijkdom van de gelovigen. Daar hadden de goden in dit arme gebied echter niet veel van te geven. De stam hoopte bij haar bekering dat hun verering van de christelijke god, zij net zo rijkelijk beloond zouden worden als de witten. De Papoea’s bleven een tijdje geduldig wachten, maar toen hun verering van deze god niet werd beloond, kwamen zij tot de conclusie dat ze beter konden terugkeren naar hun oude goden. Die hadden weliswaar niet veel te geven, maar deden dat in ieder geval wel trouw.
Mens en dier
Bij schriftloze volken treden veel dieren op in hun godsdienst. De dieren worden niet vereerd, maar de goden en geesten die in de dieren kunnen treden. Vandaar dat bepaalde dieren niet zomaar gedood worden. Dit is het duidelijkst bij volken die van de visserij en jacht leven. Op het noordelijk halfrond is bij deze volken de beer een heilig dier. Als er op een beer wordt gejaagd moeten daar dus strikte rituelen voor worden gehandhaafd. Hij mag nooit in z’n winterslaap worden gedood. In het oosten van Siberië kent men het jaarlijkse berenfeest. Een jonge beer wordt gevangen en met alle respect behandeld. Tijdens het feest wordt het met uitvoerige plechtigheden en vol eerbetoon gedood. De jager moet doden om te kunnen leven. Daarom worden de schuldgevoelens in deze cultuur verzacht met de voorstelling dat de dieren zich vrijwillig laten doden, of dat ze na hun dood direct worden herboren. Verspilling van voedsel is de ergste zonde. De delen van het dier dat de mens niet opeet of gebruikt, moet hij teruggeven aan de godheid der dieren, want anders zou het dier verminkt op aarde terugkeren. Die onderdelen worden dus ritueel geofferd.
Alles op deze wereld is nauw met elkaar verbonden. De hele natuur kan worden samengevat in 1 religieus beleefd geheel. De groep verbind zich met een dier of een natuurverschijnsel (totem) om zich te onderscheiden van een andere groep. Dit is noodzakelijk om verschillende redenen. De rechten van verschillende groepen wijken van elkaar af. Dat kan bijvoorbeeld zijn voor huwelijksvoorschriften. Het is belangrijk verschil aan te geven voor een huwelijk binnen de eigen clan en buiten de eigen clan. Het verwantschapsgevoel met een geest in diervorm is niet wezenlijk anders dan het gevoel van een christen met een beschermheilige of beschermengel.
Macht
De goden zijn machtig. Ze kunnen een stukje macht overdragen door de mensen zelfvertrouwen en moed te geven en ook succes in alles wat ze in hun leven ondernemen. Hierdoor kunnen volken zich boven anderen gesteld voelen.
Ook bij de schriftloze volken komt het verschijnsel van zelfverheffing voor. Er zijn maar weinig volken op de wereld die zichzelf niet in een of ander opzicht beschouwen als een uitverkoren volk. Zo kun je ontoelaatbare gedrag tegenover andere groepen voor jezelf rechtvaardigen. Vaak gebeurt dit voor politieke doeleinden.
Er is een algemeen gevoel dat de mens zijn bestaan aan god(en) te danken heeft. Er bestaat echter niet in alle culturen een duidelijk scheppingsverhaal. Bij veel volken hebben goden een al bestaande chaotische wereld geordend. Indien men wel gelooft dat de wereld door god(en) is geschapen, dan is de wereld in dat beeld bij de schepping volmaakt. Zij hebben dan een verhaal nodig om te verklaren hoe de wereld zo lelijk en slecht kon worden. Dat wordt vaak toegeschreven aan een slechte, kwaadwillende macht, maar soms ook aan de slechtheid en domheid van de mensen zelf.
In bijna alle culturen is de mens tot de overtuiging gekomen, dat hij en lichaam en een ziel heeft. De ervaring van dromen en sterven speelt een rol bij dit geloof in het bezit van een ziel. Waarschijnlijk is de meest voorkomende opvatting dat de mens 2 zielen heeft. De ene ziel kan zich tijdens de droom losmaken van het lichaam en vrij rondzwerven, de andere ziel is de levensadem en verdwijnt bij het sterven. Bij de Nootka-indianen in Canada leeft de overtuiging dat de mens 10 zielen heeft. Als die zielen gelijk gericht zijn is die persoon sterk, zijn ze verschillend gericht, dan is die persoon besluiteloos.
Een mensenleven en daarna
De drie hoogtepunten in het menselijk bestaan zijn: geboorte, de volwassenwording en de dood. Elk hiervan gaat vergezeld met riten, die steun en troost geven. Deze overgangsriten zijn belangrijk om door de groep geaccepteerd en opgenomen te kunnen worden. Vele volken kennen een verhaal waaruit blijkt dat de dood oorspronkelijk niet bestond. De dood kwam vervolgens als straf voor het zondig gedrag van de mens, of aan diens domheid, of de domheid van een lagere god. Vaak gelooft men in een leven na de dood dat ook weer eindigt. De voorstelling van het dodenrijk is over het algemeen gebaseerd op de situatie waarin de groep op aarde leeft. Er zijn dus meestal geen duidelijke voorstellingen van een hemel en een hel.
De sjamaan
In elke gemeenschap zijn er personen die door bepaalde kwaliteiten of een speciale positie in staat worden gezien om te communiceren met goden en geesten. Een sjamaan beschikt over de gave om in trance te gaan en zodoende direct contact te hebben. Hij wordt gediend door een aantal lagere geesten en kan via hen naar de verblijfplaats van belangrijke geesten en goden reizen. Om in trance te raken, gebruikt de sjamaan drugs of ritmische muziek en dans. Hoewel er onder sjamanen psychisch labiele personen voorkomen (net als onder dominees en pastoors) zijn de meeste gezonde en intelligente personen. De opleiding tot sjamaan kan jaren duren en vergen veel beproevingen. Bij de inwijding is een reis naar de bovenwereld belangrijk. De sjamaan beleeft deze als werkelijkheid. In de westerse cultuur wordt bezetenheid als negatief gezien, de sjamaan zoekt ernaar om het instrument te zijn van een god of geest.
Koning en priester
Schriftloze volken zijn klein en democratisch. Daarom is een koning over het algemeen een onbekend fenomeen. Waar hij wel voor komt kent hij een religieuze betekenis. Hij wordt dan in min of meerdere mate als een god op aarde gezien. Ook een priester is veelal onbekend. Bij veel stammen is het gewoon het hoofd van het gezin die de taak heeft betrekkingen te onderhouden met goden en geesten. Hij houdt zijn gezin de regels voor volgens welke het moet leven.
Mythe en rite
Sommige mythen komen in de hele wereld voor, zoals bijvoorbeeld de mythe van de zondvloed. Zo’n mythe is de waarheid voor hen die de betreffende godsdienst belijden.
Mythen kunnen bij schriftloze volken veranderen al naar gelang de omstandigheden dat nodig maken. Wanneer het schrift bestaat wordt de mythe onveranderlijk. Het vertellen van een mythe gaat bijna altijd gepaard met rituele handelingen.
Het ritueel is een gedragsvorm voor de omgang van mensen met goden en geesten. Het is net als jagen, koken en vechten een onderdeel van het leven. In de praktijk is de belangrijkste functie van de meeste rituelen het bijeenhouden van de gelovigen. Ze versterken dat geloof. Voor de christenen geldt dat bijvoorbeeld voor het ritueel van de zondagse kerkgang. Terugloop van het kerkbezoek op zondag, droeg snel bij aan de terugloop van het aantal gelovigen.
Bij het offeren gaat het erom dat men iets vrijwillig offert om niet iets van groter waarde te verliezen. Het offer is vaak symbolisch. Zo kan men bij de Nuer een komkommer offeren in plaats van een os en de komkommer een os noemen. Zij hoopt men dat de god tevreden zal zijn met de getoonde goede wil van de mens. Het doel van het brengen van een offer is drieledig. Ten eerste is het een middel om de goden te communiceren. Ten tweede werkt het offeren mee aan de instandhouding van de wereldorde en ten derde worden offers gebracht om iets gunstigs van de godheid te krijgen of iets ongunstigs af te weren.
Andere communicatie-rituelen zijn het gebed en de dans. Bij de dansen worden heilige dieren nagebootst of danst men met godenmaskers. Een dans kan ook als doel hebben een trance op te wekken, waarin communicatie met geest of god kan plaatsvinden.
Ethiek
Dit is de leer van het juiste gedrag van de mens tegenover de medemens en tegenover de natuur. De ethische voorschriften zijn opgelegd door de goden en geesten, vooral door de geesten van de voorouders. De godsdienst regelt het gedrag. Afwijking van de voorschriften en regels die in een cultuur leven, meten worden gerechtvaardigd. Het leidt tot schuldgevoelens en inboeten van prestige. De ethiek van schriftloze volken verschilt niet veel van die in de West-Europese cultuur. De Sioux-indianen zeggen ook dat men z’n naasten lief moet hebben. Ze zijn wel zo realistisch te zeggen dat het vanzelf spreekt dat men meer van z’n eigen kinderen houdt dan van de kinderen van anderen.
Op 1 punt liggen schriftloze volken voor op de moderne westerse mens, namelijk in hun verantwoordelijkheidsbesef tegenover het natuurlijke milieu waarin ze leven. Jagersvolken hebben hele strenge regels om te voorkomen dat er meer wild wordt gedood dan noodzakelijk is voor het levensonderhoud van de groep.
Symboliek
Symbolen spelen een grote rol in alle religies. Een symbool is een beeldende uitdrukking, voorwerp of handeling. De Dogon in Mali beleven de hele wereld als vol van symbolen die hun iets te zeggen hebben en die ze moeten leren verstaan. De meeste symbolen hebben meer dan één betekenis en het hangt van de omstandigheden af, hoe ze moeten worden geïnterpreteerd. Veel beelden en symbolische voorwerpen worden door en voor elkaar gebruikt met als enige functie, het vertegenwoordigen van hetzelfde goddelijke wezen.
Moeilijke ondernemingen worden meestal voorbereid door rituele handelingen. Denk hierbij aan de jacht of aan oorlog. Lichamelijk en geestelijk stelt men zich hierop in. Andere riten dienen om een geschokt zelfvertrouwen te herstellen.
Tovenaars en heksen
Overal bestaat kwaadwilligheid en agressie. Deze opgekropte gevoelens kunnen worden geuit in toverhandelingen met het doel de vijand te pijnigen. In sommige culturen is dit een ‘doe het zelf’ bezigheid, in andere culturen zijn er tovenaars en heksen die zich speciaal hierop toeleggen. Dit soort praktijken bestaan naast een godsdienst en gaan er vaak tegenin. Meestal geeft tovenarij aan de mensen de gelegenheid om op betrekkelijk onschadelijke wijze gevoelens van agressie en onrust af te reageren.
DEEL 2
Hindoeïsme
In India ontwikkelde zich het hindoeïsme. Rond 1600 v.Chr. vielen Indo-Europeanen via de Punjab India binnen. De godsdienstige regels veranderden gelijk met de culturele veranderingen rond 500 v.Chr. Er vonden ook afsplitsingen plaats. Zo ontstond rond 700 v.Chr. het jaïnisme. Door het streven naar een reine levenswandel (ascese) kan men vrij worden van ruimte, tijd en materie. Telkens treden er monniken als leraren op. Deze worden zeer vereerd.
Rond 500 v.Chr. ontstaat uit het hindoeïsme het boeddhisme. Een latere afsplitsing vormt het sikh-geloof. Dit is een vermenging van islam en hindoeïsme.
Tussen 226 en 650 n.Chr. was er een instroom van christenen. Dit zijn de Thomas-christenen.
Vanaf 1000 n.Chr. komt de islam in India en verspreidt zich snel.
Het sociale leven
Als je in een Indiaas dorp komt, merk je al snel dat de paria’s niet tot de officiële hindoemaatschappij behoren. Ze leiden een afgezonderd bestaan, ondanks het feit dat het kastenstelsel officieel is afgeschaft. In de praktijk is er geen enkele sprake van gelijkstelling tussen de leden van de verschillende kasten. Elke kaste heeft eigen riten en gewoonten, vooral op het gebied van reinheid, voeding, huwelijk en begrafenis. De huisriten die bij een kaste horen zijn nu zo goed als verdwenen. Daaraan hebben het openleggen van de dorpen, de industrialisatie en het ontstaan van nieuwe technische beroepen sterk aan bijgedragen. Echter bijna iedere kaste heeft nog een eigen tempel.
India heeft naast de kasten nog een tweede sociaal bindmiddel, het joint-family systeem. Dat is een huishouden, dat bestaat uit drie of meer generaties familieleden. Ze leven samen van de inkomsten van het gemeenschappelijk familiebezit. Ze zijn door bepaalde rechten en plichten onderling verbonden. De oudste man van de eerste generatie bepaalt alles met betrekking tot de huwelijken van kinderen en kleinkinderen. Het hele huishouden vormt een productie-eenheid. Iedereen draagt z’n steentje bij. De verbondenheid wordt versterkt door gemeenschappelijke riten voor goden en voorouders.
Na de Tweede Wereldoorlog bracht de industrialisatie velen ertoe hun dorpen te verlaten. Daardoor gaven ze hun familieverband op. De gevolgen waren vereenzaming, niet opgewassen zijn tegen nieuwe taken en het wegvallen van religieuze tradities. De geborgenheid en de sociale controle binnen de kleine gesloten gemeenschappen werd gemist en leidde tot morele en psychische ontreddering. In de nieuwe werkverbanden bleef men wel in contact met kastegenoten.
Goden en verering
De dagelijkse verering van het beeld van de privé-god vindt elke ochtend om 9.30 uur plaats. De godheid wordt eerst in het beeld geroepen en dan gewassen, gezalfd, gekleed en met bloemen versierd. Daarna worden er schaaltjes met rijst en water bij het beeldje gezet. Men prijst de godheid en betoont hem eer.
Sjiva vertegenwoordigt de scheppingskracht, maar is ook de god van dood en vernietiging. Hij is ook de heer van meditatietechnieken en van de extase.
Visjnoe is de god van het licht, de groei en de levenskracht. Hij is net als Visjnoe innerlijk tegenstrijdig. Beiden zijn goden van vruchtbaarheid, leven, schepping, ondergang en ascese. Maar ze bevrijden ook uit het bestaan en schenken absolute heil. Degenen die Visjnoe toegewijd zijn reizen aan het einde van hun reeks levens naar zijn hemelse verblijf. Elke god heeft een metgezellin, een sjakti. De sjakti van Sjiva is Parwati, die van Visjnoe heet Laksjmi. Zij schenken en beschermen het leven. Zij schenken het heil tijdens het leven, de goden het heil na het leven. Ook de sjakti’s hebben meerdere namen en gezichten.
De goeroe is de leermeester die de leerling inwijdt in yoga en mystiek inzicht. Hij staat in hoog aanzien en ontvangt vaak goddelijke verering.
De tempel
De hindoetempel is de woning van de godheid en een microkosmos. De kosmos wordt op de grond uitgebeeld in een vierkant, die bestaat uit 7 x7 of 9 x 9 kleine vierkanten. De godheid woont in het centrum, dat herkenbaar is aan en toren of een koepel. De tempel is de offerplaats en de plaats van reiniging. Daarvoor zijn er vijvers. Er wordt in de hallen gezongen en religieuze teksten verteld. Dat is vooral voor de analfabeten een manier om iets van de inhoud van de religieuze literatuur mee te krijgen. Er wordt natuurlijk ook gemediteerd. Processies waarin godenbeelden worden gedragen, vinden vanuit de tempel plaats. Tijdens zo’n processie verkeren velen in extase.
Naast de riten die erop gericht zijn onheil af te wenden, zoals ziekte, kinderloosheid, droogte of een ongeluk, zijn er riten die het individu begeleiden van vóór z’n geboorte tot na z’n dood.
Het sociale gedrag
Het menselijk handelen moet in overeenstemming zijn met de natuur. De dharma is bepalend voor het oordeel. Het bestaat uit allerlei voorschriften waaraan men moet voldoen. Bij overtreding moet er worden gestraft, want alleen zo is de wereld in stand te houden.
De riten en sociale handelingen hebben resultaten (karma), die over de grenzen van de dood naar volgend bestaan gaan. Mens en wereld bestaan vele malen. De sociale situatie waarin iemand wordt wedergeboren en diens aangeboren eigenschappen, zijn bepaald door het al of niet opvolgen van de regels van de dharma in het vorige leven. Hoe kun je ontsnappen aan het steeds weer worden geboren? Dat kan door niet te handelen, zich terug te trekken uit de wereld en door zich aan meditatie te wijden. Maar ook is dat mogelijk door gehoorzaam te zijn aan de dharma, zonder te streven naar succes, vermeerdering van bezit of eer. Dan wordt er namelijk geen nieuw karma gevormd. Dan kun je na de uitwerking van het oude karma het definitieve einde bereiken.
Meditatie
Er zijn allerlei houdingen om te mediteren. De houding is vaak afhankelijk van het doel dat men wil bereiken. Bijvoorbeeld als het doel het afwenden van een ziekte is. Het woord yoga betekent training. Die training kan nogal verschillen, net als de religieuze voorstellingen en filosofie die ermee zijn verbonden. Het diepste wezen van de mens maakt contact met Brahman, hetgeen het absolute achter en in de kosmos vertegenwoordigd. Yoga kan ook het middel zijn tot de vereniging van het individu met een meer persoonlijk godheid. Bij de meditatie kan de nadruk liggen op de reiniging van het lichaam en de geest, de lichaamshouding en de ademhalingsoefeningen of op de training. Die bestaat uit een onophoudelijke concentratie op een voorwerp dat symbool staat voor een godheid met als doel één te worden met die godheid. Een andere oefening is om het normale denken te blokkeren om zo de weg vrij te maken voor een bovennatuurlijk inzicht in de dingen, in jezelf en in het mysterie achter de kosmos.
Het heil
Elke godsdienst is gericht op het heil. Dat wil zeggen op de bevrijding van het kwaad en van de angst. In India verwacht een merendeel van de hindoes rijkdom aan vee, ander bezit, kinderen en gezondheid, wanneer ze zich houden aan de riten en het voorgeschreven sociale gedrag. De riten zijn ook van belang om in een beter volgend leven te komen. Een deel van de hindoes verwacht het heil in de vorm van de bevrijding uit deze wereld.
DEEL 3
Boeddhisme
Het boeddhisme kent twee hoofdstromen: Terevada, dat vooral wordt uitgeoefend in Sri-Lanka, India, Myanmar en Thailand. De tweede stroming is Mahayana en wordt vooral beoefend in Tibet, China, Japan en Vietnam.
Het verschil tussen de twee ligt in de doelstelling. Bij Terevada daalt men diep in zichzelf af om het absolute te vinden, bij Mahayana gaat het om de relatie tussen het absolute in de mens en in de kosmos.
Siddharta Gautama werd in 566 v.Chr. geboren als zoon van een vorst in Nepal. Hij streefde naar de bevrijding uit dit bestaan. Hij studeerde yoga-technieken om via extase bijzondere werelden te bereiken. Hij vond de resultaten tijdens z’n zoektocht niet bevredigend en ging zich in meditatie op 3 punten richten: vorige levens, geboorte en dood en de bevrijding van alle begeerte. Hierdoor kwam hij tot 4 waarheden:
- het leven is vergankelijk en daarom is er leed;
- de oorzaak van het leed is de begeerte (naar leven);
- het opheffen van begeerte en het bereiken van de mystieke staat is het nirwana;
- dit is bereikbaar via het drie- of achtvoudige pad.
Hij wist de bevrijding van het opnieuw geboren worden en het leed te bereiken en was dus ontwaakt (boeddha). Hierna heeft hij zijn heilsweg 40 jaar lang verkondigd. Hij was als leraar in veel opzichten gelijk aan veel hindoe-leraren. Allen ontdekken een eigen weg naar het heil en verkondigen dit in vraaggesprekken met leerlingen. De heilsweg bestaat uit meditatie en mystiek inzicht en niet uit riten. Boeddha’s mystiek is wel radicaler. Hij kent geen naam voor het Absolute. Dat is onvoorstelbaar en dus onbeschrijfbaar.
Al snel na z’n dood werd hij als god vereerd. De monniken zien hem vooral als de goddelijke leermeester. De verering vindt plaats in stoepa’s. De leerlingen werden zelf vaak leermeester met eigen volgelingen. Doordat er geen hiërarchie is en geen centrale organisatie ontstonden er al snel verschillende scholen.
De Palicanon is de belangrijkste bron voor de kennis over het Therawadaboeddhisme. Aangezien het materiaal afkomstig is uit verschillende perioden is het onduidelijk wat van de boeddha zelf afkomstig is.
Van het drievoudige pad geldt alleen de eerste fase voor iedereen. De tweede en derde fase zijn uitsluitend bestemd voor monniken en nonnen.
In de eerste fase stelt men vertrouwen in de boeddha en diens heilsweg, mag men geen levende wezens schaden, is kuisheid in het huwelijk een vereiste (en voor monniken geldt het celibaat), mag men geen alcohol gebruiken en geen leugens vertellen.
In de tweede fase gaat de monnik mediteren op een rustige plek en bij voldoende concentratie worden lust- en onlustgevoelens uitgeschakeld. Is de contemplatie compleet dan is men gevorderd genoeg om de derde fase aan te vangen. Men schouwt dan de vorige levens van zichzelf en anderen, alsmede de vier heilige waarheden. Als men in staat is te volharden in deze toestand, is het nirwana bereikt.
Het Therawada is vooral een religie van monniken. Er is wel een relatie met leken, want de monniken zorgen voor de prediking en de leken verzorgen de monniken met huisvesting en voedsel.
Grote religies veranderen naarmate er meer tijd verstrijkt. Ze veranderen ook bij invoering in verschillende culturen. Waar men aanvankelijk slechts 1 boeddha kende, werd in India door het geloof in een keten van existenties verhalen verteld van vorige levens van Boeddha. Al deze figuren werden als goden vereerd. Volgens één van de verhalen passeerde een boeddha een lichtrijk in het westen genaamd Soekhawati, vóór hij het nirwana bereikte. Soekhawati wordt beschreven als een paradijs zonder leed en dood. Wie daar terecht komt hoeft niet opnieuw geboren te worden, omdat ze daar over het nirwana onderwezen worden door de daar gebleven boeddha, die Amitabha wordt genoemd. In Japan is deze boeddha zeer populair.
Het ideaal van de bodhisattva in het Mahayana-boeddhisme is gericht op de terugkeer naar dit aardse bestaan, om dienstbaar aan anderen te zijn op hun pad naar ontwaken en bevrijding. In de eerste eeuwen werkten de bodhisattva’s de realisatie van dit ideaal binnen de kloosters uit. Later in China werkten de bodhisattva’s als herenboeren op het land. In beide gevallen was sprake van gesloten gemeenschappen. Men ging de bodhisattva’s als goddelijke wezens vereren met offers van bloemen en wierook. Het hoogste moet de mens echter zelf verwerven. Ook de bodhisattva’s kunnen hen het nirwana niet schenken.
De heilsweg in het Mahayana is wat makkelijker dan die van de Therawada. Je bereikt het heil in dit leven door offers te brengen aan de boeddha’s en bodhisattva’s. Je hoeft om de tweede fase te bereiken niet een monnik te worden. Een voudige meditatietechnieken helpen je op weg naar het heil. De mens denkt de waarheid te zien, maar de hogere waarheid ziet hij pas in de yoga.
Het boeddhisme kende het mystieke karakter van een elite. Naarmate het meer een godsdienst voor leken werd, ging het sterkere overeenkomsten met het hindoeïsme vertonen. Er kwamen mengvormen van beide religies.
De boeddhistische vorm van het tantrisme drukte z’n stempel vooral op Tibet en Japan. Dit kenmerkt zich door het gebruik van een groot aantal symbolische elementen en formules. Diagrammen zijn belangrijk. Denk als voorbeeld aan de Borobodur. Deze tempel is een voorbeeld van een kosmisch diagram. Het bestaat uit veelhoeken, cirkels en een punt. Als je deze tempeltrappen bestijgt terwijl je mediteert, ga je van de zichtbare wereld naar de absolute. Verschillende lichaamsdelen worden aan verschillende goden gewijd. Hand- en vingerhoudingen hebben een symbolische betekenis.
Bij dit tantrisme ligt grote nadruk op de verering van godinnen. Deze zijn verschijningsvormen van de goddelijke energie (sjakti). Een sjakti vormt samen meteen mannelijke partner het absolute in de mens en de kosmos. Om het heil te bereiken wordt de leerling door verschillende wijdingen geleid door zijn leermeester. Hij ontvangt hierbij morele voorschriften en spreuken. Een speciale vorm van yoga dient om de eenheid van de godin en haar partner te bewerkstelligen.
DEEL 4
Islam
Mohammed ontving zijn roeping omstreeks 610 n.Chr. Hij bracht zijn boodschap naar Mekka en werd daar uitgelachen. De Joodse gemeente in de stad Medina was onder de indruk van hem toen ze de jaarmarkt in Mekka bezochten. Ze hadden een scheidsrechter nodig, die een uitspraak kon doen in een vete tussen twee stammen die maar voortduurde. Op 16 juli 622 trok Mohammed met wat volgelingen naar Medina. Hij legde de joden een verdrag voor. Medina zou het centrum worden van religieus en politiek leven met Mohammed als profeet en staatsman. De joden wilden hier niet in meegaan, waarna de strijd begon. De verhalen over de Bijbelse profeten hadden Mohammed ervan overtuigd dat God hen de overwinning schonk. Winst betekende het bewijs van zijn gelijk. Het gevecht met het leger van Mekka werd in 624 in zijn voordeel beslist. Vanaf dat moment breidde Mohammed z’n macht langzamerhand uit over heel Arabië. De joden raakten hun machtspositie kwijt en de Arabische christenen begonnen onderhandelingen met Mohammed. In 630 volgde de val van Mekka. De Ka’ba, het heiligdom aldaar, werd tot tempel van Allah verklaard. Hiermee sloot hij aan bij het oer-monotheïsme, want volgens hem was de Ka’ba gesticht door Abraham als bedeplaats.
Na Mohammeds dood in 632 werden zijn woorden verzameld en in soera’s ondergebracht. De Bijbel is eigenlijk een geschiedenisboek. Dat geldt niet voor de Koran. Dit is de les die Allah aan de mensen geeft. De schepping geeft alles wat een mens voor zijn levensonderhoud nodig heeft. De mens dient Allah z’n dankbaarheid te bewijzen. Dat kan hij doen door de armen, de weduwen en de wezen te verzorgen en niet slechts eigen rijkdom na te streven. Wie dit doet zal het al tijdens z’n leven goed gaan en daarna wacht het paradijs.
In de Koran wordt het leven van de profeten Mozes, Jezus en Mohammed op gelijke wijze beschreven. De voorschriften waar de gelovigen zich aan moeten houden, werden door Allah aan Mohammed gegeven. Dit vormt de grondslag voor het rechts- en levenssysteem van de islam.
De mens dient Allah. Dat is het doel van het leven zelf. Het doel is dus niet ‘nader tot God’ te komen zoals bij het christendom. De ver- en geboden schoten kennelijk tekort op de mens op het juiste pad te houden en daarom heeft de profeet de aan hem geopenbaarde geboden aan de mens uitgelegd en uitgebreid. Deze soena, ofwel de traditie van de profeet werd de tweede bron van de openbaring naast de Koran. Alles wat Mohammed heeft gezegd heeft voor de gelovigen de volle rechtskracht. Toen de islam zich verspreidde, bleek al snel dat Koran en Soena onvoldoende waren om in álle levensomstandigheden te weten wat Allah wilde. Een derde bron om zich op te baseren was nodig. De gemeente of de rechtsgeleerden konden door eenstemmigheid een gebod voor een nieuwe situatie volle rechtskracht geven. Zo kwam de fikh, het rechtssysteem tot stand. De visie van een verenigde mensheid bleek echter niet haalbaar. Al onder de kaliefen bleek de politiek weerbarstig en eigenzinnig. Alleen het familieleven kon naar de fikh worden geregeld.
Een van de pijlers van het geloof is de salat, het rituele gebed waartoe vijf keer per dag wordt opgeroepen. Handen, voeten en gezicht worden dan gewassen om in rituele reinheid voor Allah te verschijnen. Het gebed op vrijdag rond het middaguur is van bijzonder belang. Er wordt dan gepreekt uit de Koran en het leven van Mohammed en de eerste gelovigen en kaliefen. Een nis in de moskee geeft de richting van de Ka’aba aan.
Een andere pijler van het geloof is het vasten. Dit gebeurt in de maand Ramadan, toen de Koran neerdaalde om leiding te geven. De maand schuift door ons jaar heen, omdat men de maankalender volgt, waarin alle maanden korter zijn dan die van onze kalender.
De tocht naar de ka’aba is ook een pijler. Elke moslim dient minimaal 1 keer in z’n leven de hadj volbrengen, tenminste als hij daartoe in staat is. De ka’aba is een meteoor steen, die al ver voor Mohammed en de Islam een godsdienstig centrum vormde. De laatste redevoering van Mohammed wordt tijdens de maand van de hadj aan de deelnemers voorgelezen. Daarin wordt verteld dat:
- zij in 1 God moeten geloven;
- zij geen beelden van hem mogen maken;
- alle gelovigen gelijk zijn;
- zij de privé bloedwraak moeten afschaffen;
- zij de zakat, een belasting voor een rechtvaardige verdeling van de rijkdom, moeten betalen;
- het nemen van rente verboden is.
De zakat is eveneens een pijler. Het is de verplichting om geld of goederen te geven. Aalmoezen waren al lang een Joodse en christelijke traditie. De zakat voert een stukje verder. Vasthouden aan je bezit is een obstakel voor het bereiken van de zaligheid en innerlijke vrede. Daarom is het goed je medemens te laten delen in je welvaart. Mohammed legde het als een plicht op aan de gelovigen. De islamitische staat kon er de armen mee steunen, de belastingdienst ervan onderhouden en er eventueel oorlog mee voeren.
Als het Turkse sultanaat ten onder gaat in 1918, ontwikkelen zich uiteindelijk na de Tweede Wereldoorlog zelfstandige staten in het Midden-Oosten. Ze worden vaak gestoeld op moderne, Europese wetgeving. De vraag was: hoe kunnen de door Allah voorgeschreven regels worden toegepast binnen dat kader? Aan de ene kant waren er de conservatieven. De woorden van Allah behouden de waarheid onder alle omstandigheden. De staatsvorm dient dus overeen te komen met de voorschriften. Aan de andere kant stonden de progressieven, de nationalisten en de Arabische socialisten. Voor hen waren de voorschriften van Allah niet langer een middel om tot een rechtvaardige verdeling van inkomens te komen.
De levensgang
Bij religies van primitieve volken bestonden al rituele handelingen voor elke belangrijke stap in het leven. Voor moslims is de stap van onwetendheid en duisternis naar het licht van de islam de allerbelangrijkste overgang. De bekeerde spreekt een geloofsbelijdenis uit en neemt direct daarop een bad, waarna hij een nieuw mens is geworden met een nieuwe naam. He leven van een baby begint pas wanneer het in het rechteroor de oproep tot het gebed heeft gekregen en in het linkeroor de uitnodiging tot de salat. Er vindt steeds weer een heiliging plaats, bijvoorbeeld wanneer het kind voor de eerste keer geknipt wordt. Het afgeknipte haar wordt gewogen en het gewicht ervan in zilver aan de armen gegeven. De besnijdenis is ook zo’n heiliging. Het huwelijk en de dood zijn ook belangrijke overgangen.
Er bestaat voor de islam geen onderscheid tussen de wereld en het leven van een persoon. Dat is een groot verschil met het christendom. Voor de laatste kwam met de komst van Jezus een einde aan de zondige wereld. Door zijn offer is het Rijk van God dichterbij gekomen. Christenen gaat het om het heil voor alle mensen. Door drie eeuwen van vervolgingen zagen ze de wereld als minder belangrijk dan het heil dat Jezus bracht. Voor de islam begint het met vijf eeuwen triomf. Binnen een paar eeuwen ontstond een wereldrijk. Het is dus geen wonder dat de moslim geloofde dat de zege van Allah erop rustte. In de koran staat veelvuldig dat Allah de gelovigen liefheeft en dat afgoderij moet worden bestreden. De gehele cultuur en de samenleving is daarop ingesteld. De wereld moet dus aan de wil van Allah gehoorzamen en de islam kan daarom niet in een vijandige cultuur leven. Daarom deelt het rechtssysteem de wereld in twee delen in. Het huis van de islam en het huis van de oorlog, waar de afgoden nog worden vereerd. De opvattingen over de manier waarop de heilige oorlog tegen ongelovigen moet worden gevoerd is door de eeuwen heen veranderd. Toen de macht van het islamitische rijk afnam was men genoodzaakt met mensen die andere opvattingen hadden samen te leven.
Een verdeelde islam
De orthodoxe islam (de soena) kon niet overal z’n klassieke vorm behouden. De islam ten zuiden van de Sahara heeft bijvoorbeeld veel van de oorspronkelijke religies aldaar overgenomen. Pakistan werd gescheiden omdat men in het oosten (Bangla Desh) een vorm van islam kende, die veel meer door de Bengaalse cultuur was beïnvloed. Ook in Indonesië werd de islam sterk met de oude cultuur en godsdienst vermengd. De eerste breuk met de uit Arabië afkomstige islam vond plaats in Iran. Na de dood van Mohammed was de vraag wie hem op moest volgen. Hij had zelf gezegd de allerlaatste profeet te zijn. Naast profeet was hij ook staatsman en militair leider geweest. Daarvoor was een opvolger nodig. Velen wilden dat binnen de familie houden, maar Mohammeds schoonzoon Ali werd door de machtigen van Mekka niet geschikt geacht voor die functie. De nieuw bekeerde Perzische moslims voelden zich achtergesteld door de -in hun ogen- cultureel lager staande Arabieren. Zij kozen de door de Arabieren afgewezen Ali tot hun aanvoerder. De Perzische partij werd de Shi’a genoemd. Ali vond de dood in een moskee en daarna ging het niet zo goed met zijn zoons. De tegenslagen van deze familie werd gezien als het lijden voor hun aanhangers en leek daarmee wel op het lijden van Jezus voor de christenen. Het geloof ontstond dat de familie van Ali de dood moest ondergaan, zodat er een verzoening kon plaatsvinden van de zonden van hun volgelingen. De familie van Ali werden niet gezien als gewone kaliefen zoals die van de onderdrukkers in Damascus en Bagdad. Ali was door Allah uitverkoren. Zijn opvolgers waren imams (echte gezondenen) die door hun persoon, uitspraken en voorbeeld Allah dichter bij de mens brachten. Dit veranderde nogal wat binnen de islam. Mohammed had altijd gezegd dat hij een gewoon mens was. Allah was aanwezig in het woord van de Koran, niet in de persoon van Mohammed. Maar door de Shi’a nu was plotseling het goddelijke zichtbaar in een mens van vlees en bloed. Toen de laatste imam uit Ali’s lijn verdween, stond dus een persoonlijke verlosser aan het hoofd van de islamitische gemeente. Zo veranderde deze in de Imam Mahdi: de door Allah gezonden verlosser. Zijn sterven was slechts schijn. Volgens de gelovigen was hij in werkelijkheid naar een verborgen plaats gegaan. Vandaar zond hij boodschappers uit om z’n gemeente verder te leiden totdat de hele tijd volgemaakt zou zijn. Dan zou hij terugkeren om de aarde te vervullen van gerechtigheid.
Joden en christenen werden door islamieten gezien als volkeren van God, die niet op het juiste pad lopen, zoals zijzelf. Zij zijn dhimmis en moesten worden beschermd. De islam is ontstaan bij de woestijnbevolking van Arabië en bij hen was de gewoonte dat een sterke stam beloont werd voor hun bescherming van een zwakkere stam. Het ging niet zozeer om de beloning als wel om de eer. Dezelfde status was dus weggelegd voor joden en christenen en later ook voor zoroastriërs, boeddhisten en hindoes. Dhimmis konden aanvankelijk opklimmen tot de hoogste politieke ambten.
De Tradities en de Soenna versmolten in de 9de eeuw en kregen dezelfde goddelijke autoriteit als de Koran. Dit moest tezamen de basis zijn van de staat. Alleen op basis van de Shari’a getrainde rechters konden een juiste interpretatie van de Shari’a geven. Een groot deel van de islamieten geloofde echter in de noodzaak van een charismatisch leider of imam.
Na 847 brak een tijd van neergang van het kalifaat aan. Intellectueel bleef het floreren, maar als politieke eenheid bleek het grote rijk bleek onhoudbaar. De provincies werden steeds autonomer. Dit leidde onder andere tot een hernieuwd gevoel van Perzische identiteit binnen de islam.
Nieuw Shi’isme
Toen de 11de imam stierf in 874 ontstonden verschillende versies van de wederwaardigheden van diens zoon. Uit deze schimmigheid ontstond de theorie van de 12 imams. Een aantal politici beweerde dat de 12de imam was verdwenen. Hierdoor kregen ze de loyaliteit van degenen die in de 11de imam geloofden en kregen ze controle over de imamite beweging. Een nieuwe imam zou nu onvoldoende steun krijgen om hun politiek te bedreigen. Nu bestond er dus een politieke partij die loyaal was aan het regime, maar daar tegelijkertijd kritisch tegenover kon staan. De imamiten beschouwden zich als de elite en legden de grondslag voor een apart wettelijk systeem. Dit werd de shi’itische wet. Nieuwe loten aan de Shi’itische stam waren het Isma’ilisme en het Zaydisme.
Na 850 werden de verschillende soennitische groepen het steeds meer eens op verschillende punten ten aanzien van de Koran en de Tradities. Nu werd de volgorde van islamitische leiders wiens voorbeeld men diende te volgen in het dagelijks leven vastgesteld. Na Mohammed werden dat Abu-Bakr, Umar, Uthman en daarna Ali, terwijl bij de Shi’iten Ali direct na Mohammed kwam. Na 900 werd men het eens over 7 leeswijzen van de Koran. Deze 7 versies werden officieel erkend. Ze waren ontstaan doordat het nog niet goed ontwikkelde schrift alleen gebruikt werd voor de ondersteuning van de mondelinge overlevering. Om een idee te geven: BRD kan brood betekenen, maar ook breed, beraad, Breda of berooid. Je kunt je voorstellen hoeveel verschillen er op deze manier na een paar eeuwen in een tekstlezing kunnen ontstaan. Aan het einde van de 9de eeuw werd pas een compleet schrift gebruikt. In de Tafsir van At-Tabari werden de verschillende versies van de Koran zoveel mogelijk met elkaar in overeenstemming gebracht. De duizenden anekdotes over Mohammed werden teruggebracht tot een kleiner aantal, door bepaalde personen als betrouwbare bron aan te merken, terwijl anderen werden afgewezen. De zo ontstane ‘ware collectie’ bevat in meerdere boeken de echte Tradities. De 6 boeken zijn ingedeeld naar onderwerp en worden Soenna genoemd. Onder de Soennieten ontstonden verschillende scholen, die gebaseerd zijn op verschillen in gezichtspunten die betrekking hebben op de jurisprudentie. Bovendien heeft elke groep zijn eigen gewoonten en gedetailleerde regels op het gebied van erfenissen en details in gebeden en rituele woorden. Zo’n school of groep wordt een madhhab genoemd. Ze aanvaarden allen het principe dat Allah ‘verschillen in interpretatie’ toestaat binnen een vast kader.
Net als andere godsdiensten ontstond er binnen de Islam ook een mystieke tak. Ook hier was de wens tot extase en vereniging met God. Vanaf de 13de eeuw werd deze beweging georganiseerd in de derwisj- of soefi-orden. Al tijdens het leven van Mohammed waren er volgelingen die een hechter contact met Allah zochten en zich niet louter aan de rituele gehoorzaamheid hielden. De beweging die hieruit voortkwam sprak zowel intellectuelen als eenvoudige mensen aan. Het concept vroomheid werd gelijkgesteld aan armoede. Het kwam naast de officiële religie te staan. Veel soefi-shaykhs trouwden met adellijke dames en vergaarden rijkdom. Ze benadrukten dat het niet om armoede ging maar om de innerlijke houding, namelijk geduld in armoede en dankbaarheid in rijkdom. Vanaf de 13de eeuw werd aanbidding en verering van deze leiders aanbevolen. Ze werden de leraren van de heilige wijsheid. De soefia stichtten vele kloosterhuizen, waar reizigers en armen werden gevoed. Er ontstonden meerdere ordes, die elk hun uitverkoren shaykh volgde of met hem samenleefde. Sommigen van hen beschouwden zich als uitverkorenen. Zij wilden de door de islam zelf voorspelde revolutie uitvieren. Er werd door de ordes veel missioneringswerk gedaan.
Na 945 leidden de Hanbaliten het Soennisme tegen andere doctrines en tegen het Imamisme. De Seldsjoeken werden de nieuwe heersers. Al langere tijd werden Turkmeense volkeren uit het noordelijk steppegebied als huurlingen in oorlogen door de kaliefen ingezet. Ze gingen een zodanige machtsfactor vormen, dat zij de werkelijke macht in handen kregen. De Seldsjoeken zagen in de rationele theologie van de Ash’ariten de beste basis voor hun heerschappij. Ze stichtten een dozijn colleges. De schriftgeleerde al-Ghazali (1058-1111) kwam tot de conclusie dat er 4 plaatsen waren waar de uiteindelijk religieuze waarheid gevonden kon worden: onder rationele theologen, filosofen, Isma’iliten en Soefi’s. Hij had kritiek op de rationele theologen, die uitgingen van bepaalde vooronderstellingen, zonder deze te bevragen. Ghazali was juist geïnteresseerd in een onderbouwing van die vooronderstellingen. Bij de filosofen, wiskundigen en natuurwetenschappers keek hij naar de raakvlakken van hun ideeën met de islamitische doctrine. De Isma’iliten wees hij na bestudering vrijwel geheel af en hij besloot dat de waarheid die de Soefi’s naar voren brachten niet wetenschappelijk kon worden vastgesteld, maar slechts door het delen van hun leven. Zijn studie betekende een intellectuele nederlaag voor het Isma’ilisme. In de 11de eeuw breekt er een nieuwe fase aan in de strijd tussen het Arabische- en het Perzische gezichtspunt. Het Hanbalisme is daarin het meest Arabische in rechterlijke en theologische scholen binnen de Islam. Ze baseerde het hele individuele, sociale en politieke leven op de Koran en de Tradities.
In de eeuwen hierna ontstond in het Ottomaanse Rijk een bestuurlijke wetgeving die buiten de Shari’a tot stand kwam, de kanun. De relatie tussen het administratieve recht en de Shari’a zou een groot twistpunt gaan vormen. Toen Mekka en Medina in hun handen vielen werden de Ottomanen door de hele islamitische wereld -op Perzië na- erkend als leiders van de islam.
Waar in de moslim-maatschappijen van de Osmanen en de Safawieden iedereen met potentie de mogelijkheid had zich in de maatschappij op te werken, werden de islamitische vaklui en ambachtslieden in India verdeeld in klassen, zoals het kastenstelsel van de hindoes.
De opkomst van Europa leidde tot expansie van Europese kolonisatoren in de islamitische gebieden. De weerstand hiertegen was hardnekkig. De diverse bewegingen hadden vanuit hun religieuze impulsen en zelfvertrouwen een zekere politieke structuur. Wat ook zorgde voor het verzet tegen de Europese penetratie was de prediking van de verwachte komst van een Mahdi.