Kinhem is een historische roman die zich afspeelt in Kennemerland en het Europa van de 9de eeuw. Deel 1: De Vikingen
Hieronder kun je het boek downloaden in PDF formaat voor je E-reader
Here you can load the book to read on your E-reader
Dit verhaal is verzonnen. De personages in het boek leven en handelen te midden van werkelijke historische gebeurtenissen en personen. De jaartallen komen overeen met de officiële geschiedenis. Eén gebeurtenis is echter gewijzigd met steeds grotere gevolgen. De slag bij Poitiers in 732 wordt in dit boek niet gewonnen door de grootvader van Karel de Grote, maar door zijn tegenstander, emir Abdul Rahman, leider van het Moorse leger in Spanje.
Toen Karel Martel in 732 n.Chr. de Slag bij Poitiers verloor van het Moorse leger onder emir Abdul Rahman, werd de noordwaartse expansie van de islam uit Spanje voortgezet. Aan het einde van de eeuw viel Parijs binnen de invloedsfeer van Al-Andalus en werd Gallië een Wilaya. In de 9de eeuw vond ook de doorbraak plaats in het oosten van Europa. De Franken keerden zich hierdoor noodgedwongen af van het gebied en vergrootten hun invloed naar het noorden. Daarbij stootten ze op Friezen, Saksen en Vikingen. Deze periode na de Romeinse tijd werd wel de ‘Donkere Middeleeuwen’ genoemd en 400 jaar lang was van enige vooruitgang weinig te bespeuren. Daarna volgden veranderingen elkaar snel op…
847 n.Chr. In de Lage Landen wordt door monniken uit het westen het evangelie verkondigd, terwijl de Vikingen vanuit het noorden West-Europa geselen. Een familie vlucht uit Wieringen naar Kinhem en komt daar terecht in een feodale wereld, waar Rorik namens de Frankische koning Lotharius de scepter zwaait. Een valse leenman zaait tweedracht in Vellesan. Een nieuwe vlucht vindt plaats, waardoor twee geliefden elkaar verliezen. Een zoektocht begint.
Het is niet helemaal duidelijk hoe dit land er ongeveer bij lag in die tijd. Het landschap bestond voor een groot deel uit moerassige veenbossen. Pas in de elfde eeuw is de kaart ingrijpend veranderd. Toen kwam er een doorbraak tussen de Noordzee en het grote centrale Flevomeer. De geelgekleurde gebieden zijn pas sinds de negende of tiende eeuw door de zee overspoeld.
DEEL 1
De Vikingen
Kybbe was twee jaar oud toen de Noormannen kwamen. Ze stormden het dorp binnen en hieuwen met hun strijdbijlen en zwaarden in op de mannen die zich tevergeefs probeerden te verweren. Ze dreven de vrouwen en kinderen bijeen, waarna ze ter plekke een eetfestijn aanrichtten met het zwijn dat al aan het spit draaide toen zij de slachting begonnen. Alles wat drinkbaar was werd uitgeschonken in hun meegenomen bekers. Daarna begon de verkrachting.
847 n.Chr.
Marzoeta was met haar twee kinderen bessen aan het plukken toen ze het rumoer gewaarwerd. Gelukkig werd zij beschut door het dichte struikgewas. Zo waren zij onttrokken aan de ogen van de harde mannen met hun glanzende wapens. Zij kon een schreeuw van afschuw nauwelijks onderdrukken en hield haar dochter, Pytske, stevig vast zodat zij het schouwspel niet kon zien. Ze moest hier snel weg voordat het meisje of Kybbe met een schreeuw de Vikingen zouden attenderen op hun aanwezigheid. Toen zij dacht ver genoeg weg te zijn gegaan om niet ontdekt te worden door de plunderaars, ging ze op een droog stuk grond zitten, gaf Pytske wat bessen te eten en liet Kybbe aan haar tepel sabbelen, hoewel hij daar eigenlijk al te groot voor was.
Na het feest zetten de overweldigers alle hutten in lichterlaaie en vertrokken ze met de bijeengedreven dorpelingen de plaats waar ze hun makkelijke overwinning hadden gevierd.
Marzoeta had daar al vele verhalen over gehoord. Ze wist dat deze mannen slaven kwamen halen, die in hun verre thuisoord allerlei werkzaamheden moesten verrichten, zoals wol verwerken tot warme kleding en zeilen voor hun schepen. Daarnaast werden zij gebruikt voor het seksuele plezier van deze barbaren.
Tegen de avond keerde zij terug en liep met haar kinderen het rokende dorp in. Pytske begon onbedaarlijk te huilen toen zij oom Oege in een grote plas bloed zag liggen. Ze rukte zich los van haar moeder en wierp zich op het levenloze lichaam. Marzoeta stond met Kybbe op haar heup te kijken naar de verstilde slachtpartij. Hier lagen haar familieleden en bekenden, dood. Degenen die waren meegenomen, zou ze zeker nooit meer terugzien. Ze huiverde bij de gedachte aan wat hun te wachten stond. Het enige dat zij nu kon doen was wachten tot Aeijolt terug zou komen van de jacht. Wat een geluk dat hij had besloten vandaag met enkele mannen vis te gaan vangen bij de Fli, de grote rivier die vanuit Flevo uitstroomde in de Noordelijke zee. Met zachte hand leidde ze het meisje weg van haar lievelingsoom.
Bij hun terugkomst vonden ze hun leven in scherven. De mannen vloekten en trokken zich de haren uit het hoofd. Er werd gehuild en gejammerd. Riuum kon het niet aan en stond over te geven tot het laatste restje gal zijn lichaam verliet. Marzoeta, als enige vrouw in het gezelschap, beweende haar omgekomen familieleden. Pytske was stil en keek enkel met grote ogen om zich heen.
Wat moest er nu worden gedaan? Wie kon hun leiding geven? Aeijolt was heel stellig, terwijl de andere mannen het vage idee hadden het dorp weer op te bouwen en hun oude leven zo goed als kwaad voort te zetten, gaf hij te kennen daar geen heil in te zien. ‘Al onze verwanten zijn dood of afgevoerd. Willen jullie met tien mannen en één vrouw een nieuwe samenleving opbouwen? Hoe dan? Nee, onze toekomst ligt in Kinhem. Op de hogere gronden zijn al grotere gemeenschappen hoorde ik. Dat biedt meer bescherming tegen deze onmensen. Samen zijn we sterker. Daar kunnen we jagen, wat vee houden en verbouwen. We kunnen ook de zee op om vis te vangen of misschien in de meren van Waterland. Laten we nu eerst onze doden eren en in het vuur leggen. Daarna moeten we de gevangen vis gaan roken voor ze bederft. Tenslotte kijken we welk gereedschap uit onze verbrande huizen te redden is. Het zal alles zijn wat we meenemen.’
Ze draaiden zich als één man om toen er geluid vanachter een half uitgebrande hut klonk. Er stapten een vrouw met kind tevoorschijn.
‘Duna!’, riep Marzoeta. ‘Je leeft!’
De tranen stroomden Duna over de wangen toen zij haar zuster in de armen viel. Haar verhaal werd door de aanwezigen in grote stilte aangehoord en er werd zelfs door de stoerste mannen een traantje weggepinkt. Nadat twee grote Noormannen zich aan haar hadden vergrepen, waren deze afgeleid door de feestende bende en kon zij stilletjes wegsluipen naar haar hut, waar zij haastig Atze uit zijn bedje had gepakt en wist ze, met haar hand over zijn mond, ongezien het bosschage achter het dorp te bereiken. Daar had zij trillend afgewacht tot het lawaai verstomd was en de rook zich in haar neusgaten drong. Ze wist niet wat te doen tot zij de stem van Aeijolt hoorde. Toen was ze voorzichtig tot achter de hut geslopen.
Het was een kleine, treurige stoet, die drie dagen later op weg ging naar het zuidwesten. Zij verlieten Wieringen, hoewel zij zich daar niet bewust van waren en trokken Kinhem binnen. Op de hoger gelegen gronden kwamen zij steeds meer mensen tegen, die hen vriendelijk bejegenden als zij het verhaal van het armzalige groepje hoorden. Uit dankbaarheid voor hun hulp en voor de overnachtingen, slonk hun visvoorraad snel. Ze kregen nieuwe verhalen te horen over de Noormannen en de grootste verrassing kwam toen een inwoner van een kleine gemeenschap in het duingebied hen vertelde dat dit gebied door de Viking Rorik als z’n eigendom werd beschouwd. Hij was weliswaar gevlucht naar de Saksische gebieden, omdat zijn leenheer de Rooms keizer Lotharius twijfelde aan diens loyaliteit, maar officieel was Rorik de baas in dit gebied. Daar schrok Aeijolt wel van. Een Viking? Het concept van een koning was hem wel bekend, want de verhalen over Radbod, koning van de Friezen werden vaak verteld. Radbod beschermde de Friezen volgens de overleveringen en hij leverde daarom slag met de Franken, die probeerden het gebied te veroveren. Na de ervaring met de Noormannen en de verhalen die hij hier in Kinhem hoorde over plundertochten, kon hij zich niet voorstellen dat een Viking hier de baas kon zijn. Nee, een nieuw leven voor zijn groep was hier niet te vinden. Ze zouden hun tocht pas stoppen bij een grotere gemeenschap en zich daar vestigen.
Uiteindelijk bereikten zij Vellesan. Er heerste een grote bedrijvigheid. Ze keken hun ogen uit. Zoveel houten huizen hadden ze nog nooit bij elkaar gezien. Gewend als zij waren aan hun hutten van plaggen en riet, was dit een enorme luxe, die zich voor hun ogen ontvouwde. Dit was wat Aeijolt graag wilde. Er waren hier bomen genoeg, die geschikt waren voor de bouw. Zo’n huis bouwen zou geweldig zijn. Er gebeurde hier zo veel! Al snel ontdekte hij dat niet iedereen alles zelf deed. Er was een schoenmaker en de schoenen die hij maakte ruilde hij tegen andere dingen die hij nodig had en voedsel. Vaak ontving hij munten -vooral veel sceatta’s- bij de verkoop. Die werden dan gewogen om de waarde vast te stellen. Er waren bakkers. Dat was in zijn ervaring altijd het werk van vrouwen geweest. Wassen, brood bakken en bierbrouwen behoorden tot de huiselijke taken. Het was zaak voor zijn verwanten om hier in hun levensonderhoud te kunnen voorzien en onderdak te krijgen. Hij moest de kunst gaan afkijken van de bouwers in dit vlek. Misschien liet zo’n bouwer hem meehelpen.
Op het marktplein zag hij een vreemd gebouw. Het leek op een huis, maar een deel rees een stukje de lucht in. Wat was de bedoeling hiervan? Gebiologeerd keek hij op.
‘Nieuw hier zeker?’, hoorde hij naast zich vragen. ‘Ik zie je naar de klokkenstoel van onze kerk kijken, alsof je nog nooit zoiets hebt gezien.’
‘Klokkenstoel? Kerk? Wat is dat? Waar dient het voor?’ Aeijolt was verbijsterd.
‘Een kerk is gewijd aan de Heer. Hier wordt het woord van God verkondigd. Zie je dat grote houten kruis? Dat is het symbool van het Christendom. Daaraan werd Jezus vastgespijkerd om de zonden van de mens weg te nemen.’
Toen de man zag dat Aeijolt het niet begreep vertelde hij dat steeds meer mensen zich bekeerden tot het christelijk geloof. Er waren monniken uit Ierland, Engeland en uit de landen van de Franken gekomen om het geloof in de ene ware God te verspreiden.
‘Monniken leven daar samen in kloosters om God te dienen en zijn woord te verspreiden. Hun woonplaatsen worden net zo bedreigd door de Vikingen als bij ons en daarom bouwen ze hoge torens bij hun kloosters, die ze gebruiken als klokkentoren en als uitkijkpost. Zo kunnen ze tijdig waarschuwen bij een rooftocht. Monniken als Adelbert, Wigbert, Liudger en Willibrord hebben hier in Frisia gepredikt. Overigens, in de klokkenstoel hangt onze grote trots, een klok gemaakt in de abdij van Susteren en door een Friese koopman helemaal naar Vellesan gebracht.’
Het duizelde Aeijolt. Hij had weliswaar van rondreizende predikers gehoord en van hun prediking dat er maar één god bestond, maar de rest was allemaal nieuw voor hem. Zijn gesprekspartner stelde zich voor als Clauwaert de timmerman en het bleek al snel dat hij deze kerk had gebouwd, nadat hij zich had bekeerd tot dit nieuwe geloof. Aeijolt greep de kans om hem te vertellen van zijn hoop om ook ooit zo te kunnen bouwen. Clauwaert was geraakt door het verhaal van de moordpartij in Aeijolts dorp, waar zij alles waren kwijtgeraakt en hun daaropvolgende tocht zuidwaarts.
‘Jullie hebben dus werk nodig en een dak boven je hoofd. Als jullie hier met z’n twaalven zijn aangekomen, dan heb je de meeste kans op werk bij Claes van Hoelyde. Hij is de rijkste man in dit vlek. De veengronden tussen de duinenrijen ten westen van hier gebruikt hij als weidegebied. Om nog meer grond te winnen is het noodzakelijk de waterlopen te verbreden, zodat het water sneller wordt afgevoerd. Nu is het moerassig gebied. Hij heeft mensen nodig die kunnen graven. Je krijgt in ruil voor je werk eten en onderdak.’
Clauwaert bleek een bron van nuttige informatie en was zeer bewogen door hun ongelukkige geschiedenis. Hij vroeg Aeijolt daarom de volgende ochtend bij hem langs te komen om hem te helpen bij de bouw van een grote tweebeukige schuur voor de centrale opslag van de door de horigen verplichte afdracht van een deel van hun oogst. Optimistisch gestemd ging Aeijolt op zoek naar zijn gezin.
Het gezelschap was net buiten de huizengroep aan het doorgaande pad naar het noorden neergestreken. Men had de tijd dat Aeijolt afwezig was besteed aan het bouwen van provisorische onderkomens. Ze hoopten dat de regen uit zou blijven, want het was geenszins waterdicht. Ze waren allen benieuwd naar wat hij hen had te vertellen en ze waren opgetogen te horen dat er mogelijk werk op hen wachtte. Er was gezorgd voor een middagmaal. Op een open vuur hing de meegebrachte pot, waarin een mengsel van gevonden groenten, groene kruiden, graankorrels, eendeneieren en twee door Riuum gevangen eenden. Hier zouden ze het de rest van de dag mee moeten doen. ’s-Middags zouden ze Claes van Hoelyde opzoeken en om werk vragen.
Opgetogen ging Aeijolt de volgende ochtend op zoek naar Clauwaert. Zijn verwanten waren al voor dag en dauw op weg gegaan om een waterloop te verbreden. Ze waren met open armen door Claes van Hoeleyde ontvangen. Werk en onderdak waren voorlopig verzekerd. Er rustte slechts één smet op deze hoopvolle toekomst en dat was Pytske. Sinds het meisje getuige was geweest van de verschrikkingen in hun dorp had ze geen woord meer gesproken. Marzoeta was ervan uitgegaan dat haar spraakvermogen vanzelf zou terugkeren, maar deze situatie duurde nu al maanden en Aeijolt was bang dat het niet meer goed zou komen met zijn mooie dochtertje. Hij zette deze zorgelijke gedachten opzij toen Clauwaert hem verwelkomde.
Toen ze op de bouwplaats aankwamen, zag Aeijolt dat het grondwerk al was verricht. Zijn nieuwe mentor legde hem uit wat er nodig was als voorbereiding op een bouwwerk zoals ze nu ondernamen. Het was hem al snel duidelijk wat de bedoeling was en hoe het bouwwerk in elkaar zou steken. Niet alleen kon Clauwaert goed uitleggen, maar Aeijolt had de gave van het visualiseren. Hij zag het gebouw dat Clauwaert beschreef al groeien voor zijn geestesoog. Aan het einde van een dag hard werken stond de basis stevig overeind. De meester was tevreden met zijn leerling. Zo’n harde werker kon hij goed gebruiken. Hij nam Aeijolt mee naar huis om de dorstige kelen te smeren. Zijn vrouw, Floor verwelkomde hen met een scharrelende peuter aan haar voeten. Het kleine meisje had ongeveer de leeftijd van Kybbe en heette Saartje.
Toen het gesprek op zijn kinderen kwam en Aeijolt vertelde dat zijn dochtertje weigerde te praten na de gebeurtenissen in hun thuisdorp, zei Floor dat het goed zou zijn als het kind wat meer buiten de eigen kring zou zijn. Ze stelde voor om Pytske regelmatig aan haar toe te vertrouwen. Het meisje zou zeker wel willen moederen over Saartje en daardoor waarschijnlijk loskomen van haar probleem. Aeijolt beloofde erover te praten met Marzoeta.
In de maanden hierna begonnen de verschrikkelijke gebeurtenissen in hun geboortedorp langzaam te vervagen en wisten zij het een plekje te geven in hun herinneringen. Niet ieder van hen kon dat in dezelfde mate. Riuum leed er het meest onder. Regelmatig schrikten zijn angstaanvallen de huisgenoten op in het holst van de nacht. Z’n gezicht vertoonde met vaste regelmaat een tic aan het oog. De invloed die hiervan uitging was zo groot, dat menigeen die hem sprak binnen de kortste keren ook met z’n ogen stond te knipperen. Depressies overvielen Riuum regelmatig, maar als Pytske dan stilzwijgend naast hem ging zitten en zijn hand pakte, daalde een grote rust in hem neer. Onbeweeglijk en zonder woorden zaten ze dan enige tijd naast elkaar.
Niet veel later hoorde Floor de eerste woordjes van Pytske. Saartje was gevallen en huilde onbedaarlijk om de schaafplek op haar knie. Pytske omarmde haar en fluisterde: ‘Stil maar Saartje, Ik geef er een kusje op en dan gaat de pijn helemaal weg.’
Het snikken ebde weg, terwijl Floor zich ongezien terugtrok. Ze was opgetogen en zou Marzoeta hier zeker blij mee maken, maar er was nog een lange weg te gaan. De volwassenen mochten niet te veel druk uitoefenen. Dat zou ze bij Marzoeta benadrukken. Eerst de kinderen in hun spel laten groeien en dan zou de rest vanzelf wel komen. Als Pytske een moederrol over Saartje op zich nam, kon ze dat niet zwijgend af. Voorlopig zou zij blijven bidden voor het herstel van het kind.
Ondertussen was Aeijolt zich bewust geworden van de machtsverhoudingen en machinaties in het vlek Vellesan. Deze woonplaats kende een meier, die resideerde in een groter huis aan het marktplein. Hier werd de belastingopbrengst bijgehouden. Verwarrend was de aanwezigheid van een priester, die zoals Aeijolt het zag, eveneens een soort belasting kon innen. Het was voor de gelovigen tenslotte een verplichting in het onderhoud van de priester te voorzien. Van wat hij hoorde boterde het niet zo tussen de twee mannen. Dat leek Aeijolt nogal lastig aangezien de rechtsspraak van de meier in de kerk plaatsvond. Verder waren er meliores, de rijkste inwoners van Vellesan, zoals Claes van Hoeleyde. Aeijolt hoorde dat Claes een huesman was met een eigen paard en harnas. Dat liet wel zien wat een belangrijk man hij was. Het land werd bewerkt door vrije boeren, maar ook door horige boeren met een mansus. Dat was de hoeveelheid grond die de boer met zijn gezin kon ontginnen en bewerken. Daarvoor droeg hij een deel van de oogst af aan zijn heer. Het was best wel allemaal ingewikkeld als je het vergeleek met het leven in hun eenvoudige dorpje in Wieringen. Daar was geen heer te zien geweest en er werd ook geen belasting geïnd. De dorpelingen hadden zelf alle beslissingen genomen.
Er was hier een rustdag, waarop de christenen naar de kerk gingen om te bidden en de priester aan te horen. Aeijolt was het oude geloof toegedaan, en offerde regelmatig aan de Germaanse goden. Hij zag niets in de christelijke kerk. Sinds een halve eeuw werden de mensen in dit gebied gedwongen om zich te bekeren tot het christelijk geloof. Toen Karel de Grote Frisia veroverde werden de geestelijken geholpen om het christelijk geloof met geweld aan de bewoners op te leggen. Aeijolt en zijn dorpsgenoten hadden altijd de oude gebruiken en hun voorouders geëerd. Zij vroegen de goden om voorspoed bij de oogst en de voortplanting van het vee. Daarbij werd voedsel geofferd en gezongen. Geliefde dieren werden na hun dood vaak naast familieleden begraven. Offergaven werden in een poel bij het dorp geworpen, want door het water kon de godenwereld worden bereikt.
De christenen vonden hun rituelen echter verwerpelijk en waar voorheen Donar, de god van de vruchtbaarheid en van de slacht, werd geëerd, moest men nu in de kerk Sint Petrus aanbidden voor vruchtbaarheid, bescherming van vee en akkerbouw. Iedere christen werd gedoopt met geheiligd water. Marzoeta ging sinds kort met Floor mee naar de kerk en bad daar voor hun dochtertje. Ze zei dat er bij de dienst ook mooi gesproken werd door de priester, maar Aeijolt voelde zich niet geroepen om mee te gaan. Hij zag er echter geen kwaad in dat Marzoeta voor de gezondheid van Pytske ging bidden. Hij was zelf naar de poel in het veen gegaan en had een mooie gepolijste pot en een kegelvormige hanger in het water geofferd.
De Storm
855 n.Chr.
Bij het overlijden van Lotharius I wordt het Verdrag van Prüm gesloten, waarbij het rijk verdeeld wordt onder diens 3 zonen. De oudste zoon, Lodewijk geheten, erft de keizerstitel en Noord-Italië. In 863 vind Lodewijk de dood in de Slag bij Rome. Lotharius II erft dan het noordelijk deel van het rijk, waarvan Frisia deel uitmaakt. De jongste zoon, Karel de Jonge, erft gebieden in het westen, maar dat is slechts in naam, want Frankrijk bevond zich reeds in handen van het Kalifaat.
Verdrag van Prüm 855 n.Chr.
Er was een storm op komst. De Vellesanners waren bevreesd, want al eerder hadden zulke stormen de oogst vernield en niet alle huizen kwamen ongeschonden uit het natuurgeweld. In Wieringen had het groepje van Aeijolt de wateren regelmatig opgezweept zien worden en ze wisten dat je dan beter de hoogte op kon zoeken. Maar hier scheen het gevaar juist vanuit het westen, uit de hoge duinen te komen. Van hun nieuwe vrienden kregen ze te horen, hoe het zand alles kon verzwelgen en dat mensen die daardoor werden overvallen, de dood konden vinden. Ouwe Dirk had gezegd dat dit een monsterstorm zou worden en daarom was Marzoeta snel haar man gaan zoeken bij het laatste project van Clauwaert. Floor en Duna waren er, gestuurd door hun angst, ook al en met z’n vijven gingen zij op zoek naar hun kinderen. Aan de rand van het vlek kwamen zij de kameraadjes tegen, waarmee Kybbe en Saartje regelmatig de duinen introkken. Opgelucht sloot Duna haar zoontje in haar armen. De kinderen van Marzoeta en Floor waren hier echter niet bij.
‘Waar zijn Kybbe en Saartje?’, vroeg Marzoeta aan Joukje.
‘Ze gingen naar het strand om de hoge golven te zien’, zei de kleinste van het stel. ‘Wij durfden niet en zijn teruggekomen, want Dieke zei dat het daar heel gevaarlijk is als het stormt.’
‘Dieke is een heel verstandig meisje. Jullie hebben er goed aan gedaan terug te komen.’ Marzoeta keerde zich naar Aeijolt en Clauwaert. ‘Ik ben heel bang. De kinderen lopen groot gevaar. Jullie moeten ze gaan halen! Koste wat het kost.’
Clauwaert was lijkbleek geworden. ‘Wij kunnen niks doen, we zouden zelf hopeloos verdwalen in de zandstorm. De enige die een kans heeft ze te vinden is mijn neef’, en hij liep hard weg om Jannes te hulp te roepen.
Hijgend en met z’n hand in de zij tegen de pijnscheuten kwam Clauwaert bij z’n neef aan. Zodra het Jannes duidelijk was dat er kinderen in de opkomende storm achter waren gebleven in het duingebied, greep hij een groot stuk doek uit z’n woning en rende hij naar het westen. Snelheid was vereist, want zoals het er nu uitzag zou de storm over een half uur een hoogtepunt bereiken. De kinderen moesten vóór die tijd gevonden zijn.
Hij had ze de weg naar zee geleerd en ze veelvuldig op het hart gedrukt altijd dezelfde route te volgen, zodat ze niet het gevaar liepen te verdwalen. Hij hoopte erop dat ze ook nu niet waren afgeweken en dat ze niet probeerden blind door de storm te dwalen.
De kinderen vonden het prachtig om de hoge golven van de zee te zien en de vlagen zand die over het strand spoelden. Maar al snel werd het minder leuk. De storm wakkerde verder aan en leek het op hen te hebben voorzien. Kybbe pakte Saartje bij de hand en ze vluchtten de duinen in; terug naar huis. Ze volgden het door Jannes aangewezen pad en wisten dat ze daar niet vanaf mochten wijken. Hij had hun dat zo vaak op het hart gedrukt. Maar het werd een bijna onmogelijke opgave toen de storm nog verder in kracht toenam. Al snel verblinde het rondwervelende zand de twee kinderen. In blinde paniek probeerden ze beschutting te vinden. Kybbe hield Saartjes hand stevig vast als was het z’n anker om de woedende natuur te overleven. Met de andere hand voor z’n gezicht en de ogen gesloten strompelde hij door de helse zandstorm. Ze waren hun richtinggevoel kwijt en ze hoorden niets meer buiten het bulderen van de wind. Waar moesten ze heen? Hun adem werd afgesneden. Hun huid werd kapot gebeukt door de zandverzadigde stormwind. Elke porie leek verstikt. Kybbe sloeg zijn armen om Saartje heen en drukte haar tegen zijn borst. Volkomen onverwacht werden ze omvergegooid. Sterke handen pakten hen vast en dwongen hen naar de grond. Er werd iets over ze heen getrokken. Het was weer mogelijk te ademen. Kybbe hoorde een stem bij zijn oor schreeuwen: ‘Blijf liggen. Wacht tot de storm over is.’
Het enige dat ze daarna hoorden was het gebulder van de storm, die heel geleidelijk in kracht afnam. Na een periode die dagen leek te duren, keerde de rust weer. Waar ze mee bedekt waren werd weggenomen. Overal zat het zand. Het schuurde op hun lichaam onder hun kleding en Kybbe peuterde ijverig in zijn neus om het te verwijderen. Saartje probeerde het uit te spugen, maar haar mond was zo droog dat het niet lukte. Ook Jannes probeerde een lading zand kwijt te raken en zei: ‘Kom, naar huis. Zodra we een beekje zien zullen we onze monden spoelen en ogen en oren uitwassen. Wat zullen jullie ouders blij zijn.’
Bij de oude beek kwamen ze hun ouders tegen. Die waren hevig verontrust op pad gegaan, zodra de wind minderde. Hun angstige vermoedens werden ontkracht en ze konden alle vier opgelucht ademhalen, toen ze Jannes met de twee kinderen aan de hand in het oog kregen. Het was een moeizame weg, omdat alles bedekt was met een dikke laag zand. Toen het zand door hun ijverige ouders van hen was afgespoeld en ze een paar flinke teugen water hadden genomen, kon Jannes z’n relaas doen: ‘Op een gegeven moment zag ik geen hand voor ogen meer en volgde ik het pad puur op m’n geheugen. Ik dacht dat het hopeloos was. De angst kneep m’n keel dicht en ik had geen enkele hoop meer. Maar op datzelfde moment botste ik letterlijk tegen hen op. We zijn direct gaan liggen en ik trok het kleed over ons heen, om het einde van de storm af te wachten. Ik moest ons praktisch uitgraven na afloop.’
Ook Kybbe moest vertellen en hij zei dat hij gestopt was met lopen, toen hij besefte dat ze van het pad af zouden dwalen. Hij had gehoopt dat ze zouden worden gezocht. Saartje zei dat de grootste angst van haar was afgegleden toen ze de sterke hand van Jannes had gevoeld. Alles zou goed komen. Het was duidelijk dat de kinderen de schrik van hun leven hadden gehad en het was onwaarschijnlijk dat ze ooit weer in deze situatie terecht zouden komen.
Nu was goed te zien dat het zand aan de zeezijde van het duin in enorme wolken was opgestoven en daarna neergedaald aan de andere kant van de duinen. Alle vegetatie was bedekt met een dikke laag zand. Zodra de storm over was begonnen de landarbeiders het zand van de velden te scheppen. Nu bleek dat veel gewassen het niet hadden overleefd.
Dit was een ramp. Het vorige jaar had de koude nog zo lang aangehouden, dat het onmogelijk was geweest te zaaien en planten. Alles vroor in de nacht dood of kwam in het geheel niet op. Pas in juni konden ze beginnen aan het plantseizoen en dat was wel een heel kort seizoen gebleken, toen de koude al in september weer inzette. De schuren waren niet gevuld voor de winter en men had hongergeleden. En nu had die verschrikkelijke storm alles op het land kapot gemaakt. Ze zouden voedsel moeten kopen van de rondtrekkende kooplieden.
De nood was hoog geweest in de winter van 855. Vooral veel ouderen hadden de dood gevonden tijdens de strenge vorstperiode, zowel door de kou als door het gebrek aan voedsel. Gelukkig leek de vorst in april geweken. Maar het landschap was al lang ontdooid, voor er weer enige hoop op de gezichten van de Vellesanners viel te ontwaren. De geboortegolf in de veestapel en het ontluiken van eetbaar groen zorgde hiervoor en eindelijk konden de boeren zich, een week voor ijsheiligen in mei, weer zetten aan het zaaien en planten. Hun werkdag begon nu voor dag en dauw, slechts onderbroken door het Angelus. De eerste keer van de dag luidde de klok om 6 uur en daarna werd het werk nog tweemaal neergelegd voor het gebed om 12 uur en 6 uur in de avond. Het was hard werken. Het angelusklokje voor de driemaal dagelijkse oproep tot het gebed, was de laatste toevoeging aan de kerk geweest. Hopelijk hoefde de grote klok dit jaar niet geluid te worden voor een grote zandstorm en misschien zou een brand hen ook bespaard blijven. Dat waren toch wel de grootste problemen voor de inwoners van het vlek Vellesan.
Dat het leven weer op gang kwam bleek ook uit een toename van het aantal vreemdelingen. Enkelen vestigden zich hier en anderen bleken op weg naar het graf van Adelbert bij Egmond. Deze Ierse prediker was anderhalve eeuw geleden naar Kinhem gekomen om de Friezen te bekeren en er waren verhalen over de wonderen die hij had verricht. De pelgrims waren op weg naar het plekje in de duinen, waar hij begraven zou zijn en waar je naar het scheen genezen kon worden van ziekten, wanneer je van een bron daar dronk. Aeijolt was weliswaar bevriend met Clauwaert, die christen was en Marzoeta probeerde hem mee te krijgen naar de diensten in de kerk, maar hij kon niet geloven in een menselijke zoon van een god, die gestorven was voor de zonden van alle mensen en die een drie-eenheid scheen te vormen met God en een heilige geest. Dat was hem té vreemd. Zo geloofde hij ook niet aan wonderen die door verschillende predikers zouden zijn verricht. Al die plekken waar wonderen plaatsvonden werden nu bedevaartsplaatsen. Praktisch als hij was, zag hij wel de voordelen die zulke ontwikkelingen konden opleveren. Pelgrims hadden natuurlijk onderdak, voeding en kleding nodig. Daar kon je aan verdienen.
De grote zandstorm van dat jaar en de daaropvolgende barre winter had hem nog bewuster gemaakt van de bedreigingen voor de bewoners van dit land. ‘Ellende komt altijd in drieën’, hield z’n vader hem vroeger voor. Aan het natuurgeweld en het mislukken van een oogst kon hij niet veel doen, maar hij dacht wel iets te kunnen doen tegen groepen plunderaars. Hij raakte erover in gesprek met Clauwaert. Deze vertelde Aeijolt over de geschiedenis van Vellesan. Het waren vooral de rampen die in het geheugen waren blijven hangen. Overvallen, brand, zandstormen en hongersnood. Aeijolt zoog de verhalen gretig op en toen Clauwaert opstond om nog een beker bier te schenken, zei hij: ‘We kennen allerhande ongeluk. Er zijn regelmatig zandstormen, die de oogst laten mislukken en er zijn langdurige winters, die ons leven moeilijk maken. Aan die twee dingen kunnen we niet veel doen, maar bij een brand kunnen we wel meer doen. We kunnen op een andere manier bouwen en we kunnen een verdediging opwerpen tegen overvallers en plunderaars.’
‘Ik kan me niet voorstellen hoe je dat voor elkaar wil krijgen’, zei Clauwaert.
‘Nou,’ ging Aeijolt verder, ‘als je bijvoorbeeld meer ruimte tussen de gebouwen laat, kan een brand zich moeilijker verspreiden. Je zou ook een laag stenen kunnen gebruiken, waarop je verder bouwt met hout.’ Clauwaert ging hier direct op in: ‘Dan zou je dus heel veel huizen moeten slopen. Denk je dat de bewoners daarmee in zouden stemmen? Nee Aeijolt, het is een mooi idee, maar absoluut niet uit te voeren.’
‘Misschien niet, maar je kan wel de brandbestrijding beter organiseren. Als je iedereen verplicht een emmer klaar te hebben staan en zorgt dat de mensen sneller op straat staan, kun je voorkomen dat een brand te groot wordt.’
‘Dat is zeker mogelijk. Ik denk zelf dat iemand permanent op wacht moet staan op een hoger standpunt om sneller een brand te signaleren. Dat zou zeker bijdragen aan het klein houden van de brand. Maar ik ben benieuwd naar je idee voor een verdediging tegen gewapende bendes.’
‘In het zuiden en oosten van deze lage landen bestaan ringwallen, waarin de bewoners van het gebied veilig zijn voor aanvallen van indringers. Een Friese koopman vertelde me er over. Er wordt een wal van aarde, versterkt met hout opgeworpen -het liefst bij een natuurlijke hindernis, zoals een rivier. Je graaft er geulen omheen om het ontoegankelijker te maken voor overvallers. In de omwalling zijn vier doorgangen, die met elkaar zijn verbonden door houten paden in een kruisvorm. Zo kunnen de verdedigers makkelijk en snel van 1 punt naar een ander gaan, waar de vijand dreigt door te breken’, ratelde Aeijolt enthousiast.
‘Dat klinkt heel mooi, maar hoe zie je dat voor je? Ga je om Vellesan heen zo’n ringwal aanleggen?’, vroeg Clauwaert.
Nu ging Aeijolt wat bedachtzamer verder: ‘Nee, dan zou er wel heel veel moeten worden gegraven. Ik denk meer aan een plek buiten het vlek, die goede natuurlijke mogelijkheden biedt. De inwoners kunnen binnen de ringwal vluchten als er een overval dreigt.’
‘Dan heb je toestemming nodig van de leenheer. En die leenheer is toevallig een Viking. We weten hier niet zo veel van hem, maar Vikingen staan wel bekend als harde mannen en strijders. Hij is nu met een leger op weg naar het noorden om de koningstitel daar op te eisen. Ik weet niet wie jou namens hem in staat zal stellen zo’n werk tot stand te brengen. Je hebt materiaal en arbeidskracht nodig. Wie gaat jou dat leveren? Nee Aeijolt, je kan dromen wat je wil, maar dat gaat geen werkelijkheid worden.’
Het was hem duidelijk geworden dat het onmogelijk zou zijn de door hem gewenste ringwal te bouwen. Hij had echter genoeg werk en daar kwam de wens van z’n vrouw bij. Ze wilde een nieuwe brouwruimte aan huis.
Het was Marzoeta gelukt om een mooi formaat beslagkuip en brouwketel te bemachtigen. De oude ketel was te klein om iedereen die haar bier wilde te voorzien. Aeijolt had een nieuwe ruimte aan hun woning gebouwd en had alles geïnstalleerd. Samen met haar zus Duna kon ze nu aan de slag. Riuum had, zoals gewoonlijk, voor turf gezorgd. Zijzelf was er op uit gegaan om op het land rozemarijn, salie, laurier, gagel en duizendblad te plukken. Met dit gruit kon ze zorgen voor vers bier. Ze had alleen nog honing nodig, zodat het bier niet te zuur zou zijn. Daarna bewerkte ze het graan tot mout, dat ze vervolgens grof maalde. Duna ging daarmee aan het werk en maakte er een dun beslag van dat daarna met het gruit werd gekookt in de grote open ketel. Buiten stond een grote, platte kuip, waarin het bier zou afkoelen. Deze kuip had ze overgenomen van een oude man, wiens vrouw was overleden. Ze was er blij mee, want het bier gistte hier voortreffelijk in. Er kwam een mooie schuimende laag op het bier.
Natuurlijk moest er feest worden gevierd toen het eerste brouwsel was gelukt. Claes van Hoeleyde was aanwezig bij deze viering en hij prees het bier: ‘Het is helemaal niet zo bitterzuur als het bier dat ik normaal drink. Ik zou graag willen dat je ook voor mijn huishouding wilt brouwen, Marzoeta.’ Een hoogrode kleur op haar gelaat was het resultaat van dit compliment.
Er werd natuurlijk te veel gedronken, ook door Aeijolt. Toen ze terug naar huis liepen voelde en kneep hij constant in haar borsten en als ze niet ferm was doorgestapt, had hij zich waarschijnlijk niets van de omgeving aangetrokken.
‘Stop, Aeijolt. Hou je in tot we binnen zijn’, beval ze hem. Hunkerend volgde hij haar het huis in.
Het geheim van Krijn
857 n.Chr.
Voor de tweede maal trekt Rorik met z’n troepen naar het noorden om zijn claim op de Jutlandse troon kracht bij te zetten. Hij hoopt dat hij een snelle beslissing kan forceren. Twee jaar daarvoor, bij een eerdere poging de kroon te veroveren, was gebleken dat zijn gebieden in de lage landen niet lang zonder zijn bescherming konden. Hij was daar nodig om het gebied van Lotharius, zijn leenheer te beschermen tegen de invallen van groepen Vikingen. Zij hadden Dorestad al meerdere keren geplunderd en waren ook regelmatig de Rijn opgevaren tijdens hun plundertochten. Het was moeilijk daarop te reageren, want als de Vikingschepen aan land kwamen op de stranden, of vanaf de rivieren aanvielen, kwamen er uit elke boot zo’n veertig ruige vechters. Deze maakten zich zo snel mogelijk meester van alle paarden die er rondliepen en daarna kon het voetvolk ze niet meer tegenhouden. Alleen zijn ruiterij kon gelijke tred houden met de Vikingen wat snelheid betrof. Deze kon een muur van Vikingenschilden doorbreken. Dat was vrijwel niet mogelijk voor de meestal slecht uitgeruste voetsoldaten.
Ondanks het feit dat de kustverdediging door zijn afwezigheid zou verzwakken, had Lotharius z’n goedkeurig gegeven aan Roriks militaire onderneming. De politieke strubbelingen met Lodewijk de Duitser, de koning van Oost-Francië maakten het aanlokkelijk om een vertrouweling als Rorik als machtsbron ten noorden van het gebied van zijn tegenstrever te hebben.
Het betekende wel dat Het Nederrijnse gebied onbeschermd lag en het wordt dan ook prompt door Vikingen belaagd. Er vinden weer aanvallen op Utrecht en Dorestad plaats en bisschop Hunger van Utrecht ziet zich genoodzaakt naar het Sint Pieterklooster in het zuiden te vluchten.
Heel Noord-Frankrijk was nu in handen van de Omajjaden. De pauselijke zetel, die eerder al van Rome naar Reims was verhuisd, wordt nu verplaatst naar Keulen.
Kybbe en Saartje waren vol enthousiasme naar het beekje gegaan, waar ze vaker in het water rond spetterden. Zij liep hard naar het stromende water, trok haar jurk over haar hoofd en sprong in de beek. Kybbe was zich ineens bewust van haar prille borstjes en kreeg een bijzonder gevoel van onder. Hij keek omlaag en zag dat zijn penis stijf was. Hij draaide zich om, zodat zij het niet kon zien en trok snel zijn broek weer op. ‘Kom erin Kybbe. Het water is niet echt koud’, riep ze.
Hij antwoordde stuurs en met een rood hoofd, dat hij geen zin had om in het water te spelen en dat hij z’n vader had beloofd te helpen. Hij liep met grote passen weg van Saartje. Ze begreep er helemaal niets van. Kybbe had voorgesteld om te gaan ravotten in het water en nu reageerde hij cru en liet haar achter.
Aeijolt zag direct dat er wat aan de hand was toen Kybbe aan kwam sjokken en moedigde z’n zoon aan het te vertellen. De jongen schaamde zich ergens voor, dat was hem duidelijk. Uiteindelijk wist hij het uit hem te krijgen. Hij glimlachte, maar wist dat Kybbe dat verkeerd zou opvatten en trok haastig z’n gezicht in de plooi. Daarna ging hij rustig naast Kybbe zitten en vertelde hem, dat wat hem bij de beek overkwam heel normaal was. Toen Kybbe de link kon leggen met datgene wat hij de volwassenen hoorde doen onder de dekens in de slaapplaats, vertelde Aeijolt hem dat er een grote verantwoordelijkheid gepaard ging met de seksuele daad. Het gevolg ervan kon zijn dat het meisje zwanger werd. Kybbe was na het verhaal van zijn vader diep onder de indruk en begreep dat je beter eerst volwassen kon zijn vóór er een baby kwam. De meisjes die hij kende waren meestal al 16 jaar of ouder als zij een kindje kregen. Hij nam zich voor Saartje te beschermen tegen andere jongens.
Ze was boos op Kybbe. Waarom liet hij haar zo in de steek? Plotseling hoorde ze hoefgetrappel en een luide stem. In paniek krabbelde ze tegen de oeverwal op, maar gleed uit en viel terug in het water. Te laat! De mannen verstomden toen ze haar zagen. ‘Een jonge naakte deerne. Dat kunnen we goed gebruiken na een lange stoffige reis’, riep een van hen opgetogen uit.
Hij sprong daarop in de beek en tilde haar spartelende lijf op.
‘Heer Darra, een smakelijk hapje voor u.’
Saartje schreeuwde het uit van angst, haar reeënogen schoten heen en weer langs de mannen en bleven rusten op het lid van de edelman die zijn broek had laten zakken en haar met een wellustige grijns bekeek. Hij likte zijn lippen en gaf twee van zijn mannen bevel het meisje op de grond te leggen en vast te houden. Toen zij weer gilde, stompte hij haar recht in het gezicht. ‘Stil, jij kleine feeks en geniet van het voorrecht dat ik je verleen.’
Tot ieders verbazing meldde de priester zich als tweede, toen hun heer aan zijn gerief was gekomen. Het meisje huilde onbedaarlijk toen Anselm zijn geslacht in haar mond probeerde te stoppen. ‘Open!’, siste hij. Een van de mannen wrong haar kaken open, maar toen dat deel van Anselm naar binnen gleed, klapte haar tanden hard op elkaar. De geestelijke brulde het uit. Hij omvatte zijn lid met beide handen en maakte een vreemd huppeldansje. Darra en zijn mannen lagen krom van het lachen. Anselm was ziedend dat hij zo belachelijk werd gemaakt. Hij tilde zijn pij weer op, duwde de mannen opzij, gaf haar zo’n dreun dat haar neus brak en drong in één keer bij haar binnen. Daarna koesterde hij onder zijn pij z’n nog steeds pijnlijke lid en liet zich een beker wijn aanreiken met een stuk worst, terwijl hij toekeek hoe de resterende mannen zich vergrepen aan Saartje. Hierna lieten ze haar liggen als een kapotte vodden pop en zetten zich aan de maaltijd. Beurtelings hapten ze een stuk brood en een stuk worst af. Nadat enige tijd was verstreken,stond Darra op van de boomstronk waarop hij zat.
‘Het is tijd om op te stappen, mannen. We zullen ze in Vellesan eens gaan verrassen.’
Lachend besteeg Darra zijn paard. De mannen volgden hem snel, terwijl Anselm een kreet liet ontsnappen toen hij contact maakte met de rug van z’n paard. Het meisje bleef als een gebroken pop achter. De mannen keken niet één keer om.
Krijn, was één van de gravers van Claes van Hoeleyde. Hij was al doof bij zijn geboorte en had het daardoor als kind heel moeilijk. Z’n jeugd werd getekend door pesterijen van andere kinderen, terwijl de volwassenen hem als idioot zagen. Zijn moeder had hem altijd als een leeuwin beschermd. Door te gebaren communiceerde ze met haar zoon en begon hij de lichaamstaal van anderen te begrijpen. Met engelengeduld leerde zij hem de woorden van haar lippen te lezen en zelf klanken voort te brengen. Zijn moeilijke jeugd had hij daardoor overleefd en had hem weerbaar gemaakt. Hij werd een ontzagwekkende verschijning en was beresterk. Toen hij 18 werd was hij volkomen geaccepteerd in de gemeenschap en was men gewend aan zijn vreemde manier van spreken. Vaker nog werden ze verrast door zijn bijzondere opmerkingsvermogen. Op de terugweg van het werk voor Claes zag hij in de verte de groep van Darra opstappen en richting Vellesan vertrekken. Hij stootte Riuum aan en wees: ‘Wat hebben ze daar achtergelaten?’
Riuum keek in de richting die hij aanwees en ze versnelden hun pas om poolshoogte te nemen. Dichterbij gekomen herkende Riuum in het naakte en bebloede lichaam, het dochtertje van Clauwaert. Voorzichtig tilde Krijn haar op en droeg haar de hele weg naar haar ouderlijk huis.
Toen Kybbe het gesprek tussen Riuum en Aeijolt hoorde over wat Saartje was overkomen en dat zij gewond thuis was gebracht, was hij in alle staten. Hoe had hij haar zo achter kunnen laten? Hij had zich voorgenomen haar te beschermen en had daar al direct in gefaald. Hoe kon hij haar ooit nog onder ogen komen? En dat alleen maar omdat hij zich beschaamd had gevoeld toen zijn lid omhoog was gekomen.
Saartje had hoge koorts en ijlde. Het bloeden was gelukkig gestopt en Floor had geneeskrachtige planten gebruikt om de wonden in haar gezicht te helen. De neus stond scheef, daar was niets meer aan te doen. Ze miste ook twee voortanden.
In haar koortsdromen schreeuwde ze het uit. Ze riep om haar vader en ook hoorde haar moeder haar op smekende toon zeggen: ‘Alsjeblieft Kybbe, blijf hier.’
Ze vertelde haar man, dat Saartje steeds de naam van Kybbe riep. Clauwaert kon zich niet voorstellen dat haar vriendje haar dit had aangedaan en besloot Kybbe te laten halen. Samen met zijn vader verscheen hij kort daarna aan de deur. ‘Hij durfde hier niet te komen. Hij schaamt zich dat hij Saartje alleen bij de beek heeft achtergelaten’, vertelde Aeijolt aan Clauwaert en hij meldde wat hij van Riuum had gehoord.
Clauwaert was des duivels: ‘Die kerels zullen boeten, al moet ik ze achterna tot het einde van de wereld.’
Kybbe huilde toen hij Saartje zag en knielde bij haar bed. ‘O, Saartje, ik heb zo’n spijt dat ik ben weggelopen!’, snikte hij.
Het meisje opende haar ogen, keek Kybbe aan en fluisterde: ‘Ik heb hem in z’n piemel gebeten.’ Hierna viel haar hoofd opzij.
Floor en Clauwaert waren ontroostbaar. Hun mooie meisje was dood. De daders zouden hiervoor boeten.
Darra was met z’n gevolg en priester Anselm op het marktplein aangekomen en begaf zich, na een inwoner enige vragen te hebben gesteld, te paard naar de woning van de meier, Barteld van Davetre.
Toen deze naar buiten kwam, zag hij zich direct omringd door vijf gewapende mannen. Darra zag er vreeswekkend uit in zijn maliënkolder en metalen helm uit één stuk. Zijn ogen waren niet te zien achter de gaten in zijn gezichtsbescherming. In z’n linkerhand hield hij een houten schild, waarvan de randen met ijzer waren beslagen. Hij verhief zich van de rug van z’n paard, dat een schofthoogte van wel 2 el had en staande in de stijgbeugels sprak hij: ‘Heer Barteld, U wordt beschuldigd van het niet nakomen van uw verplichtingen jegens uw heer, Rorik Yngling, graaf in Frisia. De graaf heeft mij vóór zijn vertrek om wettig koning van Jutland te worden, benoemd als zijn meier voor dit gebied. Wij zijn vanuit Hallem hier naartoe gekomen om u ter verantwoording te roepen. U staat onder arrest. Mannen, sla hem in de boeien en zoek een geschikte plek om hem vast te houden tot de rechtszitting.’
De tegensputterende Barteld was machteloos. Z’n toegesnelde vrouw barstte in jammeren uit. Darra schoof haar aan de kant en sprak: ‘Stop dat gejank en zorg ervoor dat je je kamers opruimt en ze geschikt maakt voor mijn verblijf. Daarna inspecteren we je huis en kijken we hoe we jezelf kunnen onderbrengen en mijn 5 trouwe dienaars.
Intussen was het marktplein volgestroomd. Het gerucht dat een aantal gewapende mannen vanuit het noorden op weg was naar het huis van hun meier, had de nieuwsgierigheid gewekt. Dit was een opwindende gebeurtenis voor deze mensen, die in hun hele leven vaak niet verder dan 5 kilometer buiten hun geboorte- en woonplaats kwamen.
Na het horen van de beschuldiging aan het adres van Barteld en de bewering van Darra dat hij aangesteld was als hun nieuwe meier, drongen enkele bewoners zich naar voren en eisten bewijs van Darra, dat hij als meier was aangesteld. ‘Hier is het bewijs’, riep Darra terwijl hij een zegelring ophield. ‘en hier is het perkament met de opdracht van heer Rorik met zijn zegel eraan.’ Hij stak een rol perkament in de lucht, die hij uit z’n zadeltas had getrokken. Die bewering en de dreigende houding van zijn gewapende mannen, zorgde ervoor dat de stoutmoedigste Vellesanners weer terugstapten.
‘Er is voor u nog meer nieuws’, vervolgde hij z’n toespraak. ‘Hier naast mij staat de eerwaarde Anselm. Heer Rorik heeft mij opgedragen de kerk en haar hoge vertegenwoordiger te beschermen. De eerwaarde is vanuit het bisdom Utrecht naar deze streek gestuurd om in Vellesan de leiding op zich te nemen over de kerkelijke instellingen.’ Hij wendde zich zijwaarts naar z’n vertrouweling en zei op zachte toon: ‘Zoek uit wie degenen zijn die net protesteerden. We moeten ze in de gaten houden. Die zullen vast in de toekomst voor meer problemen gaan zorgen.’
Bruno was uit de kerk gekomen, waar hij bezig was met de voorbereiding van de schriftlezing voor de vespers, die avond. Hij sloot achteraan bij de groep toehoorders en rekte zijn nek om de man te zien die als zijn meerdere was geïntroduceerd. Wie was deze geestelijke en welke boodschap zou hij brengen? Wat waren de plannen voor de kerk in Vellesan?
Voorlopig bleven z’n vragen onbeantwoord, want de nieuwkomers zetten zich eerst aan een inderhaast aangerukte maaltijd. Nu ze de kans hadden, weigerden de mannen het slappe bier dat gewoonlijk bij de maaltijd werd geschonken en eisten zij dat het zwaardere bier werd geserveerd. Aangezien zij dat gewoonlijk niet dronken, werden hun bewegingen minder gecontroleerd en sloeg af en toe een tong dubbel. Krijn kwam met een nieuwe emmer bier aanzetten en keek vol verachting naar de dronken groep. Flauwe grappen gingen over de tafel, maar z’n focus verscherpte, toen hij op de lippen van een van de mannen ‘kleine hete bliksem’ zag verschijnen. De mannen vertelden elkaar verlekkerd hoe mooi het wezentje in de beek er uit had gezien en hoe geil het was geweest toen ze haar een voor een namen. Ze hadden het over de verkrachting van Saartje, besefte hij. Woedde welde in hem op, maar hij wist zich te bedwingen en verdween zo snel mogelijk naar buiten.
Darra boog zich naar de naast hem gezeten Anselm en zei: ‘Wat een geweldig idee van je om een perkament te schrijven en te zegelen met deze ring. Die idioten geloven echt dat hij van Rorik is.’
Anselm fluisterde terug: ‘Maar jouw idee om gebruik te maken van de afwezigheid van de graaf was al briljant. Als die stomme Viking de dood vindt in z’n opvolgingsoorlog in het noorden om de koningskroon van z’n grootvader, zitten we helemaal gebeiteld.’
‘Mocht dat niet gebeuren en komt hij hier terug, moeten we in ieder geval zoveel mogelijk hebben binnengehaald’, grijnslachte Darra.
‘Wat wil je eigenlijk met Barteld doen?’, wilde Anselm weten.
‘Die sluiten we als een soort verzekering op. Als Rorik terugkomt en wij zijn vertrokken, scheelt het misschien dat hij z’n meier levend terugvindt. Wie weet hoe we dat nog kunnen gebruiken.’
Na de maaltijd ging een nog fris ogende Anselm de kerk van kapelaan Bruno binnen. Deze had nog nimmer een bezoek van een kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder ontvangen. Hij was echter een eenvoudige, oprechte gelovige, die niet snel onder de indruk was en vol vragen zat. Na enige inleidende opmerkingen zei hij: ‘Ik heb vernomen dat bisschop Hunger uit Utrecht is vertrokken naar het St.-Pieterklooster in het zuiden.’ Anselm besloot met pure bluf Bruno te intimideren en antwoordde: ‘Dat klopt, van daaruit bestuurt hij nu het bisdom in opdracht van het aartsbisdom Keulen. Er is een herinrichting van de bisdommen in de maak, nu het Omajjaden-leger zoveel christelijke landen heeft ingenomen. Er zal een nieuw bisdom aan deze kusten worden gesticht. Ik heb als aartsdiaken opdracht van bisschop Hunger gekregen dit voor te bereiden. Vóór zijn vertrek naar het zuiden heeft hij mij opgedragen de positie van de kerk hier in het westen te versterken. Zodra ik me hier heb geïnstalleerd, zal ik u laten roepen en vertel ik u wat er nodig is voor de reorganisatie van de kerk in Kinhem en wat uw rol daarin zal zijn. Intussen wil ik graag van u vernemen hoe het er hier voorstaat met de kerk en hoeveel gelovigen u in uw kerk ontvangt.’
Bruno vertelde hem dat er in Vellesan nog velen waren die het oude geloof aanhingen, maar dat het aantal bekeerlingen gestaag toenam. Hij wilde weten hoe de aartsdiaken de kerstening van de Friezen zou aanpakken. Echter, na de informatie die Bruno hem gaf beschouwde Anselm het gesprek kennelijk als beëindigd en hij liep het kerkje uit om zich bij Darra te voegen.
Krijn besefte dat wanneer hij Clauwaert zou vertellen wat hij had gehoord in het huis van de meier, de emoties hem noodlottig zouden worden, want hij zou ongetwijfeld direct naar het huis van Darra stormen. Wekenlang liep Krijn rond met z’n geheim. Hij twijfelde wat te doen. Hij wilde niet het recht in eigen hand nemen. Geweld was iets dat hem vreemd was. Hij wist dat het mogelijk was te biecht te gaan. Zou dat bij iedere geestelijke kunnen? De nieuwe geestelijke stond duidelijk aan de kant van Darra. Daar wilde hij niets aan toevertrouwen. De enige die daarvoor in aanmerking kwam was kapelaan Bruno. Z’n besluit was genomen, hij zou de volgende dag aankloppen bij de geestelijke. Als trouw bezoeker van de diensten had de geestelijke Krijn in z’n hart gesloten, toen bleek dat ze heel goed konden communiceren. Hij was verheugd geweest dat iemand zo’n enorme beperking met doorzettingsvermogen kon overwinnen en zo positief in het leven kon staan. Hij had z’n handicap aanvaard, zoals Jezus zijn lot had aanvaard.
De ochtend daarop bevestigde Bruno dat elk geheim dat Krijn vertelde, bij hem veilig zou zijn. Na Krijns weergave van de gesprekken van de mannen, was Bruno tot in het diepst van zijn ziel geschokt. Eigenlijk zou hij met dit verhaal naar z’n meerdere moeten gaan, maar hij kon het vertrouwen van Krijn niet beschamen, want die had uitdrukkelijk gezegd dat hij de aartsdiaken niet vertrouwde. Hij kon helemaal niéts doen met dit verhaal van Krijn. Zo gingen weer enkele maanden voorbij.
Krijn zat nog steeds met het grote geheim in z’n maag. Een tijd lang voelde hij zich beter nadat hij het aan kapelaan Bruno had verteld, maar het zat hem niet lekker dat de verschrikkelijke gebeurtenis onbestraft bleef. Daarom besloot hij in het voorjaar van 858 Aeijolt aan te spreken. Die was zo’n beetje de leider van hun groepje uit Wieringen en de beste vriend van Clauwaert. Hij zou weten wat te doen. Diens eerst actie was met de kapelaan te gaan praten. Samen kwamen ze er ook niet uit. Bruno noemde Anselm, maar Aeijolt weigerde bij hem te rade te gaan. ‘Krijn vertrouwt die man niet en voor mij is daarmee de kous af. Maar het staat als een paal boven water dat we een plan nodig hebben, vóór we het Clauwaert vertellen. Ik ken hem en zonder goed plan zullen we hem niet tegen kunnen houden om direct naar de boosdoeners te stappen en recht te eisen. We hebben iemand nodig die meer van de wetten van dit land weet. Iemand die ook de buitenwereld kent.’
Bruno stelde voor om in dat geval een koopman te zoeken. Die kwamen overal, kenden het laatste nieuws en waren van vele zaken op de hoogte.
Zo kwam Aeijolt bij Sake terecht. De Friese koopman, die Marzoeta had voorzien van een nieuwe brouwketel en waar Clauwaert regelmatig zaken mee deed wist hem tot in de details te vertellen hoe een rechtszaak over doodslag in het westen verliep. Als ze niet akkoord zouden gaan met een weergeld tot wederzijdse goedkeuring zou er een rechtszaak volgen. Er zouden rechters worden aangesteld, er werden eden gezworen, ook door getuigen. Uiteindelijk zouden de rechters na alle eden en getuigenissen een straf vaststellen.
Aeijolt nam de beslissing om hiermee naar Clauwaert te gaan. Diens woede was enorm, maar het lukte om hem tot bedaren te brengen. In aanwezigheid van Claes van Hoeleyde, die aangaf één van de rechters te zullen zijn werd een plan van aanpak gemaakt en werd een officiële beschuldiging naar de meier en z’n mannen gebracht. Alle voorbereidingen voor de rechtszaak werden hierna getroffen.
De rechtszaak
858 n.Chr.
Het was allemaal heel spannend wat er stond te gebeuren. Een rechtszaak tegen de heer van Vellesan. Kybbe wilde weten wat er nu ging gebeuren en z’n vader vertelde hem dat Clauwaert een betichtingseed ging afleggen, waarin hij heer Darra beschuldigde van een misdaad. Zijn ooms, Krijn en Riuum waren daarbij eedhelpers. Ze zouden de beschuldiging van Clauwaert ondersteunen. Daarop zou Darra een onschuldseed afleggen. Ook hij zou eedhelpers hebben. Toen ze te midden van de andere inwoners naar het marktplein gingen om de rechtszaak bij te wonen, bleek Darra zes eedhelpers te hebben, zijn 5 sterke mannen en aartsdiaken Anselm.
Een drietal rechters had al op een haastig in elkaar getimmerd podium plaatsgenomen. Eén van hen was grondbezitter Claes van Hoeleyde. Toen het rumoer uit het publiek eindelijk was weggestorven werden de eden uitgesproken door Clauwaert en Darra. Daarna was Krijn aan de beurt. Hij zwoer en herhaalde de woorden van de dronken krijgsmannen, die hij destijds bij hun eerste maaltijd in Vellesan had gehoord. Hij kreeg geen kans hier verder over te spreken, want Guy nam het als eedhelper van Darra over: ‘Deze idioot kan toch geen eedhelper zijn. Hij kan nauwelijks praten en hij is zo doof als een kwartel. Hoe kan hij iets gehoord hebben?’
Aeijolt protesteerde: ‘Krijn kan weliswaar niet horen, maar hij kan de woorden die de mensen zeggen van hun lippen zien komen.’
‘Dat is het meest belachelijke wat ik ooit heb gehoord! Woorden kun je van het vellum lezen, wanneer je geschoold bent. Het lezen van monden is onmogelijk. Het klinkt zelfs duivels.’
Hiermee mengde Anselm zich in het rumoer dat was ontstaan. ‘Als de beschuldigingen aan heer Darra gebaseerd zijn op duivels werk, kan dit nooit door godvrezende mensen worden geaccepteerd.’
Krijn leek danig in de war van de opmerkingen die volgden op zijn eed en begreep in eerste instantie niet waar hij van werd beschuldigd. Toen het begrip bij hem indaalde, brulde hij en viel hij aan op Guy. Deze verdedigde zich zo goed als hij kon tegen deze onverwachte aanval. Na een aantal rake klappen konden de mannen van Darra de woedende man overmeesteren.
Darra hief zijn hand op en het protest dat opklonk uit de kleine groep van Aeijolt ebde langzaam weg. In de stilte die volgde richtte de heer van Vellesan zich tot de drie rechters. ‘Deze zitting kan tot een besluit komen. Als dove man, kan Krijn nooit iets hebben gehoord. Daarmee is dit verhaal duidelijk vals en eis ik dat deze aanval op mijn goede eer wordt vergolden. Bovendien verdient hij straf omdat hij tijdens deze rechtszaak een edelman en eedhelper aanviel.’
De zenuwtic van Riuum nam tijdens de zitting in hevigheid toe en hij werd door Guy weggezet als een idioot. De doorslag werd natuurlijk gegeven door de eed van Anselm. Een man van God zou toch zeker de waarheid spreken. Zijn woord ging zeker boven die van een stelletje heidenen.
De rechters raakten toen het proces z’n einde naderde in een verhitte discussie. Claes van Hoeleyde kende Krijn en wist dat de aardige reus nooit kwaad deed, eerlijk was en altijd zijn gesproken instructies goed begreep. Hij geloofde dan ook dat de beschuldiging klopte. Darra greep persoonlijk in. Hij had als heer van het domein het recht de beslissing uit te spreken. Er klonk geschreeuw uit het publiek toen hij bekend maakte dat Clauwaert als klager aan een godsoordeel zou worden onderworpen. Omdat de veroordeelde geen onderhandelingen over weergeld had geëist, maar een rechterlijke uitspraak wilde, was dit de uitkomst waarop Darra had aangestuurd. Kennelijk was er met deze uitkomst al rekening gehouden, want een pot met kokend water werd door twee van de eedhelpers van Darra op het podium gehesen en Clauwaert werd gedwongen het godsoordeel te ondergaan. Gillend van de pijn werden zijn armen even later in de lucht gestoken door Darra’s mannen, opdat iedereen het roodverbrande vlees kon zien. Dat was het bewijs van Clauwaerts schuld volgens de gewoonte. Het verhaal luidde dat een onschuldig persoon door God zou worden beschermd tegen verbranding en z’n handen zouden ongeschonden blijven.
Aangezien hij de plaatsvervanger was van de landsheer sprak Darra zelf het vonnis uit: ‘De hoogste rechter heeft zijn oordeel uitgesproken. God zelf heeft door de uitkomst van deze proef laten zien, dat Clauwaert mij, de heer van Kinhem, valselijk heeft beschuldigd. Zijn eedhelpers worden bestraft voor hun valse getuigenis met 20 zweepslagen voor ieder. Clauwaert heeft met z’n valse eed de heer van Vellesan beledigd en als straf voor deze kwaadsprekerij wordt zijn tong uitgerukt. Dezelfde straf zal Krijn ondergaan, omdat zijn leugenachtigheid het verst gaat. De straffen zullen direct na het einde van deze zitting worden voltrokken.’
Zowel Claes van Hoeleyde als kapelaan Bruno stonden op om te protesteren: ‘Deze straffen worden hier nooit gegeven. Dat zijn barbaarse praktijken uit een ver verleden.’
Onmiddellijk stelden twee van Darra’s helpers zich dreigend naast beide mannen op. De altijd zo zachtmoedige Bruno ontplofte: ’Mensen de mond snoeren door hun tong uit te rukken en eerzame Vellesanners intimideren en dreigen met geweld is niet wat een goede heer doet. Alleen onderdrukkers gaan zo te werk.’
Eén van de mannen stompte hem in z’n maag. Naar adem happend werd de kapelaan weggevoerd. Met luide stem leidde Darra de aandacht af van dit incident dat in de drukte niet door de mensen verder naar achteren was gezien. ‘Het staat geschreven in de Lex Frisionum, zoals die al door Karel de Grote werd uitgevoerd.’
Machteloos dropen de mannen af. Darra sprak de naast hem staande Guy aan: ‘Zorg ervoor dat van Hoeleyde in de gaten wordt gehouden. Die gaat moeilijkheden veroorzaken.’
Zijn vertrouweling was het met hem eens: ‘Hij presenteert zich weliswaar als een christen, maar hij omringt zich vooral met heidenen uit Wieringen en Vellesan.’
Darra zette dit fluistergesprek voort: ‘We moeten omzichtig te werk gaan. Hoeleyde is hier een belangrijk man. Hij moet op de een of andere manier op een zijspoor worden gezet. Zijn medestanders kunnen we dan makkelijk een voor een wegwerken.’
Guy de Montclosse was Darra’s eerste man. Hij verloor z’n erfgoed in de strijd tegen het oprukkende Kalifaat. De Franken zagen zich na een nieuwe nederlaag genoodzaakt zich terug te trekken achter de rivieren Maas en Saône, die de nieuwe grens vormden tussen de vechtende partijen. Ook Guy was in dat grensgebied terecht gekomen en had daar Darra ontmoet. Zijn paard had hem afgeworpen, waardoor hij met z’n wapenrusting aan in de rivier terecht was gekomen. Hij ging kopje onder, kwam weer boven en naar adem happend verdween hij weer onder de waterspiegel. Hij raakte buiten bewustzijn. Z’n lichaam werd door de stroming meegesleurd. Tot op de dag vandaag wist hij niet wat er daarna was gebeurd, maar toen hij z’n ogen later opende was daar Darra. Het was duidelijk dat deze hem van de verdrinkingsdood had gered. Uit diepe dankbaarheid zwoer Guy hierna dat hij Darra tot het einde van de wereld zou volgen.
Hij was in Vellesan direct op zoek gegaan naar kandidaten voor een spionnennetwerk dat hij wilde opzetten. Hij besefte dat, wanneer ze optimaal rendement uit hun positie wilden halen, het essentieel was om elke vorm van verzet vanuit de bevolking te voorkomen. Geld en dreigementen waren succesvolle middelen om z’n plan ten uitvoer te brengen.
Eén van zijn spionnen bevond zich op dat moment in de groep die zich had verzameld bij het huis van Claes van Hoeleyde. Zij hadden de gebroken Clauwaert naar z’n huis gebracht, waar Floor hem huilend in bed had gestopt. Het was verschrikkelijk wat hun was overkomen. Haar man zou nooit meer kunnen spreken en zijn handen en onderarmen waren deerlijk verbrand. Ze smeerde deze in met enkele rauwe eieren en omzwachtelde ze. Z’n pijn kon ze niet verlichten. Kersensap scheen iets te helpen. Waar zou ze dat nu kunnen kopen? Het seizoen lag achter hen. De mannen waren nadat ze Clauwaert in handen van Floor hadden achtergelaten, naar het huis van de meliores gegaan. Ze zaten in de grote schuur op de grond en een emmer met Marzoeta’s bier ging rond.
Claes was daar in gesprek met Bruno, Jannes en Aeijolt. Ze hadden zich afgezonderd van de rest en spraken over de gebeurtenissen. ‘Dat was geen eerlijke rechtszaak. Er werd niet eens geluisterd en die Guy gebruikte de aanval van Krijn om zo snel mogelijk een einde aan de voorstelling te maken.’
Claes zei dat hij geloofde dat Krijn de waarheid had gesproken. De wijze waarop het proces was verlopen en de bewering van Darra over het godsoordeel in de wetten was een kwade zaak. Misschien gebeurde dat in een ver verleden, maar tegenwoordig zouden ze de zaak oplossen met een weergeld. De twee andere rechters waren duidelijk op de hand van de meier geweest. Het leek erop dat ze al tevoren waren geïnstrueerd. Als Darra en z’n mannen schuldig waren aan de dood van het meisje zou het weergeld gelijk moeten zijn aan die van een man. De verhouding in het weergeld tussen een edele, een vrij man en een horige was 4:2:1.
Bruno sprak: ‘Als heer Darra inderdaad schuldig is, dan is de aartsdiaken ook onbetrouwbaar. Hij was eedhelper en heeft dan een valse eed afgelegd. Als man van de kerk is dat onbestaanbaar.’
‘Maar wat kunnen we nu nog doen?’, vroeg Aeijolt. ‘Het proces is geweest. De straffen zijn gegeven. Eerlijke mensen zijn beschadigd voor het leven.’
‘We kunnen alleen nog terecht bij de heer van dit land, bij Rorik’, zei Claes.
‘Maar die is ergens in het noorden aan het vechten met z’n leger.’, protesteerde Aeijolt.
‘Het is de enige mogelijkheid.’
‘Dan zullen we moeten wachten op zijn terugkeer. Ik wou dat Barteld nog onze meier was. Hebben jullie ooit gemerkt dat hij misbruik maakte van z’n positie als meier?’, vroeg Aeijolt.
Bruno antwoordde dat hij wel eens een meningsverschil had, over het ophalen van de tiende. Zijn recht daarop in de noordoosthoek van Vellesan werd betwist door de meier. Volgens hem stonden twee paaltjes die het tiendblok afbakenden op een verkeerde plek. Daarover hadden ze echter zonder verdere problemen overeenstemming bereikt.
Claes vertelde dat hij wat onenigheid met hem kreeg over de tiende op nieuw ontgonnen land. Maar alle tienden werden uiteindelijk gewoon opgeslagen in zijn tiendschuur.
Op dat moment werden ze zich bewust van Dirk, die zich gedurende hun gesprek van de andere mannen had verwijderd en ongemerkt dichterbij was geslopen. Claes staakte het gesprek en staarde de visser aan en deze keerde zich om en ging terug naar de groep bierdrinkers. De drie mannen keken elkaar aan. Claes schudde het hoofd en haalde zijn schouders op. Hierna vervolgden ze hun gesprek: ‘Ik vraag me af wat er dan klopt van de beschuldigingen van Heer Darra aan zijn adres. Het zou fijn zijn als Heer Rorik hierin duidelijkheid zou brengen.’
Aan deze opmerking van Aeijolt voegde Bruno toe dat er niets anders opzat dan te wachten op de komst van de Noorman. ‘Voorlopig houdt heer Darra Barteld gevangen tot de graaf terug is. We kunnen daar niks aan doen. Wat we echter wel kunnen doen is informatie inwinnen in het bisdom Utrecht over de aartsdiaken.’ Die taak nam Jannes op zich.
Dirk ging met z’n verhaal zo snel mogelijk naar Guy. Hij trof hem op het oefenterrein buiten Vellesan. Hier oefenden de mannen en Darra zelf in het vechten te paard. Ze gingen in de stijgbeugels staan als ze elkaar naderen om de klappen harder aan te laten komen. Guy onderbrak de oefeningen toen hij Dirk zag en wenkte hem. ‘Wat ben je te weten gekomen?’, vroeg hij.
‘Ze vonden dat het proces oneerlijk was verlopen en dat het een voorstelling was geweest. Ze hadden het erover dat de twee andere rechters was verteld hoe ze moesten beslissen en dat ze geloofden dat Krijn de waarheid had verteld. De aartsdiaken had volgens hen gelogen en ze geloofden niet dat meier Barteld slecht had gehandeld. Ze zouden wachten op de terugkomst van graaf Rorik.’
Nadat Dirk dit had verteld werd hij weggezonden met de opdracht om alle nieuws dat hij hoorde van of over deze mannen onmiddellijk naar Guy te brengen. Darra zei tegen zijn steun en toeverlaat dat degenen die tegenover hem hadden gestaan bij het proces monddood gemaakt moesten worden. Het mocht echter niet te opvallend gebeuren. Guy stelde voor om ervoor te zorgen dat ze niet meer aan het werk zouden kunnen komen. Het mooiste was wanneer ze door gebrek en het ontbreken van mogelijkheden, zelf weg zouden gaan uit Vellesan.
Inmiddels begon op initiatief van Anselm de bouw van een nieuwe, grotere kerk. Daarvoor had Darra een bouwmeester uit Dorestad laten komen. Het werk werd niet aan Aeijolt gegund. Guy zorgde vooral door intimidatie ervoor dat niemand hem werk gaf. Gelukkig trok Claes van Hoeleyde zich hier niks van aan en gunde hij nieuwe werkzaamheden aan gebouwen en schuren aan Aeijolt. Hij liet de Wieringers nog steeds voor hem werken.
Kybbe was nieuwsgierig naar de bouw van de nieuwe kerk. Dat zou zeker het grootste gebouw van Vellesan worden. Toen Simon, de bouwmeester begon met het uitzetten van het grondplan, was Kybbe voortdurend in zijn nabijheid. Simon had de nieuwsgierige jongen al snel in de gaten en hij begon er genoegen in te scheppen de vragen van de jongen te beantwoorden. Zijn enthousiasme was aanstekelijk en al snel liet hij Kybbe karweitjes voor hem doen. Gretig greep Kybbe elke mogelijkheid aan om op de bouwplaats te kunnen zijn. Hij hielp met het ingraven van de veldstenen, die bovenop vlak waren. Deze stenen vormden de stiepen voor de houten stijlen, die erop kwamen te rusten. Hij zag wel dat dit een aanmerkelijke verbetering zou betekenen tegenover hetgeen Clauwaert en z’n vader deden. Zij hadden de stijlen van hun gebouwen altijd ingegraven. Deze kerk zou zeker langer overeind blijven staan dan de oude kerk. Hij was ook groter dan de kerk van Bruno, met een afmeting van 100 voet in de lengte en 30 in de breedte. Aan de oostkant kwam het koor, waar het altaar zich bevond en aan de westkant wilde Simon een houten toren plaatsen, de dakruiter. Wanneer z’n vader hem nodig had, werkte hij mee op de bezittingen van Claes van Hoeleyde. Hij leerde snel de fijne kneepjes van het vak en Simon hoefde hem nooit iets twee keer uit te leggen of te vragen. De jongen ging direct aan de slag.
Het bronwonder
859 n.Chr.
In de eerste maand van het nieuwe jaar warmden Darra, Guy en Anselm zich aan het vuur van de grote haard. Ze genoten van de wijn, die door de Friese koopman was geleverd. Wat was het leven hier toch heerlijk. Al die extraatjes, die het leven de moeite waard maakten, kon Darra zich in zijn vroeger leven niet veroorloven. Nu kon hij nemen wat hij wilde en hij was niet van plan dit ooit weer op te geven. Daarom verbrak hij het stille genieten en zei: ‘Ik ben van gedachten veranderd. Mijn oorspronkelijke plan was om flink te profiteren en m’n biezen te pakken voordat Rorik terug zou komen, maar nu ga ik proberen hem aan mijn kant te krijgen. De zaak tegen meier Barteld moet zo sterk zijn, dat mijn actie in Rorik’s voordeel lijkt. Ik ga proberen hem zo ver te krijgen dat hij mij in m’n huidige functie bevestigd. Daarvoor heb ik mensen nodig die gunstig over mij berichten en moeten we niet te veel van de jaarlijkse opbrengsten in onze zak steken. De beschuldigingen tegen Barteld moeten goed onderbouwd zijn. We fabriceren zelf het bewijsmateriaal en genoeg getuigen tegen de vorige meier. Als het lukt zijn onze inkomsten en huidige leefstijl over een langere periode verzekerd. Rorik blijft natuurlijk een Viking, dus ik dacht als we nou een prachtig nieuw langhuis voor hem bouwen. Indien hij terugkomt uit het noorden kunnen we een fijn welkomstfeest voor hem organiseren en zorgen we ervoor dat hij mij graag als meier wil houden.’
Darra werd steeds enthousiaster toen hij deze woorden uitte.
Anselm knikte bedachtzaam. ‘Dat lijkt me een goed uitvoerbaar plan. Ik ben blij dat je besloten hebt te blijven. Ik waardeerde je hulp bij de planning en financiering van een nieuwe kerk, omdat ik hier een sterke christelijke gemeente wil vormen. Maar de onzekerheid wat er ging gebeuren wanneer je zou vertrekken, knaagde aan me. Wat het langhuis betreft, dan hebben we nóg een bouwmeester nodig, want Simon van Litte is voorlopig nog niet klaar met de kerk. We moeten er één hebben die kennis heeft van het bouwen van een langhuis en die voor materiaal en menskracht kan zorgen.’
Peinzend zei Darra: ‘Het mooiste is natuurlijk als we een bouwer uit het noorden kunnen overhalen hier te komen. Eén die al Viking-langhuizen heeft gebouwd. Volgens mij was Sake van plan door te reizen naar Ribe in het noorden voor een winstgevend handeltje. We kunnen aan hem vragen contact te leggen met een vakman.’
Guy knikte instemmend: ‘Laat mij maar zorgen voor de positieve kritieken. We hebben inmiddels genoeg medestanders en profiteurs onder het volk om Rorik gunstig te stemmen. Het plan van Anselm om een mirakel hier bij de bron te laten plaatsvinden uit naam van Sint Engelmundus heeft daarbij geweldig geholpen. Er komen al pelgrims hiernaartoe, die de zegen van Sint Engelmundus vragen en de bewoners zijn trots op hun woonplaats. Iedereen wil in het wonder geloven.’
Anselm begon te gloeien van trots. ‘Mensen laten zich makkelijk bedriegen. We hebben de man goed betaald om enkele weken hier als blinde rond te scharrelen en zich vervolgens te laten ‘genezen’ met water uit de bron van Engelmundus. Het lastigst was het om genoeg mensen op het tijdstip van de ‘genezing’ aanwezig te laten zijn, zonder argwaan te wekken. Daarna verspreidde het verhaal van het ‘wonder’ zich als een lopend vuurtje. Eerst moest het verhaal van de monnik Engelmundus, die hier onze bron op wonderbaarlijke wijze liet ontspringen, vruchtbare bodem vinden. Dat was niet zo moeilijk. Er zijn genoeg verzonnen verhalen en maar weinig mensen die weten wat hier anderhalve eeuw geleden gebeurde toen de missionarissen in Kinhem kwamen. Willibrord kwam niet alleen en dus introduceerde ik de monnik Engelmundus, een naam die ik in de bibliotheek in Keulen tegenkwam. Hij zou een bron hebben laten ontspringen en dat kan volgens mij best hier zijn gebeurt.’
‘Dat komt ons in ieder geval het beste uit. Gelukkigerwijs hébben we een bron’, hiklachte Darra.
Anselm vervolgde onverstoorbaar zijn verhaal: ‘Een mooi toevoeging is dat hij geboren zou zijn uit een Fries geslacht. Daar voelt het volk hier zich eerder mee verbonden. Er is nog één ding nodig om het tot een permanent succesverhaal te maken, een relikwie!’
Ook daar zei Guy wel een oplossing voor te weten. ‘Laat dat maar aan mij over. Misschien is het een goed idee om al een beeld van onze Engelmundus te laten maken. Ik zal eens navraag doen naar een bekwame handwerkman.’
Kapelaan Bruno was blij met het mooie beeld van Sint Engelmundus, dat Darra aan de kerk schonk. De bouw van de nieuwe kerk vorderde gestaag
en het zou daar een mooie plaats krijgen. De heilige was gekleed in een eenvoudig priestergewaad. Hij droeg een ring met de afbeelding van het lam Gods en een ketting met 20 in verschillende kleuren geschilderde kralen.
De klok werd geluid om de gelovigen op te roepen en al snel kwamen ze uit alle richtingen naar het marktplein. Het beeld was op een verhoging geplaatst en de menigte vergaapte zich aan de prachtige kleuren, die het levensecht maakten. Zoiets hadden ze nog nooit gezien. Toen stapte Anselm op de verhoging en maande het volk tot stilte: ‘Paus Nicolaas heeft vanuit Keulen een bode gestuurd. Hij wil dat wij het graf van de heilige Engelmundus zoeken en zijn resten een ereplaats geven in de nieuwe kerk. Vellesan zal gezegend zijn.’
De menigte keek elkaar verwonderd aan. Een graf? Maar waar dan? Niemand had er ooit van gehoord. Hoe konden ze het dan vinden?
‘Het beeld zelf zal ons de weg wijzen’, zei Anselm.
In de menigte stond Aeijolt met Clauwaert, die hersteld was, maar niet meer zou kunnen spreken. ‘Hoe kan een houten beeld nou de weg wijzen’, schamperde Aeijolt zachtjes.
Clauwaert haalde z’n schouders op.
Vier van Darra’s mannen zetten hun schouders onder een draagbaar waarop het beeld werd vastgezet en in processie vertrok de stoet voor een rondgang door Vellesan. Na een tocht van een uur, waar de optocht steeds verder aangroeide met nieuwsgierigen, begon de baar te schudden in de handen van de mannen.
‘Hier moet het zijn.’, riep Anselm. ‘Het beeld heeft tot ons gesproken.’ Enkele gravers werden aan het werk gezet. Er was een stuk waar de grond losser was en nadat de kuil zich had verdiept, klonk een kreet uit de keel van één van de gravers.
Een zucht klonk op uit de aanwezigen, die reikhalzend toekeken hoe Anselm en Bruno zich vooroverbogen in het gegraven gat en de eerste omhoog zagen komen met een glazen ketting in verschillende kleuren. Bruno keek vol ontzag naar een ring die hij op had geraapt. ‘Dit is dezelfde afbeelding als de ring van het beeld!’, riep hij uit.
Vervolgens zag hij de ketting in Anselms handen. Zijn ogen werden groot, terwijl hij stamelde dat het dezelfde was als degene die de heilige droeg. Een druk geroezemoes klonk uit de menigte die hen omringde. Er werd ‘Halleluja’ en ‘Hosanna’ geroepen door de aanwezige gelovigen. Er werden verder nog een stuk priesterkleed en een schedel met enkele botten uit de kuil naar boven gehaald. Deze werden door Anselm eerbiedig op de draagbaar naast het beeld gelegd. Opnieuw in processie ging men terug naar het marktplein, om de gevonden restanten van de heilige een plaatsje in de oude kerk te geven.
Er zouden mooie kistjes gemaakt moeten worden om de relikwieën ten toon te stellen en het allermooiste zou zijn, bedacht Anselm, als ze de schedel in goud zouden kunnen vatten. De pelgrims zouden toestromen om over het wonder te horen, de relikwieën te bekijken en te bidden voor hun zielenheil. Het geld zou binnenstromen.
Aeijolt sprak tot Claes: ‘Vind je het niet bijzonder toevallig dat er een ring en ketting van Engelmundus worden gevonden, die precies overeenkomen met die van het beeld, dat door Darra is geschonken? Hoe kon hij nou weten dat Engelmundus zulke sieraden heeft gehad?’
‘Misschien heeft hij dat van de aartsdiaken gehoord?’, probeerde Claes.
‘Anselm? Het zou kunnen, maar ik ben niet overtuigd. Het komt de heren wel heel erg goed uit.’
‘Hoe bedoel je? Wat hebben ze daar nou bij te winnen?’
‘Denk eens na Claes. Het is prima publiciteit. Het versterkt de positie van Anselm. Heb je de gezichten van de mensen gezien? Ze zijn in vervoering dat we hier een eigen heilige hebben en dat er ‘wonderen’ gebeuren. En wat denk je van Darra. Die profiteert ook. Let op mijn woorden. Er komt een pelgrimage naar Vellesan op gang en er gaat geld worden verdiend. Bakken met geld.’
‘Geloof jij dan niet in wonderen en in Jezus als onze redder?’
‘Natuurlijk bestaan er wonderen, maar ik ben geen christen, zoals Marzoeta en ik geloof niet in toeval als het er zo dik bovenop ligt.’
‘Maar het beeld heeft zelf de weg gewezen. Dat is toch een wonder!’
‘Ha! Als ik vier van mijn mensen de opdracht geef met zo’n beeld te gaan lopen en flink te gaan schudden bij een van tevoren afgesproken plek, krijg ik hetzelfde resultaat.’
‘Denk je dat Anselm en Bruno zelf dat graf hebben gemaakt?’
‘Nee, van Bruno geloof ik dat niet. Daar is hij veel te eerlijk voor. Maar van onze aartsdiaken geloof ik het wel en ik denk dat kapelaan Bruno gewoon door hem wordt bedrogen.’
‘Tsja, wat dat betreft is het jammer dat Jannes niets te weten is gekomen over Anselm in Utrecht. Bisschop Hunger heeft alle originele oorkonden van de Utrechtse kerk meegenomen naar Sint-Odiliënberg.’
Het verhaal van het wonder van Vellesan verspreidde zich snel naar alle windrichtingen. In de zomer arriveerden de eerste pelgrims die de reliekschrijnen van de wonderbaarlijke Sint Engelmundus wilden zien. Er gingen geruchten over monniken die in Vellesan een klooster wilden oprichten. Er was ook een toevloed aan handwerkslieden en handelaren.
Marzoeta en Duna hadden hun handen vol aan het brouwen van bier en hadden meer handen nodig om het werk te verrichten. Zeker nu er twee ketels bij waren gekomen. Dat was nodig, want de nieuw aangekomenen hadden snel hun weg gevonden naar hun brouwerij. Claes van Hoeleyde had niet genoeg werk voor twee timmerlieden. Nu Kybbe zijn vader bij de werkzaamheden hielp, was Clauwaert overbodig geworden. De laatste kreeg geen kans om te zwelgen in z’n leed, want Marzoeta had Floor en haar man direct in de brouwerij gehaald. Sake had hun verteld over bier in Duitsland, dat sinds kort gebrouwen werd met hop in plaats van gagel. Het bier kon veel langer worden bewaard dan het gruitbier, dat vrijwel direct diende te worden geconsumeerd. Een proef daarmee had direct zijn bewering bevestigd. De smaak van het bier was ook veel beter. Het lichte gruitbier werd voornamelijk gedronken als alternatief voor water. Iedereen dronk het, mannen, vrouwen en kinderen. Dit nieuwe bier was echter een genot. Met de toenemende vraag had ze behoefte aan een grote voorraad hop, want degene die het hopbier had geproefd, wilde geen gruitbier meer. Er was nog een voordeel aan hop, er hoefden geen gruitrechten meer betaald te worden aan Darra. Over alles wat geplukt werd op het land van de heer moest tiende worden betaald.
Ook Kybbe werkte nu en dan mee in de brouwerij. Op een dag botste hij bij de deur tegen een meisje op, dat bier kwam bestellen voor haar vader. Het was één van de nieuwelingen in Vellesan. Hij mompelde een verontschuldiging terwijl hij opkeek. De woorden stolden op z’n lippen. Normaal gesproken zat hij nooit om woorden verlegen. Maar nu stond hij daar als een malloot te grijnzen. Dat was de eerste keer dat hij Anna zag. Pas toen ze naar binnen stapte kwam hij weer tot leven. Het was een rare gewaarwording. Het leek wel of er binnen in hem wat aan het fladderen was dat naar buiten wilde.
Anna was te zeer in beslag genomen door haar gedachten om de jongen die haar aanstootte toen ze de brouwerij betrad op te merken. Maar z’n nicht Pytske had het intermezzo wel opgemerkt. Eén van haar bewonderaars stond geregeld zo schaapachtig te kijken in haar aanwezigheid. Ze was inmiddels uitgegroeid tot een mooie jonge vrouw en had geen gebrek aan belangstelling van het andere geslacht. Zelf had ze echter haar zinnen gezet op kapelaan Bruno. Hij was 12 jaar ouder dan zij en had prachtige ogen en een mooie stem, waarmee hij gloedvol kon vertellen. Ze was daarom veelvuldig in de kerk te vinden en zocht zoveel mogelijk contact. Het was zelfs de verlegen Bruno niet ontgaan dat Pytske vooral belangstelling voor hém had. Dáár durfde hij haar nog niet op aan te spreken, maar in zijn dromen gebeurde dat wel en het waren zoete dromen.
Kybbe was vanaf het moment dat hij Anna had gezien afwezig. Alleen wanneer hij met z’n vader aan het werk was kon hij zich concentreren, want timmeren en bouwen was z’n passie. Hij was zeer leergierig en wilde alle aspecten van het bouwen doorgronden en beheersen. Maar als hij niet aan het werk was, stond hij vaak te dagdromen. Hij vergat de boodschap te doen, die zijn moeder hem opdroeg en ze wilde hem niet meer in de brouwerij hebben, vanwege de vergissingen die hij daar beging.
‘Ik snap er niks van’, klaagde Marzoeta tegen haar zus. ‘Hij was juist altijd zo geïnteresseerd in alles om hem heen en had overal aandacht voor.’ Toen Duna dat thuis aan de maaltijd vertelde, zei haar dochter dat ze wel een vermoeden had wat de oorzaak van die verandering was. ‘Hij is verliefd. Ik heb het aan hem gezien toen hij twee maanden geleden een meisje de brouwerij in zag gaan.’
‘Weet je wie dat was?’
‘Nee, mam, dat weet ik niet.’
‘Kun je het dan uitzoeken? Ik denk dat het enige middel om z’n gedrag te veranderen is dat we voor een ontmoeting tussen die twee zorgen. Je tante zal er je dankbaar voor zijn.’
En zo ging Pytske op zoek naar het meisje dat Kybbe liet dromen.
Guy had een geweldig plan om het aantal spionnen en de aanhang van Darra te vergroten. De nieuwkomers boden hiertoe een prachtige mogelijkheid. Er diende daarvoor wel geïnvesteerd te worden. Zijn plan was simpel. Darra zou alle nieuwkomers welkom heten met een feest. Voorzichtig zou iedere geschikt lijkende kandidaat worden gepeild en worden geholpen bij zijn vestiging of in z’n werk.
Uitermate interessant was Roef. Ook hij was op de groeiende faam van Sint Engelmundus afgekomen. Niet vanwege de relikwieën of de bedevaart, maar om de reizigers. Zijn plan was zeer origineel. Hij wilde een huis beginnen, waar pelgrims tegen betaling onderdak konden vinden. Tot dusver was er in Vellesan één particulier huis, waar pelgrims welkom waren. Dat van kapelaan Bruno. Hij had als herkenningsteken een Jakobsschelp van hout aan de voorgevel gehangen. Gastvrijheid was voor christenen tenslotte één van de zeven werken van barmhartigheid. Roef had geen barmhartigheid in gedachte, slechts winst.
Guy wist Darra ervan te overtuigen Roef te helpen met het starten van zo’n herberg, omdat daar veel mensen zouden komen. Er was dus veel informatie te verkrijgen. Als tegenprestatie verwachtte Darra een vast jaarlijks bedrag en het doorgeven van interessante informatie aan Guy.
Roefs herberg bestond uit een kamer waar gegeten, maar waarschijnlijk meer gedronken zou worden. Daarnaast bevond zich een grote ruimte waar kon worden geslapen. Binnen de kortste keren floreerde de onderneming.
Op een dag kwamen twee mannen onderdak vragen. De ene stelde zich voor als Sake. De koopman bleek al jaren naar Vellesan te komen, maar de eigenaar van z’n gastadres bleek onlangs overleden. Zijn reisgenoot was een man afkomstig uit noordelijke streken, een bouwer.
Roef gaf z’n dochter opdracht de mannen te voorzien van bier om hun dorstige kelen te smeren en haastte zich vervolgens naar Guy.
‘Heer Darra zocht toch iemand die een langhuis kan bouwen?’, vroeg hij. Toen Guy ter bevestiging knikte, ging hij verder: ‘Op dit moment geef ik onderdak aan een bouwmeester uit het Vikingenland. Hij kwam vanmiddag aan, in gezelschap van Sake de koopman. Sake vertelde dat deze man uit Ribe komt, een marktplaats in het Vikingenland, waar hij werkzaam was als bouwmeester. Hij is op doorreis naar Dorestad.’
Terwijl Roef weer terugkeerde naar z’n herberg, zocht Guy ogenblikkelijk Darra op. ‘We moeten die Sven een aanbod doen, zodat hij hier blijft en het langhuis bouwt.’
Nadat Sven de opdracht had aanvaard was hij voortvarend te werk gegaan. Werkkrachten met ervaring zoals Clauwaert en Aeijolt werden door Guy met opzet weggehouden van de bouwplaats. Er werd hun geen werk gegund. Nu kon Sven een eenvoudige constructie als een langhuis best alleen vormgeven. Gelukkig kreeg hij de beschikking over voldoende arbeidskrachten. Er was een grote voorraad boomstammen aanwezig. Deze lagen ten westen van het vlek opgeslagen. Hij had direct bestellingen geplaatst voor alle benodigde materialen en Sake had gezegd dat hij, samen met een drietal andere kooplieden binnen afzienbare tijd kon leveren. Vóór de Passietijd zou het gebouw klaar kunnen zijn.
De meierij
860 n.Chr.
Rorik had veel gebied in het noorden veroverd, maar moet in 860 snel terugkeren om het hoofd te bieden aan Noormannen die Dorestad aanvallen. Hij vestigt zich nu permanent in het noorden van Kinhem en laat de door duinzand ondergestoven kapel van Sint Adelbertus uitgraven Er komt een pelgrimage naar deze plek op gang. Nu worden zowel Vellesan, Hallem als de tussenliggende plaatsen Heiloo en Limbon pleisterplaatsen op deze pelgrimsroute. De route loopt door tot aan de heilige bronnen bij Petten.
‘Graaf Rorik is onderweg naar Dorestad. Koning Lotharius heeft hem hard nodig om de plunderende Vikingen uit deze landen te verdrijven. Z’n leger was gesignaleerd bij Bremen en zal ongeveer nu wel Daventre hebben bereikt op weg naar Dorestad om de Vikingen te verjagen die de stad belagen’, meldde Guy aan Darra.
‘Dan zal Sven haast moeten maken om het langhuis af te bouwen. We moeten klaar zijn de graaf te ontvangen als hij de plunderaars heeft verjaagd en op weg gaat naar zijn omwalde fort in Hallem. Het is hem weliswaar niet gelukt vorst van de Denen te worden, maar wíj zullen hem als een koning ontvangen en hem zodanig bewerken, dat hij mij in de functie van meier bevestigd. We hebben er hard voor gewerkt. De pachten en belastingen zijn geïnd en de administratie is op orde. Er wordt een mooi bedrag in Roriks schatkist gestort. Daar heeft het wonder van Sint Engelmundus en de komst van pelgrims behoorlijk aan bijgedragen. Het zou doorslaggevend zijn als we die Barteld zichzelf kunnen laten beschuldigen. De beste optie om hem mee te laten werken is waarschijnlijk te dreigen met marteling en verminking van z’n vrouw.’
Anna had een blauw oog en Kybbe zag bloeduitstortingen op haar armen. Ze zei dat ze was gevallen, maar het was niet de eerste keer dat hij haar met blauwe plekken zag. Zo vaak kon je toch niet vallen? Zelfs niet als je de grootste kluns van Vellesan was. Eén keer, vlak nadat hij haar had leren kennen, zag hij haar op een vat zitten. Hij naderde haar van achteren en merkte tot z’n schrik dat ze huilde. Kybbe had zich aarzelend teruggetrokken. Aan de ene kant wilde hij haar troosten, maar aan de andere kant kende hij haar nog maar net en was hij bang afgewezen te worden.
Haar vader was heel vaak boos en hij had hem Anna al enkele keren uit horen schelden. Toen ze elkaar al enkele maanden kenden, vroeg Kybbe haar of haar vader haar sloeg. Ze ontkende het halfslachtig, maar wilde absoluut niet dat hij met haar vader ging praten. Hij voelde zich machteloos, want hij wilde niet tegen haar in gaan. Ze had duidelijk genoeg gezegd dat haar vader na de dood van haar moeder verzorgd moest worden. Dat was háár taak, zo vond ze. Ze liet hem beloven dat hij het voor zich zou houden en er met niemand over zou praten. Het frustreerde hem enorm, maar hij had het beloofd.
Naast z’n veelvuldige aanwezigheid op het bouwterrein van de kerk en de klusjes die hij met z’n vader deed, ging z’n belangstelling ook uit naar het werk dat de noorderling Sven verrichtte aan het langhuis. Hij was al vele malen gaan kijken. Het werd weliswaar een groot gebouw -bijna zo groot als de nieuwe kerk- maar het was veel eenvoudiger. De stijlen waren in op regelmatige afstanden gegraven gaten geplaatst, waarna ze door dwarsbalken met elkaar waren verbonden. De dakbedekking kwam op een sporenkap te rusten en de wanden van twijgen, werden met leem bestreken. Het was een rechthoekige ruimte en de ingangen zouden aan de lange zijden komen. Kybbe bedacht dat z’n vader dit best had kunnen bouwen. Daar was geen bouwmeester uit Vikingland voor nodig geweest.
Het voordeel van Sven was echter dat hij op de hoogte was van de functies van het langhuis, hoe het ingericht moest worden en welke regels gevolgd dienden te worden bij een feest. Hier namen Darra en Guy goed nota van. Zij wilden Rorik bij zijn komst in een goede stemming brengen. Wat hielp dan beter dan een thuisgevoel te creëren? Dan moest alles wel kloppen.
Krijn en Clauwaert waren sinds de voor hun zo ingrijpende rechtszaak steeds in elkaars nabijheid te vinden. Ze hadden een manier gevonden om te communiceren door middel van gebaren. Het was lastiger om hun bedoelingen en wensen aan anderen uit te leggen. Het was hun uit gesprekken tussen Claes en Aeijolt duidelijk geworden dat de vorige meier nog steeds opgesloten zat en dat Darra waarschijnlijk op een of andere manier van Barteld gebruik wilde maken bij de komst van Rorik. Ze vatten het plan op om Barteld uit zijn gevangenschap te bevrijden en hem te verbergen. Als hij in vrijheid zijn heer de situatie kon uitleggen, zou dat misschien het einde van Darra betekenen. Ze haatten de man die hun leven had verwoest. Er was in ieder geval een wapen nodig bij het bevrijden van Barteld. Dat zou Clauwaert van huis meenemen en ook nog een beitel en hamer om een slot open te breken. Het grondplan van het huis van de meier was Clauwaert wel bekend. Hij had daar bij verschillende gelegenheden gewerkt. Hij tekende voor Krijn in het zand de plaats waar de toegang tot de cel in het huis zich bevond. Op dat moment kwam Aeijolt langslopen met een opdracht voor Clauwaert van Marzoeta. Hij wierp een blik op de tekening en zag dat het een plattegrond betrof. Zijn beste vriend was in z’n hoofd dus nog steeds bezig met z’n oude beroep, dacht hij. Meewarig schudde hij het hoofd. Behalve af en toe een klusje zou niemand hem ooit meer een grote opdracht geven en dat door toedoen van Darra. Hij kon begrijpen dat deze twee mannen de meier haatten.
Pas een week later viel het bij hem op z’n plek, toen hij Floor tegen Marzoeta hoorde zeggen dat ze haar beste mes kwijt was. Hij realiseerde zich dat het een plattegrond van het huis van de meier was geweest, daar in het zand getekend. Hij ging direct naar Bruno, die met Pytske stond te praten. Aeijolt viel meteen met de deur in huis en vertelde dat hij dacht dat de twee mannen Darra wilden vermoorden. Bruno en Pytske keken elkaar aan. ‘We moeten ze tegenhouden!’, riepen ze als uit één mond, ‘want dat betekent eerder zelfmoord tegen de gewapende mannen van Darra.’
Dirk had de ontmoeting van de twee mannen opgemerkt en vertrok direct om Guy op de hoogte te brengen van een vermoedelijke aanslag op het leven van zijn heer. Op zijn beurt ging Guy naar Darra. Deze begon te glimmen van genoegen, toen hij het verhaal aanhoorde. ‘Dit is geweldig! Ik heb plotseling een briljant plan om in een goed blaadje te komen bij graaf Rorik. Luister Guy, we doen het volgende…’
Een sterk vermagerde Barteld zat opgesloten in de kelder van het huis dat hij ooit als meier had bewoond. Z’n haren slierten voor z’n ogen en van de mooie kleding was niet veel meer over dan wat vodden. Hij was smerig en stonk. Op gezette tijden werd er eten en drinken gebracht. De emmer waarop hij z’n behoefte deed werd regelmatig geleegd. Niemand zei wat tegen hem en praten kon hij alleen in zichzelf. Hij wist niet hoe lang hij hier al was. De dagen gleden eentonig en zonder onderscheid in dag en nacht voorbij. De deur ging open en een gezicht dat hij al lange tijd niet had gezien kwam in zijn blikveld. ‘Ach heer Barteld, wat verkeerd u in een ellendige staat’, zei Guy. ‘Gelukkig gaat hier verandering in komen. We houden je hier niet meer aan het lijntje. Gustav hier heeft een ander touw voor je.’
Op zijn teken stapte Gustav naar voren en zonder omhaal draaide hij het touw om Bartelds nek. Het duurde niet lang voor het spartelende lichaam stilviel. ‘Zo,’ zei Guy tegen Gustav, ‘laat de deur maar op een kier staan als uitnodiging voor nieuwsgierigen.’ Lachend liep hij de trap op.
Het was niet veel later dat Krijn en Clauwaert bij het huis van de meier aankwamen. Omzichtig bewogen zij zich naar de toegang. Er was niemand te zien en er kwam geen enkel geluid uit het huis. De deur was niet afgesloten, bemerkte Krijn tot zijn verrassing toen hij de klink omlaagdrukte. Een zenuwachtige Clauwaert volgde hem naar binnen. Het vervolg was kinderlijk eenvoudig. Ze daalden de trap af en kwamen aan bij de deur van de cel. Tot hun bevreemding stond deze op een kier. Voorzichtig duwde Krijn de deur verder open. Daar lag Barteld op de grond. Hij knielde naast hem neer en merkte dat alle leven uit hem was gevaren. Hij draaide zich om toen hij het gerinkel van een maliënkolder hoorde. Guy kwam de cel binnen en lachte z’n tanden bloot. ‘Ha, daar hebben we de dove. Nou, waarom zeg je niks? Heb je soms je tong verloren?’
De 4 mannen achter Guy brulden van het lachten. Bliksemsnel stond Krijn op. Hij greep Guy bij z’n arm en slingerde hem met kracht tegen de muur. Naar adem happend zakte deze ineen. De vier krijgsmannen sprongen naar Krijn en wisten hem tegen de grond te werken.
Clauwaert had zich teruggetrokken in een nis, toen hij de mannen de trap af hoorde komen. Toen deze de cel in sprongen om Krijn te overmeesteren, sloeg de paniek toe en rende hij zo snel als hij kon de trap op. Darra was bovengebleven in afwachting van de arrestatie van de twee indringers. Nu hoorde hij iemand zwaar ademend de trap op komen. Voor de zekerheid trok hij z’n mes. Hij zag dat het Clauwaert was, die in paniek in de deuropening verscheen. Diens ogen schoten heen en weer als een opgejaagd dier. Zonder nadenken sloeg Darra onmiddellijk toe. Het mes verdween diep in de borst van de arme Clauwaert. Een zucht ontsnapte hem en de vloer kleurde rood.
Ze waren te laat. Toen hij de kerkklok hoorde luiden, wist Aeijolt dat datgene gebeurd was wat hij had gevreesd. Om hem heen kwamen mensen in beweging. Een stroom trok naar de nieuwe kerk. Hier konden veel meer mensen in dan in de oude kerk van kapelaan Bruno. Heer Darra maande de menigte tot stilte en begon: ‘Zojuist hebben wij te maken gehad met een misdaad van de ergste soort. Twee mannen daalden af naar de kerker en hebben de voormalige meier Barteld gewurgd, voordat Guy de Monclosse, die merkte dat er iets vreemds aan de gang was, kon ingrijpen. Toen hij ter plaatse kwam, probeerde de moordenaar hem ook te doden. Gelukkig is dat niet gelukt en hield Guy er slechts een gebroken arm aan over. Op hetzelfde moment werd ik in de grote kamer aangevallen door de andere man. Alleen met de grootste inspanning kon ik voorkomen zelf vermoord te worden en de moordenaar stierf door mijn mes. Er zal gerechtigheid geschieden voor de vermoorde edelman. Dat is de enige troost die ik zijn weduwe kan bieden. Zij zal niet brodeloos worden, doch onder mijn bescherming haar leven hier in Vellesan voort kunnen zetten. De rechtszaak tegen de moordenaar van Barteld zal over twee dagen plaatsvinden.’
Een aanzwellend geroezemoes klonk op in de kerk en werd voortgezet onder degenen die buiten de kerk hadden geprobeerd de woorden van Darra te verstaan. Er werd gespeculeerd wie de moordenaars waren. Al snel ging het gerucht rond dat het om de twee mannen ging die door Darra hun tong waren kwijtgeraakt. De mensen die de beide mannen kenden, wilden niet geloven dat zij een moord hadden gepleegd. De overige aanwezigen konden zich voorstellen dat de mannen de heer van Vellesan de dood toewensten. Ze hadden reden genoeg de man te haten, maar Barteld doden? Waarom? De nieuwkomers hadden van dit alles geen idee. Ze kenden de ‘moordenaars’ en de vorige meier niet en hadden veel aan Darra te danken. Ze hadden geen reden aan de woorden van de meier te twijfelen.
Pytske was Bruno huilend in de armen gevallen. Toen Aeijolt aan was komen zetten met dit moordplan, hadden ze op het punt gestaan om naar de brouwerij te gaan en te vertellen over hun liefde voor elkaar. Nu was het gelukzalige omgeslagen in verdriet. Haar schouders schokten en ze liet haar tranen de vrije loop. Oom Clauwaert en tante Floor waren zo goed voor haar geweest en hun ellende was zo onmetelijk na de dood van Floortje. Het was niet te bevatten! Van een afstandje keek Guy toe hoe de kapelaan het meisje troostte. ‘Goed om te weten’, mompelde hij, terwijl hij zich omdraaide en de markt afliep.
Roef was kwaad. Hij had veel aan de heer van Vellesan te danken, maar nu was hem verteld dat hij z’n bier niet meer in de brouwerij van Marzoeta mocht halen. De bestellingen moesten nu gedaan worden bij Fergus. Deze zuiderling was met hulp van Darra een brouwerij begonnen. Helaas was het bier niet zo smakelijk als dat van Marzoeta en hij voorzag dat zijn bierverkoop terug zou lopen. Roef had tegen Guy gezegd dat het inkomsten zou gaan schelen en dat betekende dat de meier daardoor ook minder cijns zou ontvangen.
Nu Darra in afwachting was van de komst van de graaf, zou hij zich graag van z’n tegenstanders ontdoen. Clauwaert was ter dood gebracht. De groep van de Wieringers was al wat uitgedund. Helaas werden ze geholpen door Claes van Hoeleyde. Het mooiste zou zijn als deze meliores en Aeijolt van het podium waren verdwenen vóór Rorik in Vellesan zou komen. Het aanpakken van de brouwerij was een onderdeel van zijn plan, want zo lang deze profijtelijk was, konden zijn critici overleven. Dat Roef daarom kwaad was kon hem niet veel schelen.
Maar Roef leefde z’n woede uit op z’n dochter. Hij stompte haar in het gezicht en toen ze op de grond viel trapte hij op haar buik en schopte haar tegen de benen. Met een kreet van woede stortte Kybbe zich op de bruut. Z’n moeder had hem de opdracht gegeven om Roef te vragen wanneer hij het bestelde bier kwam ophalen. Op het moment dat hij de herberg binnenkwam zag hij de herbergier z’n op de grond liggende dochter schoppen. Roef schudde Kybbe af als een lastige vlieg en gaf de jongen zo’n dreun dat hij tegen de muur vloog en versuft bleef liggen.
‘Zeg maar tegen je moeder dat ik haar smerige bier niet nodig heb en dat niemand zich bemoeit met het recht van een vader zijn dochter te corrigeren.’
Nog steeds woedend stampte hij het andere vertrek in. Anna was overeind gekomen en zag Kybbe de dreun van haar vader incasseren. Ze boog zich over hem heen en nam hem in haar armen. Daarna kuste ze hem en nog eens en opnieuw, ondertussen mompelend: ‘Domme, domme, lieve jongen.’
De ontvoering
861 n.Chr.
Op Palmzondag dromden de mensen samen in de nieuwe kerk voor de zegening aan het begin van de Heilige Mis. Op deze tweede zondag van de Passietijd vierde men de blijde intocht van Jezus Christus in Jeruzalem.
Bij het begin van de misviering zegende aartsdiaken Anselm de buxustakjes met wijwater.
In de dagen hierna herdachten de christelijke inwoners van Vellesan het lijden, sterven en de verrijzenis van Jezus. De echte christenen hadden tijdens de vastenperiode één volle maaltijd per dag tot zich genomen. De meeste inwoners van Vellesan hielden zich echter aan hun 2 maaltijden per dag en verheugden zich op Paaszondag.
Op Stille Zaterdag, de laatste dag van de Vasten arriveerde Rorik in Vellesan. Het leek wel een invasiemacht. Zoveel ridders hadden ze in Vellesan nooit tegelijk bij elkaar gezien. Graaf Rorik reed aan het hoofd van een stoet het marktplein op. Darra was ruim voor zijn komst gewaarschuwd en er waren genoeg mensen op de been gebracht om de paarden te verzorgen nadat de militairen waren afgestegen. De graaf gaf geen enkel teken van verbazing dat hij niet werd opgewacht door meier Barteld en liet zich door Darra het huis in leiden. Eenmaal binnen bleek hij uitermate daadkrachtig en wilde een verklaring voor Darra’s aanwezigheid in plaats van zijn meier.
De zelfbenoemde meier had alles prima voorbereid, terwijl Guy z’n tegenstanders uit de buurt hield. Aeijolt was door hem gevangengezet. Guy was poolshoogte gaan nemen toen hij van een van de mensen uit zijn netwerk hoorde dat er langs de oever van de poel in het veen greppels werden gegraven. Deze moesten er kennelijk voor zorgen dat de bezoekers van de heidense offerplek maar via één doorgang bij de oever konden komen. Guy was er onmiddellijk met een paar mannen op uit getrokken om poolshoogte te nemen. Hij trof daar Aeijolt aan die offerde om de goden gunstig te stemmen voor de overleden Krijn en Clauwaert. Er zou een proces volgen om deze heidense praktijken aan de kaak te stellen.
De graaf leek tevreden toen hem de opbrengst van de gouw werd getoond. Dat was veel meer dan het gebied ooit had opgeleverd. De ‘bewijzen’ die Darra naar voren bracht om te laten zien dat Barteld te weinig afdroeg aan z’n heer stelden hem kennelijk ook tevreden. Het overtuigendst was echter het verhaal dat hem werd verteld over ontevreden Vellesanners, die zoveel kwaad hadden ondergaan door de hand van Barteld, dat zij hem in z’n cel hadden vermoord. De plaats waar hij was ondergebracht in afwachting van het oordeel dat de graaf zelf over hem zou vellen. Eén van de mannen had bij deze actie de dood gevonden. De edelman Guy de Monclosse had de ander in de cel betrapt met het wurgkoord in z’n hand, waarna de man Guy zelf te lijf was gegaan. Gelukkig had men hem kunnen overmeesteren. Er volgde een proces tegen deze woesteling, waarbij hij werd berecht en ter dood veroordeeld voor de verschrikkelijke daad van een moord op een edelman.
‘Nou,’ spotte graaf Rorik, ‘dit is wel het meest bijzondere dat ik ooit heb meegemaakt. Een zelfbenoemde meier zet een corrupte meier af en onderneemt allerlei acties die gunstig zijn voor de leenheer, die hem nooit als zodanig heeft aangesteld. Ik geloof dat ik blij moet zijn met jou, Darragh van Alveringem. En dan ook nog een aartsdiaken, die in mijn afwezigheid door de Utrechtse bisschop hiernaartoe is gestuurd. De kerk is wel direct goed bezig geweest geloof ik, want het waren de verhalen over een wonder met betrekking tot een mij onbekende heilige, die mij hier hebben gelokt. Het kan gewoon niet op.’
‘Aartsdiaken Anselm zal u er alles over vertellen en u de relikwieën van de heilige Engelmundus in de nieuwe kerk laten zien. Het zal u vast verheugen dat wij een feest ter ere van uw komst naar Vellesan hebben georganiseerd in het langhuis.’
Rorik reageerde verrast: ’Een langhuis?’
‘Jazeker, gebouwd door Sven de Noorman uit Ribe’, zei Darra vol trots.
De volgende dag kreeg de graaf alles te horen en te zien over het mirakel van Vellesan, met de toelichting hoeveel dit het vlek had opgeleverd. Anselm wist best wat belangrijk was voor Rorik. Als tegenprestatie voor het strelen van diens ego en de door hem in de graaf opgewekte begeerte naar rijkdom, hoopte hij hem te mogen dopen en daarmee bekeren tot het christendom. Hij zou ervoor zorgen dat de graaf zou beseffen dat met de snelle groei van het aantal christenen, het als landsheer profijtelijk was zelf christen te zijn. De acceptatie onder de bevolking voor een christelijke heer zou groot zijn.
In het nieuwgebouwde langhuis kreeg het paasfeest de vorm van een blótfeest. Sven had Darra alle informatie over dit soort offerfeesten van de Vikingen gegeven. Als christen kon Darra natuurlijk niet zo’n feest ter ere van een Noorse god houden, maar nu kon hij de viering van de wederopstanding van Jezus hier houden in het een-na-grootste gebouw van Vellesan in de vorm van een Vikingfeest. De graaf zou dat waarschijnlijk waarderen, omdat hem dat aan z’n thuis zou herinneren. Darra deed z’n best om zich zoveel mogelijk aan de Viking gewoontes te houden. De graaf werd met alle egards het langhuis binnen geleid. Hij nam als hoogste in hiërarchie van Kinhem de ereplaats in op de hoge bank in de 39 el lange zaal. Darra nam de tweede plek van status in tegenover Rorik. De rest van het gezelschap nam plaats op houten banken. De beste plekken waren die aan dezelfde kant van de tafel als de ereplaats. Je status was minder naarmate je hier verder vanaf was gezeten. Hier zaten de edelen en de meliores. Veel nieuwe bewoners kregen hier ook een plaats. Degenen die onderaan de hiërarchie stonden, zaten op de lage bank. Darra wist van Sven hoe belangrijk het bij de Vikingen was, welke plek zij kregen toebedeeld. Aan de lage bank werden de vrije boeren en belangrijkste horigen geplaatst. De rest zat op de aangestampte vloer, inclusief kinderen en honden. Claes van Hoeleyde vond zichzelf terug op de buitenste plaats van de hoge bank. Onder de vorige meier zou hij naast de ereplaats hebben gezeten, maar het was duidelijk dat heer Darra hem wegzette. Als meliores, met aanzienlijke bezittingen hoorde hij in de hoogste sociale laag, maar onder Darra dreigde hij die positie te verliezen. De meelopers zaten op de plaatsen het dichtst bij de meier. De overige aanwezigen moesten op de grond plaats nemen. De bouwmeester zat in de nabijheid van Darra net als Anselm en Guy. Ook Roef, de herbergier had een plek gekregen en was daar heel verguld mee. Uit de brouwerij van Marzoeta was niemand uitgenodigd, hoewel haar totale biervoorraad door Guy was opgekocht. Hij had Darra ervan weten te overtuigen de graaf en iedereen aan de hoge tafel alleen maar goed bier te schenken. Bovendien voegde hij er listig aan toe, zou het beter zijn de brouwerij pas kapot te maken, als ze Marzoeta’s bierrecept hadden weten te bemachtigen. Toen de plaatsen verdeeld waren, heette Darra iedereen welkom en ging er een teiltje rond, waarin allen hun handen wasten. De tafels werden nu gedekt en het eten binnengebracht. Er was vlees van varkens, koeien en kippen bereid. De vorige dag waren veel vrouwen en een paar mannen de hele dag in de weer geweest met het voorbereiden van deze maaltijd. De vis was vers. Er was brood, eieren, kaas en groenten. De week ervoor was er door Darra op een bruine beer gejaagd, die buiten Vellesan was gesignaleerd. Het berenvlees was bereid en voor het gemak voorgesneden. Van Sven wist Darra dat er alleen bij speciale gelegenheden wild op het menu van de Vikingen stond. Het zou Rorik plezier doen. Het dessert bestond uit fruit en koeken. Sven had ook verteld dat de Vikingen normaal water of melk dronken, maar bij een feest werd bier gedronken, het lichte mungát en het zware bier, bjórr. Er werden grote houten emmers met Marzoeta’s bier binnen gebracht. De graaf nam een grote slok en er kwam een verheerlijkte uitdrukking op z’n gezicht. ‘Dit is beter dan welk bjórr ik ooit heb gedronken!’, riep hij uit. Verzaligd nam hij nog een slok. ‘Maar’, vervolgde hij, ‘in het Hávamál wordt al gezegd:
“Bier is niet
altijd zo goed
als men zegt voor de zonen van de familie
hoe meer men drinkt
hoe minder verstand
er achterblijft in het hoofd.’’’
Na deze declamatie liet hij een bulderende lach horen en zette de beker weer aan z’n lippen.
Vóór het einde van de avond had Rorik twee toezeggingen gedaan. Anselm zou hem de volgende dag mogen dopen en Darra zou worden bevestigd in het ambt van meier.
Claes van Hoeleyde keek vanaf zijn eind van de tafel machteloos toe hoe de graaf werd ingepalmd door Darra en Anselm. Zijn enige kans op behoud van wat hij had opgebouwd was als Darra uit zijn positie werd verwijderd. Daar zag het echt niet naar uit. Hoe konden de zaken nog ten goede worden gekeerd? Het was om radeloos van te worden.
Intussen kwam de stemming aan zijn tafel er steeds beter in. Door het rijkelijk vloeiende vocht, vormden een aantal jongere mannen en vrouwen ‘drinkkoppels’. Ze zaten naast elkaar en dronken uit dezelfde beker. Dit zorgde voor heel wat geflirt.
Anselm omkleedde de doop van graaf Rorik met veel ceremonieel.
De aanwezigen zagen hoe de fraai geklede edelman knielde en het hoofd boog. De aartsdiaken bad tot de Vader om het water te zegenen, het kwaad te bezweren en de geloofsbelijdenis, en het doopsel te bevestigen. Terwijl hij de dopeling met water begoot sprak Anselm als bedienaar van het sacrament de woorden: ‘Rorik Yngling, graaf in Frisia, ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest.’ Hij kon daarbij een triomfantelijk lachje niet onderdrukken.
Na deze plechtigheid verliet iedereen de kerk om zijn of haar werkzaamheden te hervatten. Natuurlijk waren de christenen het meest onder de indruk geweest van de ceremonie, maar ook anderen dachten na over het feit dat hun landsheer zich had bekeerd tot het geloof.
Toen Anna naar huis liep werd ze gevolgd door Steinar, één van Roriks mannen. Zijn oog was op haar gevallen tijdens de doopplechtigheid en bleef haar bevallige verschijning daarna constant beloeren.
In de kerk werden nu voorbereidingen getroffen om Darra te bevestigen in zijn functie van meier. De nieuwe meier had het slim gespeeld. Eerst had hij een beeld van zichzelf gecreëerd als perfecte zaakwaarnemer van de gouw. Zijn verhaal over de moordaanslagen op de vorige meier en op hem, hadden de graaf al positief over hem gestemd. Ook de fraaie inkomstenstaat hielp eraan mee in een gunstig daglicht te komen. Negatieve geluiden over hem uit de samenleving waren zorgvuldig bij de graaf weggehouden. Sommige mensen waren fysiek weggehouden en andere waren geïntimideerd door Guy en z’n mannen. Het waren vrijwel enkel nieuwe inwoners van Vellesan geweest die de graaf te spreken kreeg. Het gunstige beeld van Darra dat daaruit naar voren kwam, had Rorik doen besluiten om hem effectief in zijn dienst te nemen.
Darra stond innerlijk te juichen, toen eindelijk op schrift zijn positie was vastgelegd. Nu kon fase twee van zijn grote plan in werking treden. Alle mogelijke tegenstanders moesten nu van het toneel verdwijnen. Ontmoediging werkte het best, dus de families moesten uit elkaar worden getrokken, zodat hun geen enkele hoop overbleef. Guy’s oog was gevallen op Pytske, de dochter van Aeijolt en Marzoeta. Zijn idee was Pytske mee te laten nemen door het grafelijk gevolg naar Hallem. Hij zou haar aan één van de ridders presenteren als een horige, die gevormd kon worden naar diens wensen. Natuurlijk zou ze vechten en duidelijk maken dat ze een vrije was en geen horige en dat de meier geen recht had haar mee te geven. Deze gebeurtenis zou zowel de ouders treffen als die dwaze Bruno, die haar wilde huwen. Bruno had Jannes informatie laten inwinnen over Anselm in Utrecht. Daar was gelukkig niets uit voort gekomen, maar het was veiliger nieuwe acties van deze kapelaan in de kiem te smoren. Als ze hem konden verlokken in opstand te komen tegen het wettig gezag, konden ze hem op een schone manier wegwerken. Guy benaderde de ridder die blijk had gegeven wel van het vlees van Pytske te willen proeven. Hij had haar met welgevallen bekeken, toen ze naast Bruno de plechtigheid bijwoonde en vertrouwde Guy toe, dat hij niet begreep dat ze voor zo’n kwezel van een geestelijke koos. Hij zou wel weten wat hij met haar aan moest. Daarop durfde Guy hem een gewaagd plan voor te leggen. Hij zou ervoor zorgen, dat het meisje geboeid en gekneveld werd afgeleverd, als de ridder een manier wist om haar mee te smokkelen naar het noorden. Wanneer er later naar werd gevraagd, kon de edelman zeggen dat het meisje een horige was, die door de meier aan hem was meegegeven om in zijn huishouden te dienen. Met een geile blik had de ridder ingestemd.
Rorik besloot na de bevestiging naar het noorden te trekken. Wat een succes was er in Vellesan bereikt met het wonder van de oude bron. Hij bedacht zich dat het succes van de tot dan onbekende Engelmundus zou kunnen worden gekopieerd. In Hallem aan de monding van de Rekere, waar hij zich ver van de invloed van Lodewijk de Duitser permanent wilde vestigen, stond een devotiekapelletje. Dit Kinhem was vergeven van offerputten en verhalen over missionarissen. Bij Heiloo een heilig bos, bij Petten heilige bronnen. Willibrord en Bonifatius zouden hier best als wonderdoeners in te passen zijn. Eerst een verhaal over wonderen, dan misschien wat relikwieën en vervolgens wellicht de stichting van een klooster. Het geld zou binnenstromen. Het was een goede zet geweest zich te laten bekeren in dit land van goedgelovigen.
De dag na het vertrek van Rorik en zijn entourage, toog Kybbe naar de herberg van Roef. Hij wilde met Anna de opwindende gebeurtenissen van de vorige dag bespreken. Ze was er echter niet. De hele dag keek hij naar haar uit, maar zag haar nergens. ’s-Avonds kwam Bruno aan de deur om naar Pytske te vragen. De angst die Marzoeta al had over het onzekere lot van haar man werd ondraaglijk met de gedachte dat haar dochter nu ook iets ergs overkomen kon zijn. Ze had gedacht dat Pytske bij Bruno was. Ze had de relatie van haar dochter met de geestelijke zien opbloeien en wist van het voornemen van de twee om te trouwen. Nu greep de angst hun beiden bij de keel. Haar dochter was oud en wijs genoeg. Er moest haar dus iets zijn overkomen. Ze gingen samen met Riuum, Kybbe, Atze, Duna, Jannes, Joukje en Floor alle bekenden af om Pytske te zoeken, echter zonder resultaat.
Twee weken lang bleef Kybbe uitkijken naar z’n zuster en naar Anna. Van beide meisjes ontbrak elk spoor. Uiteindelijk besloot hij de norse Roef aan te spreken. Deze weigerde met Kybbe te praten. Hij kleineerde Kybbe en sprak over die ongehoorzame kleine slet, die het niet waard was om naar te zoeken. De jongen werd zo kwaad, dat hij Roef aanviel. Die had daar niet op gerekend en struikelde. Hij sloeg met z’n hoofd tegen de rand van een tafel en lag kreunend op de grond terwijl Kybbe met z’n vuisten op zijn borst timmerde. ‘Waar is Anna. Wat heb je met haar gedaan? Heb je haar vermoord? Ik weet dat je haar constant afranselde.’
Woedend wierp Roef de jongen van hem af. ‘Ik had niks aan die meid. Ik heb haar meegegeven naar Hallem, zodat ze de hoer kan zijn, die ze al was. Net als haar moeder. Het loeder dat me bedroog met een handelaar. Ik ben blij dat ik van dat koekoeksjong af ben. Nu heeft ze tenminste nog wat opgeleverd.’ Hij grijnsde daarbij gemeen naar Kybbe. ‘Jouw liefje zal ze in ieder geval nooit worden.’ Hij gaf Kybbe een enorme duw. ‘En nu opgesodemieterd, m’n herberg uit.’ Kybbe uitte een hartverscheurende kreet en rende naar buiten.
Marzoeta zat met het hoofd in de handen. Haar dochter was verdwenen en er was geen enkel bericht over haar man gekomen. Er was een beschuldiging van ‘heidense praktijken’ tegen hem geuit en er zou een rechtszaak volgen. De onzekerheid knaagde aan haar. Op haar beurt probeerde Floor haar te troosten. De vriendschap tussen de twee vrouwen had zich verdiept, na de tragedie die Clauwaert was overkomen. Allebei waren ze in korte tijd een man en een kind kwijtgeraakt. Ze zouden veel veerkracht nodig hebben om de draad weer op te pakken.
De bekentenis van Anselm
862 n.Chr.
Kybbe was niet gestopt met zijn naspeuringen naar Anna, Pytske en z’n vader. De schuld voor alle ellende die hen had getroffen, lag volgens hem bij de meier en diens mannen. Daarom probeerde hij manieren te vinden om onopvallend in hun buurt te komen. Hij hoopte informatie op te vangen uit hun onderlinge gesprekken. Op een avond had hij zich verdekt opgesteld naast het langhuis. Ter hoogte van de hoge tafel die binnen stond had hij eerder een gat gemaakt om te kunnen gluren en gesprekken af te luisteren. Zo te zien was er een bescheiden feestmaal aan de gang. De zwaardere biervariant vloeide weer rijkelijk aan het geluidvolume te horen. Er werden grove moppen uitgewisseld waarin paus Nicolaas en Theutberga de hoofdrol speelden. De paus had Lotharius II gedreigd met excommunicatie omdat de vorst z’n vrouw aan de kant zette, toen het huwelijk kinderloos bleef. Een van de moppen ging over de lengte van het pauselijk lid onder het habijt en de verleidingskunsten van Theutberga. Kybbe gluurde door het gat en zag de meier en de aartsdiaken in gesprek. Toen het gelach even wegebde hoorde hij Anselm zeggen: ‘Ik vond fellatio altijd het fijnste, maar sinds dat kleine kreng me gebeten heeft, durf ik hem nergens meer in te steken.’ ‘Ha, ha,’ lachte Darra, ‘dan ben je dus toch nog een echte geestelijke geworden!’
Ongelofelijk, dacht Kybbe. Het was dus Anselm, die al die jaren geleden zijn vriendinnetje had mishandeld. Een man van God. Wat was dat voor een god die zulke dingen toestond. Het was zeker niet de god van broeder Bruno. Die predikte zachtmoedigheid en was tegen geweld. Hij moest weten wat zijn superieur had gedaan en ze moesten bedenken hoe de positie van Anselm ondermijnd kon worden. Het kwaad mocht toch zeker niet winnen? Anselm moest z’n straf ondergaan. Hij haastte zich naar de woning van de kapelaan om te vertellen wat hij had gehoord. Bruno was ontsteld over Anselms onthulling van z’n seksuele uitspattingen en vroeg vol ongeloof wat dit te maken had met het tragische lot van Saartje vijf jaar geleden. Daarop vertelde Kybbe hem, wat Saartje op haar doodsbed had gezegd. Bruno was geschokt. Hoe kon een geestelijke een kind zoiets aandoen? Hij was echter ook realistisch genoeg om te beseffen dat Anselm alleen ter verantwoording kon worden geroepen door een bisschop of misschien zelfs de paus. Kybbe was woedend toen Bruno hem vertelde dat ze hier niets tegen de aartsdiaken konden beginnen. ‘Denk eens na Kybbe’, zei hij tegen de jongen. ‘Voor een proces moet je bij Heer Darra zijn. Denk je echt dat hij bereid is een aanklacht tegen Anselm te accepteren? En hetzelfde geldt voor de graaf in Frisia. Nee, er zit maar één ding op. Ik vertrek naar Keulen om een audiëntie te vragen bij paus Nicolaas en hoop daar op een willig oor. Men zegt dat hij een machtig, maar ook eerlijk man is. Hij wordt niet voor niets Nicolaas de Grote genoemd. Sinds Pytske is verdwenen weet ik toch niet wat ik met mezelf aan moet.’
Kybbe wist in z’n hart dat Bruno gelijk had, maar de woede verteerde hem en hij voelde zich onmachtig. De volgende ochtend zwaaide Kybbe Bruno uit. Ze hadden niemand op de hoogte gesteld van het vertrek van de geestelijke. Kybbe zat lange tijd in somber gepeins verzonken aan de oever van de Velisana, de rivier waaraan Vellesan haar naam ontleende. Hij staarde nietsziend in het vaalbruine water.
‘De kapelaan is vertrokken’, meldde Guy aan Darra, die hij in de grote kamer in gesprek met Anselm trof.
‘Vertrokken? Waar naartoe en waarom?’, vroeg Anselm.
Guy vertelde dat één van zijn spionnen Bruno en de jonge Kybbe afscheid zag nemen van elkaar, waarna Bruno richting het oosten vertrok. ‘Eigenlijk is dat best goed nieuws’, zei Darra. ‘Zo komen we van alle bemoeizuchtige types af. We gaan ons nu richten op de brouwerij. Aeijolt is veilig opgeborgen. Ik durf voorlopig nog geen proces te beginnen wegens afgoderij. Daarvoor hangen nog te veel mensen hier de natuurgodsdienst aan. Ik weet dat jij die allemaal zou willen terechtstellen, Anselm, maar dat zou tot een opstand kunnen leiden.’ Hij keerde zich naar Guy: ‘Hoe staat het met het recept van het bier dat Marzoeta brouwt? Weten we al hoe ze het doet?’
Deze antwoordde: ‘We weten dat ze geen gagel meer gebruikt. Ze heeft iets anders gevonden om het bier op smaak te brengen, hop. Ook is het daardoor kennelijk langer houdbaar dan het gruitbier. We moeten er nu achter zien te komen, wat de verhoudingen zijn en hoe het proces verloopt. Ik probeer een mannetje in de brouwerij te krijgen.’
‘Mooi, hoe sneller we het weten, hoe beter. We krijgen het hele zooitje weg uit Vellesan.’
Anselm viel in: ‘Dan ga ik een nieuwe kandidaat zoeken voor de functie van kapelaan. Mocht Bruno terugkeren, dan is hier geen plaats meer voor hem.’
Jabik liep de brouwerij in. De jongeman keek oprecht geïnteresseerd rond. Marzoeta liep naar hem toe en vroeg: ‘Kan ik je helpen?’
‘Nou…’, aarzelde de jongen, ‘ik kom niet om bier te kopen, want ik heb geen werk en geen geld. Ik hoopte eigenlijk dat u werk voor mij had.’ Marzoeta antwoordde dat ze genoeg mensen in de brouwerij had en hem tot haar spijt niet kon helpen. De jongen was zichtbaar teleurgesteld. Hij stond er zo triest bij, dat ze hem niet zomaar kon wegsturen. ‘Misschien weet m’n zoon iets voor je. Kom aan het eind van de dag maar terug, dan is hij er.’
Toen Kybbe en Atze met hongerige magen naar de brouwerij terugkeerden troffen ze daar de jongen met het open gezicht. Hij stelde zich voor als Jabik en zei dat hun moeder hem had gestuurd. ‘Je bedoelt zeker zíjn moeder’, wees Atze naar Kybbe. ‘Ik ben z’n neef, niet z’n broer.’ Ze lachten gedrieën om het misverstand.
Daarna vertelde Jabik waarom hij naar de brouwerij was gekomen. Al pratend gingen ze naar binnen. Jabik’s ogen schoten alle kanten op. ‘Wat is het hier groot en netjes’, zei hij bewonderend.
‘Dat het zo groot is komt door m’n vader. Hij is een bouwer en ik heb hem geholpen bij de bouw’, zei Kybbe trots.
‘Ja’, vulde Atze aan, ‘en dat het zo schoon en netjes is komt door Marzoeta en mijn moeder. Wij zijn daar mooi klaar mee in de winter, want we moeten en zullen ons regelmatig wassen, vinden zij. We kunnen hoog of laag springen, maar daar komen we niet onderuit. Ze dreigen ons anders hoogstpersoonlijk te wassen, alsof we kleine kinderen zijn.’
Hier moest Jabik smakelijk om lachen. De jongens mochten hem meteen. Jabik keek naar de grote ketel en vroeg of ze hem wilden uitleggen hoe het brouwproces werkte, want daar was hij wel heel nieuwsgierig naar. De jongens waren niet te beroerd om het hem uit te leggen.
Met de komst van zoveel nieuwe mensen in Vellesan en de toename van het aantal pelgrims, was er behoefte aan meer voedsel en daarmee kwam de veengrond ten oosten van het vlek meer en meer in beeld. Claes van Hoeleyde had daar menig arbeidskracht nodig voor de afwatering van het gebied. Er werden daartoe veel sloten gegraven, zodat de bovenlaag van het veen bruikbaar werd. Volgens Kybbe kon Jabik er zo aan de slag.
In de dagen die volgden trokken de jongens vaak met elkaar op en Jabik werd kind aan huis bij Marzoeta en Duna. Hij was heel hulpvaardig en leergierig. Na z’n werk liep hij altijd de brouwerij binnen en stond direct klaar een handje te helpen. Marzoeta liet hem na begaan en kreeg zelfs schik in de jongen. Hij was zoveel handiger en oplettender dan haar zoon bij het soort klusjes dat hier verricht moesten worden.
Op een dag kwam Kybbe ademloos thuis. Hij trof haar aan in gesprek met Claes van Hoeleyde. De onzekerheid over het lot van haar man vrat aan haar en één van de weinige mensen met wie zij daarover kon spreken was Claes. Hij had altijd een goede werker aan Aeijolt gehad en ze hadden menig discussie met elkaar gevoerd. Hun gesprek werd ruw verstoord door Kybbe. Hij vertelde zijn moeder naar adem happend dat Fergus een nieuw en groter brouwhuis liet bouwen door Simon van Litte. Al het bouwmateriaal was in de laatste twee weken per boot afgeleverd in de haven. Hij had gehoord dat er ook al meerdere ketels waren besteld. Claes reageerde met ongeloof. ‘Hoe kan dat? Die man heeft geen nagel om z’n kont te krabben. Hij kan dat nooit betalen. Pas op Marzoeta, want hier zit Darra vast achter. Hij wil jou en mij klein krijgen en zal geen kans missen om ons pijn te doen. Ik denk dat ik maar eens naar Hallem ga om de graaf te vertellen dat zijn meier waarschijnlijk zíjn geld gebruikt om z’n eigen macht te vergroten. Kybbe, ga jij je oor eens te luister leggen. Probeer of je wat aan de weet kan komen van de plannen van Heer Darra en z’n trawanten. Maar wees voorzichtig.’ Kybbe knikte vol ijver en stoof naar buiten, waar hij direct tegen Jabik op botste. ‘Kom’, zei hij, ‘je kunt me mooi helpen.’
Toen het Jabik duidelijk was wat Kybbe wilde doen, reageerde hij enthousiast. ‘Het is beter als we ons opsplitsen. Als jij wat probeert op te vangen bij Heer Darra, ga ik dat doen bij Guy de Monclosse.’ En weg was hij.
Claes van Hoeleyde was al 15 jaar weduwnaar en nooit hertrouwd. Bij zijn afwezigheid werden zijn bezittingen bestierd door Oeds, een vrije boer. De aan het land van Claes grenzende boerderij was al generaties lang in het bezit van Oeds familie en de twee mannen vertrouwden elkaar onvoorwaardelijk. De boer was zich zorgen gaan maken toen het paard van Claes zonder berijder terugkwam. Hij riep de arbeiders van het land terug en organiseerde een zoektocht naar z’n buurman. Aangezien hij wist wat Claes van plan was, liet hij zoeken op alle mogelijke wegen naar Hallem. Ze boekten geen enkel resultaat. Nergens was een spoor van Claes te vinden. Het werk in het veengebied werd hervat. Daar vond één van de laatste 4 Wieringers na enkele dagen z’n lijk. Hij lag op een stukje zand, een arm omhoog alsof hij uit het water was gekropen. Waardoor de dood had toegeslagen, was niet helemaal duidelijk. Hij was niet gewond, maar had wel een deuk in z’n helm. Was hij misschien van z’n paard gevallen en met het hoofd op een steen terecht gekomen?
Het verhaal ging al snel rond in Vellesan. Er klonken geruchten dat Claes zou zijn vermoord. De één had het over struikrovers, die de veengebieden en moerassen van Waterland onveilig maakten. Een ander had het over een groep Vikingen, die aan land zou zijn gekomen om te plunderen. Kybbe had echter hele andere ideeën over zijn dood. Ook hij wist dat Claes van plan was geweest een klacht in te dienen tegen Darra bij de graaf. De meier moést wel achter diens dood zitten. Maar hoe had hij geweten van het plan van de meliores? Kybbe pijnigde z’n hersens en groef diep in zijn geheugen. Er was niemand buiten Marzoeta, Claes en hijzelf bij het gesprek aanwezig geweest en Claes zou zeker niemand in vertrouwen hebben genomen over zijn plan. Ja, natuurlijk had hij er met Oeds over gesproken, maar het was onmogelijk dat deze zwijgzame boer z’n mond voorbij had gepraat. In gedachten ging hij terug naar die dag. Hij was op weg gegaan om gesprekken van Darra af te luisteren of er iets besproken werd over de nieuwe brouwerij. Hij was er echter niets wijzer door geworden. Alleen Jabik was het gelukt bij Guy een gesprek af te luisteren met Dirk. Dit was, zo zei Jabik, een spion, want hij hoorde Dirk vragen om zijn beloning voor het doorgeven van de plannen van twee mannen voor een aanslag op de voormalige en de nieuwe meier. Guy had hem daarop betaald uit een leren buidel die aan een riem om z’n middel hing. Vol ongeloof had Kybbe gereageerd: ‘Maar, dat kan helemaal niet! Clauwaert en Krijn zouden nooit zo’n plan hebben gemaakt. In ieder geval niet tegen meier Barteld.’
Jabik haalde z’n schouders op en zei: ‘Ik vertel alleen maar wat ik heb gehoord en gezien en het waren toch echt rinkelende munten die Guy aan Dirk betaalde.’
Ondertussen had Darra niet stilgezeten. Hij verklaarde dat er bij het ontbreken van een wettige erfgenaam de bezittingen van Claes van Hoeleyde zouden vervallen aan de graaf in Frisia en dat Darra als meier het land voor hem zou beheren. Zijn eerste daad als beheerder was het ontslaan van de Wieringer arbeiders, die hierdoor brodeloos werden. Van een tweede actie van zijn hand werd Marzoeta gewaar, toen ze merkte dat meerdere afnemers van haar bier overgegaan waren naar de brouwerij van Fergus. Er bereikten haar ook verhalen dat Guy meerdere inwoners onder druk had gezet niet meer bij haar te kopen. Kybbe had gehoord dat het bier van Fergus net zo smakelijk was als dat van Marzoeta.
Ze hadden zich verzameld in de brouwerij om hun tegenslagen te bespreken. Atze werd met Jabik weggestuurd om een familielid in het veengebied op te halen. Kybbe wilde reageren toen de jongens die opdracht kregen, maar hield na een waarschuwende blik van Marzoeta z’n kaken op elkaar. Jannes bracht na het vertrek van de twee jongens snel duidelijkheid. ‘Atze en ik bespraken de wonderlijke en trieste gebeurtenissen van de laatste weken en probeerden erachter te komen hoe Darra onze vrienden en bekenden steeds zo dwars kon zitten. Niemand van ons twijfelt eraan dat hij schuld heeft aan de dood van Claes. Een klacht over hem bij de graaf zou hij niet prettig hebben gevonden. Hoe kon hij op de hoogte zijn van diens vertrek naar Rorik? Wie kon hem dat hebben verteld? Ik kreeg een vermoeden toen Kybbe mij vertelde over het afluisteravontuur waar Claes hem op uit had gestuurd en het verhaal dat Jabik hem vertelde over de betaling aan Dirk. Ik dacht als er één samenwerkt met Darra, dan is dat Roef. Zonder de meier had hij nooit de herberg kunnen beginnen. Ik liep deze week dus bij hem binnen om meer aan de weet te komen en dronk bier met hem. Eén ding werd mij daar snel duidelijk. Het was het bier van Marzoeta, terwijl ik wist dat hij z’n bier betrekt van Fergus. Dat bevestigde Roef ook. Nu wist ik dat iemand Fergus het recept moest hebben bezorgd. Daarom heb ik deze bijeenkomst belegd. Wat kunnen we doen? Ik heb Atze de opdracht gegeven Jabik hier de komende twee uur weg te houden, want de enige mogelijke schuldige aan het doorgeven van informatie is Jabik.’
In gedachten ging Kybbe de gebeurtenissen weer langs en besefte in een flits van inzicht dat Jannes gelijk had. Bij beide gebeurtenissen was Jabik aanwezig geweest. In de brouwerij wist hij de weg blindelings te vinden en achteraf besefte Kybbe dat hij wel heel erg nieuwsgierig was en maar vragen bleef stellen over het brouwproces. Bij het gesprek met Claes was hij weliswaar niet aanwezig geweest, maar Kybbe was buiten direct tegen hem aan geknald. Hij kon dus hebben staan luistervinken. Wat een verraderlijk rotjoch was het. ‘Ik zal hem eens…’
Jannes onderbrak hem met een hand in de lucht. ‘Jij, doet helemaal niets! We laten hem hier gewoon z’n gang gaan. We zorgen er wel voor dat hij niets van belang te horen krijgt. Misschien kunnen we hem nog gebruiken door hem wat valse informatie te geven. Dat kan te zijner tijd nog van pas komen. Eén ding kunnen we hem zeker niet laten horen en dat is, dat we Aeijolt uit de gevangenis halen. Ik denk dat er in het verleden ook een smerig spelletje is gespeeld om Krijn en Clauwaert in een positie te krijgen die hun het leven heeft gekost. Darra en Guy krijgen hier niets over te horen. We kunnen Aeijolt daar niet laten zitten, anders eindigt hij z’n leven net als dat van Barteld. Ik wil geen enkele loslippigheid, ook niet in de buurt van de aartsdiaken. Het is voor mij duidelijk dat hij in hetzelfde kamp zit als Darra. Hoe snel werd er niet een nieuwe kapelaan aangesteld na het vertrek van Bruno. Ik heb van een nieuweling al verhalen gehoord over deze kapelaan. Hij schijnt niet bepaald een man van God te zijn.’ Hierna wees Jannes een aantal mensen aan met wie hij de bevrijding van Aeijolt zou bewerkstelligen. Iedereen die aanwezig was zwoer daarop niets van het besprokene met iemand buiten deze groep te delen. Daarop werden de bekers volgeschonken en tegen de tijd dat Atze en Jabik terugkeerden, heerste er een optimistische sfeer in de brouwerij. Atze vertelde dat ze ‘oom Oege’, niet hadden kunnen vinden. Ergens was dat wel grappig vond Kybbe. Hij wist dat oom Oege de dood had gevonden bij een Vikingoverval toen hij twee jaar oud was.
Vol afschuw keken Duna en Marzoeta naar de gaten in de vaten. Iemand was in de nacht de brouwerij binnen gegaan en had daar de biervaten stuk geslagen. Floor stond met haar hand voor haar mond geslagen te jammeren. Het stonk naar het bier dat vrijelijk over de grond liep.
Marzoeta herpakte zich snel. Ze hadden al zoveel meegemaakt. Ook deze ellende zouden ze te boven komen. Kybbe kreeg de opdracht een vergrendeling te bedenken voor de brouwerij, zodat er ’s-nachts niemand naar binnen kon. Hij bedacht een simpel systeem van een balk aan de binnenkant van de dubbele deuren, die aan weerszijden in houders werd geschoven. Niemand kon meer van buitenaf komen. Hij maakte een nieuwe enkele toegangsdeur aan de zijkant. Deze kon met een eenvoudig slot worden afgesloten, maar een bijkomende maatregel was dat er gedurende de nacht voortaan de wacht werd gehouden door hun oudste vrienden uit Wieringen. Er kwamen nieuwe vaten en Atze en Kybbe werden er op uitgestuurd om nieuwe potentiële klanten te vinden. De pelgrims op weg naar Heiloo en Hallem in het noorden, hadden een nieuwe herberg bij Limmen mogelijk gemaakt. Het kerkje van Limbon werd door hun aangedaan aleer zij zich te rusten legden in de herberg. De herbergier kon steeds grotere hoeveelheden van Marzoeta’s bier gebruiken. De zaken floreerden weer als voorheen.
Jannes had besloten dat dit het moment was om Aeijolt uit z’n deprimerende onderkomen te bevrijden. Het was zo geregeld dat Jabik in de ochtend in de brouwerij aanwezig zou zijn. De jongen keek op toen de grote man in kennelijke paniek de brouwerij in kwam gerend. ‘Ik kom van het strand en zag een Vikingsschip richting de kust komen’, riep hij.
Zonder verder te luisteren of iets te vragen rende Jabik naar buiten. Angst dreef hem om harder te lopen dan hij ooit had gedaan. Hij had z’n hele leven de meest vreselijke verhalen over Vikingen gehoord en het verhaal van de Wieringers had hij ook talloze malen aangehoord. Hij rende zo snel z’n benen hem konden dragen naar Guy de Monclosse en brulde dat er Vikingen op het strand waren geland. Guy haastte zich naar de meier en die gaf z’n mannen de opdracht de maliënkolders aan te trekken, de helmen op te zetten en zich te bewapenen. In galop trok de groep daarna naar het noordwesten de Vikingen tegemoet. Hierop had Jannes gerekend. Aeijolt werd bevrijd en met z’n vrouw herenigd. Daarna trok een selecte groep het veengebied in om hem daar te installeren in een voor hem al eerder klaargemaakte hut. Hier zou hij buiten het zicht en bereik van Darra zijn. Marzoeta kon hem daar regelmatig bezoeken en voorzien van zaken die hij nodig had. Voor Aeijolt lag een bootje klaar, waarmee hij zijn oude kwaliteiten van visser kon opvijzelen. Bij toerbeurt zou één van de vier Wieringers hem gezelschap houden en met hem op visvangst gaan. De vis kon dan weer verkocht worden in Vellesan.
Natuurlijk was Darra woedend toen hij merkte dat er geen Vikingschip in de verre omtrek te bekennen was en dat werd verergerd, toen bleek dat Aeijolt niet meer in z’n cel zat. Guy werd erop uitgestuurd om hem terug te halen. Niemand van zijn spionnen had enig idee, waar het stuk verdriet kon uithangen. Niemand had ook maar iets gehoord. Het was duidelijk dat de jongen zich had laten gebruiken met zijn Vikingbericht. Het was een kansloze missie. De vrienden van Aeijolt betoonden zich hogelijk verbaasd en beweerden allen niets te weten van de miraculeuze ontsnapping van hun vriend. In z’n razernij gaf Guy Jabik een enorme afranseling, vóór hij met lege handen verslag ging uitbrengen aan Darra.
Kybbe trof Jabik vroeg in de ochtend aan voor de nog gesloten dubbele deuren van de brouwerij. De jongen zat ineengezakt op de grond, zijn schouders hingen naar voren en z’n handen waren voor zijn ogen geslagen. Het hele lichaam schokte bij de diepe geluidloze uithalen. Toen Kybbe z’n schouder licht beroerde, keek hij op. Zijn gezicht vormde een lappendeken van kneuzingen en blauwe plekken. Hij had een dichtgeslagen oog en onder z’n neus was een korst van geronnen bloed te zien. ‘Help me’, zei hij. ‘Ik wil bij jullie horen. Ik wil dat het weer is zoals eerst. Dat we weer vrienden zijn.’
Kybbe keek hem smalend aan. ‘Je denkt toch niet dat we jou na alles wat er is gebeurd kunnen vertrouwen. Nee, we willen je hier niet hebben. Ga maar naar je vriendjes in de meierij.’
De jongen stond op, keek met een betraand gezicht naar Kybbe en balde z’n vuisten. Vanuit z’n opeengeklemde kaken klonk: ‘Ik zal het ze betaald zetten en ik zal jou laten zien dat ik het meen. Dat zal ik bewijzen. Ik sta voortaan aan jullie kant!’ Met die woorden liep hij weg.
De vechtpartij in het moeras
865 n.Chr.

Waterland, een veengebied en moeraslandschap ten oosten van de nederzettingen in Kinhem. 1.Hallem (Bergen); 2. Limbon (Limmen); 3. Vellesan (Velsen); B. Beverhem (Beverwijk); 4. Heiligerloo (Heiloo); 5. Haralem (Haarlem); 6. Litte (Leiden); 7. Utrecht; 8. Dorestad (in de buurt van het huidige Wijk bij Duurstede); 9. Daventre (Deventer); 10. Numaga (Nijmegen).
Kybbe was na de bevrijding van z’n vader vaak in Waterland te vinden en ging geregeld met hem uit vissen. Zijn hart lag echter bij het bouwen en hij kon daarover gelukkig veel praten met Aeijolt. Diens kennis van de theorie was een leerzame bron. Daarnaast kon hij het geleerde regelmatig in praktijk brengen in uiteenlopende plaatsen, waar hij contacten opdeed bij de opdrachten die zijn moeder hem vanuit de brouwerij in het hele gebied toevertrouwde. In de lange gesprekken met zijn vader leerde hij ook over de geschiedenis. Zo kreeg hij te horen dat keizer Karel de Grote lange tijd weerstand had geboden aan de legers van de Wali van Parisi, maar dat de onderlinge rivaliteit van zijn kleinzoons het rijk hadden verzwakt. In 843 legden zij zich uiteindelijk bij een verdeling van het gebied neer. Het was een onrustige tijd, vooral in de grensgebieden.
De Vikingen hadden gebruik gemaakt van de zwakte door het kustgebied te plunderen. In de negende eeuw was het Karolingische Rijk inmiddels zo verzwakt, dat de Friezen niet meer op steun van de Karolingische vorsten konden rekenen. Dorestad werd in die tijd wel vier keer ongehinderd geplunderd. Veel Friezen waren toen in het kustgebied gevangen en tot slaaf gemaakt. De Wieringers hadden geleerd op hun hoede te zijn, maar waren in 847 gedwongen te vluchten na zo’n plundertocht van de Vikingen. Hun dorp was platgebrand en familieleden waren meegenomen of vermoord. Dat laatste verhaal kende hij natuurlijk, want er werd bij elke bijeenkomst wel over gesproken en de oude Wieringers brachten nog regelmatig offers bij een poel in het veen.
Guy zag met lede ogen aan hoe al zijn plannen om de Wieringers er onder te krijgen waren mislukt. De brouwerij bloeide, ondanks de bevoordeling van Fergus door Darra. Marzoeta had nieuwe markten aangeboord en genoeg afnemers voor haar bieren. Ook een directe aanval op de brouwerij had haar niet klein gekregen. Binnen de kortste keren was zij weer in bedrijf geweest en was het moeilijker geworden de zaak te saboteren. Bovendien waren de Wieringers welvarender geworden door hun visserij in het oosten. Dat alles had zich ontwikkeld na de verdwijning van Aeijolt uit z’n gevangenschap. Misschien was het mogelijk hun lucratieve visserijactiviteiten om zeep te helpen. Hij zou z’n spionnen opdracht geven uit te pluizen waar hun visgebieden precies waren.
Het bleek al snel dat niet alleen de mannen Waterland introkken, maar dat ook Marzoeta en Kybbe regelmatig meegingen. Deze verslagen van z’n informanten zette Guy aan tot denken. Waarom ging Marzoeta überhaupt dat grote vrijwel lege gebied in? En dan nog zo regelmatig. Het moest haast wel of Aeijolt was daar ergens. Het was de enige logische verklaring die hij kon bedenken. Een plan begon te rijpen in zijn brein en toen hij zich zeker voelde van zijn zaak, ging hij naar Darra om het voor te leggen. Deze reageerde enthousiast en gaf z’n zegen aan de voorgenomen onderneming.
‘Kybbe! Je móet naar me luisteren. Ik weet dat je me niet vertrouwd, maar dit is echt belangrijk’, Jabik smeekte hem gewoon om hem aan te horen. Eerst was hij stug doorgelopen en had hij zich doof gehouden voor diens woorden, maar toen Jabik zei dat z’n vader en moeder in gevaar waren, bleef hij staan. ‘Écht, je móet me geloven, Kybbe. Ik heb een gesprek afgeluisterd tussen Darra en Guy. Ze weten dat je moeder naar je vader gaat en zijn van plan haar te volgen. Hun doel is alle Wieringers definitief in Waterland te vermoorden.’ Hier schrok Kybbe wel van. Zouden ze al z’n vrienden en familie kunnen vermoorden, zonder dat er een haan naar kraaide?
Nog steeds wantrouwig keerde hij zich naar z’n vroegere vriend. ‘Hoe kan ik weten dat je ons niet weer belazerd en verraad?’
‘Ik zweer dat het waar is en dat ik aan jouw kant sta, maar ik kan je niet dwingen mij te geloven. Het enige wat je kan doen is mij bij je te laten blijven en geen moment uit het zicht te verliezen. Bindt me desnoods vast tot alles voorbij is, maar geloof wat ik je vertel.’
Kybbe had z’n besluit al genomen. ‘Jij blijft bij me en we gaan samen naar Jannes en m’n moeder. Zij kunnen dan beslissen wat er met je moet gebeuren.’
Na het relaas van Jabik te hebben aangehoord, besloot Jannes, dat de Wieringers bijeen moesten komen om een tegenplan te bedenken voor dat van Guy. Atze werd geroepen en uitgestuurd met de opdracht uit te kijken naar mogelijke spionnen. Die avond verzamelden alle betrokkenen zich stuk voor stuk na het vallen van de duisternis ongezien in de brouwerij. Jabik moest daarop nog een keer zijn verhaal vertellen voor de verzamelde groep. Hij kon helaas niet vertellen op welke dag Guy z’n plan ten uitvoer ging brengen. De bijeenkomst duurde tot in de kleine uurtjes en leverde uiteindelijk een doortimmerd plan op om de aanslag te verijdelen. Jabik werd op diens eigen verzoek opgesloten in de woning van Jannes en ondanks zijn protesten kreeg Kybbe de opdracht hem daar geen moment alleen te laten. Kybbe had graag mee willen doen aan de actie en vond dat het z’n taak was zijn vader en moeder te beschermen en helpen.
‘Jouw taak is ook een vorm van hulp aan je ouders. Je weet dat het noodzakelijk is Jabik uit de weg te houden. Je hebt zelf al gezegd aan hem te twijfelen. We kunnen geen enkel risico lopen. Jij blijft hier’, zei Jannes streng.
Morrend moest Kybbe wel akkoord gaan. Atze kreeg de opdracht scherp op te letten wanneer Guy’s mannen zich klaar maakten voor actie en dit direct aan Jannes te melden.
Enkele dagen later was het zover. Drie van de Wieringers vertrokken met Marzoeta oostwaarts en Jannes zag vanuit een verdekte opstelling dat ze door hun vijand werden gevolgd. Eén van de mannen was vooruitgestuurd en zou de groep achter hem waarschijnlijk op de hoogte blijven houden van de positie van Marzoeta en de vissers. Dit alles om te voorkomen dat deze door zouden krijgen dat ze werden gevolgd. Ze waren te voet. Paarden zouden hun voortgang alleen maar hinderen in het natte gebied. Op hun beurt werden Guy en z’n mannen weer gevolgd door Jannes, Atze en hun vrienden. Hun voordeel was, dat ze wisten waar ze naar toe gingen en ze konden dus op veilige afstand volgen, zonder kans op ontdekking.
Jabik was op van de zenuwen en bleef maar tegen Kybbe ratelen. ‘Ik hoop zo dat alles goed afloopt en dat die smeerlap van een Guy z’n verdiende loon krijgt. En ik hoop zo dat Atze, jij en ik weer vrienden kunnen worden.’ Langzamerhand begon Kybbe wat te ontdooien. De jongen leek zo oprecht en wilde zo graag weer in hun kring worden opgenomen, dat het moeilijk was hem te blijven uitsluiten. Had hij met z’n verhaal niet genoeg bewezen dat hij definitief had gebroken met die ellendelingen van de meierij? Nieuwsgierig vroeg hij hoe Jabik in de eerste plaats terecht was gekomen bij Guy. Het bleek dat de vader van Jabik na de dood van z’n moeder was gaan drinken en z’n werk had verwaarloosd. De jongen was op jonge leeftijd gedwongen om zelf z’n voedsel bij elkaar te scharrelen. Z’n vader keek niet naar hem om. Op een dag was een tante van moeders kant in Litte opgedoken en had Jabik 4 jaar geleden meegenomen naar Vellesan. Zij was een alleenstaande weduwe, die van een schamel inkomen rond moest zien te komen. Jabik betekende voor haar een extra mond om te voeden. Ze had echter gezegd dat ze een kind van haar zuster niet achter kon laten bij een man die het kind zo verwaarloosde. Ze was er tot haar spijt pas na vele jaren achter gekomen dat Jabik aan z’n lot was overgelaten. Zijn nieuwe leven in Vellesan dreigde echter na een jaar alweer verstoord te worden, want tante werd ernstig ziek. Op dat moment was Guy zijn leven binnen komen stappen. Hij had een vrouw gestuurd, die z’n tante tot haar dood verzorgde en had hem gezegd dat hij tegen betaling opdrachten zou krijgen. Dankbaar dat z’n tante niet in ellende hoefde te sterven en voor de kans die Guy hem bood, had hij geaccepteerd. Het werk bestond uit mondelinge rapportages uitbrengen over van alles dat in Vellesan gebeurde. Zijn laatste opdracht was geweest om het recept van het bier van Marzoeta te bemachtigen. Een opdracht waar hij steeds meer aan begon te twijfelen toen hij bevriend raakte met Atze en Kybbe. Maar Guy was goed voor hem geweest en hij had geen reden te twijfelen aan diens bedoelingen en daarom had hij hem ook verteld van het plan van Claes van Hoeleyde om naar de graaf in Hallem te gaan. Toen Guy hem zo verschrikkelijk had afgeranseld na zijn melding dat er Vikingen op de kust waren gesignaleerd, waren z’n ogen geopend en had hij Guy’s ware aard gezien. Hij was toen ook tot de conclusie gekomen dat hij had bijgedragen aan de moord op Claes. Jabik voelde zich enorm schuldig, omdat zijn inlichtingen de meliores noodlottig waren geworden. Toen hij hoorde dat de biervaten in de brouwerij waren stukgeslagen wist hij dat Guy ook hieraan schuldig moest zijn. De jongens raakten hierna diep in gesprek. Zo wist Jabik niet dat Fergus aan een brouwerij geholpen werd door Darra ten koste van Marzoeta. Ook de verhalen over Krijn en Clauwaert troffen Jabik. ‘Hoe kunnen mensen zo slecht zijn dat ze de weerlozen vermorzelen?’
‘Macht’, antwoordde Kybbe. ‘Macht en hebzucht zorgen ervoor dat mensen zich zo gedragen.’
Hier wierp Jabik tegen dat er toch genoeg goede mensen waren, die macht en rijkdom hadden.
‘Ik weet het niet’, reageerde Kybbe. ‘Misschien worden sommige mensen zo geboren, of kregen ze slechte melk aan hun moeders borst. Of misschien bestaat er wel een duivel, zoals de christenen geloven en fluistert hij mensen slechte dingen in.’ Bij deze woorden haalde hij z’n schouders op.
Achter wat lage struiken tuurden Guy en z’n mannen naar de vissers. Plotseling keek één van de Wieringers in hun richting en uitte een schrille kreet. De vier zetten het op een lopen. Guy besefte dat ze waren ontdekt. ‘Zet de achtervolging in’, schreeuwde hij. ‘Maak ze af, maar spaar Marzoeta.’ Hij zou haar nog nodig hebben om Aeijolt te vinden, besefte hij. Hij ging achter z’n mannen aan, het zwaard geheven. De achtervolgers leken terrein te winnen. De vissers zagen zich gedwongen hun tempo te matigen, omdat Marzoeta ze niet bij kon houden. Ze zouden nu snel binnen hun bereik komen, dacht Guy. Op dat moment zag hij de mannen voor zich wegzakken. Hij stond abrupt stil in het besef dat ze in een moeras terecht waren gekomen. Hij moest z’n mannen eruit halen en terwijl hij koortsachtig bedacht hoe hij dat kon doen, werd hij een gerucht achter zich gewaar. Een enorme dreun tegen z’n hoofd maakte een einde aan alle gedachten. De vissers en de achtervolgende groep gooiden speren naar de soldaten die vaststonden in het moeras. Eén van hen werd onder z’n helm in de hals geraakt. Het bloed gutste over z’n maliënkolder. De anderen worstelden in paniek, waardoor ze steeds verder wegzakten. Eén voor één werden ze afgemaakt. Jannes greep het lichaam van Guy onder de oksels en sjorde hem het moeras in. Het was hier weliswaar niet diep, maar het was genoeg om een liggend lichaam te laten verdwijnen.
Na het bloedbad gingen de overwinnaars gezamenlijk naar het onderkomen van Aeijolt om hem het goede nieuws te vertellen. Ze genoten van het meegenomen voedsel en drank, alvorens ze aan het werk gingen. Aeijolt en de drie vissers gingen in een boot het water op. Er was weliswaar korte metten gemaakt met Guy, maar dat betekende niet dat Aeijolt terug kon keren naar Vellesan. Niet zolang Darra daar de dienst uitmaakte. De anderen keerden terug naar Vellesan voor hun dagtaak.
De meier was ongerust. Nu bleek hoe afhankelijk hij was van zijn vriend en toeverlaat, Guy. Hij wist zelfs niet wie de informanten van z’n rechterhand waren. Hoe kon hij aan de weet komen, wat er was gebeurd? Guy was drie dagen geleden vertrokken met z’n mannen en sindsdien was er taal noch teken van hen geweest. Er waren twee mannen die hij eropuit kon sturen. Zowel Roef, de herbergier als Fergus, de brouwer, waren hem veel verschuldigd. Hij stuurde een boodschappenjongen om de twee bij hem te roepen. Beide mannen konden hem geen nieuws brengen over Guy, Gustav en z’n andere mannen. Roef kon wel vertellen dat hij Marzoeta en dat akelige joch van haar die ochtend bij de haven had gezien. Fergus vulde aan dat haar brouwerij in vol bedrijf was. Dat betekende dus, dat het plan van Guy had gefaald. Maar was het zo ernstig mis gegaan dat al z’n mannen daarbij waren omgekomen? Dat kon toch niet waar zijn. Geoefende, bewapende mannen die het hadden moeten afleggen tegen een paar vissers en een vrouw? Onmogelijk!
Er was een feit dat Roef die ochtend in de haven was ontgaan. Hij had niet veel aandacht besteed aan Kybbe en z’n moeder, te druk als hij was bij het laden van z’n waren in een handkar. Het was altijd een zware klus om het van de haven naar de herberg te duwen. Daar was hij badend in het zweet aangekomen, waarna hij eerst een poosje had gerust en wat vocht tot zich had genomen alvorens de kar af te laden. Marzoeta en Kybbe waren buiten adem bij de haven aangekomen, nadat Atze hun was komen vertellen dat Pytske terug was gekomen. De verrassing was groot, maar werd eenmaal in de haven gekomen nog groter, want toen Marzoeta haar dochter in de armen sloot, stond een peuter met de zijn handje stevig aan de rok van Pytske vastgekleefd. Het bleek haar zoontje te zijn. ‘Dit is Stilgar, mamma, je kleinzoon.’
Marzoeta zonk op haar knieën om het jongetje in de armen te nemen. Het jochie week bevreesd terug, maar verdween in de armen van de vreemde vrouw. Omdat z’n moeder het kennelijk goed vond, ontspande hij zich iets. Terwijl Kybbe dit tafereel aan zich voorbij zag gaan, in afwachting van zijn beurt om z’n zuster in de armen te sluiten, werd z’n blik getroffen door een jonge vrouw achter Pytske. Ze stond bedeesd met voor zich gevouwen handen te wachten. Haar blik strak op Kybbe gericht. Kon dat waar zijn? Was dit…? Hij barstte uit in een luide juichkreet: ‘Anna!’
Onmiddellijk brak er een stralende lach door op haar gezicht en ze vloog Kybbe in de armen. Hoe was dit mogelijk? Na zoveel jaren taal noch teken van de vrouwen te hebben ontvangen stonden ze hier nu in levenden lijve.
Er waren zoveel vragen te stellen en zoveel verhalen te vertellen. De woorden tuimelden over elkaar heen. Lachend en huilend tegelijk trokken ze naar Marzoeta’s huis. Het gerucht van hun thuiskomst na zoveel jaren ging met grote snelheid door het vlek. Familieleden en vrienden kwamen van alle kanten. Marzoeta wilde haar dochter echter niet met anderen delen vóór ze haar verhaal in z’n geheel had gehoord. Atze werd buiten gestationeerd om iedereen weg te houden en hen te beloven dat ze later terug mochten komen om in de vreugde en de verhalen te delen. Er zou een feest worden gegeven ter gelegenheid van de terugkeer aan de boezem van de familie.
Nu werden de vrouwen in de gelegenheid gesteld hun verhaal te vertellen. Pytske voerde het woord. Maar eerst wilde ze weten wanneer Bruno kwam. Marzoeta moest haar vertellen dat Bruno een klein jaar na haar verdwijning naar Keulen was gegaan in een poging Anselm bij de paus aan te klagen. Sindsdien hadden ze niets meer van hem vernomen en ze was bang dat hem misschien hetzelfde was overkomen als Claes van Hoeleyde, die dood in het veengebied was gevonden. De aartsdiaken had vrijwel onmiddellijk na zijn vertrek een nieuwe kapelaan benoemd. Pytske was erg geschrokken en het verdriet greep haar bij de keel. Zoveel jaren waren voorbijgegaan. Ze had een kind van een ander gebaard en in angst verkeerd dat Bruno Stilgar niet zou accepteren na haar thuiskomst. Toch had ze altijd hoop gehouden, want Bruno had een groot hart en hun liefde was sterk geweest, al was het hun niet gegund geweest lang samen te zijn. Aangezien Pytske zo overmand was door verdriet, begon Anna het verhaal te vertellen, terwijl Marzoeta haar dochter troostte en Stilgar z’n moeder vast hield en steeds weer zei: ‘Mamma, niet huilen.’
Eerst vertelde ze hoe haar vader haar had verkocht aan een bruut van een ridder, een rauwe Viking die haar nam wanneer hij daar zin in had en haar verder links liet liggen. Ze moest allerhande klusjes doen in het huishouden van de ridder en werd door de anderen minachtend ‘de hoer van Harald’ genoemd. Na enkele jaren was Haralds jongere broer uit het noorden gekomen. Hij had zich het lot van Anna aangetrokken. Hij bleek het tegendeel van Harald en had haar uiteindelijk geholpen uit Hallem te ontsnappen. En niet alleen haar, maar ook Pytske en haar zoontje, nadat hij van Anna had gehoord, dat Pytske nooit een horige was geweest. Hier had Marzoeta vreemd opgekeken. ‘Pytske een horige? Hoe kwamen ze daarbij?’
Inmiddels had Pytske haar emoties weer enigszins onder controle en was ze in staat haar verhaal te doen. Ze vertelde dat ze destijds benaderd was door Guy de Monclosse. De smeerlap had haar afgezonderd en vervolgens vastgegrepen, geboeid en gekneveld. Daarna was ze overgeleverd aan Steinar. Deze ridder van de graaf had haar als een horige behandeld en als bijslaap gebruikt. Dat laatste vond een einde toen ze in verwachting bleek. De vader van haar zoon had zich daarna nooit meer laten zien. Waarschijnlijk had hij al een andere scharrel. Ze had gelukkig in Hallem regelmatig contact kunnen houden met Anna en ze waren elkaar tot steun. Uiteindelijk had de broer van Harald voor een bootje gezorgd en waren ze over de binnenwateren weggevaren uit Hallem. Het was een uitermate zware tocht geweest. Op de rivier de Rekere was het makkelijk genoeg geweest, maar elders was het water tijdens hun tocht vaak niet diep genoeg en hadden ze het bootje weer naar dieper water moeten trekken. Gelukkig hadden ze genoeg voedsel meegekregen. Toen ze eenmaal de Velisana op waren gevaren, was het makkelijk geweest de haven te bereiken. De ruwe handen van beide vrouwen toonden het zware werk van de boottocht en Marzoeta gaf Kybbe opdracht om weegbree te verzamelen om de pijn te verzachten. Haastig sprong hij op om hieraan te voldoen. Inwendig jubelde hij. Zijn Anna was teruggekeerd. Het leven lachte hem toe.
Wat zag hij er verschrikkelijk uit, dacht Darra. Eindelijk was Guy de Monclosse weer thuisgekomen. Hij zag eruit alsof hij tussen de varkens in een modderpoel had rondgewenteld. Zijn verhaal was nog deprimerender dan z’n aanblik. Wat Darra voor onmogelijk had gehouden was gebeurd. Buiten Guy had geen van de mannen het overleefd. De laffe Wieringers hadden hen het moeras ingelokt en vervolgens de weerloze mannen afgemaakt. Darra trilde van woede. Guy vertelde dat hij uiteindelijk was bijgekomen met een enorme buil aan de zijkant van z’n hoofd. Hij lag gedeeltelijk in het moeras. Op wonderbaarlijke wijze was z’n hoofd boven water gebleven. De dader had hem het moeras in gesleept, maar had de kei onder de modderige waterspiegel over het hoofd gezien. Het had dagen geduurd voordat hij de weg naar Vellesan had teruggevonden. Water om te drinken was er genoeg geweest, maar hij rammelde van de honger. Daarom werd eerst voedsel aangerukt, waarop hij als een wolf aanviel. Even later kwam Roef vertellen dat zijn ‘hoer van een dochter’ was gesignaleerd. Guy balde z’n vuist en sloeg ermee in z’n andere open hand. ‘Hoe is dat mogelijk?’
‘Het schijnt dat ze met een bootje uit het noorden zijn gekomen.’, antwoordde Roef.
‘Ze?’, vroeg Darra. ‘Wie zijn ‘ze’’?
‘Zij en Marzoeta’s dochter.’
Verbitterd sprak Guy: ‘Alles wat we zo zorgvuldig hadden voorbereid, wordt tenietgedaan. Komen we dan nooit van die pest af?’
De bijeenkomst
866 n.Chr.
De boerderijen in het duingebied en zuidelijker aan de rivier het Spaarne waren nieuwe afnemers van Marzoeta’s bier. Daar was een kleine nederzetting ontstaan, die sommigen Haarlhem noemden. Ook ten noorden van Vellesan werd haar bier gedronken in Limmen en zelfs tot in Heiloo. Oeds oogstte tegenwoordig op zijn land hopbellen. Hij had aan Marzoeta een goede afnemer en ook Fergus was al bij hem komen aankloppen. Kybbe was bezig met de bouw van een eenvoudige kerk in Haarlhem. De contacten van Marzoeta met de inwoners van die nederzetting hadden er sterk aan bijgedragen dat hij, zo jong als hij was, deze opdracht had gekregen. Een mooie toekomst gloorde, vooral ook omdat dit hem in staat stelde om samen te gaan wonen met Anna. Kybbe had na de terugkeer van Anna haar vader willen confronteren, maar dat had Anna hem verboden. ‘Ik wil nooit meer iets met die man te maken hebben, echter het blijft mijn vader, dus je doet niks. Vooral ook omdat je dan waarschijnlijk door Guy in de gevangenis zal worden gegooid.’
Aeijolt verbleef nog steeds in Waterland, waar Marzoeta hem regelmatig bezocht. Er was veel vraag naar verse vis in Vellesan en dat betekende dat het de Wieringers voor de wind ging.
Voor de familie was het een complete verrassing geweest dat Guy, na hun avontuur in het veengebied, enkele dagen later was komen opdagen. Jannes had er danig de pest in. ‘Ik had die vent gewoon z’n nek om moeten draaien, vóór ik hem in het moeras mieterde’, vloekte hij. Het wachten was natuurlijk op een nieuwe streek van wat hij als z’n aartsvijand beschouwde. Ze moesten op alles zijn voorbereid. Er hingen trouwens toch veranderingen in de lucht. Reizigers brachten verhalen mee over het toenemende aantal plunderingen in het westen. De Vikingen hielden huis en voeren ook hier en daar de riviermondingen van het Europese vasteland op. Het scheen dat ze weinig kansen met hun plundertochten kregen in het Kalifaat. Alleen Bretagne lag voor hen open, maar er waren verdedigingswerken bij alle grote rivieren ten noorden en zuiden van Bretagne. Lodewijk de Duitser had meer moeite met hen in het Oostzeegebied. Ook hun leven hier zou bedreigd kunnen worden door de Vikingen. Zouden Rorik en Darra hen tegen plunderingen kunnen beschermen? De laatste had nieuwe militairen mogen ontvangen. Twee in de strijd geharde ridders waren vanuit het Duitse gebied gekomen. Het waren oude strijdmakkers van de meier en van Guy de Monclosse. Er waren ook drie ridders uit Hallem gekomen met in hun kielzog 10 jonge mannen die in opleiding waren. Dagelijks werd er getraind op een terrein ten westen van het vlek. Allen waren ze in het bezit van een paard en een wapenuitrusting.
Met de komst van de mannen voelde Darra zich sterker dan tevoren. Er konden weer plannen worden gemaakt om elke tegenstand in en om Vellesan uit te roeien. Vanuit het noordoosten bereikten hem berichten dat de Friezen steeds meer vijandschap begonnen te tonen ten opzichte van de graaf en zijn instellingen. De onvrede mocht zeker niet overslaan naar Vellesan. Hij had hier weliswaar genoeg medestanders, maar de mensen die met dit land waren vergroeid, hadden hem nooit echt als hun meier geaccepteerd. Steeds bleven er maar verhalen rondzingen, waarin verdachtmakingen jegens hem werden geuit. Hij wist zeker dat die verhalen uit de koker van de Wieringers kwamen. Ze zouden definitief uit Vellesan moeten verdwijnen. De kerk van Anselm zou hierbij mooi van pas komen. De nieuwe kapelaan was een aanwinst gebleken. Inwoners die hem in vertrouwen hun zonden, verdenkingen en geheimen vertelden, vermoedden niet dat kapelaan Wolfsfroyde dit doorbriefde aan Anselm, die op zijn beurt de echt belangwekkende zaken met Darra zelf deelde. Daar moest iets te vinden zijn dat te gebruiken was tegen de kliek rond Marzoeta.
Uiteindelijk besloot hij, aangespoord door Anselm, om definitief de kaart van het geloof te spelen. Het leek de enige mogelijkheid om de Wieringers te raken. Al sinds Karel de Grote werden de Friezen gedwongen zich te bekeren en dat gebeurde niet altijd even zachtzinnig. De aartsdiaken drong er al lange tijd bij hem op aan om met geweld een einde te maken aan de heidense rituelen, die nog steeds werden gepraktiseerd in Frisia. Darra zelf was niet heel gelovig en hij wist dat veel heidense gebruiken probleemloos overgenomen waren door de kerk. Christelijke heiligen hadden de plaats ingenomen van heidense goden. Oude jaarfeesten hadden een christelijk sausje gekregen. Kerstmis en Pasen werden op de wisseling van jaargetijden gevierd. Ook bedevaarten bestonden al vóór het christendom in Kinhem kwam. Sinds Vellesan z’n eigen heilige bezat, had Anselm er een gewoonte van gemaakt Engelmundus beeld op zijn naamdag door het vlek rond te laten dragen met een fraaie afsluitende dienst. Onder invloed van bedevaartgangers en de vele nieuwe inwoners van Vellesan, nam de kerkgang met sprongen toe. De tijden veranderden in hoog tempo. Misschien was dit wel het juiste moment om het heidendom aan te pakken, zonder veel risico op weerstand. Anselm was verheugd toen Darra hem vertelde wat hij van plan was. De invloed van het christendom zou groter worden en hij droomde van Kinhem als bisdom met een mooie stenen basiliek in Vellesan naar het voorbeeld van Keulen. Hij wist dat Darra vooral de Wieringers op het oog had, maar uiteindelijk zou de kerk overal overwinnen. ‘Ik heb de informatie die je nodig hebt. Uit een bron die je niet zou verwachten’, zo grinnikte hij. ‘Marzoeta gaat nog steeds naar de kerk van Wolfsfroyde, waar voorheen kapelaan Bruno de eerste viool speelde. Zij weigert naar de nieuwe kerk te gaan en dat komt waarschijnlijk omdat ze mij niet vertrouwd. Wat ze niet weet is dat ik Wolfsroyde heb opgedragen mij alles te vertellen wat hij hoort over het heidendom. Ik heb hem ervan overtuigd, dat er in zulke gevallen geen biechtgeheim bestaat. Het toeval is nu dat ze hem tijdens de biecht heeft verteld hoeveel moeite ze heeft met haar bloedverwanten, die blijven volharden in hun heidense gewoonten. Ze zou zo graag willen dat zij zich bekeerden tot het ware geloof. Het schijnt dat ze hun merkwaardige rituelen onder gezang ergens in het veengebied uitvoeren, waar ze ook dingen van waarde offeren. Als we hun offerplaats vinden kunnen we eindelijk een einde maken aan hun walgelijke uitspattingen. Het schijnt dat ze er in dierenvellen rondkruipen en vervolgens naakt met elkaar ontuchtig zijn, zonder aanzien des persoons. Ze kruipen op elkaar als dieren. Het is als Sodom en Gomorra.’ Dat laatste spatte uit z’n mond, waardoor het speeksel in fijne druppeltjes de lucht in vloog.
Darra betwijfelde of de uitspraken van de aartsdiaken enige grond hadden. Waarschijnlijk zaten de dwazen gewoon vast in een oud bijgeloof en de kerk zag hen als een concurrent, dus zat de duivel erachter. De kerk werd in deze tijd echter een steeds grotere machtsfactor en dus kon je beter aan haar kant staan. Hij ging dus zelf naar de dienst in de kerk en toonde zich een goed christen, maar hij geloofde alleen in zichzelf.
Guy was bijzonder enthousiast. Zijn wrok jegens de Wieringers was groot en nu zou hij wraak kunnen nemen voor de dood van z’n vrienden en voor wat ze hem, daar in z’n eentje in het moeras, hadden laten doorstaan. Hij zou z’n verklikkers inzetten om achter de locatie van de offerplek in het veen te komen.
Riuum had een bronzen mantelspeld om te offeren. Het was een voorwerp dat grote waarde voor hem had, omdat dat het enige was dat hij van zijn moeder had kunnen meenemen, nadat hun woonplaats door de Vikingen was vernietigd. Zelfs voor een oude vrouw hadden de bruten geen respect gehad. Pas na heel lange tijd had Marzoeta hem verteld dat moeder eerst was aangerand, voor ze als een nutteloos stuk vuil was weggegooid en vermoord. De andere Wieringers hadden spijkers, munten en met snijwerk versierde, kegelvormige hangers meegenomen als offergaven. Zo’n 20 Vellesanners hadden zich verzameld bij de plek in het moerassige deel, waar ze hun rituelen zouden houden. Het waren allen al wat oudere Friezen. Ouwe Jekke speelde op een fluit gemaakt van zwanenbot. De oude baas was altijd zeer vechtlustig geweest en z’n voorliefde voor het zwaardere bier had hem in menig conflict doen belanden. Hij was er heel wat tanden door kwijtgeraakt, maar fluit spelen kon hij nog als de beste. Het water stroomde hier in een rustig tempo door het veen. Dit had een belangrijke symbolische functie voor de aanwezigen als stroom naar de godenwereld. Hier smeekten ze de zegen van de goden af, opdat er voldoende zon zou zijn en regen zou vallen. Ze smeekten dat er genoeg kalveren zouden worden geboren en dat er een goede oogst zou zijn. Daarnaast eerden ze hun voorouders.
Zonder enige waarschuwing doken de ridders onder leiding van Guy in hun midden op. ‘Laat niemand ontsnappen en spaar niemand. Dood aan de goddelozen!’, brulde hij tegen de mannen. De ouderen waren kansloos. De Wieringers poogden weerstand te bieden. Tybe had een grote tak gepakt en zwaaide ermee naar een aanvaller. Hij kreeg een zwaard in z’n rug en stortte ter aarde. De overige drie Wieringers hadden nauwelijks tijd zich teweer te stellen en vonden een snelle dood.
Aeijolt had de fluit van Jekke van verre herkend. Dat was mooi, hij was niet als eerste aanwezig op de offerplaats. Hij verheugde zich op de aanstaande ceremonieën met z’n oude vrienden. Plotseling ging het geluid over in gepijnigde kreten en wapengekletter. Hij haastte zich voorwaarts en zag door het bosschage bij de beek dat hij te laat kwam. Alle vrienden en bekenden lagen levenloos op de grond. Hun bloed vermengde zich met het kabbelende water. De ridders hieven hun wapens en uitten een zegekreet. Zonder zich verder om hun slachtoffers te bekommeren, vertrokken ze naar Vellesan. Aeijolt zat te neer en treurde om z’n dierbaren. Na verloop van tijd stond hij op en begon takken bij elkaar te zoeken. Uiteindelijk had hij er genoeg bij elkaar, waarna hij alle lichamen naar de brandstapel sleepte. Bijna teder legde hij ze neer en bad hij tot de goden om ze op te nemen. Daarna stak hij de stapel aan en bleef hij ernaar staren tot het vuur doofde. Hij nam een hand van de overgebleven as en strooide het in het water onder het prevelen van enkele woorden. Hij liep daarna met ferme tred naar Vellesan en wachtte tot de duisternis inviel.
Marzoeta schrok toen vanuit de duisternis een donkere gedaante haar huis binnenstapte. Maar het licht van een olielampje liet zien dat het Aeijolt was. Haar blijdschap vermengde zich met angst. ‘Wat doe je hier? Je weet dat het gevaarlijk voor je is om in Vellesan te komen’, fluisterde ze geagiteerd. Hij vertelde haar van de gebeurtenissen van die dag. Een grote treurnis daalde op haar neer. ‘Riuum, Tybe en alle anderen, dood?’ Ze begon onbedaarlijk te snikken. ‘Houd het dan nooit op?’ Plotseling veerde ze op. ‘Maar jij, Aeijolt. Jij moet hier niet blijven. Ik wil jou niet ook nog verliezen. Dan zou ik niet meer verder kunnen!’
Hij nam haar in z’n armen en suste haar. ‘Stil maar Marzoeta. Ik ga al, maar ik kan niet terug het moeras in. Onze visserij is nu ten einde gekomen, want ik ben de enige die overgebleven is. Ik móet iets doen, nu ons leven zo overhoop is gehaald. Ik hoor geruchten dat er in Oostergo steeds meer mensen in verzet komen tegen de graaf. Ze willen zich van het juk bevrijden dat hij ze heeft opgelegd. Dáár moet ik naar toe. Als ze die Viking weten te verjagen, zal hier ook een einde komen aan het bewind van Darra en pas dan kunnen we weer in vrede leven en kan ik eindelijk weer samen met jou zijn en m’n oude ambacht weer uitvoeren.’ Marzoeta begon te protesteren, maar Aeijolt wilde daar niet van horen. ‘Alle tijd die ik van je weg ben, zal ik naar je verlangen. Maar ik beloof je dat ik naar je terugkom. Ik ga eerst naar Kybbe in Haarlhem. Stuur jij Pytske daar morgen naar toe. Dan kan ik afscheid van hen nemen vóór ik naar Oostergo vertrek.’ Voor hij Marzoeta verliet, bedreven ze nog één keer in stilzwijgen de liefde. Het smaakte zoet en ze zouden beiden deze herinnering bewaren tot zijn terugkeer in Vellesan.
Het plan van Jannes
867 n.Chr.
Zijn vader was maanden geleden vertrokken naar Oostergo. Het was een emotioneel afscheid geweest. Pytske was zo blij geweest toen ze na haar vlucht uit Hallem te horen kreeg, dat haar vader na een lange gevangenschap vrij was en al een tijdje in het veengebied bivakkeerde. Sinds die tijd was ze hem regelmatig met haar moeder gaan bezoeken. Nu raakte ze hem weer kwijt. Ze was ontroostbaar. Aeijolt zelf had het er duidelijk moeilijk mee.
De tekenen van een naderende Friese opstand werden steeds duidelijker. Graaf Rorik had z’n voorbereidingen getroffen om de rebellie in de kiem te smoren. Z’n leger werd echter al bij het eerste contact verrast en een nederlaag dreigde. De opstand bleek goed voorbereid. Hoewel het kleine contigent van Vikingen dat deel uitmaakte van z’n leger gewend was zonder zware wapenuitrusting te vechten, waardoor de mannen op zich beweeglijker waren, bleken ze op de drassige ondergrond toch niet tegen de fanatieke Friezen op te kunnen. De ridders te paard waren een nog makkelijker prooi voor de opstandelingen. Zij waren nog meer in het nadeel in het natte gebied waar de strijd werd gevoerd. De Friezen kenden het terrein tot in de finesses. Dit was hun thuisland. De door Rorik gebruikte gevechtstechnieken bleken hier niet opgewassen tegen de strijdlustige opstandelingen. Ook hun schilden konden de Vikingen niet redden. Ze waren niet in staat hun zo befaamde schildmuur op te trekken. Een voor een vielen ze onder de hamers, zwaarden en knuppels van hun opponenten. De graaf had ook het nadeel dat hij niet zoveel manschappen tot zijn beschikking had als tijdens de twee eerdere mislukte campagnes bij de Schlei in het noorden, toen hij streed om de opvolging van Horik I, de koning der Denen. Het gebrek aan mankracht brak Rorik nu op. De Friezen behaalden de overwinning en Rorik wist maar te nauwer nood te ontkomen naar het rijk van Lodewijk de Duitser.
De geruchten over een Fries succes kwamen al snel Kinhem binnen. Hier had Jannes op gewacht. Met een aantal mannen uit families die al generaties in Vellesan waren geworteld, had hij een strijdplan opgesteld om Darra van Alveringem te verjagen. De stugge Oeds zou met een paar mannen klaar staan aan de achterkant van de meierij en Jannes zou hetzelfde doen aan de voorzijde. Zodoende zouden de ridders, die er waren slechts een voor een naar buiten kunnen komen om te vechten. Het ging echter om Darra en Guy. Ze moesten er zeker van zijn dat de hoofdrolspelers bij aanvang van het plan in het gebouw waren. Jannes dacht een van de verklikkers van Guy voor dit doel te gebruiken. De ridders en leerlingen die buiten het gebouw waren, zouden zonder leiding waarschijnlijk geen problemen opleveren en waarschijnlijk snel uit Vellesan vertrekken. Jannes en Kybbe begaven zich met drie anderen naar de herberg van Roef. Daar bestelden ze bier en kropen dichtbij elkaar. Roef ving de woorden ‘opstand’, ‘meierij’, ‘met geweld’ en de naam van Darra op toen één van de mannen geagiteerd z’n stem verhief. Hij besloot dichterbij te luistervinken. De mannen waren zo diep in gesprek verwikkeld dat ze hem niet op leken te merken. Wat hij hoorde deden zijn nekharen overeind staan. Ze waren van plan Darra en Guy en de anderen te vermoorden. ‘Morgen’, was er gezegd. Hij moest de meier waarschuwen. In z’n haast stootte hij tegen een bank. Verstoord keek Jannes op. Roef herstelde zich snel en zei: ‘Ik zag dat jullie bekers vrijwel leeg waren en kwam vragen of ik nog eens moest inschenken.’
Oeds schudde het hoofd. ‘Nee, voor ons niet, wij moeten weer aan het werk.’ Daarop namen de vier afscheid van Kybbe en verlieten ze de herberg om volgens afspraak naar de brouwerij te gaan. Kybbe bleef in de herberg wat drinken zodat Roef verhinderd werd rechtstreeks naar z’n begunstiger te gaan en uit de school te klappen. Hij moest Roef daar nog twee uur zien vast te houden, zodat allen hun positie op het marktplein konden innemen.
Roef verdween door de deuropening in de andere kamer en dus volgde Kybbe hem. Hij stak z’n hoofd voorzichtig om de hoek, om te kijken wat Roef deed toen het hem zwart voor de ogen werd. De herbergier had klaar gestaan om het door hem gehate joch op z’n hersenpan te slaan. Gelukkig was er verder niemand de herberg binnengekomen. Hij ging op een holletje naar Guy en vertelde hem buiten adem wat hij had gehoord. Guy kwam direct in actie. Hij had al lang geleden een plan opgesteld voor zo’n eventualiteit. De locaties waar de recalcitrante Vellesanners zich bevonden waren het doelwit. Hij stuurde mannen naar de boerderij van Oeds, de woningen van Jannes en Marzoeta en naar de brouwerij. In de laatste twee woningen troffen ze niemand aan. Deze mannen gingen nu volgens hun instructies ook naar de brouwerij. Daar namen ze hun posities in. Alle remmen gingen los. Een kar met brandbaar materiaal stond al langere tijd klaar in de buurt van de brouwerij. Deze werd naar de dubbele deuren gereden. Binnen waren ze kennelijk tot het besef gekomen dat er iets vreemds aan de hand was. Oeds stak z’n hoofd uit de enkele deur die zich aan de zijkant bevond. Ogenblikkelijk werd hij doorboord door een van Darra’s ridders. Het vuur vrat zich snel in het hout van het gebouw. Het was opmerkelijk hoe vlug de vuurzee zich, mede door de stevige wind, ontwikkelde. In paniek probeerden de door het vuur gevangen Vellesanners uit te breken, om daar een snelle dood te vinden door de zwaarden van hun belagers.
De dubbele deuren stonden open. Vijf ridders verhinderden iedereen naar buiten te komen. Kybbe stond als versteend. Hij tuurde door de vlammen om een blik op te vangen van Anna. Hij zag haar! De vlammen leken aan haar gezicht te likken. Met een kreet wilde hij zich naar voren stortten. Een paar sterke armen hielden hem tegen en trokken hem daarna zachtjes weg. Het huilen stopte niet. Niet toen hij in een stevige greep gehouden aankwam bij de woning van Floor en ook niet daarna. Het bleef maar doorgaan. Hij werd met zachte hand op een bank geduwd. En hij was niet de enige. Nadat de stroom eindelijk was opgedroogd keek hij op in het betraande gezicht van z’n vader. Plots overspoelde woede hem. Hij sprong overeind en timmerde met z’n vuisten op Aeijolts borst. ‘Jij hebt me tegengehouden! Ik had haar kunnen redden. Jij had mam kunnen redden! Waarom? Waarom heb je dat niet gedaan?’ Hij begon weer onbedaarlijk te huilen. Aeijolt omklemde hem en streelde zachtjes over z’n haar. Kybbe hing nu slap tegen z’n vader aan. Floor zette twee mokken melk voor hen neer en keek medelijdend naar de twee mannen. Ze waren alles kwijtgeraakt, moeder, vrouw, zuster, dochter, neefje, kleinkind. Ze wist wat zij doormaakten. ‘
Toen klonk Aeijolts stem: ‘We konden ze niet redden, Kybbe. Je hebt de vuurzee gezien en Guy zou ons meteen hebben afgemaakt. Als het niet bij het binnengaan van de vuurzee was geweest, dan wel bij onze poging eruit te komen. We zouden het niet hebben overleefd. Nu wil ik nog maar één ding, wraak! Ik rust niet tot ik dat doel heb bereikt.’
Kybbe keek naar zijn vader op. Zijn gezicht verhardde zich. ’Ik doe mee.’ De mannen keken elkaar aan. Nu brandde het vuur in hun ogen.
Veel Vellesanners waren verward. Met stomheid geslagen keken ze naar de vuurzee. Het leek een levend organisme dat tot bewustzijn kwam door het gegil vanuit de brouwerij. Meerdere mannen en vrouwen wierpen zich op de ridders. De leerlingen lieten hun wapens vallen en vluchtten voor de snel aangroeiende menigte. De eerste ridder viel onder hun handen en werd vertrapt. De vuurzee was echter iedereen te machtig. Niemand was in staat naar binnen te gaan. De massa was even in verwarring, maar even later keerden ze om en trokken ze met steeds grotere vastberadenheid naar het marktplein, naar de meier. Achter hun bleven de lijken liggen, vertrapt of gesmoord in bloed. Het zielloze lichaam van Guy de Monclosse lag bij de zijingang.
Door het gebrul van de menigte werden Aeijolt en Kybbe naar buiten getrokken. Ze zagen de woedende Vellesanners optrekken naar het marktplein en haastten zich naar de kop van de ongeorganiseerde stoet. Aeijolt had een mes in de hand en Kybbe raapte een stuk hout op. Het lawaai naderde snel en klonk nu op vanaf het marktplein. Darra zag een woedende massa naderen en besefte dat het verschrikkelijk misgelopen was. Hij haastte zich naar de stallen en trof daar Anselm, die hem kwam vertellen dat iedereen en dus ook Guy het leven had gelaten bij de brouwerij. De aartsdiaken wist dat ook zijn leven gevaar liep. Hij had Aeijolt voorop zien lopen bij de naderende horde en wist dat hij door hem gezien werd als collaborateur van de meier. Het was niet nodig om Darra aan te sporen te vertrekken, want hij rende al een stal in. Anselm haastte zich achter hem aan. Eenmaal in het zadel voelde hij nog even onder z’n hemd. Gelukkig, z’n buidel met muntstukken zat nog veilig om z’n middel. Het zou een lange rit worden, met vele overnachtingen. Hij hoopte maar dat Darra net zo verstandig was en voorzorgsmaatregelen had getroffen.
Aeijolt kreeg de twee mannen te paard in het vizier en rende brullend van woede op hen af. Hij kreeg het rechterbeen van Darra te pakken, maar diens paard steigerde en z’n hoeven raakten Aeijolt op het hoofd. De meier wist op wonderbaarlijke wijze in het zadel te blijven, kreeg z’n steigerende paard onder controle en spoorde het aan tot een galop. Kybbe had te laat gereageerd op de plotselinge koerswijziging van z’n vader. De twee ruiters vertrokken in volle ren naar het oosten en waren spoedig uit het zicht verdwenen. Kybbe knielde neer naast het lichaam van z’n vader. Een reutelend geluid bereikte z’n oor en hij besefte dat Aeijolt z’n laatste adem uitblies. Een tijdlang wiegde hij Aeijolt in z’n armen. Hij merkte niet dat de woede uit de menigte was gelopen, met het besef dat hun prooi aan hun wraak was ontkomen. Hij merkte ook niet dat Floor naast hem was komen staan. Ze bukte zich en legde een hand op z’n schouder. Het contact haalde hem uit z’n trance. De tranen stroomden rijkelijk over zijn gelaat. De laatste lijn met z’n verleden was met de dood van z’n vader gebroken. Floor en Kybbe droegen Aeijolt gezamenlijk naar haar onderkomen, waar ze het lichaam op een bed legden. Ze haalden een uur lang herinneringen op en Floor kon hem vertellen dat z’n vader had gestreden tegen het leger van Rorik. Aeijolt had zich daarna zo snel hij kon naar Vellesan gehaast. Hij was echter net te laat teruggekomen om z’n familie en vrienden te helpen. Het was Kybbe triest te moede. Een grote rusteloosheid beving hem. Hij kon en wilde hier niet langer blijven. Hij kreeg het benauwd van het idee hier verder te moeten leven. Met Floor en nog een enkele overgebleven kennis hield hij dezelfde dag nog een kleine ceremonie buiten het vlek. Hij gaf het lichaam van z’n vader aan het alles verterende vuur, zoals z’n voorouders ook altijd hadden gedaan. Hij bedacht dat het vuur ook het lichaam van z’n moeder had verteerd. Als ze had kunnen kiezen, was ze als christen ter aarde besteld. Nu ging ze de weg van haar voorouders, net als Kybbe’s zus, haar zoontje en alle vrienden. Zijn grootste liefde had hij nog eenmaal mogen zien. Het beeld van haar, verdwijnend in de vlammen stond voor eeuwig op z’n netvlies gebrand. Er was niets meer voor hem in Vellesan. Hij móest weg. Kybbe vluchtte voor z’n herinneringen uit en besloot naar Keulen te gaan.
