DEEL 2
Op weg naar Dorestad

Voorzichtig lichtte ze het deksel van het vat op. Op het moment dat de vlammenzee alles en iedereen leek op te slokken, had Anna in haar wanhoop uitgekeken naar een ontsnappingsmogelijkheid. Ze kon echter nergens naar toe. Een deel van de zoldering kwam met groot geraas naar beneden. Een vonkenregen sproeide over haar heen en noodzaakte haar met blote handen op haar kleding te slaan. Het hielp niet, haar kleding vatte vlam. Haar bewustzijn scheen zich te verkleinen tot een heel heldere stip en ze wist het. Redding! Ze klom snel in een vat waarin het bier al enige dagen aan het gisten was. De hitte had ervoor gezorgd dat ze zich helemaal onderdompelde. De gloed van de vlammen verminderde toen ze het deksel boven haar hoofd schoof. Ze kreeg veel van het vocht binnen en raakte in deze extreme omstandigheden aardig onder invloed. Ze had geluk dat ze er niet in was verdronken. Op de een of andere manier had ze onbewust toch steeds weer ademgehaald, ondanks haar beneveling.
Uiteindelijk was het stil geworden. Eerst verdween het brullende geluid van de vuurzee. Het geluid dat nu klonk was het knisperende geluid van een nasmeulende brandstapel. Er drong ook geen enkel stemgeluid tot haar door. Ze wist niet hoe lang ze in het vat had gezeten, maar het was duidelijk dat de dageraad net was aangebroken. Op haar hoede voor mogelijke handlangers van Darra, sloop zij in haar natte vodden door de straten. Ze zag echter niemand. Tenslotte kwam ze bij de woning van Floor aan. Ze klopte en riep zachtjes haar naam. De deur ging open en Floor tuurde tegen de opkomende zon in. Haar geknepen ogen verwijdden zich, toen ze zag wie er voor de deur stond. Ze pakte Anna bij de arm en trok haar naar binnen, terwijl ze met stralend gezicht riep: ‘Meisje, je leeft! Maar wat zie je eruit! Hoe heb je het overleefd? Kybbe zei dat hij je voor z’n ogen zag verbranden. Hij was ontroostbaar.’
Angstig vroeg Anna: ‘Hoe is het met hem? Waar is hij?’
‘Ik weet het niet. Hij heeft gisteren enkele spullen gepakt en is Vellesan aan de zuidkant uitgelopen. Hij zei dat hij niet langer in het vlek kon blijven. Er was niets meer voor hem, nu z’n liefste en z’n familie en vrienden allemaal dood waren.’
Anna reageerde vol afgrijzen: ‘Heeft niemand het overleefd?’
Floor vertelde haar dat er niemand uit de brouwerij had kunnen ontsnappen en dat degenen die het hadden geprobeerd gedood waren door de ridders die hen buiten stonden op te wachten. Ze vertelde ook hoe Aeijolt en Kybbe vervolgens naar het marktplein waren gegaan om Darra rekenschap te vragen, waarna Aeijolt de dood had gevonden en de meier was gevlucht. Ze hadden Aeijolt nog dezelfde nacht naar z’n voorvaderen laten gaan. Floor had hem willen begraven, maar Kybbe had erop gestaan dat z’n vader volgens de traditie van de Wieringers aan het vuur werd gegeven. Anna huiverde bij het idee van het vuur. Haar hart huilde voor Kybbe. Hij was vertrokken in de veronderstelling dat zij de dood had gevonden. ‘Maar is er dan niets wat hij verder heeft gezegd? Ik móet hem achterna! Ik moet hem vinden.’
‘Ik herinner me maar één ding. Hij had het over nieuwe dingen leren. Dingen die hij hier niet kon leren’, antwoordde Floor.
Anna begreep dat Kybbe haar dood waande en erop uit was getrokken om zijn grootste andere liefde, het bouwen, achterna te gaan. Dan was er nog hoop. Zij zou hem achternagaan naar het zuiden. De eerste halte moest Dorestad worden, want daar was het handelscentrum van de lage landen en zou ze de meeste kans maken op informatie uit de monden van handelaars en reizigers. Nu ze haar besluit had genomen, begon ze voorbereidingen voor haar reis te treffen. De beste manier van reizen was je aansluiten bij een groep pelgrims. Ze had samen met Pytske en haar zoontje Stilgar angsten uitgestaan op hun vlucht uit Hallem. Er was de angst om achterhaald te worden door Harald of Steinar, maar er kon nog veel meer gebeuren onderweg. Het was verbazingwekkend dat ze Vellesan hadden bereikt zonder ook maar één reiziger tegen te komen. Er trokken immers genoeg groepjes rond die niet veel goeds in de zin hadden. Je moest jezelf kunnen beschermen tegen rovers en plunderaars, die elke kans benutten buiten het zicht van de heren die de bevolking moesten beschermen.
Ze had geluk dat ze bij de uitvalsweg naar het zuiden een groep van 15 pelgrims trof, die terugkeerden naar het zuiden, na een bezoek aan de heilige relikwieën van Engelmundus. Hun doel was Dorestad, waar ze via Utrecht naartoe reisden. Het waren pittige wandelingen, maar lopen was een dagelijkse bezigheid en gelukkig bleef Anna verstoken van blaren of ander ongemak. Ze waren vroeg in de ochtend vertrokken en kwamen door uitgestrekte veengebieden met weiden. Na twee dagen bereikten ze de burcht Trecht, aan de oever van de grote rivier. Vanuit Kinhem naar het oosten was de bebouwing beperkt. Een enkele boerderij lag op hun route. Maar hier leefden beduidend meer mensen. Het was drukker op de wegen. Ze vonden een overnachtingsplek in een herberg, die bestond uit houten palen en wanden van leem. De vermoeidheid was groot, waardoor ze na het eten direct hun slaapplekken opzochten. Tijdens de voettocht had Anna meerdere pelgrims gesproken. Twee van hen waren vanuit Heiloo op weg naar Utrecht en meldden zich bij aankomst direct bij de Domschool, die gevestigd was in de kloostergemeenschap binnen de muren van het oude Romeinse castellum. Zij hadden haar verteld dat de school sinds Gregorius tot bloei was gekomen en dat diens opvolger Alberik een eeuw geleden als eerste tot bisschop van Utrecht was gewijd. Bisschop Hunger was echter enkele jaren geleden voor de Vikingen naar het zuiden gevlucht, waar z’n opvolger nu de scepter zwaaide.
Na een spaarzaam ontbijt togen de meeste pelgrims naar het klooster. Ze wilden een dienst volgen en daarna met eigen ogen de restanten bekijken van wat tot 10 jaar geleden de mooiste kerken van het bisdom waren, de Sint-Maartenskerk en de Sint-Salvatorkerk. Beide kerken waren destijds door de Vikingen verwoest. Anna probeerde er bij de Benedictijner monniken achter te komen of zij Kybbe hadden ontmoet, want, zo redeneerde ze, hij zou zich melden op plaatsen waar met steen werd gebouwd. Als hij nieuwe dingen wilde leren, zoals Floor had gezegd, zou hij zeker een kerk of burcht in aanbouw opzoeken. Van een vriendelijke oudere broeder vernam zij dat er voorlopig geen plannen waren voor herbouw of nieuwbouw. Zeker niet nu de bisschop zich in ballingschap bevond. De pelgrims verbleven een tweede nacht in Utrecht. Ditmaal maakten ze gebruik van de gastvrijheid van het klooster. Ze mochten hun dekens uitspreiden in een ruimte, die altijd gereserveerd werd voor reizigers. Meerdere pelgrims deelden deze ruimte met Anna en haar overgebleven 13 medereizigers. Er werd gesnurkt, gerocheld en een enkel gepreveld gebed bereikte haar oren. Aan haar rechterkant waren heftige bewegingen onder de dekens te zien. Opgewonden kreten van een donkerder en een hogere stem klonken enigszins gesmoord op. Niet alle pelgrims waren voortdurend met het geestelijke bezig.
Anna had hoge verwachtingen van haar volgende doel. Ze was ongedurig nu ze wist dat Kybbe waarschijnlijk een andere route naar Dorestad had gekozen. Dit was de belangrijkste stad van de lage landen, voor zover zij wist. Verhalen van kooplieden over de welvaart van de handelsplaats en de veelheid aan producten die daar werden verhandeld, hadden Vellesan bereikt. De welvaart was zo groot, dat Dorestad in 30 jaar tijd meerdere keren een plundering van de Vikingen te verduren had gehad. De laatste keer was 4 jaar geleden geweest. Ze wist haast zeker dat ze daar Kybbe zou vinden en was ongeduldig om op pad te gaan. De pelgrims maakten echter nog geen aanstalten. Ze namen de tijd voor de biecht. Het waren vrijwel allemaal devote christenen, op een drietal jonge mannen na. Natuurlijk waren ze christen, zo zeiden ze. Maar het was hun meer nog om het avontuur te doen. Hun plan was om Parisi te zien, waar de Wali van het Kalifaat resideerde. Deze scheen de stad in hoog tempo te moderniseren. Er waren zaken te zien, die men hier in het westen helemaal niet kenden, zo vertelden de kooplieden. Anna had echter maar één ding voor ogen en dat was zo snel mogelijk Kybbe zoeken in Dorestad. Laat in de ochtend vertrokken de dertien pelgrims met Anna naar de handelsstad aan de Rijn.
Ze volgden over grote delen de rivier, die Kromme Rijn werd genoemd. De stroom meanderde door het landschap. Soms vonden ze een weg die een directe lijn volgde naar een volgende bocht in de rivier, maar altijd weer keerde hun tocht terug naar de rivierloop. Er waren vele kleinere nederzettingen. In een ervan namen ze de tijd om een bescheiden maaltijd te nuttigen. Overal waren boerderijen te zien. Het was geen grote afstand naar Dorestad. Na een zeer rustige voettocht zagen ze enkele uren later de stad liggen aan een enorme rivier. Anna verwonderde zich over de grote watervlakte. Het leek wel een meer, maar dan met snelstromend water. Met open mond keek ze toe. Eén van de drie reislustige jongens wees naar de samenvloeiing van de rivieren. Ulbo liet haar zien waar de Kromme Rijn uitstroomde en waar de Rijn zich stroomafwaarts splitste. ‘Wat ontzettend veel water’, bracht Anna uit.
Djurre vertelde haar, dat het water wel anderhalve el hoger kon staan, als het smeltwater de rivier in het oosten bereikte. Hij wees aan welke weilanden dan onder water kwamen te staan.
‘Dat is net zoiets als springvloed bij ons, maar dan nóg meer’, gaf zij uiting aan haar verbazing.
‘Sommige boerderijen komen bijna elk jaar onder water te staan’, deed ook Haio een duit in het zakje.
‘Ja, en het gebeurt ook wel dat hele nederzettingen onder water verdwijnen’, voegde Ulbo toe.
Anna vertelde dat ze in Vellesan wel beschermd werden tegen de golven van de zee, maar dat ze regelmatig te maken hadden met het door stormen voortgestuwde duinzand dat alles kon onderstuiven en oogsten kon bederven.
De jongens waren nieuwsgierig naar haar plan om haar vriend in deze stad te vinden.
De huizen lagen als een lang lint van zo’n 3000 el langs de oever van de rivier. ‘Er wonen hier duizenden mensen. Hoe wil je erachter komen waar hij is?’, vroeg Djurre.
Anna dacht hierover na en antwoordde toen: ‘Kybbe houdt van bouwen. Ik wil dus bij elk bouwterrein gaan kijken. Daarom neem ik nu afscheid van jullie, want ik sta te popelen om te gaan zoeken. Wanneer gaan jullie verder naar Parisi?’
Ulbo vertelde haar daarop, dat ze van plan waren enkele dagen in Dorestad te blijven, voor ze verder reisden. ‘In zo’n grote stad is vast wel iets leuks te beleven. Daar trekken we een paar dagen voor uit en dan…op naar Parisi!’
Na drie dagen begon Anna te wanhopen. Ze had al zoveel mensen gesproken en zoveel plekken bezocht en geen enkel teken van Kybbe gevonden. Niemand herinnerde zich hem gezien of gesproken te hebben. Ook niet op de markten die ze bezocht. Wat waren hier ongelofelijk veel verschillende mensen uit alle windstreken! Er waren zelfs Arabieren uit het Kalifaat. Eén man sprong haar direct in het oog. Haar mond viel open, z’n huidkleur neigde naar zwart. Ze had in Vellesan wel verhalen gehoord over zwarte mensen in het zuiden, maar het nooit echt geloofd. Hij was gekleed in een hemd dat tot aan de enkels reikte. Het hemd was geweven van wol of katoen en op z’n hoofd droeg hij een kunstig gevouwen grote geblokte doek. Hij had een diepzwarte, krullende baard en zijn prachtige bruine ogen troffen die van haar met een intensiteit die haar deed wegkijken. Toen ze omkeek was hij verdwenen. Vermoedelijk was hij een van de houten huizen in gegaan. Ze wist wel dat Dorestad handeldreef met vele gebieden. Een deel van het handelsverkeer liep door Brabant naar het Kalifaat. Het handelsverkeer ging ook naar het noorden, naar het gebied van de Vikingen en het Oostzeegebied. Het vormde eveneens een belangrijk knooppunt in de handel tussen de Duitse gebieden langs de Rijn naar de kust en de koninkrijken van Northumbria, East Anglia en Wessex.
Anna zag kooplieden, die wol verkochten. Anderen verkochten zijde, zwaarden of sieraden gemaakt van verschillende materialen, zoals glas en barnsteen. Ze zag zelfs een verkoper van jachthonden. Een koopman gaf haar de raad bij de haven te gaan kijken. ‘Je vriend zal geld nodig hebben om van te leven en in de haven is altijd wel werk te vinden.’
De haven bevond zich in het noordelijke deel van de stad. Daar waren ook de pakhuizen van de handelslieden te vinden met daarachter een landschap gevuld met kriskras neergezette boerderijen, die lange gebogen wanden hadden. Hierdoor leken ze wel op schepen.
Aan de waterkant waren vele steigers die rustten op palen die in de bodem van de rivier waren geslagen. Verschillende steigers waren in de loop der jaren verlengd, omdat de rivierbedding zich geleidelijk verplaatste. Er ontvouwde zich daarom een uitgebreid netwerk van platformen boven het water voor Anna’s ogen.
In het grote scala aan activiteiten dat daar plaatsvond ontwaarde ze plotseling drie bekende figuren. Ulbo, Djurre en Haio liepen af en aan over de steigers. Ze wankelden over het plankier. Zo te zien gingen ze gebukt onder hele zware zakken. Anna zwaaide naar de jonge mannen, maar kennelijk vergde het werk al hun aandacht en zagen ze haar niet. Ze geloofde niet dat Kybbe werk in de haven had gezocht. Hij zou eerder verder trekken en onderweg zijn brood verdienen, dan in zo’n haven lopen zeulen met zware lasten. Ze besloot daarom de haven de rug toe te keren en in haar tijdelijke onderkomen na te denken over haar volgende stap.
Gehaast liep ze terug, waarbij ze langs een van de markten kwam waar ze eerder vragen had gesteld. Afgeleid door een vlucht luidruchtige spreeuwen, botste ze omhoogkijkend, op een man. Ze schrok enorm toen ze zag dat het de Arabische koopman was, die ze daar eerder had gezien, een Moor. Anna wist niet of hij haar verontschuldiging kon verstaan, maar kennelijk begreep hij het wel, want z’n mondhoeken krulden op, waarbij prachtige witte tanden haar toelachten. Vervolgens sprak hij in verstaanbaar West-Fries met een zangerig accent. ‘Nee, ík moet mij excuseren. Ik lette niet goed op.’
Anna was met stomheid geslagen en kleurde dieprood. Ze had zich eerder een beeld gevormd van een islamiet, waarbij ze er automatisch van uit was gegaan dat deze vrouwen negeerde omdat ze minderwaardig werden geacht. Deze sympathieke man bood echter z’n excuses aan háár aan en nog wel in haar eigen taal. Hoop welde in haar op. Misschien zou hij haar vragen kunnen beantwoorden en een aanwijzing geven over waar ze Kybbe kon zoeken. Ze moest bekennen dat ze heel nieuwsgierig was naar deze exotische man uit een haar onbekende cultuur.
‘Mag ik u iets vragen?’, schutterde ze. Hij bemerkte haar verlegenheid en stelde haar op haar gemak, door haar uit te nodigen op een lage bank te gaan zitten, die voor het huis stond, waarvan hij blijkbaar de eigenaar was. Hij stond erop haar een beker melk in te schenken en reikte haar die aan terwijl hij zich naast haar neerzette. ‘Vertel me nu eerst maar waarom je hier in je eentje rondloopt. Je bent overduidelijk ergens naar op zoek en verschrikkelijk rusteloos. Dat was me al eerder op deze dag opgevallen, toen ik je ogen alle kanten op zag schieten hier voor mijn huis.’ Door het vertrouwenwekkend gedrag van de Moor en zijn rustgevende stemgeluid, begon Anna aan het verhaal van haar zoektocht naar Kybbe. Uiteindelijk begreep hij dat haar grote liefde haar na de verschrikkelijke gebeurtenis in de brouwerij dood had gewaand en vertrokken was uit haar woonplaats. ‘Maar wat wilde je mij dan vragen? Ik ken de jonge man niet.’
Anna zei: ‘Kybbe is een bouwer. Hij is uitermate leergierig en wilde alle aspecten van het bouwen doorgronden. Hij is vooral nieuwsgierig naar nieuwe technieken en bouwmaterialen. Daarom denk ik dat hij ergens naartoe is gegaan, waar met stenen in plaats van hout wordt gebouwd. Hij heeft het daar meermaals over gehad. Mijn vraag is deze. Als u een bouwer was en helemaal in beslag werd genomen door de nieuwste ontwikkelingen op uw vakgebied, waar zou u dan heengaan?’
‘Ah, daar kan ik een eenvoudig antwoord op geven. Ik zou natuurlijk naar de hoofdstad Córdoba gaan of naar Granada. Daar worden schitterende nieuwe gebouwen neergezet.’
‘En dichterbij?’
‘Dan zou ik in ieder geval in Parisi gaan kijken. Daar is de Wilaya voor het noordelijk gebied van het Kalifaat van de Omajjaden gevestigd.’
Anna nam zich voor om precies dat te doen. Daar zou ze ongetwijfeld haar Kybbe vinden.
Het bordeel
Anna maakte na haar ontmoeting met de Moorse koopman in Dorestad plannen om naar het zuiden te gaan. In Parisi maakte ze eindelijk een betere kans om Kybbe te vinden. Volgens deze man uit het Kalifaat werd daar echt vernieuwend gebouwd. Zo’n activiteit zou Kybbe als een magneet aantrekken. Hij gaf haar ook de naam van z’n neef, die hun handelsbelangen in Parisi behartigde. Hij liet haar beloven hem op te zoeken, zodra ze daar aankwam. Hij zou haar kunnen helpen en in ieder geval een veilig onderkomen verschaffen.
Na haar afscheid van de Moorse koopman bedacht ze dat ze de tocht naar het Kalifaat graag weer in groepsverband wilde maken. Ze was huiverig voor de onbekende gevaren op de weg in deze verre oorden. Maar wacht eens…misschien waren de avontuurlijke jongens nog in Dorestad. Zij wilden oorspronkelijk naar Parisi gaan. Misschien kon ze met hen meereizen. Ze ging naar de haven en betrad het steigercomplex. Maar hoe ze ook zocht, Djurre en de andere twee waren nergens te zien. Ze herkende wel het schip, waar ze hen als sjouwers aan het werk had gezien. Het was er een drukte van belang, want het schip werd opnieuw geladen. Een sjouwer zwiepte een zak van z’n schouder en raakte haar daarbij. Ze wankelde en viel. Twee sterke handen grepen haar vast voor ze in het water tuimelde. Een grove man met een niet onvriendelijk gezicht zei: ‘Zo meissie, dit is geen plek voor jou. Ga maar weer snel naar de wal.’ Anna greep haar kans. ‘Meneer, ik ben op zoek naar drie vrienden. Ik zag ze twee dagen geleden hier bij dit schip werken. Weet u misschien waar ze zijn?’ Nadat ze een beschrijving van Djurre, Ulbo en Haio had gegeven, wist hij haar te vertellen dat de jongens gisteren hun laatste dag hier hadden gewerkt. Hij had ze zelf hun loon uitbetaald. Volgens hem zaten ze in een goedkoop logement in het middendeel van de stad en voegde eraan toe dat ze daar als mooie jonge vrouw beter niet naar toe kon gaan, omdat het de plaats was waar het scheepsvolk verpoosde. Geen plek om alleen naartoe te gaan.
Hopelijk waren ze nog niet afgereisd. Anna sloeg daarom de raad van de zeeman in de wind en begaf zich op een drafje naar de aangegeven wijk. De houten huizen stonden hier dichter op elkaar. Er klonk geschreeuw en gevloek op vanuit meerdere woningen. Er waren slonzige vrouwen op straat, die lonkten naar elke passerende man. Ze merkte niet dat ze vanuit een van de gebouwen met aandacht werd gadegeslagen. Een paar mannen maakten schunnige opmerkingen en ze werd in haar billen geknepen. Angstig week ze achteruit, toen een grote kerel tegen haar aan werd geduwd door z’n makkers. ‘Zo wijffie, ben je zomaar op straat zonder je pooier? Je ziet er beter uit dan die afgelebberde troela’s hier.’
Hij greep naar haar borsten en stortte vervolgens met een kreet op de grond. Voor Anna besefte wat er gebeurde werd ze door ruwe handen het huis binnen getrokken, waar ze door de aanrander met haar rug tegenaan was geduwd. Buiten klonk een enorm rumoer. De groep buiten probeerde het huis binnen te komen, terwijl twee van hen zich over hun gevallen kornuit bogen. Vier mannen stormden het gebouw uit en begonnen met knuppels op hen in te slaan. Haastig bliezen ze de aftocht met medeneming van hun gewonde vriend. Het was allemaal zo verbijsterend snel gegaan dat Anna nog geen tijd had gehad om zich te oriënteren. Ze wilde de mannen bedanken die haar hadden gered, toen een van hen zich tot haar keerde en zei. ‘Vanaf nu is dit je werkplek. Je doet gehoorzaam wat ik je zeg, anders zal ik het erin moeten rammen. Jij gaat me veel geld opleveren, poppie.’
Ze besefte dat ze in handen van een pooier was gevallen en dat er van haar werd verwacht dat ze zich prostitueerde. Ze schreeuwde het uit en wierp zich tegen de man aan. Ze bleef hem met haar vuisten raken. De overige mannen stonden lachend naar het tafereel te kijken totdat ze weg werd getrokken.
‘Nou Gijs, dat is een vurig katje dat je daar hebt gevangen. Daar kun je nog veel plezier aan beleven. Maar eerst geef je ons een beloning voor onze hulp van zojuist.’ Hij loerde grijnzend naar Anna terwijl hij dit zei. Hij scheurde haar kleding met één ruk van haar lichaam. Ze stond naakt voor de vijf mannen en sloeg automatisch haar handen voor haar schaamstreek.
De man die Gijs werd genoemd zei: ‘Jij je zin Koos. Maar dit is wel eenmalig. Hierna zal je moeten betalen, zoals iedereen die dit schatje wil.’
Djurre, Ulbo en Haio hadden onderdak gevonden in een louche logement op steenworp afstand van de plek waar Anna was overmeesterd. Ze hadden hun reserves aardig kunnen aanvullen met hun werk in de haven en hadden daags ervoor hun loon ontvangen. Ze zouden nog even in Dorestad blijven om benodigdheden van de reis in te slaan en uit te kijken naar een boot die hen tegen betaling een eind naar het zuiden kon meenemen. Na enkele dagen hadden ze een vaartuig gevonden dat bereid was ze mee te nemen. Tevreden keerden ze terug naar hun logement om hun spulletjes te pakken. Onderweg kwamen ze terecht in een menigte, waar plotseling een vechtpartij uitbrak. Er werd tegen ze aangeduwd en aan ze getrokken en moesten hun vuisten gebruiken om uit de mêlee te komen. Enigszins gehavend prezen ze hun goede gesternte dat ze daaruit waren gekomen. Pas in het logement ontdekten ze dat ze bestolen waren. Hun beurzen waren in chaos van het gevecht losgesneden. Ze waren al hun geld kwijt. Ze zouden hun reis uit moeten stellen en met hangende pootjes weer om werk moeten smeken in de haven. De gang naar de haven viel ze zwaar. Ze zagen er enorm tegenop zich weer af te moeten beulen. Ze konden zich natuurlijk wel weer bij een groep pelgrims aansluiten die in de goede richting gingen en de overnachtingen waren gratis in de kloosters, maar het zou wel fijn zijn toch wat geld in de beurs te hebben. Dat hadden ze sowieso nodig om vandaag hun eten en onderkomen te betalen. Automatisch liepen ze naar de plek waar het schip lag afgemeerd waar ze het laatst hadden gewerkt. Er was geen spoor meer van te bekennen. Een van de havenwerkers herkende de jongens en zei: ‘Dat schip is al vertrokken. Wie was eigenlijk die mooie meid die daar naar jullie kwam vragen? Ik liep net op het moment langs toen ze jullie namen noemde en jullie aan de bootsman beschreef. Is dat soms familie?’
Ulbo reageerde net wat sneller dan de andere twee en zei: ‘Dat was vast mijn zusje. Weet je misschien waar ze is?’
De arbeider antwoordde hem dat hij de bootsman had horen zeggen, dat het drietal in het middendeel van de stad een onderkomen had. ‘Maar hij heeft haar gewaarschuwd niet alleen naar die hoerenbuurt te gaan.’
De jongens bedankten hem en liepen weg. Ulbo zei: ‘Anna kennende heeft ze die waarschuwing in de wind geslagen. Ik hoop niet dat haar iets is overkomen.’
Ze besloten een poging te wagen om erachter te komen waar Anna uithing. De jonge vrouw had onderweg naar Dorestad hun harten veroverd.
Ze gingen de wijk in om voorzichtig navraag te doen, maar vingen overal bot. Na enkele uren hoorden ze voor het eerst iets van een medebewoner van hun logement. Hij vertelde dat er een knokpartijtje was geweest om een hoer. Een groepje mannen had haar op straat aangesproken. De pooier was met wat vrienden naar buiten gestormd en had een van hen zodanig verwond dat hij daar wat later aan was bezweken. Haio en Djurre haalden hun schouders op. Het was het verhaal van een hoer die belaagd werd. Ulbo dacht echter dat hier wel iets in kon zitten. Het ging tenslotte om een vrouw alleen. Hij vroeg daarom of hun huisgenoot het had zien gebeuren. Dat bleek niet zo te zijn. Hij had het verhaal in de herberg twee straten verderop gehoord. Daar zaten de mannen te drinken op hun overleden makker. Ulbo vond het de moeite waard om eens in die herberg te informeren. Het toeval wilde dat de groep er die avond weer zat te drinken. Ze waren niet te missen, want ze brachten weer een dronk uit op hun overleden vriend. Ulbo was er als de kippen bij en kwam er al snel achter, waar het onfortuinlijke incident had plaatsgevonden. Hij kreeg ook te horen dat het wel een bijzonder fraai hoertje was, dat ze daar hadden gezien. Ze hadden hun centjes daar best willen besteden, maar haar pooier was met z’n vrienden naar buiten gekomen en ze waren direct begonnen te meppen. Daarom waren ze afgedropen en hadden hun gewonde vriend meegetrokken. Pas later bleek dat hij een akelige messteek in z’n buik had opgelopen, die hem fataal was geworden. Ze hadden nog wel plannen gemaakt om hem te wreken, maar uiteindelijk waren zij vreemd in deze stad en vermoedelijk zou de hele buurt zich achter de dader opstellen. Het was moeilijk om in deze tijd je recht te halen.
‘Ik ben ervan overtuigd dat het niet een hoer was, maar Anna die daar in haar eentje naar ons op zoek was. Ze is vast door zo’n smeerlap te pakken genomen en wordt nu gedwongen voor hem te werken’, zei Ulbo. ‘Maar dat kan toch niet’, protesteerde Haio. ‘Je kunt toch niet zomaar in de stad daartoe worden gedwongen?’
‘O nee? Bedenkt dan eens wat je in de haven hebt gezien en op de markt. Er wordt hier gehandeld in slaven! Denk je dat iemand ook maar een vraag zal stellen als een alleengaande vrouw hier geclaimd wordt door een of andere schurk als z’n slavin?’
Djurre knikte ijverig. ‘Ik denk dat je gelijk hebt Ulbo. Maar wat wil je eraan doen?’
‘Luister. Ik ga daar poolshoogte nemen. Ik doe me voor als klant om te kijken of ik Anna daar aantref.’
‘Hee, je hebt geen geld man! Je kan daar niet als klant naar binnen gaan.’, riep Djurre.
Ulbo zei dat hij rond zou kijken en dan zeggen dat hij niets zag wat hem beviel en daar weer weggaan. ‘Hooguit vertrek ik met een schop onder m’n kont. Nou dat heb ik er dan wel voor over.’
Anna lag in een hoekje. Ze huilde. Ze voelde zich vies. De laatste keer dat ze zich zo voelde was toen ze gedwongen werd door Harald, de Viking aan wie haar vader haar had verkocht. Ze had echter nog hoop hier vandaan te komen. Haar ogen hadden Gijs steeds nauwlettend gevolgd. Zo wist ze inmiddels dat hij een bergplaats had onder een vat in de hoek van de kamer. Telkens wanneer hij geld had ontvangen, zag ze hem heimelijk in die hoek rondscharrelen, wanneer hij zich onbespied waande. Een mogelijkheid tot ontsnappen had zich echter nog niet voorgedaan. Hij zorgde ervoor dat er altijd iemand was die haar aan zijn regels hield. Sinds ze hier naar binnen was getrokken, was er geen gelegenheid meer geweest om buiten te komen. Ze werd door Gijs streng bewaakt, want ze was z’n prijskoe. Ze had ook geprobeerd de hoerenlopers voor zich te winnen om haar te helpen. Of ze reageerden niet, waren onverschillig, of ze keken schichtig om zich heen uit angst voor Gijs en verlieten na betaling snel dit huis waarin ze vastzat. De andere drie vrouwen in het huis wilden niets met haar te maken hebben. Ze bleven haar uit de weg. Ze waren door Gijs uitdrukkelijk gewaarschuwd en bedreigd. Hun angst voor hem was duidelijk af te lezen aan hun gezicht en lichaamshouding. Ze verbleven allen in hun eigen ruimte, waar een deken voor werd gehangen als ze een klant kregen. Anna raakte gedesillusioneerd en in zichzelf gekeerd. Daarom reageerde ze amper toen een nieuwe klant binnentrad. Deze ging langs de verschillende afgeschutte ruimtes en kwam toe haar kamer in Ze keek pas op toen ze het gesprek van toonhoogte hoorde veranderen. Gijs werd kwaad. De oorzaak voor zijn boosheid keek over diens schouder naar Anna. Een schok ging door haar heen. Het was Ulbo. Zijn ogen waarschuwden haar niets te zeggen. Het volgende moment zag ze door haar kameropening hoe hij door Gijs onder hevig gevloek het huis werd uitgewerkt. Ze was uit haar lethargie ontwaakt. Het oogcontact met Ulbo had ervoor gezorgd dat er een sprankje hoop op ontsnapping gloorde.
De twee jonge mannen reageerden met een mengsel van ongeloof en besluitvaardigheid op het verslag van Ulbo over zijn bezoek aan het bordeel. Ze bespraken hoe ze Anna daar weg konden halen. Het leidde echter niet direct tot een vastomlijnd plan. Djurre stelde voor om eerst de dagelijkse gang van zaken rond het bordeel te bestuderen. ‘We moeten zeker weten wie er op welk tijdstip aanwezig is of zijn in het huis. Eerst dan kunnen we een plan maken.’
Ze verdeelden onderling de surveillance. Ze zouden elkaar aflossen in tijdvakken van 4 uur, zodat ze het huis een klokje rond konden observeren.
Na enkele dagen was het duidelijk, dat een tijdstip in de nacht, nog vóór het ochtendgloren de beste gelegenheid bood om een poging te wagen. Er was dan geen aanloop meer en Gijs was de enige man die daar op dat moment met de vier vrouwen verbleef. Ze verkeerden allen waarschijnlijk in dromenland. Ulbo had z’n ogen goed de kost gegeven tijdens zijn bezoek en wist precies te vertellen hoe het huis was ingedeeld en waar Anna zich bevond ter hoogte van de buitenmuur. Ze hadden bij hun observatie vastgesteld daar juist daar tussen twee huizen in een mogelijkheid was om redelijk ongemerkt een gat in de lemen wand te maken. Het lawaai van de straat en van de nabijgelegen werkplaatsen, zou hun werkzaamheden verhullen. Toen Haio eindelijk zo ver was dat het onderliggende vlechtwerk bloot kwam te liggen, schoof Ulbo op z’n zij tegen de wand en fluisterde ‘Anna, kun je me horen?’
Het duurde slechts een paar tellen voor het gefluisterde antwoord terugkwam. ‘Ulbo? Ben jij dat?’
Snel ging Ulbo verder: ‘Ja, luister goed Anna. We willen je eruit halen, maar je zal zelf die kerel moeten uitschakelen, voordat je ons kunt binnenlaten. Kan je dat?’
Anna antwoordde dat ze dat wel zou kunnen, maar waarmee dan? Ulbo wrikte het vlechtwerk open en schoof een plat mes tussen de twijgen door naar binnen. ‘Hiermee moet het lukken. Succes!’
Anna pakte voorzichtig het mes aan en hield het achter haar rug.
Geruisloos stond ze op. Gijs zat geknield bij het vat in de hoek van de kamer. Ze sloop tot achter hem, boog zich naar voren en haalde het scherpe lemmet langs zijn keel. Het bloed spoot eruit en de pooier stortte rochelend ter aarde, beide handen tegen z’n keel in een poging het bloeden te stoppen en met wijdgeopende ogen. Daarna klonk alleen nog even een zwak gereutel en met een zucht braken zijn ogen. Het was allemaal zo snel gegaan, dat Anna het amper kon bevatten. Ze had een man gedood! Maar ze stond zichzelf niet toe zich schuldig te voelen. Het was geen man geweest, maar een beest. Zelfs nog minder dan een beest. De andere vrouwen waren niet eens wakker geworden. Snel liep ze naar de deur en haalde de grendel eraf. De drie jonge mannen kwamen vlug naar binnen. Anna wees naar het lijk. ‘Hij ligt daar boven op z’n verborgen geld.’ Ulbo kwam snel tot een besluit. ‘Help eens even. We stoppen hem in dit vat, zodat hij voorlopig niet wordt gevonden.’
Anna zei: ‘Pak z’n geld. Ik maak ondertussen die meiden wakker.’
Toen de drie vrouwen uit hun kamers kwamen, was het lijk weggewerkt en hadden de jonge mannen het geld dat in een vijftal buidels zat onder hun kleding weggestopt. De vrouwen waren verbijsterd en Anna kon ze er maar met moeite van overtuigen dat ze vrij waren en niets meer te vrezen hadden van Gijs. ‘Pak de spullen die je hebt en zorg dat je hier weg bent voor z’n vrienden hier aan de deur komen.’
Vervolgens liep Anna met de drie jonge mannen het huis uit. Ze waren euforisch dat hun plan was gelukt. Ze zochten een rustige plek in het zuidelijke deel van de stad. De drie mannen brachten Anna op de hoogte van de gebeurtenissen die ervoor hadden gezorgd dat ze haar hadden gevonden. Alles was een groot toeval. Ze hadden haar alleen maar kunnen vinden omdat ze noodgedwongen langer in de stad moesten blijven. Hier volgde een smeuïge weergave van hun beroving. Daarna was er weer zo’n toevalligheid, namelijk dat hun ter ore kwam dat Anna hun had gezocht. Djurre en Haio gaven alle eer aan Ulbo, dat hij de juiste conclusies had getrokken over wat er met haar gebeurd moest zijn. Anna, vertelde op haar beurt, wat haar was overkomen tijdens haar zoektocht naar hen. Grote delen van wat erna was gebeurd, liet ze noodgedwongen onvermeld. De schaamte over wat haar was aangedaan en wat ze gedwongen was te doen, was te groot. Dat zou ze ver weg in haar geheugen begraven en er nooit meer over spreken. De drie waren zo verstandig hier niets over te vragen. Er werd in onderling overleg besloten om eerst inkopen te doen en dan zo snel mogelijk uit Dorestad te vertrekken. De drie mannen hadden de laatste dagen op straat gebivakkeerd. Ze hadden een slaapplek gevonden op een van de twee grote kerkhoven die de stad rijk was. Omdat ze niks meer konden betalen, waren ze het logement uitgezet. Ze vertelden Anna niet, hoe ze aan voedsel waren gekomen. Daarover waren ze een beetje beschaamd.
Ze liepen langs de uitstallingen met aarde- en glaswerk, pelzen en pigmenten, zout, honing en allerlei sieraden. Ze hadden alle vier kleding nodig en Anna gunde zichzelf een kam, die uit een gewei was gemaakt en een mooie fibula om haar nieuwe mantel dicht te kunnen spelden. Tevens kochten zij messen. Die waren natuurlijk nodig om te eten, maar ze konden ook wel iets gebruiken waarmee ze zich in geval van nood konden verdedigen.
Bij een boer kochten ze voedsel voor de eerste etappe van de reis die nu een aanvang nam. Ze hadden de sceatta’s van Gijs onder hun vieren verdeeld. Deze munten waren vrijwel allemaal bij de Munt in Dorestad geslagen. Hier konden ze het wel een tijd mee uitzingen. Ze hadden besloten niet terug te keren naar het havendistrict in een poging een boot te vinden, want ze wilden geen moment langer in de stad blijven die hun zoveel narigheid had bezorgd.
Bevrijding

De reis van Anna
1.Vellesan; 2. Utrecht (Het Sticht); 3. Dorestad; 4. Ereslo; 5. Turnhout; 6. Loven (Leuven); 7. Bergen; 8. Saint-Quentin; 9. Compiène (Compiègne); 10. Conflans; 11. Parisi (Parijs)
Het rivierengebied was verschrikkelijk groot en de brede rivieren vormden vaak een behoorlijk obstakel bij hun voortgang door het landschap. Nu wist Anna wel dat je vrijwel nooit in een rechte lijn naar je doel toe kon. Zowel het haar bekende duinlandschap als het veengebied hadden haar dat wel geleerd. Water, moeras en zand bemoeilijkten je reis, zodat je er op onbekend terrein altijd rekening mee moest houden, dat je ergens in het open veld of in een bos moest overnachten. Er was lang niet altijd een klooster, boerderij of gehucht in zicht, waar je gastvrijheid kon genieten. Ze reisde wel niet te midden van een grote groep pelgrims, maar ze was blij met haar drie reisgenoten. Ze wist dat ze alles zouden doen om haar te beschermen en voelde zich veilig in hun gezelschap. Eindelijk bereikten ze een gebied waar hoge en lage gronden tegen elkaar aan schurkten en een hoogte die Ereslo werd genoemd. Er waren hier boerderijen rond een driehoekig plein. Dit werd door de bewoners ‘de plaatse’ genoemd. Er lagen akkers rondom. Ze kregen te horen dat het akkerdorp onderdeel was van de gouw Toxandrië. Naast akkerdorpen waren hier domeinen gevormd. Frankische edelmannen waren de eigenaars of beheerders. De hoeven hierop werden bebouwd door horigen. Ze vonden onderdak voor de nacht. De bewoners waren zeer nieuwsgierig naar reizigers, maar ook voorzichtig. Toen de tongriemen wat losser werden door de drank die rijkelijk vloeide, hoorde Anna, dat men zeer beducht was voor rondtrekkende bendes in deze streken. Menig vrije boer had zich bij een domein aangesloten, opdat hij de bescherming genoot van de heer van het land. Tot zover had het viertal zich vrij gevoeld tijdens hun voettocht, maar ze beseften nu dat ze zich toch wel wat onbezonnen hadden gedragen. Het landschap dat ze doorkruisten had hen een vals gevoel van rust en veiligheid gegeven. Hier was de bevolkingsdichtheid groter, maar de onveiligheid kennelijk ook. Ze zouden bij hun voortgang beter op hun tellen moeten passen en vooral uitkijken in open gebieden waar ze van grote afstand gespot konden worden door kwaadwillenden.
Ze voelden zich ongemakkelijk op de vele open terreinen die ze doortrokken. Vaak was er slechts hier en daar een bosschage en een enkel stukje bos. Veel land was hier in cultuur gebracht. Bovendien begon het te regenen en vervolgens kwam het met bakken uit de hemel. Ze waren tot op de huid doorweekt, maar stoppen had geen zin.
Er was geen boom te zien, geen enkele mogelijkheid te schuilen voor de ongenadige plensbuien die op hen neerdaalden. Daarom sjokten ze maar door, de hoofden gebogen in de wind.
Toen de zon eindelijk haar gezicht liet zien, haastten de grijze regensluiers zich naar het oosten. De damp sloeg van de kleding, waar ze zich snel van ontdeden om te laten drogen. Ze hingen alles in de takken van een iel, solitair boompje. De jonge mannen keken tersluiks naar het ranke figuur van Anna. In feite waren ze alle drie al na Vellesan verliefd op haar geworden. Die verliefdheid was overgegaan in bewondering voor haar doorzettingsvermogen. Anna trotseerde alle gevaren en ging onbekende wegen op om haar geliefde te vinden. Welke vrouw zou zo’n onderneming beginnen. Ze was uniek. In Dorestad hadden ze onderling vaak over haar gesproken en ze waren tot de conclusie gekomen, dat geen man een kans maakte haar voor zich te winnen, zolang Kybbe in haar ogen stond geschreven. Daarom zouden ze nooit hun vriendschap met elkaar en met haar durven riskeren.
Hun kleding was nog niet helemaal droog, maar ze voelden zich al veel beter en vervolgden optimistisch gestemd hun weg. Ondertussen bleven ze goed opletten of er ergens gevaar dreigde. Aan de horizon daagde een bos op en na enkele uren liepen ze tussen eeuwenoude bomen. De ondergaande zon speelde tussen de bladeren en trok lange schaduwen. Hier zouden ze overnachten. Haio en Ulbo gingen sprokkelhout zoeken voor een vuurtje. Anna schrok op toen er een kreet klonk. Het was Haio, die even later aan kwam lopen met een vos. ‘Ik vond hem in een strik en heb snel m’n mes gebruikt.’ Hij bleek ervaring te hebben met het verwijderen van de huid. ‘Dat heb ik geleerd van m’n oom. Die schoot wel eens een ree met pijl en boog. Dat heeft hem trouwens letterlijk de kop gekost, want het was in het jachtbos van de heer.’
‘Stommeling’, riep Ulbo, ‘straks overkomt ons hetzelfde, omdat je dat dier uit een strik hebt gehaald.’
Daar was Haio het niet mee eens. ‘De edelen jagen. Ze zetten geen strikken. Dit kan alleen de buit van een stroper zijn. We stelen dus van een stroper.’
Ulbo schudde z’n hoofd. ‘Dat kan wel zijn. Maar als de heer van dit gebied ons aantreft met een dood dier, zal hij ons als stropers beschouwen en dan zijn wij de klos. Breng het dier terug naar de strik en kom dan direct terug.’
Haio stribbelde tegen, maar werd tenslotte door Anna overgehaald om datgene te doen dat Ulbo had gezegd. De laatste beetjes voedsel uit hun bepakking werden verorberd voor ze zich te rusten legden onder een grote eik.
De volgende ochtend wierp de zon al vroeg haar stralen door het gebladerde. Het beloofde een mooie dag te worden. Anna moest lachen toen ze het slaperige gezicht van Djurre ontwaarde onder een bos haar dat alle richtingen uitstond. ‘We zullen eerst wat koud water moeten vinden om jou wakker te krijgen’, plaagde ze.
Ze trokken steeds dieper het woud in, waarbij ze meermaals op hun schreden terug moesten keren om het pad naar het zuiden dat zij volgden terug te vinden en hun tocht te vervolgen. In de verte klonk het geluid van een blaashoorn. Plots sprong een hert vanuit de struiken voor hun voeten. Het dier was in paniek en snel weer uit beeld verdwenen. Direct hierna bereikten ze een opening in het woud en liepen ze het veld op. Ulbo vloekte toen hij de groep mannen zag. ‘Daar vluchtte het hert voor. Snel terug tussen de bomen!’
Ze draaiden zich om. Hun weg werd afgesneden door een drietal in lompen geklede mannen. Nu was de omsingeling compleet. De grootste van hen miste een oog en had een gebroken neus. Hij droeg een bijl in een hand en in de andere een lang mes. Ook de overige mannen oogden gemeen. Hun grijnzende gezichten voorspelden niet veel goeds. De drie jonge mannen gingen onwillekeurig beschermend om Anna heen staan. ‘Jeugdig vlees, Burk. Dat is een welkome onderbreking op dit uur van de dag.’
De grote man antwoordde: ‘Zeker Nef, we kunnen best een opkikkertje gebruiken, na alle ellende van de laatste tijd. Fried, bereid jij onze gasten eens voor op het festijn. Het is een mooie dag om wat te rollebollen in het gras.’
De man met een litteken van oor tot rechtermondhoek blafte naar de vier jonge mensen: ‘Uitkleden. Nú!’
Djurre, Ulbo en Haio trokken allen hun mes tevoorschijn en hielden het voor zich. De grote man barstte in lachen uit: ‘Ha, ha, pas op Fried. Ze hebben al babytandjes.’
Vóór de jonge mannen ook maar een kans hadden om hun mes te gebruiken, waren ze op vaardige wijze ontwapend en lagen ze op hun buik in het gras, terwijl Fried en twee makkers hun broeken afstroopten. ‘Kijk eens wat een malse billetjes.’
Er klonk luid gelach op uit de groep schurken. Elk van de jonge mannen werd door een bendelid tegen de grond gedrukt, terwijl een ander zich voorbereidde op de daad. Anna werd inmiddels door twee van de smeerlappen vastgehouden, terwijl er nog twee toekeken hoe Burk als leider van de bende gebruik ging maken van z’n positie. Hij had het eerste recht. Hoefgetrappel klonk op. De bendeleden waren in één keer genezen van hun geilheid en keken verschrikt op. Burk was de eerste die in het bos verdween. De anderen renden hem achterna. Twee, die hun broek nog ophaalden terwijl ze probeerden te rennen, werden als eersten vanaf de paardenruggen door een zwaard getroffen, hun hoofden gekliefd. De veertien ruiters hadden al snel de andere bendeleden achterhaald. Ze werden zonder pardon neergemaaid. Ondertussen kleedden Anna en haar drie beschermers zich snel aan.
Ulbo wendde zich tot de andere drie en zei: ‘Wees voorzichtig. Dit zijn edellieden, maar dat wil niet zeggen dat ze een haar beter zijn dan de bandieten die zij nu ombrengen. We zijn pelgrims op weg naar de paus in Keulen en om onze devotie te tonen voor Sint-Gereon. Deze edelen zijn Franken en dus meer beducht voor de machthebbers in de hoofdstad. Dat kan in ons voordeel zijn. Misschien laten ze ons met rust.’
De ruiters hadden hun taak volbracht en keerden terug naar de vier jonge mensen. Na hun verhaal aangehoord te hebben, bromde de oudste dat ze wel wat jong waren voor een pelgrimstocht. Ulbo hing daarna een verhaal op over hun tocht met meerdere pelgrims, een eerdere overval door bandieten en hoe ze elkaar waren kwijtgeraakt.
De ruiters bleken op jacht te zijn in dit woud. De jongste, Reinier, wees op een toren, die in de verte boven de boomtoppen uitstak. ‘Daar zit een wachter, die voor ons dit gebied in de gaten houdt. Hij laat een hoorn schallen als hij stropers ziet of een bende zoals deze. Daardoor werden we geattendeerd op de aanwezigheid van deze bandieten. Soms is de jacht op schurken leuker dan de jacht op herten en zwijnen.’ Hij liet daarbij een heldere lach opklinken.
Reinier en Richwin waren de zonen van de leider van deze ridders. Al snel was duidelijk dat ze in het gezelschap verkeerden van niemand minder dan Giselbert, graaf in de Maasgouw en sinds een jaar ook in de Lommegouw. Zijn macht strekte zich uit tot hier in het zuidelijk deel van de Brabantgouw. Reinier had op zachte toon overlegd met z’n broer en ging vervolgens naar z’n vader, die hij iets in het oor fluisterde. De oudere man schudde eerst het hoofd, maar na enig aandringen van de jonge edelman haalde hij z’n schouders op. Tevreden lachend zei Reinier tegen het groepje jonge pelgrims: ‘Jullie hebben iets extreems meegemaakt in onze bossen en daarom voelen we ons verplicht jullie van een goede maaltijd en nachtrust te voorzien, alvorens jullie weer op weg gaan naar Keulen.’ Richwin hielp Anna achter zich op z’n paard en Reinier en twee andere ridders deden hetzelfde met Ulbo, Haio en Djurre.
Niet ver hiervandaan bij een kleine nederzetting, Turnhout genaamd, stond een versterking, die de edelen gebruikten als jachtslot. Hier kruisten zich twee grote handelsroutes. Een korte rit volstond om ze naar het jachtslot te brengen. Eerder had Ulbo de begerige blikken van de broers naar Anna opgevangen. Deze twee waren niet te vertrouwen. Ze waren van de regen in de drup beland. Hoe konden ze hier weg komen? Duisternis bood de beste kans. Eerst was het noodzaak te weten wat de adellijke broers van plan waren. Hij zou ze niet uit het oog verliezen. Zodra ze op hun bestemming waren aangekomen, verontschuldigde hij zich dat hij zich moest ontlasten. Reinier en Richwin verdwenen in de stallen, terwijl de rest van het gezelschap naar binnen ging.
Richwin was met 21 jaar de oudste van de twee, maar zijn twee jaar jongere broer nam meestal het initiatief. ‘Ik weet dat jij het ook wil. We hebben het er eerder over gehad en toen wilde je maar al te graag. Ik laat me de kans op een samenzijn met zo’n lekkere meid niet ontnemen en praat me niet van een schending van het gastrecht. Dit zijn gewone mensen, geen edelen. Geen haan die ernaar kraait.’
Richwin sputterde tegen: ‘Maar vader zal…’
Reinier onderbrak hem. ‘Vader zal eerst even boos zijn, maar al snel daarna is het over. Het is te onbelangrijk. Desnoods geven we ze wat geld als dat je geweten sust’, grinnikte hij erbij.
Richwin keek zuur en zei: ‘Wat doen we met die drie knapen? Straks lig jij in je blote kont en springen ze op je nek.’
‘We zorgen ervoor dat ze zoveel te drinken krijgen dat ze als een blok slapen. We zetten twee wachters bij ze en mochten ze uit hun roes ontwaken, dan is een kleine tik snel gegeven.’
Ulbo was naar de achterkant van de stallen geslopen en had een plek gevonden waar hij de jonge edelen kon afluisteren. Hij hield zich heel stil en wachtte tot de twee broers zich verwijderden, toen ging hij snel z’n reisgenoten op de hoogte stellen en voegde eraan toe: ‘Doe straks dus net alsof je veel drinkt, maar zorg ervoor dat je het niet binnenkrijgt. Je moet een heldere kop hebben als we vannacht wegsluipen.’
Het lukte hem Anna even apart, buiten gehoorsafstand van anderen te spreken. ‘Zij denken dat we naar Keulen gaan en zullen niet in het zuiden zoeken. Als we wegblijven van de gebaande wegen, vinden ze ons vast niet.’
Anna zei: ‘Ik geloof niet dat ze een intensieve zoekactie op touw zullen zetten. Zoals je al zei, wij zijn té onbelangrijk. De graaf zou er geen goedkeuring aan geven.’
Hun slaapplek bleek in de stallen te zijn en niet in het hoofdgebouw. De broers hadden waarschijnlijk deze locatie uitgezocht om hun plannen buiten het gezichtsveld van hun vader te houden, maar nu vergemakkelijkte het juist hun heimelijke vertrek. Er was nog geen handlanger van de broers te bekennen, overtuigd als ze waren van de dronkenschap van de drie jonge mannen. Op het moment dat Anna binnenkwam om te gaan rusten, stonden ze gereed voor vertrek. Al snel werden ze door het woud opgeslokt. De broers zouden wat later in de nacht op hun neus kijken.
Op hun tocht richting Loven moesten ze wel vijf grotere en kleinere rivieren oversteken. Dat vertraagde hun voortgang aanmerkelijk. Steeds weer moest worden gezocht naar een veerman of een brug en die waren natuurlijk bij de doorgaande wegen te vinden. Na zo’n oversteek weken ze weer af van de weg door verder stroomopwaarts of stroomafwaarts het bos weer in te gaan. Het terrein werd ook heuvelachtiger. Ze kwamen daardoor niet zo snel vooruit. Er waren 7 dagen verstreken sinds hun vertrek uit de stallen van het jachtslot voor ze het aandurfden de hoofdweg te volgen. Na nog eens drie dagen zagen ze de toren van de Sint-Pieterskerk. Deze stad was de hoofdstad van het gelijknamige graafschap, dat door twee rivieren en twee beken werd begrensd, de Demer, de Dijle, de Wasbeek en de Lobeek. Zijn functie als hoofdstad dankte Loven aan de gunstige ligging aan de Dijle en de heerweg van Boulogne naar Keulen. Het viertal had overleefd op de hun door graaf Giselbert verstrekte leeftocht en datgene wat zij in de bossen hadden gevonden en gevangen. Nu konden ze een goede maaltijd genieten en inkopen doen. Djurre ging bij de kade informeren naar transportmogelijkheden. Het bleek mogelijk tegen betaling mee te varen met een koopman, die zijn handelswaar op een aantal punten stroomopwaarts langs de rivier verkocht. Op een gegeven moment werd de rivier aan de bovenloop onbevaarbaar en daar zou de koopman hen van boord laten, waarna ze hun tocht weer te voet moesten vervolgen. Daar zouden ze het Kalifaat van de Omajjaden binnengaan. Een aantal grotere en kleinere rivieren, waartussen een lijn kon worden getrokken van west naar oost, vormde de grens tussen het christelijke rijk van Lotharius en het islamitische rijk.
Na het oversteken van de grensrivier, de Hene, zagen ze een burcht in aanbouw boven op een heuvel. Ze naderden de stad in gespannen verwachting. Dit was islamitisch grondgebied. Zo op het oog was het een gewone stad, gebouwd rond een kasteel. Hierin had de graaf van dit gebied gewoond, voordat de stad werd veroverd door de Omajjaden. De meeste mensen zagen er gewoon uit, maar er liepen ook mannen in de lange gewaden, waarvan Anna een voorbeeld had gezien in Dorestad.
Op zoek naar Moussa
Winter 868 n.Chr.
De vier jonge mensen werden opgeschrikt door een luid vibrerend gezang. Niet begrijpend keken ze om zich heen. Wat was dit? Zulk gezang hadden ze nog nooit gehoord. Bij de marktkraam waar zij zich op dat moment bevonden, moest de koopman lachen om de verbijsterde uitdrukking op hun gezichten. ‘Hebben jullie dat nog nooit gehoord? Het is vrijdag. Het is de oproep tot het gebed. De moslims komen elke vrijdag bij elkaar in de moskee om gemeenschappelijk te bidden en naar de preek te luisteren.’
Niet begrijpend keek Anna de marktkoopman aan. ‘De moskee?’
De man zuchtte: ‘Ja, zeg maar een kerk, maar dan voor de moslims. Wat de christenen op zondag doen, doen zij op vrijdag.’
Ulbo wilde weten of er veel moslims in de stad woonden en kreeg te horen dat er eigenlijk alleen in het grafelijk kasteel een vertegenwoordiger van het Kalifaat was met zijn entourage en voegde eraan toe dat het binnenkort wel zou veranderen. Op de naastgelegen heuvel was een burcht in aanbouw en daar zouden soldaten worden gelegerd.
Anna riep uit: ‘Welk van die 2 kerken is dan een moskee?’
Ze wees naar twee gebouwen die in verschillende windrichtingen stonden.
‘Ah, nee.’ De man wees: ‘Dat is de toren van de abdij. Die is door de heilige Waldetrudis gesticht en dat daar is de Waldetrudiskerk, die later is gebouwd. De moslims verzamelen zich in een ruimte in het oude grafelijk kasteel. Daar is hun gebedsruimte. Ik heb gehoord dat ze in het zuiden wél moskeeën aan het bouwen zijn. Dat zal hier ook wel gebeuren als het aantal moslims groeit.’
Ulbo zei dat hij nog nooit van de heilige Waldetrudis had gehoord.
Daar ging de koopman op in. ‘Ze is officieel geen heilige, maar voor de inwoners van Bergen is zij dat wel. Haar stoffelijk overschot is begraven in de kleine kloosterkerk. Tweehonderd jaar geleden is ze hier, na de opvoeding van haar vier kinderen, een religieuze gemeenschap begonnen en ze leefde een leven van gebed en liefdadigheid. Ze zeggen dat ze kinderen kon genezen met een kruisteken en het geld voor de arme mensen vermenigvuldigde zich op wonderbaarlijke wijze.’
Ulbo was vrij sceptisch waar het zulke verhalen betrof. Waar je ook kwam klonken dit soort verhalen. Het leek wel of de heiligen door een fanatieke boer waren gezaaid, zoveel waren er. Ze bedankten de man en liepen verder.
‘Wat doen we nu?’, vroeg Haio. ‘Blijven we hier of gaan we door naar Parisi?’
Djurre wist van een oom dat het hier in de winter best koud kon worden. In december regende het meer dan in andere maanden en ook de sneeuwval kon flink zijn.
Ulbo vertolkte hetgeen Anna ook voelde: ‘Maar, ik vind het geen aanlokkelijk idee om in deze stad een hele winter door te brengen. Als we nu vertrekken kunnen we eind december in Parisi zijn.’
‘Ja, nu we zo ver zijn gekomen, wil ik het einddoel graag zo snel mogelijk bereiken’, voegde Anna hieraan toe. Ze besloten de volgende dag te besteden aan het aanschaffen van warmere kleding en deze nacht, alsmede de volgende, als pelgrims in de abdij door te brengen.
In de met regelmaat neerdalende regen was het landschap moeilijk begaanbaar. Het vocht drong overal in door. In eerste instantie waren ze dankbaar toen de regen overging in sneeuw, maar al snel merkten ze dat ze hierdoor nog minder snel vooruitkwamen. Ze kwamen weer in een groot bos terecht. Regelmatig viel er een pak sneeuw uit een boom en dat glibberde vaak al smeltend tussen hun kleding. Allemaal werden ze wel een keer getroffen, hoe oplettend ze ook waren. Uiteindelijk werd de sneeuw weer dunner en ging over in een miezerregen. De sneeuw smolt zienderogen. Ze voelden zich ellendig. Eindelijk kwam Saint-Quentin in zicht en ze besloten hier twee dagen te besteden aan het op temperatuur brengen van hun lijven en het herstel van hun moreel. Er was een grote abdij, waar ze konden overnachten. Er waren meerdere pelgrims aanwezig. Deze bezochten de abdij om de zegen af te smeken van de hier begraven Sint-Quintinus, een missionaris die in deze streken werd vereerd en waarnaar de stad was vernoemd. Djurre grapte tegen Ulbo: ‘Hee, die boer van jou is hier ook al geweest.’
Anna moest lachen toen ze het niet begrijpende gezicht van Ulbo zag en riep: ‘Hij heeft het over die boer die volgens jou alle heiligen heeft gezaaid.’
Ulbo vertrok hierop zijn mond als een boer met kiespijn. Van een monnik hoorden ze dat Saint-Quentin, de hoofdstad van Vermandland was. Een graafschap dat nog maar kortgeleden was gecreëerd uit twee burggraafschappen en dat onder leiding was komen te staan van een directe afstammeling van Karel de Grote, Pepijn van Vermandland. Hij had niet lang van z’n titel en graafschap kunnen genieten, want het leger van de Omajjaden had hem verjaagd en Vermandland bij het Kalifaat gevoegd. Anna vroeg de monnik hoe het nu ging onder islamitische leiding. Mocht de abdij blijven staan? Botste het christelijk geloof niet met de godsdienst van de Moren?
‘Nee hoor’, zei de monnik. De islam beschouwt de christenen als volk van God en beschermt ons. Ze noemen ons “dhimmis”. Ik weet niet wat dat betekent, maar ik heb het idee dat ze ons een beetje zien als een klein broertje dat de weg nog niet weet.’
Naderhand zei Ulbo tegen z’n vrienden dat de islamieten wat dat betreft de andersgelovigen vriendelijker en respectvoller behandelden dan de christelijke kerk in Kinhem de Friezen met hun geloof in Donar en Wodan.
Nadat ze bijgekomen waren van hun winterse reis vanuit Bergen, vertrokken ze naar een volgende halteplaats op de weg naar Parisi. Volgens de vriendelijke monnik was dat Compiène. Daar zouden ze met een boot verder kunnen reizen naar hun einddoel over de rivier de Oise.
Gelukkig hield het weer zich goed. Ze genoten die avond de gastvrijheid van een boer en sliepen de tweede avond dicht tegen elkaar voor de warmte in de beschutting van enkele struiken. De wind was aangewakkerd en maakte een fluitend geluid. Huiverend in deze wind, hadden ze alleen de beschikking over hun lichaamswarmte.
Half december bereikten ze Compiène. Hier kwamen twee rivieren bij elkaar. Hopelijk vonden ze een koopman, die bereid was hen mee te laten varen naar Parisi.
Het geluk was met hen, hoewel Djurre het daar niet helemaal mee eens was. Een oudere man wees hun de weg, naar een platbodem, die gereed was voor de afvaart. Op hun vraag of die boot de goede kant op ging, lachte de oude. ‘Vanaf hier kan een boot maar één kant op, stroomafwaarts. Stroomopwaarts is de rivier niet meer bevaarbaar.’
Tot zover hun geluk. Djurres pech was dat de man hierna een heel verhaal over de rivier en Compiène begon. Hij vertelde over een onderlinge oorlog tussen de Franken, waarin een grote veldslag werd geleverd bij deze stad, na de dood van hertog Pepijn van Herstal. Het verhaal ging eindeloos door en bleek zich meer dan 150 jaar eerder te hebben afgespeeld. Djurre verzuchtte achter z’n hand: ‘Hij doet net of hij daar mee heeft gevochten. Zou het soms Methusalem zijn?’
Ulbo grinnikte besmuikt. Uiteindelijk liet de man hen gaan. Toen ze er een stevige pas inzetten naar de kade waar de boot lag afgemeerd zei Djurre: ‘Het lijkt wel of we zelf net aan het strijdgewoel van de woeste Franken zijn ontkomen. Ik zou wel eens willen weten hoe hij het leven nu vindt onder het Kalifaat. Ik ga het hem echter niet vragen, want dan zijn we zo drie dagen verder en missen we waarschijnlijk de boot.’
Anna lachte haar heldere lach en wees: ‘Daar ligt hij.’
Ze konden een redelijke prijs overeenkomen met de eigenaar van de boot voor hun vervoer over de rivier.
De boot mat ongeveer 8 el en was vrijwel geheel open. Het had één doft waarop de roeiers plaats konden nemen en had een mast met een sprietzeil. De vierkoppige bemanning was druk in de weer. De eigenaar was tevens de kapitein. Na korte tijd riep hij: ‘We gaan schoot’ en dat was kennelijk het teken om te vertrekken. Ze duwden af van de wal en werden gegrepen door de stroom, die hen in een rustig ritme bracht. Het zeil werd gehesen. Ze zouden nu stroomafwaarts blijven gaan tot de grote rivier waarin de Oise uitmondde. Anna besloot dat dit de perfecte manier van reizen was. Natuurlijk had zij eerder in een boot gevaren, maar de herinnering aan het moeizame geploeter tijdens haar vlucht van Hallem naar Vellesan stond nog in het geheugen gegrift. Stroomafwaarts varen op een rustige rivier was beter dan het gesleep van een boot door ondiepten en over land. Bovendien was het wel zo prettig als een ander aan de riemen trok. Ze genoot van de reis en koesterde haar gezicht in het winterzonnetje.
‘We varen tot aan Conflans aan de Seine. Daar verlaten jullie de boot, want wij varen door naar het westen, naar Honfleur’, zei de kapitein.
‘Vaar je niet naar Parisi?’, vroeg Ulbo.
‘Nee, onze handel is met Honfleur. Maar het is stroomopwaarts slechts vijf uur varen naar de hoofdstad. Er is vast wel een schip dat je mee wil nemen’, antwoordde de kapitein.
De stad was al van verre zichtbaar. Kenmerkend waren de torens, waarvan één op het eiland in de rivier vooral opviel door de gelaagde opbouw. Het leek alsof er een steeds kleinere toren bovenuit de eerste groeide. De derde trap werd bekroond door een bol met een halve maan erop. Met open mond keken ze naar de naderende toren die geheel uit steen was opgebouwd. Het schip vond een aanlegplaats aan de linkeroever van de Seine. Gevieren stonden ze op de kade. Deze stad overtrof hun stoutste dromen. Niet alleen was het verreweg de grootste die elk van hen ooit had gezien, maar aan alle kanten waren imposante stenen gebouwen te zien: Torens en koepels en een grote brede weg die naar het noorden, richting het eiland, liep en daar een brug bereikte. Aarzelend keken de drie jongemannen naar Anna tot Ulbo vroeg: ‘Wat ga je nu doen, Anna?’
‘Ik heb de naam van een neef van de Moorse koopman, die ik in Dorestad ontmoette. Hij zei dat die mij zeker zou helpen bij het zoeken naar Kybbe.’
Haio viel in: ‘Maar hoe ga je die zoeken in deze enorme stad?’
‘Net als in Dorestad, navragen aan de kade. Daar moet vast een koopman te vinden zijn die hem kent.’
‘Dan moeten we eerst een plek zien te vinden die als uitvalsbasis kan dienen voor je zoektocht’, zei Ulbo.
Maar Anna vond dat niet nodig. ‘De Moorse koopman zei dat z’n neef mij onderdak zou geven en voor m’n veiligheid zou zorgen.’
‘In dat geval gaan we met je op zoek naar die man. We nemen geen afscheid vóór we hem hebben gevonden.’
Dankbaar keek Anna naar haar reisgenoten. ‘Laten we dan beginnen. Jullie zijn schatten.’
In Bergen en Compiène hadden ze al Arabieren gezien, maar hier werd het straatbeeld in veel grotere mate door hen bepaald. Bij deze koude droegen velen een mantel van kamelenhaar.
Moussa Bennani leek hen een bijzondere naam, maar er ontstond grote verwarring onder de mannen. In de oren van Anna klonk het alsof ze een stevige ruzie hadden. De man die hun woorden had vertaald deed net zo hard mee.
De groep groeide snel aan en het geluidsniveau van de vreemde taal nam toe, omdat ze allemaal door elkaar praatten en er bovenuit probeerden te komen. Kennelijk kende iedereen wel een ‘Bennani’ en verkeerde elk van hen in de veronderstelling dat het om de door hun aangedragen persoon ging. Totdat een man iets riep waardoor iedereen in lachen uitbarstte. Anna tikte de vertaler op de schouder. Deze keerde zich om en vertelde dat de man die geroepen had, ook Bennani heette en door een van de anderen werd genoemd. Waarop hij had gezegd dat hij naast de spreker stond en zeker wist dat hij niet werd bedoeld. Dat had de lachlust opgewekt. Hij was zeilmaker en geen koopman. Deze ambachtsman zei nog iets en Anna’s gesprekspartner vertaalde het direct: ‘Hij vraagt waarom jullie het niet gaan vragen in het Tolhuis. Daar wordt alles wat hier verhandeld wordt geadministreerd. Je had het over een neef die handeldrijft in het noorden? Vraag dan welke schepen met handelswaar uit het noorden zijn gekomen. Het is je beste optie.’
In eerste instantie waren ze optimistisch gestemd navraag gaan doen. Toen bleek dat de naam van de man die ze zochten kennelijk zo algemeen was, zonk de moed hun in de schoenen bij het onderlinge gekibbel van de Arabieren. Maar uiteindelijk bleek het in het Tolhuis veel eenvoudiger dan het op de kade had geleken. Een boodschappenjongen werd met hun meegestuurd naar het huis van de koopman. De jongemannen wilden Moussa Bennani met eigen ogen zien en spreken voor ze bereid waren Anna los te laten.
Moussa ontving hun met open armen, nadat Anna de aanbeveling van z’n neef had genoemd. Het werd een heel gemoedelijk gesprek, waarbij ze op allerlei lekkernijen werden getrakteerd. Ze konden Anna met een gerust hart onder de hoede van deze man laten. Er volgde een nogal emotioneel afscheid. Misschien zou het lot hen nog eens bijeenbrengen.
‘Inshallah’, voegde Moussa eraan toe.
De eerste dagen in dit huis werden besteed aan kleding voor Anna en allerlei spullen, die ze volgens Moussa’s dochter Fatima nodig had. Het werd een onderdompeling in de cultuur van het Omajjaden rijk. De zoektocht naar Kybbe werd ook aangevangen. Moussa zei dat al z’n voelhoorns uitstonden. Zijn contacten zouden het zeker komen melden als ze iets opmerkten dat richting een blonde noorderling wees. Anna stond te popelen om zelf op zoek te gaan. Voor deze expeditie was niet alleen Fatima beschikbaar, maar ook een stevige moslim, die als beschermer functioneerde. Moussa was onverbiddelijk. ‘Je hebt niet alleen een tolk nodig in deze stad. De wetten zijn weliswaar streng, maar er zijn altijd overtreders. Er lopen overal onbetrouwbare types rond. Fatima kan voor je vertalen en bemiddelen, maar ik laat haar niet zonder bescherming alleen in Parisi rondlopen.’
Anna leerde veel van Fatima. Alle facetten van het leven in deze stad werden benoemd. Het maakte haar des te nieuwsgieriger. Veel was niet te bevatten, maar wat vooral ergerlijk was, vond ze, was de moeizame communicatie, waarvoor Fatima als tussenpersoon nodig was. Ze probeerde zoveel mogelijk van de taal op te vangen en te begrijpen. Toen ze dit Fatima vertelde, reageerde de jonge vrouw enthousiast. ‘Ik ga je helpen de taal te leren.’
‘Kun je me dan ook helpen met het schrift?’ Het Latijnse alfabet ken ik, maar dit is zo anders. Ik herken geen enkel opschrift. De moskee die je me liet zien, had prachtige versieringen, maar ik zou het niet als schrift hebben herkend, als je me het niet had verteld.’
Fatima wilde haar graag helpen: ‘Luisteren, spreken, lezen en schrijven leer je het beste in combinatie. We starten meteen.’
De dagen gingen voorbij in grote regelmaat. Anna was snel gewend aan het ritme dat de dag van een gelovige behelsde. De repetitie van gebeurtenissen droeg bij aan een snellere kennisverwerving. De vrijdagmiddag was de tijd voor het moskeebezoek, maar Anna bracht de dag met Fatima en de vrouwen die voor het huishouden zorgden thuis door.
Op een dag nam Fatima haar mee naar een hamam. Ze liepen langs de noordelijke oever, waar haar vriendin naar de overkant wees.
‘De andere oever van de rivier is heel moerassig. Daarom zijn ze nu bezig met de drooglegging. De bevolking is snel gegroeid sinds dit de Wilaya van het Kalifaat voor het noordelijke deel werd. Er zijn meerdere bruggen over de rivier gebouwd en voor vele nieuwe gebouwen kunnen we het kalksteen gebruiken dat hier ter plekke wordt gewonnen.’
Anna keek weer met ontzag naar de vele stenen torens die op regelmatige afstand van elkaar in het straatbeeld te zien waren. Fatima had haar uitgelegd dat vanaf deze minaretten de muezzin opriep tot het gebed. Fatima had haar al een groot deel van de stad laten zien, waarbij ze Anna geduldig elke nieuwigheid uitlegde.
Fatima had veel belangstelling voor de bad rituelen. De hamam was haar stokpaardje en ze kende de geschiedenis ervan. Zo vertelde ze dat er overal in het Kalifaat hamams te vinden waren en dat de Romeinen al lang geleden badhuizen bouwden. Ook hier in Parisi. Die waren echter allemaal verdwenen, op één na. Die was na de inname van de stad gerestaureerd en weer in gebruik genomen. Ze vertelde ook dat er wel verschil was tussen de Arabische badhuizen en die van de oude Romeinen. Inmiddels waren ze op hun bestemming gearriveerd en gingen de hamam in.
‘Hier kleed je je om. Je slaat deze doek om je heen en trekt deze houten schoentjes aan, zodat je niet uitglijdt op de natte vloer, want die kan heel glad zijn. We gaan eerst de hete ruimte in. Die is gevuld met stoom en het is de bedoeling dat je daar gaat liggen, zodat je al het vuil uitzweet.’
Anna volgde de instructies van Fatima en ging de ruimte binnen. Stoom sloeg in haar gezicht en in eerste instantie zag ze niets. Ze kreeg het echter benauwd toen ze zag dat er in de mistige ruimte nog meer mensen aanwezig waren. Fatima stelde haar gerust. ‘Er zijn hier alleen vrouwen. Misschien is er wel een bruidje bij, want ieder meisje gaat schoon haar huwelijk in.’
Nieuwsgierig keek Anna om zich heen. De vrouwen waren gezellig aan het keuvelen. Er werd gelachen terwijl ze elkaar overgoten met warm water en inwreven. Fatima liet haar plaatsnemen op een warm platform. Na enige tijd volgde zij het voorbeeld van de vrouwen. Het was zalig het warme water te voelen stromen en toen begon Fatima haar met olie in te wrijven en haar huid te kneden. Zoiets heerlijks had ze nog nooit beleefd. Fatima trok een ruwe handschoen aan, waarmee ze Anna’s lichaam stevig schrobde. Aan het einde van hun bezoek aan de hamam kwamen ze in een koele ruimte, waar ze zich afdroogden en plaatsnamen op een rustbank.
‘Heerlijk’, verzuchtte Anna. ‘Hier ga ik een gewoonte van maken. Als ik met Kybbe terugkeer in Kinhem, moet hij een hamam voor me bouwen.’
Er waren 4 maanden verstreken sinds haar aankomst in Parisi en er was geen enkel teken van Kybbe gevonden. Moussa vertelde haar dat geen van z’n nasporingen had geleid tot ook maar een flintertje informatie over Kybbe. Uiteindelijk hadden zijn kennissen meer dan 300 blonde jongelingen nagetrokken, maar telkens weer bleek het niet om Kybbe te gaan.
Anna was zelf elke bouwplaats in Parisi afgegaan voor informatie. Haar kennis van het Arabisch was inmiddels zodanig dat zich er duidelijk in kon uitdrukken. Er werd druk gebouwd in deze stad, die zienderogen in omvang toenam. Kybbe zou zich vooral aangetrokken voelen tot de moskeeën, met hun prachtige koepels en minaretten. Aangezien niemand op deze plekken haar iets over een noorderling, die werk had gezocht kon vertellen, was het duidelijk dat Kybbe nooit in Parisi was gearriveerd. Ze kwam tot een besluit en zei tegen Moussa: ‘Ik voel dat Kybbe nog in leven is. Als hij niet hier is, moet hij naar een plek zijn gegaan waar alles nog grootser is. Ik ga naar Córdoba.’
‘Goed,’ zei Moussa. ‘Ik zie dat je vastbesloten bent. We zullen kijken op welke manier je daar kunt komen.’
DEEL 3
Ontmoeting met een monnik
De machtige torens waren al van verre te zien. Na al die maanden was daar dan eindelijk Keulen. De reis had hij in eerste instantie te voet afgelegd, waarbij hij een aantal rustpunten had gekend. Enkele keren had hij werk gevonden en was daar wat langer blijven hangen, ondanks zijn honger naar nieuwe kennis. De reis had hem echter ook nieuwe kennis opgeleverd. In Numaga waren de praktijklessen van zijn vader in het bouwen hem van pas gekomen in de palts. Op de heuvel uitziend over de rivier, had Karel de Grote een eeuw terug een versterking laten bouwen. Naast het paleis waren er gebouwen voor het hof personeel en voor de militairen. Het bood onderdak aan honderden mensen. Kybbe had meegewerkt aan herstelwerkzaamheden aan het hoofdgebouw en de kapel. De bouwmeester was zeer te spreken geweest over de snelle leerling. Maar Kybbe wilde meer. Hij wilde naar Keulen, waar nieuwe stenen gebouwen werden neergezet in de snelgroeiende zetel van de paus. Er was een druk verkeer op de Waal. Onderaan de heuvel van de palts van Numaga bevond zich een handelsnederzetting aan de rivier. Zijn reis door het Duitse gebied kende een aantal stopplaatsen, waar hij veel leerde door gesprekken met verschillende bewoners van het rivierengebied. Zo sprak hij nu vloeiend de Duitse taal. Niet alleen had hij het land bewerkt en timmerklussen gedaan, maar hij was ingevallen voor een herbergier, die beide benen had gebroken toen hij onderhoud deed aan het dak. Kybbe had de klus afgemaakt en de herbergier had hem gesmeekt zijn taken tijdelijk over te nemen. Dat was leuk en gevarieerd werk geweest. Het werd alleen benauwend toen de herbergier na zijn herstel het idee had dat Kybbe een perfecte schoonzoon zou zijn. Hij had natuurlijk geen amoureuze betrekking met het meisje moeten aanknopen, maar de verleiding was te groot geweest, toen ze hem overvallen had in z’n slaapkamer. Hij verweet zich z’n hardheid van lichaam en slapte van geest van dat moment. Hij had het laten gebeuren en daarmee waren er verwachtingen gewekt. Het meisje was lief en mooi, maar hij kon zichzelf niet z’n droom ontnemen en was doorgereisd.
Het was eind augustus en voor z’n ogen ontrolde zich nu het spektakel van een moderne stad, die in niets leek op het vlek Vellesan. Veel groter dan de bisschopsstad Utrecht of het aloude Numaga, waar hij voor het eerst had gezien dat de Romeinen al eeuwen geleden met steen bouwden. Karel de Grote had zich niet voor niets een kleine eeuw geleden tot keizer laten kronen. Hij wilde in de voetsporen van die illustere Romeinen treden en nu de paus zich in de landen van Karel’s nageslacht had gevestigd zou dat zeker werkelijkheid worden voor het Frankische Rijk.
Kybbe keek z’n ogen uit. Hier recht voor hem stond een stenen gebouw, zo groot dat het haast onwerkelijk leek. Het bleek dat het gebouw er al honderden jaren stond. Het was een basiliek, een Romeins bouwwerk, uit de tijd dat Keulen een belangrijke stad was in het grote Romeinse Rijk. Maar nu, zo hoorde hij, was het onderdeel van het sticht van de bisschop. In dit gebied had de bisschop in theorie het wereldlijk gezag, maar met de komst van de paus negen jaar daarvoor, waren de taken van deze bisschop behoorlijk ingeperkt. Kybbe raakte in gesprek met een geestelijke, die hem vertelde over de verering van de martelaren van het Thebaanse legioen op deze plek. Eén van hen was de patroonheilige van de kerk, St.Gereon. Zo kreeg hij het verhaal te horen van het Romeinse legioen, dat zich massaal had bekeerd tot het christendom en daarop waren de soldaten 6 eeuwen geleden de martelaarsdood gestorven, omdat zij keizer Maximus ongenoegen opwekten, toen zij weigerden voor hun opmars te offeren aan de goden. Ze werden ter dood veroordeeld, gemarteld en vervolgens onthoofd en in een diepe put gesmeten. De geestelijke vertelde daarna dat de moeder van keizer Constantijn later boven deze put de kerk had laten bouwen om de beroemde Keulenaar uit het verleden te eren. Kybbe was verbijsterd toen hij hoorde dat het legioen had bestaan uit 6666 soldaten. Het verhaal leek hem te onwaarschijnlijk. Hoe kon een heel legioen in één keer bekeerd worden en zo vast geloven, dat de soldaten bereid waren daar een marteldood voor te sterven? Door z’n ervaringen, was hem duidelijk geworden dat geen enkele groep zo’n eenheid vormde. Er waren altijd mensen met afwijkende ideeën. Sommigen namen voortdurend een ander standpunt in. Geld was vaak de grootste motivatie, mensen waren omkoopbaar. Hij begreep wel dat zo’n verhaal een grote invloed kon hebben op gelovigen.
De geestelijke had er plezier in de duidelijk geïnteresseerde jongeman rond te leiden in de basiliek. Hij toonde Kybbe het koor, waar de gezangen van priesters en monniken klonken Dit werd afgesloten met een apsis, waar het altaar met daarachter een fraaie zetel zich bevonden. Dit was de zetel van de bisschop, zo vertelde de witharige priester. Maar nu zat hier met grote regelmaat paus Nicolaas, die als bijnaam ‘de Grote’ droeg. De apsis bevond aan de oostzijde van het gebouw. Kybbe zag dat het middenschip geflankeerd werd door twee zijbeuken en dat deze zijbeuken lager waren, waardoor er licht binnenviel door de ramen hoog in de muren. Hij zag hoe het gewicht was verdeeld over de dragende muren. De zuilen binnen waren op gelijke afstand van elkaar geplaatst en werden bekroond door bogen. Bij de apsis werd het dak ook nog ondersteund door een boog die haaks op de zuilenrij stond en de twee rijen met elkaar verbond. Hoe kundig waren die Romeinen eeuwen geleden al geweest! Zo moest het ook in Kinhem gebeuren. Het transport van stenen zou het wel moeilijk maken, want nergens op zijn geboortegrond waren zulke stenen te vinden.
Het gezang dat nog steeds opklonk was van een onaardse schoonheid, de woorden kon hij echter niet verstaan.
Na afscheid te hebben genomen van de geestelijke, liep hij nog een rondje om het gebouw. Hij lette op de structuur en de opbouw en nam grote stappen om een idee van de maatvoering te krijgen. Het was ontzagwekkend. Deze dag zou hij besteden aan het verkennen van de stad. De bouwprojecten hadden daarbij prioriteit. Hij popelde van verlangen om te kunnen werken aan een soortgelijk gebouw en verdere kennis op te doen.
Hij kwam op een terrein aan de zuidkant van de stad waar allerlei grafmonumenten waren te zien. Dit was Kybbe volslagen onbekend. Verbijsterd keek hij naar een monument dat wel een heel gebouw leek, waarvan de bewoner tussen twee zuilen stond. Het beeld was prachtig en leek levensecht. Het was van witte steen gemaakt. Ook de plooien van z’n kleding waren schitterend in hetzelfde materiaal uitgevoerd. Als je er vlak voor stond moest je je hoofd in je nek leggen om hem te kunnen zien, want z’n ‘huis’ stond bovenop stenen die met bloemenslingers waren versierd en waarvan de hoeken op zuilen leken. Er waren allerlei afbeeldingen en versieringen te zien. De dakrand van het ‘huis’ werd bekroond door een klokvorm met aan weerszijde een figuur op de hoeken. Letterlijk alles was van steen gemaakt. De tekst was in het Latijn, de taal van de Romeinen. Hij spelde de inscriptie, maar de woorden die hij hardop uitsprak kregen er geen betekenis door. Een stem achter hem zei dezelfde tekst, die uit zijn mond heel anders klonk. Kybbe draaide zich om. Het was een monnik in een eenvoudig gewaad. ‘Er staat dat dit het monument is voor Lucius Poblicus, een veteraan van het 5de Legioen en voor zijn dochter en ook voor zijn vrouw en zoon als die overlijden. Dat is de korte versie. Ik heb het niet exact vertaald.’, lachte de gerimpelde monnik vriendelijk. ‘Werden alle Romeinen zo begraven?’, vroeg Kybbe aan de goedlachse monnik.
‘Nee, natuurlijk alleen degenen die het zich konden veroorloven. Het was behoorlijk duur.’ De monnik stelde zich voor als broeder Basilius en vertelde dat hij een Benedictijner monnik was. Kybbe werd gecorrigeerd toen hij vroeg welke rang broeder Basilius had in de kerk.
‘Ons klooster is onafhankelijk van de kerkelijke organisatie. Wij volgen de regels van Sint-Benedictus en leggen de geloften van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid aan onze abt. Dat betekent dat we in ons klooster alle bezittingen verdelen en dat we ons richten op spirituele verdieping en werken voor de gemeenschap.’
Kybbe wierp tegen: ‘Maar geestelijken en edelen werken toch nooit?’ Basilius gaf als antwoord hierop dat het voor monniken anders was. ‘Weet dat luiheid de vijand is van de ziel. Daarom moeten wij op bepaalde tijden handarbeid verrichten en op andere tijden de heilige geschriften bestuderen.’ Hij liet hierbij zijn eeltige handen zien, die duidelijk blijk gaven van het verrichten van handarbeid. ‘Er zijn broeders die zich toeleggen op het kopiëren van manuscripten. Zij bestuderen ook de geschriften van de oude Griekse en Romeinse filosofen. Zo behouden wij kennis die anders verloren zou gaan.’
Kybbe was onder de indruk. Er vormde zich een idee in z’n hoofd, waardoor hij vroeg: ‘Bestaan er nog Romeinse boeken, waarin hun bouwprocessen staan beschreven?’ Als dat het geval was zou het de moeite lonen om Latijn te leren. Een monnik als Basilius zou hem daarin wegwijs kunnen maken.
Broeder Basilius antwoordde hem dat zijn klooster slechts religieuze boeken in de bibliotheek had en dat hij geen kennis had van werken waarvoor Kybbe belangstelling toonde. ‘Ik denk dat je daarvoor in Constantinopel of Alexandrië moet zijn. Maar ik ben er niet zeker van of je daar vindt wat je zoekt. Volgens de laatste berichten van kooplieden dreigt er een oorlog tussen de Bulgaarse troepen van Knyaz Michael I en de Byzantijnse keizer. Tja en Alexandrië ligt in Egypte, midden in het Kalifaat. Het schijnt dat ze de Romeinse bibliotheek intact hebben gelaten, maar ik weet niet of het daar veilig is voor een christen. Kybbe hield wijselijk zijn mond. Het leek hem niet raadzaam deze broeder te vertellen dat hij geen geloof had in diens God. Kerken waren interessant als gebouwen op zich. De kerk van de paus had macht en geld en kon zich dus zulke bouwwerken veroorloven. Het doel waarvoor zulke gebouwen werden gebruikt interesseerde hem niet zo.
Zijn zoektocht door de stad deed Kybbe belanden bij een enorme bouwplaats, waar de bouw van een nieuwe kerk al in een ver gevorderd stadium verkeerde. Het werd een zeer grote drieschepige basiliek, maar er werd hier iets totaal nieuws gedaan, want het leek of er een ander gebouw haaks op het schip kwam te staan. Sterker nog, het ging er dwars doorheen! Hier moest hij meer van weten. Dit was de plek waar hij wilde werken. Kybbe besloot zich direct te melden bij de bouwmeester.
Het was gelukt hij had werk gekregen als steenwerker. Hij had de bouwmeester overtuigd van zijn vakkennis. In Numaga had hij gewerkt met mergel en kalksteen, maar ook met zandsteen uit Bentheim en blauw hardsteen. Hij zou per werkstuk worden betaald. Elk werkstuk merkte hij met 3 korte lijnen haaks op een horizontale lijn. Er wachtte hem in zijn capaciteit van steenwerker een belangrijke klus. Er moest een grote kalkzandstenenplaat in het koor worden geplaatst. Dat moest met grote voorzichtigheid gebeuren, want deze plaat was al meer dan 400 jaar oud. Er stond een inscriptie op van Clematius. Kybbe liet zich vertellen dat de ingegraveerde Latijnse tekst handelde over het martelaarschap van verscheidene maagden in Keulen. Volgens deze tekst zouden de martelaressen hier zijn gestorven.
Al snel viel Kybbe op, door zijn meer algemene kennis van het bouwen. Enkele keren loste hij een probleem op de bouwvloer zodanig op, dat hij in het oog sprong van Cornelius, de bouwmeester. Ze raakten steeds meer in bouwtechnische gesprekken verwikkeld. Cornelius had duidelijk schik in de leergierigheid van de jongeman en had aan de andere kant bewondering voor diens oplossingsvermogen.
Hij maakte makkelijk vrienden. Iedereen wist dat hij op Kybbe’s hulp kon rekenen als zich een probleem voordeed. De houtbewerker Gerhard werd zijn beste vriend. Gerhard wist de Keulse plekjes waar je goed kon ontspannen en waar je prima in gezelschap van je makkers kon eten en drinken.
Toen de assistent van de bouwmeester half oktober door ziekte werd getroffen, werd Kybbe tot diens grote verrassing door Cornelius als zijn assistent aangesteld. Het gebouw naderde z’n voltooiing. Vermoedelijk zouden ze er nog ongeveer twee jaar mee bezig zijn. Het was een duizelingwekkende ervaring om zo hoog op het gewelf te staan. De kruisvorm van de kerk was vanaf hier duidelijk zichtbaar. Het dwarsschip sneed het hoofdschip en scheidde het van het koor. De vieringstoren was in aanbouw boven op dit snijpunt. Het gaf een overweldigende aanblik. Vanaf dit punt kon je ook de hele stad overzien. De grote kronkelende slang die de Rijn vormde bij het doorsnijden van de stad was magnifiek. De havenwerken waren vanaf deze hoogte onaanzienlijk. De brug dateerde nog van de Romeinse tijd, maar er was een nieuwe brug verder noordwaarts in aanbouw. De stad was sinds de verovering van West-Frankenland door het Kalifaat snel gegroeid. De Romeinse ommuring was gesloopt ten behoeve van de uitbreiding. Alleen een hoektoren stond nog overeind, als onderdeel van de oorspronkelijke omwalling. De handel over de Rijn had eveneens sterke groei ondergaan. Het keizerlijk hof was in Aken gelegen, maar met de komst van het pauselijk hof, had de stad aan betekenis gewonnen.
Die middag was het een drukte van belang in Keulen. Gerhard was de eerste die Kybbe het laatste nieuws vertelde. De keizer was aangekomen met z’n gevolg. Naar verluidt kwam hij overleg plegen met de paus over de situatie in de bisdommen, die onder het aartsbisdom Keulen vielen. Er was veel rumoer in Frisia. Alfried, de nieuwe bisschop van Utrecht kon nog steeds niet terugkeren naar z’n residentie. Keizer Lodewijk wilde ook profiteren van de zwakte van z’n neef Lotharius in het gebied. Diens leenman was daar verjaagd en de Friezen waren zonder gezag. Kybbe wist daar alles van en hij kon Gerhard vertellen hoe graaf Rorik en zijn vazal in Vellesan waren verjaagd. ‘Stel je voor’, reageerde Gerhard, ‘een heel gebied zonder een beschermheer.’ Volgens Kybbe waren de Friezen echter beter af zonder een leenheer.
Darra en Anselm
Anselm had bij aankomst in Keulen direct geprobeerd een audiëntie bij paus Nicolaas te krijgen. Zo makkelijk ging dat echter niet. De dagen gingen voorbij en Darra werd steeds ongeduriger. ‘Ik denk nog steeds dat we beter naar het hof in Aken hadden kunnen gaan. De keizer zal niet de kans laten lopen om het kustgebied over te nemen van z’n neef. Lotharius staat nu zo zwak met een opstand van de Friezen in het noorden, de dreiging van het Kalifaat in het zuiden en de overvallen van Vikingen in het Scheldegebied, dat het een kwestie van tijd is voor hij al zijn gebieden kwijtraakt.’
‘O, ja?’, sprak Anselm smalend. ‘En denk jij dat je als onderleenman van Lotharius gehoord zal worden door Lodewijk de Duitser, de keizer?’
‘Waarom niet? Ik zal hem duidelijk maken dat hij op mijn steun kan rekenen als hij een oorlog tegen z’n neef begint. Mijn kennis van het gebied kan bijdragen aan het slagen van zo’n onderneming. Wie weet accepteert hij mij als leenman van Frisia.’
‘En Rorik dan?’, wierp Anselm op.
‘Rorik wordt door velen hier verdacht van het samen heulen met de plunderende Vikingen. Ik zal dat fijntjes bevestigen, waarmee ik zijn aanspraken zal ondergraven. Ik vertel dat het pak slaag van de Friezen zijn schuld was en dat wij, ondanks dat we sterk in de minderheid waren, dapper gepoogd hebben Kinhem te behouden, maar dat we geen enkele steun van de graaf hebben gekregen en nauwelijks het vege lijf konden redden.’
Anselm moest toegeven dat Darra een doordacht plan had, dat best eens kon slagen. Hij zou zich aan hetzelfde verhaal houden bij zijn ontmoeting met de paus. Darra vertrok naar Aken, om daar toegang te krijgen tot Lodewijk, de keizer van het Oost-Frankische Rijk.
Hij zou het resterende deel van de dag besteden om naar Kerpinna te rijden om te overnachten en het grootste deel van de tocht de volgende dag af te leggen. Met enig geluk hoopte hij nog diezelfde dag de vorst te spreken.
Dat was echter ijdele hoop. Lodewijk de Duitser bevond zich in Moravië. Dit vorstendom had zo’n 30 jaar daarvoor gestalte gekregen door Mojmír I. Dit was een heidens rijk aan de oostgrens van het Oost-Frankische rijk. Zijn neef Rastislav stootte hem met behulp van Lodewijk in 846 van de troon en begon met de kerstening van zijn land. Hierna kreeg de keizer tot twee keer toe te maken met een opstand van zijn eigen zoon, Karloman. In 861 en 864 werd hij daarbij gesteund door Rastislav. Als gevolg hiervan moest Lodewijk zijn zoon wel een deel van het rijk afstaan. Het was bij de Frankische vorsten de gewoonte dat zoons al een titel en een deel van het gebied van hun vader ontvingen om te besturen. De problemen aan de grens met Moravië bleven, want Rastislav probeerde de onafhankelijkheid van zijn vorstendom zeker te stellen. Daarom vroeg hij de patriarch van Constantinopel hulp om zijn volk te bekeren tot het christelijke geloof.
De keizer van het Byzantijnse Rijk stuurde hierop twee broers naar Rastislav. Methodius werd de aartsbisschop van het Groot-Moravische Rijk. Hij vertaalde de Bijbel in het Slavisch en het werd geschreven in een schrift dat zijn broer Cyrillus uitvond.
Nu was Lodewijk al enige tijd in Moravië om de banden met Rastislav aan te trekken en hem aan de leiband te houden. De paus had daartoe zelfs toestemming gegeven om een andere taal voor de liturgie te gebruiken dan het Latijn. Voor paus Nicolaas was het van belang dat de invloed van Constantinopel zich niet verder zou uitbreiden in het Slavische gebied.
Niemand wist wanneer Lodewijk weer in Aken zou arriveren.
Er zat voor Darra niets anders op dan te wachten op de terugkeer van de keizer.
Terwijl Darra zich zat te verbijten van ongeduld in Aken, deed Anselm iets soortgelijks in Keulen. De paus was weliswaar aanwezig, maar Anselm kreeg bij elk verzoek om een audiëntie nul op het rekest. Hij besloot gebruik te maken van zijn verblijf in de grootste stad van het Frankenland. Invloed kreeg je door vriendschapsbanden. Je moest je netwerk zo groot maken, dat machtige mensen niet meer om je heen konden. Hij begon aan een inventarisatie van vertegenwoordigers van de kerk en de adel in deze streek. Het was duidelijk wie hij als eerste moest bezoeken en tot bondgenoot maken, Gunthar de voormalige aartsbisschop van Keulen. In deze onzekere tijd was het niet duidelijk wat diens positie precies inhield. Komend uit een belangrijke adellijke familie had Gunthar een spilfunctie in het Rijk. Hij was kanselier van Lotharingen geweest, had de scheiding van Lotharius II van Theutberga bekrachtigd en was een geroemd auteur van zowel literaire als theologische geschriften. In 850 werd hij aartsbisschop. Zijn rol in de scheiding van Lotharius leverde hem in 863 een excommunicatie door de paus op en zijn afzetting als aartsbisschop, waartegen hij zich verzette. De komst van Nicolaas I betekende dat Keulen de residentie van de paus werd, die daarmee de taken van de aartsbisschop in feite overnam. Gunthar bleef echter in hoge adellijke en geestelijke kringen verkeren, temeer daar Lodewijk de Duitser hem gebruikte om de macht van Nicolaas I te beperken.
Anselm besloot een poging te wagen deze man in te palmen.
Toen hij zich aandiende bij het prachtige huis van Gunthar, was de vermelding dat hij afkomstig was uit Frisia kennelijk de entree tot de voormalige kerkvorst. Het bleek al snel dat Gunthar zich nog steeds aartsbisschop voelde. Hij was nieuwsgierig naar de situatie in het onderhorige bisdom van Utrecht. Anselm vertelde hem dat Alfried, de abt van Sint-Amands dit jaar bisschop was geworden. Hij kon door de onzekere situatie in het gebied echter nog niet zijn zetel in Utrecht innemen en resideerde daarom in Daventre aan de IJssel. Enthousiast vertelde hij daarop hoe snel de christelijke kerk in Frisia en met name in Kinhem groeide en dat hijzelf daar al een nieuwe kerk had laten bouwen om de toenemende aantallen nieuwe bewoners en pelgrims op te kunnen vangen. ‘Er is ook sprake van de vestiging van een klooster. Ik denk dat het tijd wordt voor een apart bisdom aan de kust van deze landen.’
Gunthar nam Anselm eens op en zei: ‘U bent door bisschop Hunger in het ambt van aartsdiaken bevestigd?’
Hierop antwoordde Anselm bevestigend en hij voegde eraan toe dat Hunger uit Utrecht gevlucht was met medeneming van zijn archief.
‘Kortom, u heeft geen enkel bewijs van uw benoeming’, stelde Gunthar fijntjes vast.
‘Dat klopt. Ik hoop dat bisschop Alfried het archief snel op orde heeft. Een herbevestiging van mijn benoeming zou natuurlijk heel prettig zijn. Dat neemt alle onzekerheid weg. Maar ik streef eigenlijk naar het opzetten van een nieuw bisdom in Vellesan. Ik heb daar mijn krachten tot aan de opstand van de Friezen al ingestoken en het zou zonde zijn, dat alles verloren te zien gaan.’
Het bleek dat Gunthar waardering kon opbrengen voor een man met ambitie. Iets wat Anselm goed had ingeschat. Hij had de verhalen over deze kerkvorst gehoord. Er werd gesproken over diens pracht en praal, het bevorderen van familieleden en het verkwanselen van kerkelijk goed te eigen bate. ‘Frivool en ambitieus’, waren de gehoorde omschrijvingen. De man had per slot het gezag van paus Nicolaas meerdere keren ter discussie gesteld. Dit had hem en zijn vriend de bisschop van Trier hun functie gekost. Wat hij hier binnen de uitgebreide hoeveelheid vertrekken zag, getuigde zeker van spilzucht en praal. Hij voelde dat hij geaccepteerd werd als bondgenoot. Het vooruitzicht van een nieuw sub-bisdom van Keulen was Gunthar kennelijk welgevallig.
Een volgende stap was de abt van het grote klooster aan zijn kant te krijgen. Hij begon steeds meer plezier van zijn bezoek aan Keulen te krijgen.
De dagen regen zich aaneen. Darra bezocht de warmwaterbronnen en genoot van de behaaglijke temperatuur van het water. Het enige nadeel van de heilzame bronnen was de verpestende stank van rotte eieren die alles doordrong. Hij liep, na weer een mislukt bezoek aan de keizer, een rondje door de stad. Aken was een rijksonmiddelbare stad, dat wil zeggen dat het onder de directe voogdij van de keizer viel. Het belang van de stad was goed af te lezen aan de omvang van bedevaarten, de stofindustrie, de naaldproductie en de aantallen badgasten. Het bracht de stad grote welvaart. Hier vond ook de kroning van vorsten plaats. Darra was onder de indruk. De palts van de keizer was enorm. In de grote kerk had hij de mozaïeken bewonderd. Achterin stond een fraaie reliekschrijn met een deel van het gebeente van Karel de Grote. In feite had Aken zijn bestaan te danken aan het feit dat de toenmalige keizer van het rijk hier soelaas had gezocht voor de reumatische pijnen die hem kwelden. De bronnen waren er al in de Romeinse tijd, maar doordat Karel de Grote zijn reizende hof hier een eeuw terug permanent vestigde, groeide Aken in belang.
De mooie zwart-witte bogen, waar Darra’s oog naar werd getrokken, schenen gemaakt te zijn van marmer dat door Karel meegenomen was uit Rome, na zijn kroning tot keizer door de paus. Het paleis was in diezelfde tijd gebouwd en Karel haalde hier kunstenaars en wetenschappers uit heel Europa naartoe.
Uiteindelijk kwam er nieuws over Lodewijk de Duitser. De keizer was uit Moravië vertrokken, maar in plaats van terug te keren naar Aken, ging hij linea recta naar Keulen voor overleg met de paus over de bemoeienis van Constantinopel met het zojuist door hem bezochte gebied.
Na een paar stevige vloeken, zadelde Darra z’n paard om de keizer in Keulen op te gaan zoeken.
Ook hier duurde het meerdere dagen eer het lukte de keizer te spreken. Halfslachtig zocht hij naar Anselm, maar deze verkeerde intussen in hogere kringen dan Darra vermoedde en was om die reden niet vindbaar. Bovendien gaf Darra prioriteit aan een gesprek met de keizer.
Rumoer klonk op vanuit de belendende ruimte. Verstoord keek Lodewijk op. De schenk verscheen in de deuropening en begaf zich naar de keizer toen deze hem naderbij wenkte. ‘Vergiffenis Sire, er was een edelman uit Vellesan, die u per sé wilde spreken. Wij hebben hem zo snel mogelijk buiten uw gehoor gebracht.’
Rorik brak daarop in: ‘Mijn verontschuldigingen dat ik u onderbreek, Sire. Maar ik hoorde zeggen “uit Vellesan”. Gaat het misschien over mijn onderleenman, Darra van Alveringem?’
Lodewijk richtte zich tot zijn schenk: ‘Zoek dat uit en wanneer het zo is, breng hem dan hier.’
De schenk maakte een diepe buiging en haastte zich de opdracht te vervullen.
Terwijl Darra werd gehaald bracht Rorik de keizer op de hoogte van de betekenis van het vlek Vellesan. Darra kwam binnen, begeleid door de schenk en overzag snel de situatie. Rorik was hier! Dat betekende dat hij voorzichtig moest zijn. Hij moest z’n plan laten varen om Rorik af te schilderen als beschermer van plunderaars en kon hem nu niet de schuld van de opstand in de schoenen schuiven. Snel denkwerk was nodig. In z’n hoofd paste hij zijn verhaal al aan. Hij mocht plaats nemen om een relaas te geven van de gebeurtenissen in Vellesan. Hier begon hij een beeld te schilderen van een bende, afkomstig uit Wieringen, die telkens weer zijn gezag als meier probeerde aan te tasten. Tot twee keer toe hadden ze een moordaanslag gepleegd en ze hadden de edelen uit Vellesan in een hinderlaag gelokt in de moerassen ten oosten van het vlek. Zij waren allen omgekomen, behalve Guy de Monclosse, zijn rechterhand. Deze werd later alsnog vermoord. Dit alles vond plaats onder leiding van een meliores, Claes van Hoeleyde. De harde kern van de bende bestond verder uit heidense ambachtslieden, die te veel vrijheid hadden genoten onder de vorige meier. Deze had met hen samengewerkt graaf Rorik te bestelen. Een aantal van hen was tijdens de opstand van enkele maanden geleden door zijn mannen op heldhaftige wijze uitgeschakeld. Daarna had een zee van opstandelingen hen overspoeld. ‘Al mijn soldaten werden gedood. Ik kon alleen het vege lijf redden om aan u verslag uit te brengen. Aartsdiaken Anselm heeft mij hierheen begeleid om zijn verhaal aan de paus te vertellen en om hem op de hoogte te brengen van de precaire situatie van de kerk in Kinhem. Ik ben doorgereisd naar Aken om u te treffen, maar hoorde daar dat u inmiddels was afgereisd. Daarna ben ik u zo snel mogelijk gevolgd naar Keulen. Men wilde mij echter niet ontvangen. Als u een leger stuurt om de Friezen een lesje te leren, kan ik u van dienst zijn met mijn kennis van de omgeving en van de aanstichters van de rebellie.’
‘Je had het over de uitschakeling van een aantal aanstichters van de rebellie. Wie zijn dat?’, vroeg Rorik.
‘Heidenen, een Wieringer, Aeijolt genaamd en zijn zoon Kybbe.’
De Paus

De reis van Kybbe
1. Vellesan (Velsen); 2. Utrecht (Het Sticht); 3.Numaga (Nijmegen); 4. Keulen; 5. Bonn; 6. Koblenz; 7. Mainz; 8. Heilbronn; 9. Halle (Schwäbisch Hall); 10. Ratisbon (Regensburg)
De twee Vellesanners hadden elkaar veel te vertellen. Ze hadden zich geïnstalleerd aan een lage tafel in herberg ‘Fischerhus’. Anselm nam een grote slok en vertelde over zijn succes bij het infiltreren van de kliek van machtige geestelijken en adellijke families. ‘Ik kan elk moment een uitnodiging verwachten voor een gesprek met paus Nicolaas’, zei hij vol trots. ‘Ik heb nu aardig wat vrienden op belangrijke posities.’
Hierop verhaalde Darra over zijn wederwaardigheden. Het wachten op de keizer in Aken en het mislukken daarvan. Z’n overhaaste terugreis naar Keulen om Lodewijk daar te ontmoeten en de verrassing toen bleek dat Rorik daar was.
‘Dus Rorik is goede vriendjes met de keizer geworden?’, vroeg Anselm.
‘Ja, daar ziet het wel naar uit. Ze zijn bezig met één of ander groot plan, waar Lotharius waarschijnlijk het slachtoffer van gaat worden.’
Opgewonden onderbrak de aartsdiaken Darra: ‘Dat betekent dat hij zich keert tegen z’n leenheer. Hij verbreekt zijn gelofte aan de koning van Lotharingen!’
‘Dat klopt. De gelukszoeker heeft niets aan de machteloze Lotharius. Lodewijk kan hem aan soldaten helpen om het gebied van z’n neef over te nemen. Als Rorik de opstandige Friezen weet te onderwerpen is er weer één Frankisch Rijk met Rorik als leenman van Lodewijk.’
Hierop vroeg Anselm wat dat betekende voor Darra.
‘Wel’, ging deze verder, ‘ik kan dan weer terugkeren in mijn rol van meier in Vellesan. Mijn ambitie om heel Kinhem in handen te krijgen, krijgt wel een knauw, maar wie weet wat er nog in het verschiet ligt. Op de naamdag
van Sint-Livinus wordt ik verwacht voor een nieuw gesprek met de keizer, Rorik en een aantal edelen. Eerst gaat de keizer nog in gesprek met de paus.
Paus Nicolaas had geduldig geluisterd naar de uiteenzetting van de twee edelen die voor hem waren gezeten. Hij vond het verwerpelijk dat de keizer van plan was Lotharingen te ontfutselen aan zijn neef Lotharius. Maar de combinatie van gebeurtenissen waarover hij te horen kreeg bracht hem meer en meer tot de overtuiging dat het plan in het belang van de christelijke kerk was. Eén groot Frankisch Rijk, waardoor de problemen zowel in het oosten als in het westen konden worden opgelost. De bemoeienis van patriarch Photius van Constantinopel met Oost- en Midden Europa zinde hem allerminst. En waar de kerstening van Scandinavië succesvol verliep, was het verlies van gebied in West-Europa aan het Kalifaat een klap voor de kerk. In het plan wat hem nu werd voorgelegd, zou het kustgebied worden veroverd door graaf Rorik en moest deze zijn stamgenoten uit het noorden verleiden tot invallen over de rivieren in het gebied van het Kalifaat. Tegelijk zou Lodewijks leger de oostgrens van het Kalifaat binnenvallen, waardoor West-Frankenland weer terug kon keren aan de boezem van de kerk. De keizer had een overeenkomst gesloten met Rastislav van Moravië en met Michael van Bulgarije. De laatste zou Constantinopel aanvallen en zo een stevige buffer vormen tegen het Oostelijke Kalifaat. Nicolaas voelde zich als hoeder van de kerk verheven boven de keizer. Het gevaar Lodewijk als sterke keizer kon hij bezweren door een alliantie aan te gaan met Karloman. Deze was al meerdere keren tegen z’n vader, de keizer, in opstand gekomen. Dat zou een mooi tegenwicht vormen voor een té grote macht van Lodewijk. Al met al was Nicolaas tevreden gestemd na zijn onderhoud met de keizer. Hij herinnerde zich dat hij over drie dagen een aartsdiaken uit het gebied van graaf Rorik op audiëntie zou ontvangen. Misschien was daar nog interessant nieuws te vernemen.
Op de bijeenkomst op de naamdag van Sint-Livinius werden de plannen voor een gecoördineerde militaire operatie tegen Lotharingen, het Kalifaat en het Byzantijnse Rijk verder uitgewerkt. Er werd gesproken over troepenverplaatsingen naar het westen; over te voeren gesprekken met Vikingen in Engeland en Scandinavië; over de aanval van Michael op het Byzantijnse Rijk, die in het komende voorjaar was gepland en de financiële ondersteuning. Hierbij was het pauselijk hof van belang.
Darra wist nu wat zijn rol in het geheel zou zijn. Daar sprak hij over met Anselm terwijl ze een wandeling door de stad maakten. Vanaf de Romeinse brug naderden ze de bouwplaats waar de nieuwe kerk in aanbouw was. Plotseling siste Anselm: ‘Ongelofelijk.’ Hij wees naar het bouwterrein. ‘Kijk daar! Daar staat Kybbe.’
Toen Darra in woede ontstak en aanstalten maakte om het terrein te betreden, legde hij z’n hand tegen diens borst. ‘Wacht! Laten we dit slim aanpakken. Dit kan wat voor ons opleveren. Ik heb morgenmiddag een audiëntie bij de paus. Misschien kunnen we de aanwezigheid van Kybbe onder zijn aandacht brengen.’
Darra wist zijn woede te bedwingen. ‘Je hebt gelijk. Maar de paus is niet de weg. Dit is iets waarmee ik beter naar Rorik en misschien wel de keizer kan gaan. Stel je voor, we kunnen hen de “opstandelingenleider van Frisia” bezorgen.’ Hij lachte grimmig bij deze woorden.
Ze stonden boven op het gewelf bij de balustrade en konden hierboven goed de kruisvorm van de kerk zien. Ze keken neer op het terrein beneden, waar werklieden bezig waren met de funderingen van verschillende steunmuren.
‘Kijk’, zei Cornelius, ‘omdat we daar en daar extra steunberen maken, kunnen we de kerk zo groot maken. De zwaarte van de vieringstoren moet opgevangen worden door extra steunen aan de buitenzijde van de muren.’
‘Maar, kun je de muren niet gewoon dikker maken zodat die sterker zijn? Dan kan er toch een zwaardere en grotere toren op?’, vroeg de paus hem.
‘Nee dat werkt niet. Dan moeten we alsnog binnen de kerk pilaren plaatsen om het gewicht te kunnen dragen. We hebben de kerk groter gemaakt dan het oorspronkelijke plan behelsde en dat vraagt nu ook om een hogere toren. We gaan dus hoger opbouwen, dan gepland. Het wordt de indrukwekkendste kerk van de christelijke wereld. Dan reikt deze nieuwe basiliek werkelijk naar de hemel.’
De paus boog achterover om de wijzende vinger van de bouwmeester te volgen. Daarbij raakte hij z’n evenwicht kwijt. Hij deed een extra stap en kwam daardoor op een losse plank te staan, die onder zijn voeten begon te schuiven. Een deel van de balustrade viel weg, terwijl de paus weggleed. Cornelius wist het gewaad van Nicolaas te grijpen, voordat deze in de diepte verdween. Maar de voorwaartse beweging was al ingezet, een val was niet meer te voorkomen. Met afgrijzen zag Kybbe hen naar beneden storten. Door het gewaad van de paus, dat om beide mannen heen wapperde, leek het of er een grote vogel door het luchtruim scheerde. Maar dan wel een vogel die uit de lucht werd geschoten. De grond kwam onafwendbaar snel dichterbij. Nog vóór het geluid van de klap hem bereikte, kwam hij in beweging en daalde zo snel mogelijk af.
Beneden heerste grote consternatie. De ambachtslieden en sjouwers renden door elkaar of vielen op hun knieën naast de lichamen. Sommige jammerden en anderen zeiden in stilte een gebed. Mensen kwamen van buiten het werkterrein oprennen. Binnen de kortste keren verzamelde zich een menigte en toen het bericht rondging dat de paus hier dood lag, klonk meer geweeklaag op.
Gerhard zag Kybbe en trok hem direct mee naar de straatkant, weg uit de drukte. ‘Wat is er gebeurd? Jij ging toch naar boven met meester Cornelius en de paus?’
Kybbe knikte bevestigend en zei: ‘De paus gleed uit over een losse plank en meester Cornelius probeerde hem tegen te houden in z’n val. Toen gingen beiden over de rand.’
Op dat moment hoorde ze een hevig gerommel.
‘Kijk’, riep Gerhard, ‘de toren stort in.’
Hulpeloos zagen ze grote brokstukken neerdalen op het werkterrein, waar de massa zich rond de lijken bevond. Toen de grote stofwolken waren opgetrokken en de wereld weer tot rust leek gekomen, zagen de twee mannen dat een aantal mensen bedolven lag onder het puin. Er waren vele gewonden. Enkelen probeerden zich uit het puin te bevrijden. Kybbe zag een enkele arm uit de steenhoop steken, een vinger maakte een spastische beweging en viel stil. Ze begonnen direct brokken steen te verplaatsen om slachtoffers te bevrijden. Het was onbegonnen werk. Er waren gewonden die moesten worden geholpen en er moesten meer mensen en materiaal komen om de slachtoffers onder het puin vandaan te halen en de doden te bergen. De klap was door de hele stad te horen geweest en al snel kwam er hulp. De Benedictijner monniken waren het eerst ter plekke. Zij bevrijdden uiteindelijk het lichaam van de kerkelijke leider uit het puin en droegen hem naar hun klooster. Daar vervoegden zich even later Gunthar, de voormalige aartsbisschop van de stad met enige lagere geestelijken. De vraag was wie er recht had op de verzorging van het lijk van de paus. De monniken waren niet genegen het lijk af te staan. Zij vielen tenslotte niet onder het gezag van de bisschoppelijke rangorde, maar direct onder dat van de paus.
Toen de Omajjaden Rome innamen in 858, was de paus naar Keulen gevlucht en hij nam daarmee de taken van aartsbisschop Gunthar op zich. Die werd van zijn functie ontheven en in 863 zelfs geëxcommuniceerd. Die vernedering kon nu ongedaan worden gemaakt. De ambitie van de voormalige aartsbisschop was onverminderd en nu was zijn kans. Als hij het lichaam van de overleden paus in handen had zou hij misschien zelfs verheven kunnen worden tot de allerhoogste kerkelijke positie. Lodewijk en vele andere machtige mensen zouden hem hier zeker in steunen. Gunthar wist zich, na een kort onderhoud met de keizer verzekerd van diens steun om het lichaam van de paus te claimen. Hij kreeg een aantal soldaten mee om de overname van het lijk af te dwingen.
Anselm maakte zich klaar voor z’n audiëntie met de paus toen de klap kwam die de stad op haar grondvesten deed schudden. Al snel ontstond er groot rumoer. Hij hoorde iemand roepen: ‘De paus is dood!’
Vol ongeloof volgde hij de vele mensen die zich in dezelfde richting begaven. Dat kon toch niet waar zijn? Net nu hij op het punt stond de kerkvorst te spreken. Tegenspoed op tegenspoed. De stofwolken hingen nog in de lucht toen hij Darra bij het bouwterrein zag. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Ik hoorde dat de paus bovenop de kerk stond om het werk en de stad te overzien. Meester Cornelius moest hem uitleg geven over de vorderingen die gemaakt waren bij de bouw.’
Dit was een geluk bij een ongeluk, dacht Anselm. Er zou een nieuwe paus moeten worden gekozen en Gunthar was een machtig en rijk man. Het zou Anselm ook geen windeieren leggen, als Gunthar de juiste kaart wist te spelen. Hij bedacht zich nog iets. ‘Darra, jij zei toch dat je hoorde dat Kybbe de assistent van meester Cornelius was?’
‘Ja, dat werd mij verteld.’
‘Waar is hij? We moeten hem opsporen. Dan klagen we hem aan voor de moord op de paus!’
Darra reageerde enthousiast: ‘Wat een ingenieus plan, Anselm. Ik heb hem al bekend gemaakt als onruststoker, heiden en opstandeling bij de keizer. Hij zal zeker ter dood worden gebracht. Ik kan als beloning terug naar Vellesan met het leger van Rorik en jij krijgt misschien wel de mogelijkheid een nieuw bisdom op te zetten.’
Om de bewoners van de stad te informeren werd een platform opgericht op het marktplein. Hoogwaardigheidsbekleders van de kerk en voorname edelen waren daarop gezeten. De markt stroomde vol met nieuwsgierigen. Gunthar wilde zich als belangrijkste inwoner van Keulen tot de massa richten. Dat leek Anselm geen goed idee.
‘Laat mij het woord doen’, zei hij tegen Gunthar. ‘Gezien de geschiedenis die u heeft met Nicolaas, is het beter even op de achtergrond te blijven.’ De voormalige aartsbisschop zag de wijsheid hiervan in. Hij snapte dat hij z’n ambitie beter kon verwezenlijken, wanneer hij ook brede steun onder de inwoners had. Elke tegenstelling met de overleden paus diende gladgestreken te worden en uit het geheugen gewist. Daarom stemde hij in met de aartsdiaken.
Anselm richtte zich vervolgens tot de toegestroomde menigte en verhief daarbij zijn stem.
‘Onze paus is het hoofd van de hele christelijke wereld. In Constantinopel noemen ze hun patriarch Photius de Grote. Maar er is er maar één die het recht heeft op die bijnaam en dat is onze paus Nicolaas. Hij heeft duidelijk gemaakt dat hij als opvolger van Petrus boven ieder staat in de christelijke wereld. Acht jaar lang heeft hij de macht en glorie van de kerk vergroot. En nu is hij vermoord door een Friese schurk. Een heiden die middels een smerig spel de meute in Frisia wist op te hitsen tegen hun heer, graaf Rorik. Hij heeft een poging gedaan om de heer van zijn woonplaats om het leven te brengen. Daarin heeft hij gelukkig gefaald.’ Hij wees naar Darra. ‘Deze edelman, Darra van Alveringem was zijn doelwit. Hij is naar de keizer gekomen om een terechte straf voor de bandiet te verkrijgen. Kennelijk is de schurk ons achterna gereisd om een nieuwe poging tot moord te ondernemen en te verhinderen dat de keizer zou worden ingelicht. Nu blijkt dat deze heiden zijn pijlen ook op de kerk heeft gericht. Hij wist op een slinkse manier het vertrouwen van meester Cornelius te winnen, zodat hij in staat was paus Nicolaas te vermoorden. Ik roep iedereen op die informatie heeft over deze Kybbe zich te melden. De schurk verdient de dood.’
De vlucht
De strijd van Gunthar om de pauselijke troon wordt zwaarder dan gedacht. Hij heeft een concurrent in Rimbert van Turholt, die in 865 aartsbisschop van Bremen-Hamburg was geworden. Het duurt ook veel langer dan voorzien om de Vikingenleiders van Scandinavië, Ierland en Engeland op één lijn te krijgen en invallen te wagen in het Kalifaat. Zolang Rorik zich hier nog mee bezig moet houden, kan hij nog niet met een leger terugkeren naar Frisia. Ten oosten van het Frankenland houdt Rastislav van Moravië zich niet aan de Duitse kerkpolitiek. Aangezien Lodewijk dit probleem eerst wil oplossen is hij niet in staat snel een leger op de been te brengen voor een invasie in het Kalifaat.
Gerhard en Kybbe waren met blote handen in de steenhoop gaan graven, op de plaats waar een hand boven het puin uitstak. Toen ze het lichaam gedeeltelijk vrij hadden gekregen, zagen ze dat de schedel volkomen verwoest was. Hier was geen redding meer mogelijk. Ze kwamen kreunend met bebloede vingers en gescheurde nagels overeind. Kybbe schrok zichtbaar toen verderop twee bekende figuren in zijn blikveld kwamen en bevroor. Gerhard merkte de verandering bij z’n vriend en gaf hem een stomp tegen z’n schouder. ‘Wat is er met je?’, vroeg hij.
‘Spoken uit het verleden. De mannen die mijn familie hebben uitgemoord staan daar’, antwoordde Kybbe, zich losschuddend uit zijn apathie.
Gerhard keek in dezelfde richting. ‘Die ene herken ik. Hij was bij de keizer. Ik denk dat het beter voor je is hem te mijden. Kom.’ Hij trok Kybbe met zich mee.
Ze begaven zich naar het onderkomen dat ze deelden sinds Kybbe op de bouwplaats kwam werken. Hier hoorde Gerhard het verhaal over de pesterijen en de vervolging van vrienden en familie in Vellesan door Darra en Guy, eindigend met de dood van Kybbe’s teruggekeerde vader. De rol van de onbetrouwbare geestelijke liet hij ook niet onvermeld.
‘Jij blijft hier. Je laat je gezicht niet buiten deze kamer zien vóór ik terug ben. Ik ga voorzichtig informatie over die twee heerschappen inwinnen.’
Gerhard werd aangetrokken door het rumoer op de markt. Daar stond de geestelijke, die hij eerder bij de ingestorte kerktoren had gezien op een platform. Achter hem zat een aantal hoogwaardigheidsbekleders, waaronder bisschop Gunthar en de man die Kybbe had aangewezen als de verantwoordelijke voor de dood van zijn familieleden en vrienden.
De geestelijke had zijn toespraak beëindigd en er was sprake van een hevige beroering onder de aanwezige massa. Gerhard ving flarden van gesprekken op en het werd hem duidelijk dat er opgeroepen was melding te doen van elke signalering van de moordenaar van de paus en meester Cornelius. De naam ‘Kybbe’ zong rond. Hij werd verantwoordelijk gesteld voor de moord. Gerhard begreep dat zijn vriend al als de moordenaar was aangewezen en dat er geen schijn van kans bestond op een eerlijk proces. Dat besef zette hem aan tot spoed. Te veel mensen wisten dat Kybbe en hij een onderkomen deelden en dat betekende dat zij allebei gevaar liepen aangegeven te worden. Alleen al door de associatie met Kybbe, zou hij zelf al verdacht zijn. Misschien stond hem wel marteling te wachten om informatie over z’n vriend te geven. Ze moesten zo snel mogelijk onderduiken. De miezerregen tijdens de bijeenkomst op de markt veranderde in een wolkbreuk. De regen kletterde neer en vormde binnen de kortste keren modderpoelen in de straten. Gerhard haastte zich naar huis.
Kybbe wilde de beschuldigingen van moord niet begrijpen. Wezenloos keek hij voor zich uit tot Gerhard hem losschudde. ‘Pak zo snel mogelijk je belangrijkste spullen bij elkaar en kom mee. We móeten hier weg, voor er soldaten worden gestuurd. Je weet zelf hoe die heer van Vellesan te werk gaat en hier wordt hij gesteund door de keizer en de kerk. Snel!’
Kybbe liet zich meesleuren en even later klopten ze aan bij het klooster. Gerhards broer werd gehaald, terwijl ze drijfnat stonden te rillen in de overdekte kloostergang. Broeder Robertus omhelsde z’n broer en vroeg naar de reden van hun komst in dit hondenweer. Snel bracht Gerhard hem op de hoogte. Robertus reageerde verontwaardigd. De schurken regeren in de buitenwereld. Ik ga direct de abt inlichten. Hij zal jullie vast onderdak willen geven tot jullie hebben bedacht wat te doen.
Abt Tatwin en Bisschop Gunthar hadden in het verleden regelmatig tegenover elkaar gestaan. De abt vond de spilzieke kerkvorst geen toonbeeld van het wezenlijke christendom. De laatste actie van Gunthar, toen hij met geweld het lichaam van paus Nicolaas opeiste, zat Tatwin nog steeds hoog. Hij bood de twee vrienden dan ook de veiligheid van zijn abdij aan zolang ze dat behoefden.
Terwijl in de stad druk gezocht werd naar de moordenaar en zijn vriend en Darra steeds kwader werd bij iedere signalering die op niets uitliep, leefden de twee het kalme contemplatieve leven van een klooster.
Kybbe nam de gelegenheid te baat de abdij te verkennen. Hij was geïnteresseerd in de opbouw en indeling van het complex. In het midden bevond zich een vierkante binnenplaats. Aan een zijde was de kloostergang, die toegang verschafte tot de andere gebouwen. De noordelijke vleugel van het klooster lag tegen de kerkbeuk aan. De refter, waar de gemeenschappelijke maaltijd werd genuttigd lag aan de zuidkant. Daarboven bevond zich de slaapzaal. Dicht bij het koor van de kerk bevond zich de kapittelzaal. Dit was het bestuurscentrum van de abdij. Hier werd het dagelijks werk geregeld, dat bestond uit de zorg voor zieken, het bijhouden van de moestuin, het zeggen van gebeden en allerlei onderhoudswerkzaamheden. Gerhard en Kybbe namen een kijkje in de brouwerij en ze mochten de monniken die hier bezig waren een handje helpen. Kybbe had natuurlijk wel het nodige van z’n moeder geleerd, maar de kennis van de broeders ging veel verder. Gretig zoog Kybbe alle informatie op, niet alleen in de brouwerij, maar ook in gesprekken met monniken over de gebouwen op het complex. Ook het dagelijks leven bood nieuwe kennis. Zo moesten de monniken vóór de maaltijd de handen wassen in het lavatorium. Dit was een vrijstaand bouwwerk met een achthoekig bassin. Ook Gerhard en Kybbe waren verplicht hier hun handen te wassen. De hernieuwde kennismaking met broeder Basilius, leverde hem een bezoek aan het scriptorium op. Dit was een openbaring. Monniken waren hier bezig om teksten en boeken over te schrijven en te vertalen. De handschriften zagen er prachtig uit. Kybbe bewonderde vooral Basilius om zijn prachtige schilderingen van de hoofdletters, waarmee elke bladzijde aanving. Er waren hier echter geen boeken over architectuur, zoals broeder Basilius hem al had verteld.
De monniken waren ’s-ochtends al vroeg uit de veren. Hun dag begon om vijf uur en eindigde om acht uur in de avond. In de zomer schenen ze nog langere dagen te maken. Zij besteedden de dag vooral aan getijdengebed, afgewisseld met arbeid en het lezen of kopiëren van geestelijke lectuur.
Op een dag vertelde Kybbe Gerhard van zijn voornemen om naar Constantinopel te reizen, teneinde daar kennis op te doen over de bouwkunst. Zijn vriend besloot met hem mee te gaan. ‘Er is niets dat mij aan Keulen bindt. Buiten Robertus heb ik geen familie en als de hoge heren jou nog zoeken, zoeken ze mij ook. Ik ga mee.’
Na twee weken in het klooster te hebben geleefd vertrokken ze eind november. De kloosterlingen namen hartelijk afscheid van hun gasten.
De Rijn zou de beste optie zijn voor een reis naar Constantinopel. Over de rivier konden ze snel een grotere afstand afleggen en buiten het bereik van eventuele achtervolgers zien te komen. Het was echter geen optie om in de haven van Keulen naar passage te zoeken. Daar zouden ze al snel tegen de lamp lopen. Er zat niet anders op dan te lopen naar een volgende haven. Ze besloten om in Bonn scheep te gaan. Volgens de berekeningen van Gerhard zouden ze de stad in een dagmars kunnen bereiken. Dat viel nog best tegen. Het terrein bleek meer geaccidenteerd dan gedacht, hoewel delen langs de rivier goed te belopen waren. Voor de zekerheid trokken ze omzichtig langs plekken die bewoond waren. Wie weet hoe ver het nieuws van de moord op de paus en hun signalement als moordenaars hen vooruitging. Voorzichtigheid bleef geboden. Daarom bleven ze met Bonn in zicht buiten de stad in de natuur overnachten. De volgende dag zouden ze peilen of het nieuws hen daadwerkelijk vooruit was gesneld.
Het was guur weer. Er viel natte sneeuw en de twee vrienden werden huiverend wakker. Ze klopten de sneeuw van hun kleding en besloten de voorzichtigheid te laten varen. Wat ze nu nodig hadden was een stevig maal en warmte. Aan de kade stond een herberg, die er uitnodigend uitzag. Kybbe ging als eerste naar binnen in de rokerige ruimte. Het vuur van de haard laaide hoog op en de warmte die het verspreidde vergoede het feit dat de schoorsteen niet goed trok. De mannen nestelden zich aan een tafel en bestelden een stevige maaltijd. Ze keken op toen een gast vanuit de belendende ruimte de gelagkamer binnenkwam. Kybbe veerde verrast op. ‘Sake!’, riep hij. ‘Wat doe jij hier?’
Het was een vreemde gewaarwording. De Friese koopman, die hij zo vaak had gezien in Vellesan nu hier te zien opduiken. De koopman schoof bij hen aan en ze wisselden nieuws uit. Hij zei op weg te zijn van Helvetië naar Frisia. Hij had van de Friese opstand tegen Rorik gehoord en wilde van Kybbe verdere details horen. Sake hoorde diens relaas aan en reageerde met verbazing: ‘Dus Rorik heeft z’n leenheer laten vallen en is nu bij de keizer? Wat zullen die bekokstoven? Ik durf te wedden dat Lodewijk achter de gebieden van zijn neef aanzit. Maar wat me het meest verbaasd is dat Darra en Anselm ook in Keulen zijn. Wat hopen zij daar te winnen?’
Het enige wat we weten is dat die twee mij beschuldigen van de moord op paus Nicolaas. Ze vertellen daar dat ik de opstandelingenleider ben van de Friezen tegen Rorik’, antwoordde Kybbe.
‘Wat een idioot verhaal. Waarom hebben ze dat verzonnen?’
Gerhard beantwoordde deze vraag: ‘Het lijkt mij dat het op een presenteerblaadje aanbieden van een opstandelingenleider Darra in een goed blaadje brengt bij Rorik en de keizer. Terwijl de beschuldiging van pausmoord Anselm helpt aan een mooie functie in de kerk. Tenslotte heeft Gunthar als oud aartsbisschop er alle belang bij om zijn oude functie terug te winnen en hij is een machtig man met veel invloed. Kybbe is de perfecte zondebok. Ze zouden hem graag willen berechten om hun positie te versterken.’
Sake wilde weten wat ze van plan waren nu ze zo’n gevaar liepen.
‘We willen naar Constantinopel. We hopen daar als ambachtslieden werk te vinden’, antwoordde Kybbe.
De koopman zei dat, naar hij hoorde, de situatie in dat gebied vrij onzeker was. ‘Ik hoorde geruchten dat de Byzantijnse keizer steeds zwakker komt te staan tegenover de Bulgaren en het Kalifaat van de Abbasiden.’
Kybbe en Gerhard keken elkaar aan. ‘We nemen de gok’, besloot Kybbe.
Ze namen buiten de herberg afscheid. De mannen gingen proberen passage op een schip te vinden. Sake wenste ze net het allerbeste, toen zijn oog viel op een groepje ruiters. ‘Jongens, loop rustig naar de andere kant van de herberg.’
Verwonderd keek Kybbe hem aan.
‘Doe het nu’, siste Sake. ‘Daar staat Darra met een aantal soldaten. Ik zal ze afleiden.’
De twee vrienden verdwenen achter de herberg, terwijl Sake de ruiters tegemoet liep. Gerhard loerde om de hoek en zag hoe de Friese koopman druk gesticulerend en wijzend naar het westen het gesprek met Darra aanging. Hierop wendden de mannen hun paarden en galoppeerden weg naar het westen.
Sake kwam teruglopen en wenkte de vrienden. Hij zei hen dat hij Darra had wijsgemaakt dat ze elkaar gisteren hadden getroffen en dat de gezochten van plan waren richting Rheinbach in het zuidwesten te gaan om vandaar door te steken naar de bescherming van het Kalifaat.
De dank van Kybbe wees Sake resoluut af. ‘Wij Friezen moeten elkaar bijstaan als we de mogelijkheid hebben.’
Darra was bij de keizer en graaf Rorik. Het gesprek ging over de ontsnapping van de moordenaar van de paus en zijn medeplichtige. Lodewijk was niet ontevreden met de gebeurtenissen. ‘Nicolaas was lastig. Hij stelde zich zelfs boven mij. Ons streven is er nu op gericht om Gunthar tot paus benoemd te krijgen. Maar eerst moet hij hersteld worden als aartsbisschop van Keulen.’
Darra ging hierop in: ‘Volgens mij zou het bij dat streven heel profijtelijk zijn om de moordenaar in handen te krijgen en hem door Gunthar te laten berechten. Ik heb daarom een voorstel. Voorlopig heb ik niets om handen en aangezien het zowel in uw als Aartsbisschop Gunthars belang is de moordenaar in handen te krijgen, kan ik hem u leveren. Geef mij een paar soldaten en ik zal hem spoedig achterhalen.’
Rorik wilde weten waar Darra hem van plan was te zoeken.
‘Volgens mijn informant is hij het laatst gezien aan de zuidkant van de stad. Dat betekent dat hij niet terug vlucht naar Frisia. Ik geloof bovendien niet dat hij direct naar het westen, naar Aken is gegaan. Maar hij durft natuurlijk ook niet hier in Keulen aan boord van een schip te gaan. Hij moet haast wel naar Bonn zijn gegaan en daar een schip nemen naar het zuiden om uit te wijken naar het Kalifaat. Daar zijn ze vast blij met een pausmoordenaar.’
‘Dat klinkt plausibel. Ik zal je 4 mannen meegeven en verwacht een succesvolle missie’, zei de keizer.
‘Ik zal u niet teleurstellen’, sprak Darra zelfverzekerd.
Tot zijn verrassing trof hij in Bonn een oude bekende, de koopman Sake. Diens informatie bevestigde zijn vermoeden dat de twee mannen naar het Kalifaat probeerden te vluchten. De achtervolging werd ingezet. Toen de imposante stukken van het oude Romeinse aquaduct na twee uur in zicht kwamen, wist Darra dat de vluchtelingen binnen handbereik waren.
Overboord
Darra stond onder een restant van het aquaduct in het centrum van Rheinbach. Eerder had z’n groep zich opgesplitst om informatie te krijgen over de twee vluchtelingen. Twee uur later waren ze weer bij elkaar gekomen onder een van de bogen van wat ooit de belangrijkste Romeinse waterleiding was in dit gebied. Al hun vragen in deze stad hadden geen enkel positief antwoord opgeleverd. Er was hier geen spoor van Kybbe te vinden. Langzamerhand kwam Darra tot de conclusie dat Sake hem niet de waarheid had verteld. Óf de koopman was zelf misleid door Kybbe, óf hij had bewust gelogen. Dat laatste leek hem het meest plausibel. Het betrof tenslotte een Fries, een broeder. Ze zouden het spoor weer ergens bij de rivier moeten oppikken. Vermoedelijk had het tweetal toch een schip in Bonn gevonden. Daarmee zouden ze de rivier stroomopwaarts naar het zuiden volgen en vermoedelijk ergens bij Straatsburg het Kalifaat binnengaan.
Twee van zijn mannen hadden meerdere keren de Rijn bevaren en wisten de ankerplaatsen te noemen, die vanaf Bonn stroomopwaarts door de meeste schepen werden aangedaan. Eerstvolgend na Bonn was Lincesce, daarna kwam de vrije rijksstad Andernach. In een van deze havens zou het zeker lukken de vluchtelingen in hechtenis te nemen en terug te voeren naar Keulen voor hun terechtstelling. Hiervoor moesten ze het Rijnland doorsteken naar de rivier, waar ze bij Lincesce uit zouden komen.
Ze mochten de rivier dan kennen, maar het Rijnland was een ander verhaal. Darra had vertrouwd op z’n escorte om hen via de snelste route naar de havenplaats te leiden. Ze reden al uren voor het duidelijk werd dat ze verkeerd zaten. Ongelooflijk dat hij moest vertrouwen op deze sukkels.
De Rijn slingerde aardig op weg naar z’n oorsprong, dus de schade was te repareren. Te paard kwamen ze sowieso sneller vooruit dan een schip dat stroomopwaarts voer. De nacht had eindeloos lang geduurd en de mannen waren vermoeid, maar Darra liet hen in eerste instantie doorrijden. Gedwongen door het duister hielden ze een rustig tempo aan. Het was niet de bedoeling de paarden zodanig af te matten dat voortgang onmogelijk werd. Er moesten dus wel rustpauzes worden ingelast. Daardoor kwamen ze pas in de vroege ochtenduren in Lincesce aan. Een gekwelde kreet kwam van Darra’s lippen toen hij merkte dat het schip al vertrokken was naar een volgend station. Ze galoppeerden evenwijdig aan de boot, waarop de vluchtelingen passage hadden gevonden. Uiteindelijk kalmeerde hij en hield stil. Eerst terug naar de haven voor een goede maaltijd. Er was tijd genoeg voor een rustpauze. Grimmig bedacht hij dat ze in ieder geval eerder in Andernach zouden arriveren dan de voortvluchtigen. Hij kon daar dan rustig de komst van het schip afwachten.
Gerhard en Kybbe voeren over de rivier naar de eerste aanlegplaats, waar het schip, waarop ze passage hadden bemachtigd, zou afmeren. Daar konden ze aan land de nacht doorbrengen alvorens de reis voort te zetten naar Andernach. Op het schip waren ze wat tot rust gekomen. Daaraan werd bijgedragen door de Rijn zelf, die hier breed was en hun ontspannen tegemoet stroomde. Op de andere oever boden de vele toppen van het Zevengebergte een imposante aanblik. Zulke bergen had Kybbe nog nooit gezien. De stad Lincesce bood hen als centrum van een kleine Untergau enig vertier in de avond. Ze maakten al snel contact met de lokale bevolking, nieuwsgierig als deze was naar de buitenlander met het vreemde accent. De drank vloeide rijkelijker dan Kybbe had gewild. Hij was behoorlijk van slag toen hij wakker werd op het stro in de herberg. Gerhard verkeerde in een wat betere staat. Hij had enige tijd aan Kybbe staan schudden voor diens ogen zich moeizaam openden. ‘Kom op. We moeten aan boord, voor ze zonder ons vertrekken. De kapitein had het over een vroege afvaart.’
Het was koud en helder weer. Rillend liep Kybbe naar de haven.
De bemanning was in een opperbeste stemming. De trossen werden losgegooid. Kybbe kon alleen aan z’n arme hoofd denken in de lawaaiige omgeving.
Een kreet van Gerhard drong door tot z’n wazige brein. Met een pijnlijke grimas keek hij naar z’n vriend. Gerhard wees naar de westelijke oever, waar 5 mannen te paard evenwijdig aan hun vaarrichting galoppeerden. ‘Dat moet Darra zijn’, riep hij opgewonden. ‘Hij is er natuurlijk achter gekomen dat hij in de maling is genomen en nu zoekt hij ons in de eerstvolgende haven langs de rivier.’
Kybbes hersenen werkten weer. ‘De volgende haven is Andernach. We moeten vóór die tijd van boord zijn. De bemanning heeft er geen belang bij ons te helpen tegen een vertegenwoordiger van het wettige gezag. Zij leveren ons zeker uit. We kunnen ze dus ook niet vragen ons ergens langs de rivier af te zetten. Het beste is als we ongezien van boord kunnen gaan.’
‘Hoe moeten we dat doen?’, vroeg Gerhard.
Het antwoord kwam snel. ‘Er is maar één mogelijkheid, zwemmen. Als de bemanning bezig is, springen we buiten hun gezichtsveld in het water. De rivier ziet er hier rustig uit. Je kunt toch wel zwemmen, Gerhard?’ Kybbe bedacht zich ineens dat, hoewel hij in een waterrijke omgeving opgroeide, velen in Vellesan niet konden zwemmen. Dat gold misschien nog wel meer voor de mensen uit Keulen. Gerhard bevestigde dat hij in zijn jeugd in z’n geboortedorp in een meer had leren zwemmen. Er was een groot rotsblok, waar de durfallen steeds weer vanaf doken. Ze bonden hun buidels steviger vast en toen de gelegenheid zich voordeed, sprongen ze in de rivier. Daar schrok Kybbe van het ijskoude water, dat bovendien een veel sterkere stroming kende dan hij verwachtte. Met moeite worstelde hij zich naar het wateroppervlak. Terwijl de rivier hem meezoog, speurde hij wanhopig naar Gerhard. Hij meende verderop een hoofd boven water te zien. Zijn pogingen om naar de oever te zwemmen waren weinig succesvol. De rivier hield hem in haar greep, tot een bocht hem dichter bij de linkeroever liet komen. Nu was het moment om al z’n kracht in te zetten. Terwijl de rivier aan hem trok, probeerde hij uit die greep te komen door mee te zwemmen en tegelijkertijd de rand van de stroming te bereiken. Bijna miste hij de takken die overhingen vanaf een iets boven de oever uitstekende rotsformatie die tot in de rivier uitliep. Met z’n laatste krachten wist hij zich hand over hand van de eerste tak naar de volgende uit de stroom te trekken in de beschutting die de formatie bood. Hier hees hij zich op de oever en bleef volkomen uitgeteld liggen. De kou drong diep door in z’n botten en hij was niet in staat zich in beweging te zetten. Hij kwam weer tot bewustzijn in een dikke deken gewikkeld, met z’n voeten richting een houtvuur.
Hij keek hoopvol rond, op zoek naar het gezicht van z’n vriend. Die hoop werd direct de bodem in geslagen. Het was een onbekende die hem bezorgd aankeek. Het bleek een visser te zijn die hem meer dood dan levend had aangetroffen. Aangezien hij voor de overnachting in het open veld was uitgerust, had hij direct nadat hij gemerkt had dat er nog leven in het vermeende lijk zat, Kybbe van z’n natte kleding ontdaan. Daarna had hij hem drooggewreven, omwikkeld en een vuurtje gemaakt. Nu hij weer teruggekeerd was in het land der levenden moest Kybbe natuurlijk zijn verhaal vertellen. Maar Kybbe wilde eerst weten of de visser zijn vriend had gezien. De man antwoordde ontkennend. Hij had alleen Kybbe in erbarmelijke staat op de oever aangetroffen. Kybbe paste z’n verhaal aan. Wie weet hoever het verhaal van de ‘pausmoord’ was doorgedrongen. Hij kon maar beter voorzichtig zijn. Hij was zeer benieuwd waar hij zich nu precies bevond. De visser wees naar het noorden. Daar waren in de verte de toppen van de Ölberg, de Löwenburg, de Lohrberg, de Wolkenburg en de Drachenfels te zien. Hij wees één voor één de toppen van het Zevengebergte aan. Aan de andere kant van de rivier lag het stadje Oncale. Kybbe besefte dat hij een behoorlijk stuk stroomafwaarts was gedreven. Zijn kleren waren inmiddels bij het vuur opgedroogd. Hij wierp de deken van zich af en kleedde zich aan. Na de visser hartelijk te hebben bedankt voor het redden van z’n leven, begaf hij zich opnieuw richting Lincesce. Hij moest daarvoor aan de andere oever zien te komen. De vermoeidheid bleek groter dan gedacht. Even later vond hij een geschikte plek om te rusten. Daar sloeg het besef keihard toe. Gerhard was verdwenen. Moedeloos zakte hij in elkaar, de handen voor het gezicht geslagen. Het was zijn schuld. Hij had hun nooit van het schip af mogen laten springen. Er had zich vast nog wel een andere mogelijkheid voorgedaan om uit handen van Darra te blijven. Nu had hij een derde leven op z’n geweten. Eerst had hij z’n jeugdvriendinnetje aan haar lot overgelaten, omdat hij zich schaamde. Daarna was hij niet in staat geweest zijn geliefde te redden uit de brandende brouwerij en nu had hij z’n beste vriend de dood in gedreven. Schokschouderend zat hij daar en liet z’n tranen de vrije loop.
Uiteindelijk kwam hij tot bedaren en viel in een diepe slaap.
Na enkele uren kon hij z’n tocht voortzetten. Lichamelijk was hij er weer bovenop, maar emotioneel was hij uitgeput.
Darra had met z’n groep Andernach bereikt. Het was nu slechts wachten tot z’n prooi hem in handen viel. Eerst zocht hij de lokale autoriteiten op. De vertegenwoordigers van de keurvorst van Trier werden op de hoogte gebracht van het feit dat ze binnen afzienbare tijd twee voortvluchtige pausmoordenaars in hun stad konden verwachten. Bij de aanlegplaats werden uit voorzorg twee stadswachten geposteerd. Niets werd aan het toeval overgelaten. De voortvluchtigen zouden geen kans krijgen te ontsnappen.
Kerkelijk gezien ressorteerde de stad onder de bisschop van Trier. Deze bisschop stond in de strijd om het pausschap aan de kant van de aartsbisschop van Keulen. Darra vond het daarom de moeite waard eveneens de lokale clerus te informeren. Mochten de mannen weten te ontkomen en een veilige haven zoeken in de kerk van Andernach, dan zouden ze daar niet op bescherming hoeven rekenen. Alles stond klaar voor de definitieve afrekening met de familie die hem z’n aangename post in Vellesan had gekost.
Het schip kwam in zicht. Eén van de stadswachten meldde dit direct aan Darra, die zich warmde aan het behaaglijke vuur van de haard in de herberg. Het schip maakte zich klaar af te meren tegen de tijd dat Darra en z’n mannen de haven bereikten. De boordplank werd uitgelegd en zij gingen aan boord. De kapitein vertelde dat hij beide mannen rond het middaguur voor het eerst had gemist. Ze waren niet meer aan boord. Hij had er niets van begrepen. De weersomstandigheden waren niet slecht. Het was onmogelijk dat de mannen overboord waren geslagen. Om een voor hem onbegrijpelijke reden waren ze zelf van boord gegaan en aangezien ze tussen Lincesce en Andernach geen haven hadden aangedaan, moesten de mannen wel zelf van het schip zijn gesprongen. Nu kreeg de kapitein te horen dat het om de moordenaars van de paus ging. Z’n ogen lichtten begripvol op. ‘Aha, nou ik denk dat je niet langer meer naar ze hoeft te zoeken. Ik vermoed dat ze zijn verzopen. Die rivier heeft al heel wat levens op haar geweten. Een val in de rivier overleef je niet snel. Onbegrijpelijk waarom ze zijn gesprongen.’
Darra vertrouwde de man niet en liet het hele schip binnenste buiten keren in een zoektocht naar de man die hem telkens was ontsnapt. De zoektocht leverde buiten een zeer kwade kapitein niets op. De voortvluchtigen bleven onvindbaar. Darra zou met hangende pootjes terug moeten naar Keulen. Daar zou hij op z’n minst worden uitgelachen na zijn verzekering aan de keizer dat hij met de moordenaar terugkwam. Hij gaf z’n mannen bevel op te stijgen en terug te rijden naar Lincesce. Als ze de Rijn hadden overleefd, gingen ze hier zeker weer aan boord van een schip.
Na hun aankomst in deze havenplaats haastte Darra zich naar de lokale autoriteiten en vertelde hen hetzelfde als hij in Andernach had gedaan. Men zou uitkijken naar de twee vluchtelingen, mochten deze hun sprong in de rivier hebben overleefd. Hij sprak ook met verschillende mensen die de rivier goed kenden. Men kon hem vertellen dat in dit jaargetijde de stroomsnelheid van de Rijn 3 knopen bedroeg. In het onwaarschijnlijke geval dat het je lukte zolang te blijven drijven, zou je dus vanaf Lincesce binnen zeven uur in Bonn zijn. Het was onmogelijk om aan land te komen, als je eenmaal werd meegesleurd. Waarschijnlijk zouden de lijken ergens in de rivierdelta pas aan land komen. Na vier dagen te hebben gewacht, besloot Darra de zoektocht voort te zetten in Bonn. Ze waren misschien wel verder afgedreven dan hij aanvankelijk had verondersteld. Onderweg moesten ze overal melding maken van het feit dat er twee vluchtelingen op weg waren naar het zuiden en dat iedereen de plaatselijke autoriteiten zo snel mogelijk op de hoogte moesten brengen wanneer deze twee mannen werden gezien.
Het was Kybbe pas na vele dagen gelukt aan de andere zijde van de rivier te komen. Hij hoorde onderweg verhalen over twee ontsnapte gevangenen die gezocht werden voor de moord op paus Nicolaas. Tot zijn geluk was men op zoek naar twee mannen en was er kennelijk geen duidelijk signalement van deze mannen beschikbaar gesteld. In alle rust kon hij aan boord gaan van een handelsschip en reisde hij via Andernach naar Koblenz, waar zich een brug over Rijn en Moezel bevond. De stad bestond al in de Romeinse tijd en werd later een Frankisch koningshof. Een paar eeuwen daarna vonden er in de Sint-Kastorbasiliek onderhandelingen plaats tussen de drie kleinzonen van Karel de Grote. Dit leidde twee jaar vóór de geboorte van Kybbe tot het Verdrag van Verdun, waar zij tot overeenstemming kwamen over de verdeling van het grote rijk. Hier vond Kybbe werk. Hij was van plan zijn reis op de Rijn voort te zetten tot aan Mannheim en daar over te stappen op een boot over een zijrivier, de Neckar, tot aan Heilbronn. Daar zou hij verder zien. De winter had zich buiten Bonn al even getoond met natte sneeuw, maar hoewel het wel koud was bleef het winterse weer uit en viel er nog prima te reizen. Hij kon grote voortgang boeken naar z’n eindbestemming zolang hij op de rivier bleef. Hij hoopte dat daarna de sneeuw niet teveel belemmeringen zou opwerpen.
De inhoud van z’n buidel was inmiddels groot genoeg om verder te reizen. Hij betaalde voor een vervolg op een kleiner schip. Het scheen nogal moeilijk te zijn voor de scheepvaart om het smalle dal waar de Rijn hier doorheen liep te bevaren. Er waren vele ondiepten en kleine eilandjes in dit middendeel van de rivier. Bij dit smalle dal kwamen de bergen soms tot direct aan de rivier. Bij Sankt Goarshausen zag Kybbe de Loreley, een steile rots, die hoog boven de rivier uittorende. De Rijn slingerde er met een scherpe bocht omheen. De kapitein vertelde hem dat er hier een uitermate gevaarlijke stroming was, waardoor schepen in grote moeilijkheden konden komen. Ook al omdat er tevens een stroming vanuit de diepte omhoog kwam. Het werd echter nog spannender bij Bingen. Daar lag een vrijwel aaneengesloten rif dwars over de hele rivier. Het kostte zeer veel moeite hier voorbij te komen en iedereen op het schip slaakte een zucht van verlichting toen deze hindernis succesvol was genomen. Op een eiland was men kennelijk een toren aan het bouwen. Kybbe vroeg de kapitein wat dat was. Het antwoord dat hij kreeg verbaasde hem niet. ‘We zullen hier wel uitgenepen gaan worden. In de toekomst moeten we hier tol gaan betalen om te mogen passeren. Ik weet niet wiens idee dit is, want het is hier een ratjetoe. De Romeinen hebben hier ooit een versterking gebouwd en nu zijn er verschillende leenheren in dit stukje land. De keizer voorop, maar ook de kloosters van Fulda, Lorch en Hassenried hebben hier een vinger in de pap. O ja! Het aartsbisdom van Mainz speelt hier ook de baas. De bisschop zie ik er wel voor aan om zoiets op te zetten.’
Kybbe dacht direct aan het verhaal van Sint-Engelmundus in Vellesan en zijn relikwieën in de kerk, waarmee geld van pelgrims werd binnen geharkt. Het vermoeden van de kapitein kon best eens waar zijn.
De rivier verbreedde zich en ze voeren weer langs wat riviereilanden. Aan de rechteroever zag Kybbe op een heuvel een stukje landinwaarts de Keizerpalts Ingelheim. Hier verbleef de keizer regelmatig. Het imposante bouwwerk keek over de vallei uit. Gelukkig had hij van de nabijheid van een keizerlijke burcht niks te vrezen. Waarschijnlijk had Darra de keizer inmiddels bericht dat de vluchtelingen waren verdronken na hun duik van het schip in de Rijn.
Er werd hem verteld dat hier op de glooiende heuvels de beste druiven groeiden. ‘Je moet zeker de wijn proeven als we in Mainz aankomen.’, zei de kapitein hem, nadat hij Kybbe tegen een bemanningslid hoorde zeggen dat hij nog nooit wijn had gedronken.
Een mengeling van regen en natte sneeuw daalde gestaag neer uit de loodgrijze lucht toen zij Mainz bereikten. De stad oogde grauw onder deze dikke deken. Dit was dus de hoofdstad en de zetel van een aartsbisschop, dacht Kybbe. De rivier waarnaar de stad was genoemd vloeide hier samen met de Rijn. Hij had gehoord dat Bonifatius de eerste aartsbisschop van Mainz was geweest. Dat was dezelfde man waarover verhalen de ronde deden in Frisia. Het gezelschap van drie bemanningsleden van het schip ‘de Speijer’, waarmee hij tot hier was gekomen, vergezelden Kybbe naar een uitstekende herberg. Althans, dat was de mening van de drie mannen. Hij vertrouwde op hun kennis van de stad, die zij al meermaals hadden aangedaan.
De herberg voldeed zeker aan de verwachtingen die Hans, Bertold en Wolfgang bij hem hadden gewekt. Het was er behaaglijk in tegenstelling tot de ijzige koude buiten.
‘Nee Kybbe, geen bier voor jou’, zei de oudste van de drie. ‘Nu je hier bent, móet je de wijn proberen.’ De scheepsmaten moesten lachen toen Kybbe in één keer de wijnbokaal leegde.
‘Ik zei toch, géén bier voor jou. Wijn drink je met kleinere slokjes. Je moet het proeven. Hou het even in je mond. Laat het je tong prikkelen voor je het doorslikt’, onderwees Hans.
Bertold gaf Kybbe een klap op de schouder. ‘Jij bent een bierdrinker, Kybbe, net als wij. Echte mannen drinken bier.’ Bij de laatste opmerking keek Bertold meesmuilend naar Hans.
Hij mocht het misschien niet goed doen volgens Hans, maar Kybbe vond de voor hem nieuwe drank een openbaring. Dit zou zeker niet de laatste keer zijn, als het aan hem lag.
De feestrivier
De drie bemanningsleden waren teruggekeerd naar hun schip. Ze lieten Kybbe achter bij zijn persoonlijk ontdekking van het geestrijke vocht van de streek. Kybbe besloot dat hij iets langer in Mainz wilde blijven, nadat hij het gezelschap naast hen hoorde spreken over de abdij van Fulda en de enorme bibliotheek die de monniken van het klooster hadden aangelegd.
Na het vertrek van Hans en z’n maten had hij aansluiting gezocht bij dat gezelschap. Deze verhaalden over het werk van de voormalige aartsbisschop van Mainz, Hrabanus. Hij was een groot geleerde en had ervoor gezorgd dat Fulda zich ontwikkeld had tot het geestelijke en culturele centrum van het Frankenrijk. De monniken maakten onder zijn leiding de mooiste werken. Na een politiek conflict met Lodewijk de Duitser en z’n daaropvolgende vlucht naar Fulda, vond een verzoening tussen de twee plaats en werd Hrabanus aartsbisschop van Mainz. Elf jaar geleden overleed deze grote wetenschapper. Toen het gezelschap overging op het bespreken van de figuurgedichten van de geleerde, haakte Kybbe af. Zijn interesse lag bij architectuur en bouwtechniek. Boeken die daarover handelden wilde hij graag inzien. Maar toen hij vernam waar Fulda lag, besloot hij liever naar Constantinopel te reizen, dan een omweg via Fulda te maken. Misschien gold voor dat klooster hetzelfde als voor de bibliotheek in Keulen en bewaarden ze daar niet het soort kennis dat hij zocht. Daarom besloot hij toch maar terug te keren naar de Speijer en z’n reis zoals gepland voort te zetten.
Die beslissing bracht hem de volgende dag terug op de Rijn. Het ging verder in zuidelijke richting. Ze bereikten het vissersplaatsje Mannheim op de dag dat het winterfeest begon. De kapitein had extra voedsel in Mainz ingeslagen voor het feest dat zij hier met de inwoners zouden vieren. Het bleek dat dit een jaarlijks terugkerend ritueel van de schipper en bemanning was. Ze werden dan ook verwelkomd als familie.
Kybbe was bekend met de onderdelen van de festiviteiten. Hij was opgegroeid met het Joelfeest. Een versierd houten blok werd in brand gestoken, waarbij de volwassenen allerlei beloftes deden en bezwoeren zich daaraan te houden. Aan het einde van het feest, dat twaalf dagen duurde, werden de restanten van het Joelblok verbrand om het nieuwe jaar in te luiden. Zo als het zich liet aanzien werd hier net zoveel gegeten en gedronken als bij het Joelfeest in z’n jeugd. Toen z’n moeder naar de kerk begon te gaan, kreeg het feest een ietwat ander gezicht. Het begon nog steeds op 24 december, maar de christenen noemden dit Adam-en Eva-dag. Ze geloofden dat de oervader en moeder op die dag uit het paradijs waren verdreven. Z’n vader liet Marzoeta begaan. Het feest bleef tenslotte een feest en daar ging het Aeijolt om, een feest in familiesfeer. Z’n moeder bezocht daarna de middernachtelijke mis om de geboorte van Christus te vieren. Het grootste deel van hun familie en vrienden deed daar niet aan mee. Hij was wel met z’n moeder meegegaan, maar de rest van het jaar bleef Kybbe weg bij de kerk. Alleen de bouw ervan had zijn interesse en tijdens zijn reis kon hij het niet nalaten de kerken die hij tegenkwam binnen te gaan om te kijken welke constructie was gebruikt en hoe de kerk was aangekleed.
Aan de zijde van de kapitein, Hans, Bertold en Wolfgang vierde Kybbe de avond mee. Hij raakte in gesprek met veel inwoners van wat ze in Kinhem een ‘vlek’ noemden. Het was slechts een kleine plaats, net als het Vellesan van zijn jeugd. Er was ook een groot verschil met zijn woonplaats en dat was, dat ze hier allemaal christenen waren. Zou dat inmiddels in Vellesan ook het geval zijn? Wat stond hem daar te wachten als hij ooit zou terugkeren?
De priester van dit vlek, dronk net zo hard mee met de rest van de aanwezigen. Het was een vrolijke boel. Maar het was onvermijdelijk dat de geestelijke op een bepaald moment begon over de moord op paus Nicolaas. ‘Hebben jullie daar meer over gehoord?’
De schipper vertelde dat hij uiteraard over de moord hoorde toen hij in Bonn was. Er was een zoektocht naar de moordenaars uitgezet. Deze groep had hen gesignaleerd op de Rijn, terwijl ze zuidwaarts vluchtten.
De priester keerde zich tot Kybbe en zei: ‘Jij hebt een nogal vreemde tongval. Ik meen dat je ergens uit het kustgebied van de Noordzee komt, is het niet? Weet jij meer? Er is mij namelijk verteld dat een van de moordenaar ook uit dat gebied afkomstig is.’
Kybbe verslikte zich in een stuk brood en liep rood aan. De priester sloeg hem op de rug om te helpen. Eindelijk kreeg Kybbe weer lucht en het drong tot hem door dat de man niet hem zelf verdacht. In dubbel opzicht opgelucht beantwoordde hij tenslotte de vraag van de geestelijke. ‘Ik weet het niet. In de verhalen die ik hoorde, betrof het een Fries uit Ostergo. Dat ligt een heel eind van mijn woonplaats af. Ik kom namelijk uit het duingebied aan de Noordzee.’
Hoofdschuddend sprak de priester: ‘Die Friezen blijven halsstarrig in hun heidense goden geloven. Ze deinzen niet terug voor de moord op een geestelijke. Onze eigen heilige Bonifatius werd als 80-jarige ook door hen vermoord. Maar genoeg daarvan. Vandaag is een heuglijke dag. Laten we die vieren en hopen dat er snel een nieuwe paus wordt gekozen.’
Voor het eerst in jaren was Kybbe aanwezig bij een nachtmis.
De festiviteiten zouden aanhouden tot 6 januari en Kybbe was al bang dat er geen scheepvaart op de rivieren zou zijn. De kapitein lachte naar hem. ‘Natúúrlijk varen er schepen. De handel gaat altijd door. Er zijn arme drommels die nooit een feestje kunnen vieren. Altijd maar aan het werk.’ Hij lachte smakelijk. ‘Je vindt wel een boot naar Heilbronn.’
Na twee dagen had Kybbe z’n transport naar Heilbronn te pakken. Hans zei dat het een ewer was, een kleine platbodemde boot. Het had een kleine plecht en was verder helemaal open en werd gevaren door twee mannen. Er werd gebruik gemaakt van een razeil met stagfok. Kybbe maakte kennis met de twee mannen en ze kwamen een prijs overeen die Kybbe alleszins redelijk leek.
De tocht verliep voorspoedig. De boot voer in etappes over de Neckar. Bij elke tussenstop op hun route vierde de lokale bevolking feest. Op Drie Koningen kwamen ze aan in Heilbronn. In het centrum van de stad bevond zich het koninklijk hof op een heuvel. Deze verhoging in het terrein zorgde voor bescherming tegen overstromingen van de rivier. Nog voor aankomst had Kybbe de basiliek al gezien. Deze kerk was gewijd aan Sint Michaël de Aartsengel. Het gebouw bezorgde Kybbe geen verrassende inzichten en hij besloot snel verder te trekken. Vanaf hier zou hij lange tijd over land moeten reizen vóór hij Ratisbon bereikte. Hij hoopte dat de weergoden de passage mogelijk zouden maken. Bij Ratisbon kon hij weer verder reizen per boot en een flink stuk van de weg naar Constantinopel afleggen via de Donau. Dat zou stroomafwaarts een stuk sneller gaan. De Zwarte Zee vormde het sluitstuk van de reis naar de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk. Dit was de route zoals broeder Basilius hem in Keulen had getoond.
Het was de dag dat het midwinterfeest eindigde, maar ook de dag dat volgens de christenen de drie wijzen uit het oosten in de stal in Bethlehem aankwamen. Kybbe begon aan zijn voettocht. Van Heilbronn liep een grotere weg door het woud naar Halle, waar zout werd gewonnen. Hier had hij geluk mee te kunnen reizen met een zouttransport, dat z’n lading in Heilbronn had verkocht en nu terugkeerde naar de zoutbron. Vanaf Halle was hij echter aangewezen op z’n eigen benen. De klim uit de vallei bezorgde hem de eerste kuitkramp van z’n leven. Hij schudde verwoed aan z’n rechterkuit om de kramp te laten verdwijnen. Na enige tijd kon hij verder.
De vele waterloopjes en grotere stromen in dit bergachtige gebied vertraagden zijn voortgang behoorlijk. Bovendien liep hij daardoor regelmatig te soppen in z’n schoenen. Heel vaak werd hij gedwongen een omweg te nemen of op z’n schreden terug te keren om een nieuwe weg te zoeken naar het oosten. Z’n enige geluk was dat het langere tijd helder weer was. De luchten toonden zich blauw met enkele spaarzame wolken. Het terrein was lastig in deze Fränkische Alb. Dit gebergte strekte zich van
noord naar zuid uit tussen de rivier de Main en de Donau.
Zijn tweede overnachting in het bos verliep onrustig. Het gehuil van wolven wekte hem. In Kinhem had hij ze wel vaker gehoord, maar de dieren bleven uit de buurt van mensen. Hij had er zelf nooit een gezien. De tweede keer dat hij werd gewekt, waren ze echter veel dichterbij gekomen. Hij zag ogen oplichten in het schijnsel van de maan. Donkere schaduwen schoten langs. Het werd onheilspellend stil. Kybbe besloot in een boom te klimmen en de dageraad af te wachten. Tussen twee gevorkte takken bracht hij de nacht door. Af en toe soesde hij weg en schrok hij weer op. Hij wilde niet in slaap vallen met het risico dat hij uit de boom zou tuimelen. Geradbraakt liet hij zich bij de eerste zonnestralen uit de boom zakken. Er waren veel pootafdrukken te zien rond de stam van zijn overnachtingsplek. Hierna had hij geen nieuwe ontmoetingen met wilde dieren. Hij wist dat er ook beren rondliepen in dit woud. De dagmarsen waren van een grote eentonigheid, slechts gebroken door het zoeken van een oversteekplek van de rivier de Altmühl.
Na alle inspanningen kwam hij, met in omvang toegenomen kuiten, aan in Ratisbon. Daar zag hij het complex van een abdij. Precies de plek die hij nodig had om bij te komen van zijn vermoeienissen. Hij liep de poort door. Een monnik naderde hem en meende een pelgrim in hem te herkennen.
Kybbe vertelde hem geen pelgrim te zijn, maar een bouwer op doorreis naar Constantinopel. Dat wekte de belangstelling van deze broeder.
‘Naar Constantinopel? In deze onzekere tijden? Je weet toch dat we heel dicht bij een oorlog zijn tussen het Byzantijnse en het Bulgaarse Rijk? Waarom zou je je leven daar riskeren?’
‘Ja, ik heb daar al eerder van gehoord. Ik probeer dat natuurlijk te ontwijken. Broeder Basilius vertelde me dat ik voor interessante bouwwerken en literatuur daarover het beste naar Constantinopel kan gaan. Hij noemde ook de bibliotheek van Alexandrië. Als ik vanwege een oorlog moet uitwijken, ben ik van plan daar naartoe te gaan.’
De monnik, die zich voorstelde als broeder Benedikt bleek Kybbe’s interesse in bouwwerken te delen. Hij had meerdere boeken uit de oudheid overgeschreven en zei tegen Kybbe dat hij net klaar was met het kopiëren van De Architectura libri decem van Vitruvius.
Kybbe was opgetogen. Onverwacht trof hij hier in Beieren kennis van de Romeinse architectuur aan, die hij zich graag eigen zou maken.
Benedikt bleek een geweldige gesprekspartner. In de dagen hierna kreeg hij alles te horen over de geschiedenis van Ratisbon, de abdij en de politieke verhoudingen in het gebied.
‘De Abdij van Sint Emmeram bestond al vóórdat de heilige Bonifatius het bisdom Ratisbon 130 jaar geleden stichtte.’, begon Benedikt. ‘Onder het gezag van een hertog was dit de eerste hoofdstad van Beieren, totdat Karel de Grote de zaak overnam en de palts voor eigen gebruik in bezit nam.’ Hij maakte de geschiedenis inzichtelijk door de verhalen achter de fresco’s van het klooster te vertellen en Kybbe mee te nemen naar de palts en naar de kathedraal van Sint Petrus en vertelde een deel van het verhaal terwijl ze keken naar twee eilanden in de Donau.
De abdij in Ratisbon bleek een leerzaam rustpunt in z’n reis oostwaarts. Kybbe was broeder Benedikt dankbaar voor zijn lessen en de fijne gesprekken over vrijwel elk denkbaar onderwerp. Na een aantal dagen van heerlijke rust, besloot Kybbe scheep te gaan. Hij vertrok terwijl de mist het dal in een sluier hulde.
DEEL 4
Vertrek uit Parisi
868 n.Chr.
De zoektocht naar Kybbe was op niets uitgelopen. Moussa Bennani had z’n complete netwerk ingezet. Het leverde niets op. De persoonlijke naspeuringen van Anna en Fatima kenden evenmin succes. Het werd steeds duidelijker dat Kybbe deze route niet had genomen. Maar als Parisi niet z’n doel was geweest, wat dan wel? Waar was hij heengegaan?
Anna overlegde met Moussa en Fatima. Moussa streek nadenkend over z’n baard. ‘Uit je verhalen over hem, maakte ik op dat jouw Kybbe behoorlijk ambitieus is. Als zijn honger naar kennis zo groot is, kan het heel wel zijn dat hij direct naar de bron ervan is gegaan.’
Anna keek hem verwachtingsvol aan: ‘En waar is die bron dan?’
Córdoba, natuurlijk!’, antwoordde Moussa. ‘Geen stad herbergt zoveel kennis als Córdoba. Ik denk dat je je liefde daar zal treffen.’
Anna was bij de aanvang van haar reis angstig geweest voor een cultuur die zo ver van de hare leek af te staan. Haar lange gesprekken met zowel Moussa als Fatima in de maanden die zij in Parisi had doorgebracht, hadden die angst grotendeels weggenomen. Bij hun eerste gesprekken was het vooral over religie gegaan. Anna wilde weten of men in de islam hetzelfde geloofde als in het christendom. Daarop vertelde Moussa haar dat de twee geloven veel gemeenschappelijk hadden. Zo waren de profeten van Allah op verschillende momenten gekomen om het ware verhaal te vertellen. Moesa heette bij de christenen Mozes en hij had de mens de hoofdgeboden van Allah gebracht. Maar ook Ibrahim, Joesoef en Issa hadden hun boodschap van de enige ware God verkondigd. Issa bleek de Arabische naam voor Jezus te zijn.
Moussa had iets heel belangwekkends er aan toegevoegd. Ze herinnerde zich letterlijk zijn woorden. ‘Echter, toen de Christelijke kerk zo’n 500 jaar geleden besloot dat Issa in de eerste plaats als zoon van God moest worden gezien, misleidde zij de mensen. Wij islamieten zien Issa als profeet, die het woord van Allah naar de mensen bracht, maar een mens kan natuurlijk niet de zoon van Allah zijn. Allah is groot en staat boven alles. De mens kan zich alleen maar aan zijn grootheid onderwerpen.’
Dat de mens machteloos stond tegenover het geweld van de natuur, had Anna al lang geleden ervaren. Dat je als individu weinig kon beginnen tegen machtige heersers en gewapende bendes, wist ze eveneens uit ervaring. Maar de opstand in Kinhem had haar ook duidelijk gemaakt, dat je je in groepsverband kon verzetten tegen wanbestuur en misbruik. En ze had haar eigen lot in handen genomen door de zoektocht naar Kybbe te beginnen. Haar besluit stond vast. Ze zou naar Córdoba gaan.
Ze moest Fatima, met wie ze de laatste maanden bijna constant had doorgebracht in haar zoektocht naar Kybbe, beloven terug te keren naar Parisi. ‘Als je hem gevonden hebt, kom je hier terug en houden we een groot feest’, zei haar vriendin met tranen in de ogen bij het afscheid.
Het eerste deel van haar reis kon Anna afleggen met een van de karavanen van Moussa, die door Gallië trokken. Deze zou haar veiligheid verschaffen tot in Turon. Als ze daar enkele dagen kon wachten, zou ze met een delegatie van het stadsbestuur mee kunnen naar Poitiers. Vandaar zou ze het verder zelf moeten regelen. In dit deel van de reis kwam Anna langzamerhand tot een wijziging van het beeld dat ze had van het Kalifaat. Ze had gedacht vrijwel uitsluitend moslims en vooral Arabieren te treffen, maar deze bleken in dit deel van het Kalifaat een minderheid te vormen. De meeste mensen waren christen of hingen het oude geloof aan. De christenen waren verreweg in de meerderheid en de stad Turon bevestigde dat beeld. Er werd haar verteld dat de Arabieren zich vooral in Parisi, Poitiers, Bordeu en in de legerkampen bij de grenzen en de monding van rivieren bevonden.
Turon was een van de belangrijkste christelijke religieuze centra van de Wilaya Gallië. Omdat ze hier toch enkele dagen moest doorbrengen bezocht ze het graf van Sint-Maarten, die één van de eerste bisschoppen van de stad was geweest en nu vereerd werd als wonderdoener en heilige. Gregorius van Turon had daar al eeuwen geleden verslag van gedaan. Die boeken lagen in de bibliotheek van het klooster. Het belang van de stad als centrum van het christendom in Gallië lag voornamelijk bij één man, hoorde zij. Het was Alcuinus, die als abt van de abdij van Sint-Maarten het onderwijs had verbeterd en een prachtige bibliotheek had opgebouwd. Vol trots vertelde een inwoner van de stad dat hun abt Karel de Grote en diens kinderen had onderwezen en dat hij de paleisschool in Aken had opgezet.
Anna verbaasde zich over de religieuze tolerantie van het Kalifaat. Ze herinnerde zich hoe de Christelijke kerk in Kinhem de aanhangers van het oude geloof had behandeld. Daar was geen enkele vorm van tolerantie geweest.
In gezelschap van enkele leden van het stadsbestuur vertrok Anna naar Poitiers. De tocht verliep vrijwel probleemloos. Ook de oversteek van de Vienne-rivier was weinig opwindend. Ze maakten hier gebruik van een brug die al door de oude Romeinen was aangelegd. Het grootste probleem werd gevormd door de regens die constant op hun hoofden neerdaalden. Het was onmogelijk droog te blijven. Zelfs de paarden leken indroevig. Met gebogen hoofden sjokten ze voort.
In Poitiers waren de gevolgen van de langdurige regen te zien. Huizen stonden in het water en mensen waadden tot hun middel met huisraad op het hoofd en kinderen op hun rug. Ze zochten het hogerop, weg van het stijgende water. Er waren meerdere rivieren die bijdroegen aan de malaise, maar het was vooral de Clain die voor overlast zorgde. Deze bijrivier van de Loire kon al het water dat viel in de vallei niet aan. Vooral niet omdat ook de Boivre zijn wateroverlast in de Clain uitspuwde. De hoeveelheid water was gewoon te veel. Op het hoger gelegen terrein was kennelijk opvang geregeld voor de mensen die door het stijgende water uit hun huizen waren verdreven. Er waren grote tenten neergezet.
De ruiter naast haar vertelde Anna dat het islamitisch bestuur van de stad plannen had gemaakt om een kanaal om de stad heen te graven, zodat het overtollige water, in periodes van extreme regenval, omgeleid kon worden. De zou een einde maken aan de periodieke overstromingen.
Anna moest hierbij terugdenken aan de slootjes die de Wieringers voor Claes van Hoeleyde groeven om het land te ontwateren. Dit was wel hele andere koek.
De hevige buien gingen geleidelijk over in een lichte regen. Ineens brak de zon door het wolkendek en verscheen er een prachtige dubbele regenboog. Nu Anna opkeek zag ze de stad in volle glorie. Een muur van wel 9 el dik aan de voet, 16 el hoog en 400 el lang omvatte haar geheel.
Ook hier verbaasde Anna zich weer over de tolerantie van de Omajjaden.
Overal waren kerkelijke gebouwen te zien. Het Baptisterium van Sint-Johannes, stond al zo’n 500 jaar in de stad en verder waren er meerdere kerken, die allemaal een eigen onderwijsinstelling hadden. Poitiers deed haar naam eer aan als ‘belangrijk centrum van christendom’. De inwoners van de stad beweerden zelfs dat het abdijklooster van het Heilige Kruis het eerste in Gallië gestichte klooster was. Toch kon de tegenstelling met Turon niet groter zijn. Waar die stad christendom uitwasemde, waren in Poitiers de islamitische gebedshuizen in de meerderheid. Totaal anders met hun stoere en toch elegante minaretten.
Nu de zon definitief het wolkendek had verdreven, leek het wel of het water begon te zakken. Het duurde echter nog drie dagen voor de rivieren weer in hun beddingen waren teruggevloeid. De schade was aanmerkelijk. Er heerste een gelaten sfeer onder de door het water getroffen bevolking. Er werd stilzwijgend opgeruimd. Enkele ouderen hingen apathisch rond, anderen pasten op de kleine kinderen. De jonge ouders leken daadkrachtiger in het weer bewoonbaar maken van hun behuizingen. De oudere kinderen werkten ernstig en ijverig mee. Overal waren inwoners bezig de rommel uit hun huizen te vegen en allerlei zaken te laten drogen. De geredde spullen die nog bruikbaar waren stonden apart van alles wat reddeloos was, te drogen in de buitenlucht. Het waren vooral kinderen die scharrelden tussen het afval in de hoop iets van hun gading te vinden.
Er kwamen karren langs, waar het afval op werd gestapeld, waarna het werd afgevoerd buiten de stadsmuren. Het bleek een initiatief van het stadsbestuur, dat een opruimingsdienst in het leven had geroepen.
Niet alleen de getroffenen waren buiten te vinden in een poging hun leven te herscheppen, er waren veel meer mensen op de been Ze keken rond welke schade hun stad had opgelopen. Velen deden dat met grote ogen en ach en wee roepend. Daar waren hele families bij. Ze liepen met de kinderen aan de hand, alsof het een openbaar schouwspel betrof.
Terwijl Anna de inwoners en hun bezigheden bestudeerde kreeg ze een flinke duw in haar rug. Ze kon een val maar net voorkomen. Verbijsterd keek ze om. Een jongeling excuseerde zich voor de botsing en liep van haar weg, maar terwijl hij dat deed zag Anna een andere jongen hard weglopen in dezelfde richting. Met een schok kwam ze tot het besef dat hier iets niet klopte. Automatisch gingen haar handen naar de twee buidels met geld onder haar kleding. Wég! Ze was bestolen. De jongeling keek om en zag dat Anna begreep wat er was gebeurd. Hij rende nu achter zijn makker aan.
‘Houd de dief!’, riep Anna, terwijl ze vertwijfeld de achtervolging inzette. Wandelaars keken verbaasd naar de voortsprintende jonge vrouw. Een Arabische familie bestaande uit een moeder met twee dochters aan de hand, een vader die hand in hand met een zoontje voor hen liep, gevolgd door twee jongemannen draaiden hun hoofden, toen de twee zakkenrollers hen voorbij holden. Hierna zagen ze een jonge vrouw langs rennen, die nu in het Arabisch opriep de dieven te stoppen. Al snel hierna werd Anna aan beide zijden ingehaald door de twee jonge Arabieren, die de achtervolging op de zakkenrollers hadden ingezet.
Ze raakte steeds verder achterop en besefte dat ze verloren had. Hijgend liet ze zich op de grond zakken. Tranen rolden over haar wangen. Ze vestigde nu al haar hoop op de twee achtervolgers die haar voorbij waren gesneld.
Die hoop bleek ijdel. Ze zag hen terugkeren. Maar de hangende schouders maakten haar al duidelijk wat zij had gevreesd. De jonge mannen herkenden haar en spraken haar aan. ‘Het spijt ons. Het is ons niet gelukt de dieven te pakken te krijgen, maar alles is nog niet verloren. We gaan naar de stadswacht en u geeft een beschrijving van de schurken. Zij vinden ze wel en hun straf zal zwaar zijn.
Anna had al gehoord dat volgens het islamitische recht de handen van een dief konden worden afgehakt. Ze huiverde bij het idee.
Ze was goed voorbereid geweest voor haar reis. Ze had zelf een buidel met sceatta’s onder haar kleding bevestigd en Moussa had haar eenzelfde buidel met zilveren dirhems geschonken. Die was ze nu beide kwijt.
De mannen drongen er bij haar op aan om mee te gaan naar hun ouderlijk huis. Ze kon dan in ieder geval overnachten bij hun zusters. Hun ouders zouden haar zeker willen helpen.
Bij het zien van het huis kon Anna al zien dat het hier niet om een onbemiddeld gezin ging. Ze werd warm verwelkomd. De moeder van het gezin en haar twee grote dochters namen direct het heft in handen. Anna’s kleding was tijdens de achtervolging besmeurd geraakt. Zonder tegenspraak werd ze voorzien van een nieuw gewaad en door de vrouwen meegenomen naar het badhuis dat gevestigd was in de oorspronkelijke Romeinse thermen. Ze kreeg de complete behandeling. De vrouwen waren verbaasd over Anna’s beheersing van het Arabisch. Natuurlijk wilden ze haar levensverhaal horen. Ze waren diep onder de indruk. Een vrouw alleen, zonder enige familie, die er alles voor over had haar geluk na te jagen en tegenslag op tegenslag had gekend. Zoiets was ongehoord, tegen alle geldende regels in, maar ook bewonderenswaardig. De dochters verkeerden in adoratie. Opgewonden babbelend kwamen ze weer thuis. In de huiselijke sfeer bombardeerden ze hun vader met delen van Anna’s geschiedenis en de wens haar te helpen. In eerste instantie hoopte de patriarch van de familie dat de dieven snel gepakt zouden worden. Tot zolang zou Anna hun gast zijn. Maar na enkele dagen werd duidelijk dat de bandieten ontsnapt waren aan het wettig gezag. Anna zou te voet vertrekken. De twee zoons voelden zich bezwaard. Zij meenden in gebreke te zijn gebleven in de jacht op de zakkenrollers. Ze drongen bij hun vader aan op compensatie voor hetgeen Anna afgenomen was.
Uiteindelijk gaf hij enigszins mopperend toe en hij liet een beurs vullen met verschillende dirhem-stukken. Het werd Anna door de dochters onmogelijk gemaakt deze gift te weigeren. Yasmia fluisterde in haar oor: ‘Als je m’n vaders gift weigert, zal hij in z’n eer worden aangetast. Hij lijdt dan gezichtsverlies. Dus, alsjeblieft, accepteer het.’
Anna begreep het en bedankte de man uitermate gracieus en wenste hem Gods zegen toe in z’n eigen taal. De beurs bleek niet de enige gift. De tweede was een rit met een drietal postruiters naar Angoulême. De patriarch bleek de postdienst door Gallië te beheren.
Uiteindelijk vergezelden Yasmia, Amirah en hun moeder, Anna naar de postdienst. Bij het Romeinse aquaduct dat de stad nog steeds als waterleiding diende namen ze afscheid van elkaar.
Het werd een zeer snelle rit. De postruiters gunden zich slechts één pauze voor alles wat noodzakelijk was, waardoor ze binnen een dag in Angoulême arriveerden. Ze bevalen Anna een prima onderkomen voor de nacht aan en namen daarna afscheid. Ze was weer alleen. Maar daar was een oplossing voor te vinden. Ze zou niet alleen verder reizen, want ze wilde weer de bescherming van een groep opzoeken. Het was duidelijk dat zowel christenen als volgelingen van het oude geloof ook in dit Kalifaat de pelgrimsroutes bleven volgen naar plekken waar heiligen hun wonderen hadden verricht of plekken die belangrijk waren voor de ‘heidenen’, zoals ze door islamieten en christenen gelijk werden aangeduid. Hun pelgrimage liep net als die van de christenen door tot aan Kaap Finisterre in het Noordwesten van het Iberisch schiereiland. De christenen omdat dit de plaats was waar de apostel Jacobus voor het eerst Iberië was binnengekomen, de aanhangers van het oude geloof om aan het einde van de wereld de zon te zien verdwijnen door de deur naar de andere wereld. Terwijl de zon verdween volgden zij het ritueel, waarbij zij hun kleren verbrandden. Als nieuwe mensen vingen ze daarna de terugtocht naar huis aan.
Angoulême kende vast wel een geschiedenis van een of meerdere wonderdoeners, waar pelgrims op af kwamen.
De beer

De reis van Anna
1. Parisi (Parijs); 2. Turon (Tours); 3. Poitiers; 4. Angoulême; 5. Bordeu (Bordeaux); 6. Irún; 7.San Sebastian; 8. Kaap Finisterre; 9. Pamplona; 10. Toledo; 11. Córdoba; 12. Sevilla; 13. Granada; 14. Marseille.
De stad lag hoger dan de plek waar de rivieren Charente en Anquienne zich splitsten. De bewoners kregen nooit zulke natte voeten als die van Poitiers. Zoals ze hier op de noordwestelijke punt van een hoogvlakte uitkeek over de rivieren, bood de stad een aangename aanblik. Natuurlijk was er een klooster. De aanwezigheid van het christendom was hier overal voelbaar. De pelgrims kwamen als motten op het licht af en dat licht scheen hier in de persoon van Eparchius van Angoulême. Drie eeuwen geleden had deze heilige het ambt van abt bekleed.
Anna mengde zich onder de aanwezige pelgrims en werd vergast op het verhaal van deze heilige monnik. Kennelijk ging zijn roem als wonderdoener hem al snel vooruit. De mensen schonken hem voedsel en allerhande zaken. Dit gebruikte hij als losgeld om gevangenen de vrijheid te bezorgen. Een andere pelgrim wist Anna te vertellen dat Eparchius kwaadaardige geesten uit gifbekers verjoeg door er simpelweg een kruisteken over te maken. Zijn gebeden zorgden voor genezing en hij was kennelijk zo charmant dat niemand hem iets kon weigeren. Een Germaanse pelgrim, die zich voorstelde als Sigmund vertelde het meest bijzondere verhaal uit dit heiligenleven. Een verstokte misdadiger zou gefolterd worden en veroordeeld tot de strop. Eparchius verzocht de graaf de man in leven te laten. De straf werd echter onder druk van de bevolking uitgevoerd. Daarop stuurde de heilige een monnik naar de terechtstellingsplek met de opdracht de misdadiger na diens val op het schavot op te tillen en naar hem te brengen. ‘Als de mensen weigeren hem aan mij over te dragen, zal de Heer mij deze mens schenken’, sprak de abt. Voor de ogen van de door hem gestuurde monnik, stortte de galg in, de ketens vielen van de gevangene af en hij viel op de grond. Hierop bracht de monnik hem bij Eparchius. Daarna volgde een confrontatie tussen de abt en de graaf. De heilige sprak hem bestraffend toe: ‘Jij luisterde niet, maar God wilde wel naar mij luisteren.’ Hierna toonde hij de verbijsterde graaf de misdadiger, die doodgewaand was, in levende lijve.
Het was natuurlijk een prachtig verhaal, maar waarom de misdadiger gered moest worden was buiten Anna’s bevattingsvermogen. Een bij een rechtszaak bewezen veelpleger kreeg vergiffenis, zodat hij daarna weer misdaden kon plegen. De christelijke wereld hield niet op haar te verbazen. Nu ze echter in gesprek was geraakt met deze pelgrims, gebruikte ze de rest van de dag om hen beter te leren kennen.
Het waren voornamelijk Galliërs en Franken, zowel mannen als vrouwen. Ze waren bijna allemaal op weg naar Kaap Finisterre. Hun eerstvolgende doel was Bordeu. De stad aan de monding van de Garonne herbergde een veelheid aan soldaten. Alle belangrijke riviermondingen langs de Gallische kust waren gefortificeerd met het oog op plunderende Vikingen. De drakenschepen bezorgden vooral de vorsten, steden en kloosters op de Britse eilanden problemen, maar richtten hun profijtelijke overvallen ook op de Europese kustlijn. Dorestad was herhaaldelijk geplunderd, maar ook Honfleur en Saint-Nazare en zelfs havens in het Middellandse Zeegebied. Het Kalifaat had echter steeds meer succes in de bestrijding van deze vechtersbazen uit het noorden. De vestiging van garnizoenen op kwetsbare plaatsen had daar sterk aan bijgedragen.
Enkele dagen later vond de groep pelgrims, waarbij Anna zich had aangesloten, zich terug op de camino naar Bordeu. Deze pelgrimsroute wilden ze volgen tot Irún aan de voet van de Pyreneeën, waar ze verder zouden lopen over de noordelijke camino om het graf van de apostel Jacobus de Meerdere in Santiago de Compostella te kunnen bezoeken.
Deze discipel van Jezus had in Iberië gepredikt en zijn gebeente was in de strijd tussen Alfonso II en het uitdijende Kalifaat in 811 in Santiago gevonden in een Romeins grafveld, zo vertelde een van de pelgrims aan Anna. Het was het zoveelste fantastische verhaal dat zij in deze groep moest aanhoren. Het deed haar niet veel, want ergens op de noordelijke camino zou ze de groep moeten verlaten om Iberië te doorkruisen naar Córdoba in het zuidwesten.
Maar vooralsnog dienden ze eerst de hoogvlaktes van de Perigord over te steken, waar verschillende waterpartijen zich op hun weg bevonden. Uiteindelijk kwamen ze in een groot woud terecht.
Ze huiverde. De groep pelgrims waarbij ze zich had aangesloten in Angoulême was uit het zicht verdwenen. Ze had het echter niet langer op kunnen houden. Krampen schoten door haar lijf en uiteindelijk hurkte ze achter een dikke boom. De groep liep in stevig tempo door dit dichte woud. Maar er ontstond onenigheid toen de weg afboog naar het oosten. Niet iedereen was het eens geweest met de keuze voor een kleinere weg enkele uren daarvoor. Waarom ze eigenlijk waren afgeweken van de gebruikelijke pelgrimsroute was niemand duidelijk. De weg waar ze nu op liepen werd smaller en smaller, tot er een wildspoor overbleef. Ze hadden daardoor aan snelheid ingeboet en Anna dacht hen wel weer in te kunnen halen, maar ze was gedesoriënteerd. Stemmen kwamen aanwaaien, maar het was moeilijk te zeggen welk pad ernaar toe leidde. Het geluid van een brekende tak deed haar opschrikken. Ze werd zich een aanwezigheid gewaar en draaide zich om. Daar stond een enorme beer. Door haar schrikreactie zette het dier zich in beweging. Anna struikelde in haar haast om weg te rennen. Een oorverdovend gebrul klonk door het woud. Ze voelde een scheurende pijn in haar rug en daarna niets meer.
De twee broers riepen de groep op te stoppen. Ze waren zich bewust geworden van het feit dat Anna ontbrak. Het duurde even eer de voorste lopers begrepen dat er halt werd gehouden. De groep vormde een lang lint, gedwongen als ze waren het wildspoor te volgen. Een aantal pelgrims wilde door, maar de Franken reageerden hier fel op. ‘Wat heeft het voor zin om voor je veiligheid in groepsverband te reizen, als de groep niet zorgt voor de deelnemers? Het is toch niet alsof we haast hebben, hè?’ De tegenstanders bonden in en gaven zich morrend gewonnen. De groep keerde op haar schreden terug om Anna te zoeken.
Ze liepen weer in ganzenpas over het spoor, angstig om elkaar te verliezen en te verdwalen tussen de bomen.
Sigmund ging voorop, gevolgd door z’n broer. Ze stopten vrijwel tegelijk, toen ze een beer in het oog kregen. Ze bleven doodstil staan. Het oerbeest snuffelde aan een lichaam dat op de grond lag. Ineens stak het de kop in de lucht en snoof luid. De mannen kropen nog dichter tegen de stam waarachter ze zich verscholen. Ze roken de beer en dat was een opluchting, want dat betekende dat hij hen waarschijnlijk niet kon ruiken. Met gebaren hadden ze de groep duidelijk gemaakt geen geluid te maken. Het ondier liet zich, onbewust van de pelgrims, weer zakken en zonder nog een blik op het lichaam te werpen schuifelde het weg en verdween tussen de bomen. Het duurde nog even voor de mannen het waagden te kijken bij het stille lichaam. Het was Anna. Ze bespeurden een ademtocht. Ze leefde! Maar ze was buiten bewustzijn en haar rug vertoonde lelijke sporen, die de klauw van de beer had achtergelaten. Die wond moest worden behandeld. Voorzichtig tilden ze haar van de grond en gingen terug in de richting van waar ze waren gekomen.
‘Zo komen we niet snel genoeg vooruit’, pufte Sigmund na enige tijd. ‘We moeten een draagbaar voor haar maken, dan vorderen we sneller.’ Anna werd voorzichtig op het mostapijt gelegd. Een viertal pelgrims begon stevige takken te zoeken. De draagbaar werd voorspoedig in elkaar gezet en bekleed met enkele dekens. Hierna werd Anna weer opgetild. Het ging weliswaar sneller, maar Sigmund was bang dat ze niet tijdig hulp voor haar konden krijgen.
Ze kwamen eindelijk uit het bos en bereikten een grotere weg. Het was een van de heerwegen die al door de Romeinen waren aangelegd om hun troepen snel te kunnen verplaatsen. Ze wisselden weer eens van dragers, toen achter hen het geluid van wielen en paardenhoeven klonk. Ze werden ingehaald en de wagen kwam naast hun tot stilstand.
‘Hebben jullie een zieke?’, vroeg de man met een vreemde tongval.
‘Nee, ze is aangevallen door een beer en sindsdien buiten bewustzijn’, antwoordde Sigmund.
De man stapte van de wagen op de grond. ‘Leg haar hier achterin de kar, dan onderzoek ik haar. Voorzichtig’, voegde hij hieraan toe.
Het bleek een Joodse arts te zijn, die onderweg was naar het Arabische fort in Bordeu.
Nadat hij Anna een opgevouwen deken onder het hoofd had gelegd, begon hij met een onderzoek. Hij lichtte voorzichtig haar oogleden op om haar pupillen te zien, bromde iets en voelde aan haar hoofd, waar zijn vingers aan de achterzijde een zwelling vonden. Hij draaide haar op haar zij en bekeek vervolgens de verwondingen die de beer haar had bezorgd. ‘Hmm, de wond is ontstoken. Ze heeft daardoor een verhoogde temperatuur. De wond zelf kan ik goed behandelen en ze hoeft er geen noemenswaardig litteken aan over te houden. Ik weet echter niet waarom ze nog niet is bijgekomen. Ik zie geen uitwendige beschadiging aan haar hoofd.’
Hij wendde zich tot de jongeman, die het paard had gemend en vertelde hem wat hij nodig had om de verwondingen te behandelen. Je kon zien dat de twee op elkaar waren ingespeeld. In een oogwenk had de jongeling het gevraagde bij elkaar gezocht. De arts ging aan de slag.
De pelgrims stonden wat besluiteloos naast de wagen. ‘Wat doen we nu? We kunnen haar niet zo meenemen.’
De arts keek op. ‘Heeft ze familie of vrienden in jullie groep? Wil iemand haar begeleiden? Ik moet dan zeggen dat het waarschijnlijk enkele dagen zal duren voor de koorts zakt. Ik weet niet of ze interne schade heeft opgelopen en kan dus niks zinnigs zeggen over haar ontwaken of zelfs óf ze zal ontwaken.’
Een van de vrouwen stapte naar voren. ‘We kennen haar niet echt. Ze heet Anna en heeft zich in Angoulême bij ons aangesloten. We weten niet waar ze naartoe wil. Een enkeling in deze groep gaat niet verder dan Bordeu, anderen gaan naar Santiago en het merendeel gaat door naar Kaap Finisterre.’
De arts dacht even na en zei toen: ‘Dan denk ik dat ze beter met ons mee kan. Ik kan haar beter verzorgen dan jullie en waar ik verwacht wordt zijn betere faciliteiten om haar genezing te bespoedigen.’
De pelgrims haalden opgelucht adem. Blij te zijn verlost van een lastige verplichting. Alleen de twee Franken leken nog te aarzelen. De arts zag dat en zei: ‘Laat haar maar aan mijn zorgen over. Jullie kunnen toch niets voor haar doen.’
En zo werd hun pelgrimage voortgezet.
‘Kom Joshua,’ sprak de arts, ‘we gaan verder, maar probeer de ergste kuilen te vermijden, zodat onze patiënt niet nog meer hoeft te lijden.’
Na aankomst in Bordeu meldde de arts zich bij de legerplaats van de Omajjaden-gevechtseenheid die sinds kort 145 el buiten de stad, langs de Gironde was gevestigd. Het legerhospitaal was al in gereedheid gebracht. David werd hier als arts aan het legeronderdeel toegevoegd. De eerste patiënt in het nieuwe gebouw werd Anna.
Het baarde David zorgen dat ze nog steeds niet was ontwaakt. Het beviel hem niets dat z’n patiënt daar zo stil lag. Ze ademde regelmatig, de wonden genazen sneller dan verwacht. Het leek echter alsof ze niet meer in haar aardse omhulsel zat.
Een dringende oproep rukte hem weg uit zijn mijmeringen. Er was een inval via de Gironde. Drie Vikingschepen waren vlak bij de stad aan land gegaan. Daar hadden ze paarden geroofd en waren boerderijen in de onmiddellijke omgeving gaan plunderen. De Arabische soldaten waren bij dit bericht direct in het zadel gesprongen om de plunderaars te verdrijven. Een aantal van hen was erop uitgestuurd de schepen te lokaliseren, de achtergebleven Vikingen te doden en de schepen in brand te steken. Het grootste deel zou de hoofdmacht van de Vikingen aanvallen. Vermoedelijk ging het om ongeveer 100 met korte zwaarden en bijlen bewapende Noormannen in maliënkolders. Elke Viking beheerste z’n wapen volledig. Het waren ook uitstekende boogschutters. Daarin waren ze vrijwel de evenknie van de soldaten van het Kalifaat. Te paard waren het geduchte tegenstanders, die door hun wendbaarheid en snelheid geen tegenstand hadden te duchten van voetsoldaten.
De groep Vikingen had intussen geen enkele tegenstand gehad. Ze waren na hun zege afgestegen om het havenstadje Blanquefort te plunderen. Op dat moment arriveerden de Omajjaanse soldaten. De Vikingen probeerden zo snel mogelijk een schildmuur te vormen, maar de Arabische ruiterij brak hier eenvoudig doorheen en de strijd werd snel in hun voordeel beslecht. Er waren slechts twee van hen omgekomen, gevallen onder de zware bijlen van wat kennelijk beserkers waren. Deze vochten alsof de duivel in hun was gevaren, maar vielen uiteindelijk ook onder de kromzwaarden van de ruiterij. Verder was er nog een vijftal gewonden, waaronder 3 ernstig. Zij werden onverwijld naar het hospitaal bij Bordeu gebracht en aan de zorgen van David en Joshua toevertrouwd. Het lukte de arts om het been van een van de gewonde soldaten te redden. Tegen de avond was de situatie van de gewonden in de ogen van hun arts stabiel. De verwachting was dat allen het zouden redden. Rust was nu het belangrijkst. Joshua kon aan het inmiddels dagelijkse ritueel beginnen van de verzorging van hun eerste patiënt.
Kybbe stond aan de rand van een groot bos. Achter hem verschenen ridders te paard. Een van hen hief een zwaard. Het was Darra. Anna schreeuwde een waarschuwing naar Kybbe. Hij draaide zich half om toen het zwaard neerkwam. Een langgerekte kreet kwam over haar lippen. Haar ogen vlogen open en verwilderd keek ze om zich heen. Geen Kybbe, geen ridders, geen angst, maar een kale ruimte. Ze lag op een bed. Er was verder niemand. Het was slechts een droom geweest. Kybbe leefde nog. Daar was ze vast van overtuigd. Toen kwamen de recente herinneringen terug. Ze was aangevallen door een beer. Ze rilde toen ze de hevige pijn opnieuw voelde. Hoe had ze dat overleefd? En wie had haar gered? De pelgrims? Waren ze teruggekomen? Ze herinnerde zich niets meer van na de aanval in het woud.
Een jongen kwam binnen met een waterkan. Hij keek verrast toen hij haar met geopende ogen zag. ‘Je bent wakker!’ Zijn gezicht begon te stralen. Z’n woorden struikelden over elkaar in de haast alles tegelijk te vragen en te zeggen. Ze maakte eruit op dat ze langere tijd buiten bewustzijn was geweest. Dat zijn vader haar had genezen. Dat hijzelf haar had verzorgd, door regelmatig een natte doek tegen haar lippen te houden. Dat ze wel honger zou hebben.
Dat laatste zorgde ervoor dat ze besefte hoezeer ze naar voedsel verlangde. Ze knikte en haar stem kraakte: ‘Eten, graag.’
‘Ik ga het halen en ik roep meteen m’n vader.’ Hij holde weg.
Muziek
Anna had tijdens haar reis bergen gezien, althans dat dacht ze. Het spektakel dat zich nu voor haar ogen ontrolde, was hallucinerend. Dat de aarde zo hoog kon oprijzen was niet te bevatten. Ze zag toppen die nog met sneeuw waren bedekt. Er werd haar verzekerd dat ze niet zulke bergen hoefden te doorkruisen. Dicht bij de kust was het terrein weliswaar geaccidenteerd en het zou lastig genoeg zijn, maar het hooggebergte was verderop in het oosten te zien. De groep pelgrims, waarbij ze zich in Bordeu na haar genezing had aangesloten, vorderde desalniettemin langzaam, ook vanwege de vele waterstromen en rivieren. Verrassend genoeg was er een aantal rustpunten, waar de pelgrims hun zere voeten konden verzorgen en konden bijkomen van de vermoeienissen. Er diende af en toe te worden geklommen. Dat was vermoeiend voor een onervaren laaglandbewoner, maar het afdalen bleek steeds een grotere aanslag op de knieën op te leveren. Het landschap vergoedde echter veel. In de verte sneeuw, de heldere waterstromen, de groene weiden en de bloeiende flora van de uitlopers van de Pyreneeën, stimuleerden alle zintuigen. Ze had gedacht dat dit een leeg land zou zijn, maar overal waren tekenen van menselijke aanwezigheid. Regelmatig waren er hutten te zien en op een dag zag ze een herder met een schaapskudde.
Een van de Iberische pelgrims in haar groep, vertelde dat de trek naar de zomerweiden in de bergen was begonnen.
Carlos zei: ‘Tot de Omajjaden de definitieve overwinning behaalden was Iberië lange tijd verdeeld tussen Moren en Christenen. Koning Alfonso II van Asturië leverde hevige strijd met het Kalifaat. Alleen de herders waagden zich in het gebied tussen de strijdende partijen. Je kunt daaraan zien hoe belangrijk de wolhandel voor Iberië was en is. De kalief heeft zelfs een decreet uitgevaardigd dat de cañadas niet bebouwd mogen worden, zodat de schaapskuddes over deze stroken land vrije doorgang hebben. Op dit ogenblik is het de 3de Djoemada al-thani. De herders drijven hun schapen, geiten en koeien van hun winterverblijf in het zuiden naar hun zomerverblijf in het noorden.’
Anna onderbrak hem: ‘De 3de Djoema-nog-wat? Wat bedoel je?’
Carlos lachte. ‘Dat is het vandaag, 3 Djoemada al-thani in het jaar 254.’
Anna kleurde. Ze wist wel dat de Islamieten een andere jaartelling hadden, maar ze was daar tot nu toe nooit mee geconfronteerd.
Carlos negeerde haar verlegenheid en zei: ‘Om het voor jou duidelijker te maken, volgens jouw kalender begint de drijftocht eind mei, begin juni van elk jaar. In oktober gaan ze weer de andere kant op, terug naar hun winterverblijf.’
Anna vroeg of ze via die cañadas in Córdoba kon komen. Carlos moest opnieuw lachen. ‘Dat kan natuurlijk, want ze gaan helemaal tot aan Sevilla. Maar waarom zou je? De kaliefen hebben het wegenstelsel van de Romeinen behoorlijk uitgebreid en vernieuwd. Je komt hierover aanmerkelijk sneller vooruit dan over de cañas. Je kan zelfs een deel per boot reizen, als je wilt.’
Natuurlijk, bedacht Anna, de Omajjaden waren hier begonnen met de ontwikkeling van hun kalifaat. Al-Andaluz moest dus verder ontwikkeld zijn dan de delen van het rijk waar zij tot dusver doorheen getrokken was.
In Irún had ze de vermoeidheid uit haar lijf voelen wegvloeien in de warme minerale bronnen. Als herboren kwam ze hieruit, ongeduldig om naar Córdoba te vertrekken. Niet lang hierna verliet ze de groep pelgrims die verder ging op haar tocht naar Kaap Finisterre. Haar bestemming lag zuidwaarts.
Na een zware, eenzame tocht, bereikte ze Pamplona. Ze besloot hier haar beurs met dirhems aan te spreken voor een geriefelijke overnachting en een goede maaltijd.
De volgende dag werd ze aangetrokken door gezang. Het was een heel andere manier van zingen dan zij in Kinhem kende. Op de marktplaats stonden drie zangeressen, begeleid door drie mannen. Een van hen bespeelde een peervormig instrument met 5 snaren, een ander blies op een soort fluit gemaakt van twee rieten pijpen van ongelijke lengte en de derde trommelde op een instrument met een brede top en een taps toelopende steel, die hij onder z’n linkerarm klemde. Met z’n rechterhand produceerde hij verschillende klanken ter ondersteuning van de zang. Anna keek verrukt toe. Ze kende alleen de fluit gemaakt van zwanenbot en de trommel van opgespannen dierenhuid, waar in Vellesan op werd gespeeld. De zang vibreerde en klonk de ene keer heel ijl en de andere keer vol en diep. Nu begon ze op de tekst te letten. Het was een liefdeslied. Aan het einde van het lied werd die liefde beantwoord.
Er klonk applaus. De trommelaar ging rond met een beker, waarin de toeschouwers een of meerdere munten gooiden. Ook Anna stopte een muntstuk in de beker. Dit smaakte naar meer. Haar interesse was gewekt, dus ging ze een gesprek aan met een van de zangeressen, een vrouw met een diepbruine huidskleur. Ze heette Ssany en vertelde dat ze uit een dorp kwam dat ver weg in Afrika lag. Ze bleek tot Anna’s verrassing geen moslima. ‘Deze muziek wordt voornamelijk gezongen door wat de Arabieren mawali noemen, oftewel niet-moslims uit het buitenland. Wij zijn de zangmeisjes, de gaynat. Maar ik moet gaan. We zijn klaar met ons optreden en gaan ons verfrissen. Zingen en spelen maakt dorstig.’
Anna wilde het gesprek nog niet beëindigen. Haastig zei ze: ‘Mag ik jullie dan iets aanbieden? Ik wil nog zoveel vragen.’
Het meisje riep vrolijk naar haar metgezellen. Ze antwoordden met opgewekte gezichten iets onverstaanbaars. Ze namen Anna in hun midden en gingen op weg naar een foendoeq, hun woord voor herberg.
Daar ontwikkelde zich een geanimeerd gesprek, waarin Anna te horen kreeg dat niet iedereen blij was met hun muziek. Sommigen associeerden de gaynat met prostitutie. De oelama die zich bezig hielden met het vraagstuk van muziek, waren het er doorgaans over eens dat ghina verwerpelijk was. Ze zagen dit als haram en als malahi, ofwel verboden plezier.
Aan de andere kant zocht de rijke bovenlaag in de steden ontspanning in hun salons. Ze genoten daarbij van de gaynat en van de mukhannathun, mannelijke zangers die zich als vrouwen voordeden. Muziek kreeg onder de Omajjaden een hoge status. Kalief Al-Walid II was zelf een eeuw eerder een begenadigd musicus geweest. Poëzie werd op muziek gezet en er was door de beroemde muzikant Ibn-Misja een compleet muzieksysteem ontwikkeld.
De mannen vertelden over hun instrumenten. Het snaarinstrument heette oed. De fluitspeler noemde zijn instrument een arghul en vertelde hoe moeilijk het was erop te spelen. Met de ene pijp speelde je de melodie en met de andere een constante grondtoon. Je had daar een hele speciale ademtechniek voor nodig. De drummer bespeelde een doumbek.
Ssany vertelde ook over hun jaarlijkse tocht langs diverse steden in dit deel van het Kalifaat. Ze hadden een vaste route en vonden muziek maken het leukste en mooiste om te doen, maar niet in vaste dienst van een rijke familie. Het ging ook om de ontmoeting met steeds weer andere mensen en nieuwe ervaringen opdoen. Edfu en Cebren verwerkten die ervaringen vaak in nieuwe liederen. Cebren was de oed-speler en de arghul was het bezit van Edfu.
Een grote blonde alleenreizende vrouw als Anna wekte daarom hun belangstelling. Daar zat vast een goed verhaal in. Het was haar beurt om te vertellen.
Ze luisterden ademloos naar haar relaas.
‘Dat is pas een liefdesverhaal. Daar zit prachtige poëzie en muziek in’, verzuchtte Cebren.
‘Je doet je naam eer aan, Anna’, zei Yakini.
Niet begrijpend keek Anna haar aan. ‘Hoezo?’
‘Jouw naam betekent in het Hebreeuws gunst of begunstigde. Als ik hoor wat jou is overkomen en hoe je er steeds weer sterk uitkomt, klopt dat wel.’
‘Aha’, zei Anna. ‘Dat wist ik niet, maar die naam klopt pas als ik Kybbe terug heb gevonden. Betekenen alle namen dan iets? Wat is de betekenis van Kybbe, Yakini?’
‘Die naam is mij vreemd. Ik heb er nooit van gehoord. Ik kan je wel de betekenis van onze namen vertellen. Ssani hier betekent met vreugde. Dat kun je ook wel aan haar zien. Ze lacht altijd en vrolijkt ons op als het even niet meezit. Ssani, Tamu en ik komen alle drie uit verschillende streken van Afrika. Tamu betekent zoete. Mijn naam betekent waarheid.’
‘Heeft jouw naam ook een betekenis, Cebren?’, keerde Anna zich naar de oed-speler.
‘Niet zozeer een betekenis, Anna. Het is de naam van een rivier in Anatolië en de plek waar m’n grootouders leefden’, antwoordde hij.
Edfu wist te vertellen dat zijn voorouders uit Egypte kwamen en dat daar een oude stad was die zijn naam droeg. Hij voegde er aan toe dat zijn instrument van oorsprong uit Egypte kwam.
Bogdan tenslotte, had een Slavische achtergrond. Yakini vertelde dat zijn naam geschenk van god betekende.
Vervolgens gingen ze over tot het bespreken van hun toekomstplannen. Voor de muziekgroep was het de tijd van het jaar om langs de steden van Castilië te trekken. Ze zouden eerst gaan optreden in Alcalá de Henares. Het bleek dat die stad ook op Anna’s weg naar Cordobá lag.
Cebren drong er bij Anna op aan dat ze tot zover in ieder geval met hen meeging.
‘Wat je ook hebt gedaan op je lange reis, Anna, alleen reizen is en blijft riskant. Vergezel ons tot Alcalá. Misschien kunnen we daar iets voor je regelen. In ieder geval gaan we na onze optredens in Alcalá naar Toledo. Dus als je besluit langer bij ons te blijven, scheiden onze wegen pas daar.’
Het eerste deel van hun reis ging Anna te langzaam. Ze was al een maand in Iberië. Het was nu Rajab, de 7de maand van de Islamitische kalender. Ze was ongeduldig om in Córdoba te komen. De dagen regen zich aaneen, terwijl ze moeizaam vorderingen maakten over geaccidenteerde terrein. De nachten brachten ze door bij een kampvuur met muziek. De vrouwen zongen een klaaglied. Volgens Ssani was dit huda, een karavaanlied, dat werd gezongen tijdens de lange reizen.
De groep muzikanten stak de rivier de Ebro over, de Moncayo hielden ze aan hun rechterhand. De bergen konden ze vermijden door het stroomdal van de Henares te volgen tot aan Segontia. Deze oude stad, die uitkeek over een vallei, werd gedomineerd door een kashba. Dit was een Moors fort. Hier nam de groep, net als bij vorige tochten een boot naar Alcalá de Henares. Dat bespoedigde de reis aanmerkelijk en Anna’s humeur klaarde zienderogen op. De gedachte aan Kybbe deed haar hart opveren.
In de belangrijkste marktplaats van Castilië konden de gaynat in deze periode met hun muziek aardig verdienen. Daarom bleven ze deze stad aan de voet van een Omajjaden-burcht regelmatig aandoen.
In eerste instantie had Anna willen wachten tot de muzikanten op weg zouden gaan naar Toledo. Een aantal dagen liep ze rond in de stad en bekeek ze het grote aanbod aan allerhande artikelen in de marktplaats. De stad was oorspronkelijk gesticht op de noordoever van de Henares, maar de Omajjaden hadden een citadel gebouwd op de zuidoever en daar was de nieuwe stad gegroeid. Dit soort stukjes geschiedenis hoorde ze tijdens gesprekken met de lokale bevolking Ze bezocht een bibliotheek en bracht de avonden door met haar muzikale vrienden. Edfu zei dat ze in ieder geval in Alcalá bleven om het gedenken van isra-walmiraj, de hemelvaart van Mohammed op de 27ste dag van de maand Rajab met hun gezongen poëzie te omlijsten. De moslims zouden op deze dag nog vrijgeviger zijn, was hun ervaring.
Dat duurde Anna te lang. Ze besloot alleen naar Toledo te gaan. Na enig gesputter gaf Ssani toe. ‘Maar ga dan over de rivier. Het gaat in ieder geval sneller dan te voet en het is een stuk veiliger. Wij kennen hier een schipper die tussen Alcalá en Toledo pendelt. We gaan informeren wanneer hij afvaart. Misschien kost het je nog een paar dagen, maar je bespaart op je reistijd.’
Twee dagen later had Anna zich ingescheept en was ze onderweg naar Toledo. Op de boot over de kronkelige Henares had ze de tijd haar reis tot zover te overdenken.
Het Kalifaat was enorm groot, zeker vergeleken met het rijk van Lotharius, waartoe Kinhem behoorde. Ze was heel Gallië doorgetrokken, maar dit deel van het rijk scheen nog groter te zijn. Gelukkig sprak ze Arabisch, want de talen die lokaal werden gesproken waren te divers en klonken zelden vaag bekend. Merendeels was het onverstaanbaar. Dat de Omajjaden hun taal hadden ingevoerd, vergemakkelijkt haar reis enigszins. Bij Irun was ze aangesproken in een taal die nergens op leek. Gelukkig was er altijd wel iemand die Arabisch sprak, hoewel ze de indruk had dat de meeste Basken die ze tegenkwam deden alsof ze de taal niet verstonden. In dit deel van het Kalifaat werd een taal gesproken, waarvan ze sinds haar aankomst in Pamplona snel woorden had opgepikt. Het leek in veel opzichten op de spreektaal in Gallië. Ze begreep het niet altijd even goed, maar de mensen waren gelukkig niet te beroerd om haar ook in het Arabisch te woord te staan. Bovendien waren er veel islamieten, voor wie het de normale spreektaal was.
Van de Henares voeren ze de Jarama op en tenslotte de Taag, die zich aan de zuidkant langs het op een heuvel liggende Toledo kronkelde. Ze keek op en zag een enorm fort boven de stad uitsteken. De kapitein zei dat het gebouw een fort en tevens paleis was, het Alcázar.
Ze legden aan op de oever bij de meer dan 100 jaar oude brug van Al-Quantara. Via de gelijknamige poort in de oude stadsmuur liep Anna de stad binnen.
Haar voeten voerden haar omhoog richting het Alcázar. Ze beklom een aantal trappen en werd gedwongen door steeds nauwere doorgangen te lopen. Ze raakte erdoor gedesoriënteerd. Sommige bochtige straatjes leken nergens heen te leiden. Al snel was ze verdwaald. Vertwijfeld keek ze om zich heen. Boven haar boog een vrouw zich uit het raam. ‘Ben je de weg kwijt?’, riep ze.
Anna knikte.
‘Wacht even, dan laat ik je binnen.’
Er klonk gestommel en even later stond de vriendelijk lachende vrouw in haar deuropening en noodde haar binnen. Ze bleek uitermate gastvrij en schonk Anna een grote beker in, waarna ze met een lekker hapje aan kwam zetten. Anna leste haar dorst en genoot van het voedsel. Natuurlijk wilde ze weten, waaruit die lekkernij bestond. Het gesprek ontspon zich verder nadat ze elkaars naam en een stukje achtergrond hadden verteld. Garbine zette Anna steeds iets anders voor en het was bijna allemaal verrukkelijk. Uiteindelijk had Anna haar hele levensverhaal moeten vertellen. Haar gastvrouw was verbijsterd. ‘Zo jong en al zoveel meegemaakt en een liefdesverhaal als het begin van een legende. Jammer dat ik de afloop moet missen.’
Anna beloofde hierop dat ze Garbine de rest van het verhaal zou laten weten, zodra ze Kybbe had gevonden.
Nu begon zij zelf vragen te stellen aan haar gastvrouw. ‘Wat mij, waar ik ook kwam in het Kalifaat, opviel is dat je overal christenen, joden en moslims vreedzaam samen ziet leven. Ik heb hier ook moskeeën, kerken en synagogen gezien tijdens m’n korte wandeling door de stad.’
Garbine antwoordde: ‘Dat klopt wel, want deze stad kent 10 moskeeën, 7 kerken, waarvan 1 kathedraal en 2 synagogen. Volgens de christelijke jaartelling was hier een belangrijk concilie in 539, waarna de toenmalige bewoners het christelijk geloof aanvaardden. Toen de Moren de stad in 711 veroverden, kon de aartsbisschop z’n zetel hier houden. Toledo was de hoofdstad van de Visigothen en we hebben nu als stad een grote zelfstandigheid onder het opperbevel van de kalief. Maar laat je niet misleiden door het uiterlijk van de stad. Onderhuids zijn er genoeg tegenstellingen. Sommigen geloven nu eenmaal wat fanatieker dan anderen en dan sluiten ze andersgelovigen meestal uit. Op z’n best negeren ze hen dan. Er wordt hier een beroemde legende verteld. De legende van de Bittere Bron. Daar blijkt wel uit dat niet alles even soepel gaat en dat niet iedereen zo goed met elkaar kan opschieten.’
Hierna begon ze Anna de legende te vertellen.
‘Rachel was de dochter van Levi, een van de machtigste en invloedrijkste Joden in Toledo. Levi haatte de christenen en hun godsdienst. Rachel en Levi hadden hun moeder en vrouw kort na de bevalling verloren en woonden in een klein paleis in de buurt van de kathedraal.
Levi’s enige zwakte was zijn dochter, die hij op een voetstuk zette. Levi had haar alleen opgevoed. Hij leefde voor z’n dochter.
Op een mooie lentedag liep een christelijke jongeman van stand langs haar raam en trok haar aandacht. Dit herhaalde zich elke dag. Rachel werd smoorverliefd op deze mooie jongeling. Ze hield haar gevoelens geheim om niet door haar vader te worden berispt.
Op een regenachtige dag arriveerde Ruben, een familievriend die verliefd was op Rachel. Hij wist van haar romance met de christelijke jongeman. Ruben vertelde Levi dat zijn dochter verliefd was en dat ze in het geheim met een man was. De machtige Jood, had moeite om zijn dochter in de armen van een andere man te zien, maar hij accepteerde de situatie toen hij zich realiseerde dat zijn dochter gelukkig was.
Toen Ruben Levi echter vertelde dat deze mysterieuze jongeman in feite een christen was, ontstak de Jood in grote woede.
‘s-Nachts, toen de mist de stad bedekte, liep er een schaduw door de tuin van de machtige Jood, die zich verstopte in een struikgewas in de buurt van de bron. Het was Levi zelf. Gewaarschuwd door zijn vriend wilde hij de waarheidsgetrouwheid van Ruben controleren, want hij wilde eigenlijk niet geloven dat zijn dochter in handen was gevallen van een christen.
Toen hij op het punt stond op te geven en uit zijn schuilplaats te komen, hoorde hij voetstappen achter de muur dichterbij komen. Levi sprong op uit z’n schuilplaats en doorboorde met z’n mes het lichaam van de jongeman. Deze zakte naast de put in elkaar.
Rachel, die zoals elke avond naar haar afspraak kwam, zag het lichaam van haar beminde liggen met de dolk van haar vader in z’n borst. Een kreet van smart klonk op in de stad toen de jonge vrouw neerzeeg op het lichaam van haar geliefde.
Levi kwam op haar kreet aangerend om haar te troosten, maar Rachel stootte hem van zich af.
Vanaf die dag werd de jonge Hebreeuwse vrouw gek, haar leven werd verdrietig en eenzaam. Vanaf dat moment ging zij elke dag, op hetzelfde moment, naar de bron waar ze haar geliefde zou ontmoeten en liet haar tranen daar vrijelijk stromen. Totdat de jonge vrouw zich op een dag, in de veronderstelling dat ze haar geliefde op de bodem van het water zag, in de put wierp en haar lichaam door de dienaren van haar vader eruit werd getakeld.
Volgens de legende was Rachels ongeluk zo groot dat het water van de bron bitter werd door de tranen die de jonge vrouw vergoten had.’
Anna klapte in haar handen. ‘Dat was een prachtig verhaal. Dank je wel. Je hebt gelijk, waar mensen zijn, zijn verschillen en soms kunnen ze daarover praten en soms gaan ze erover vechten. Ik heb bij ons gezien hoe star de verkondigers van het christendom kunnen zijn. Andersgelovigen worden met geweld bekeerd en vaak lijkt rijkdom vergaren voor deze christenen belangrijker dan hun geloof.’
Garbine lachte instemmend. ‘Ja, als je zeker weet dat je door je geloof toch al in de hemel komt, kun je net zo goed al een voorproefje tijdens het aardse leven nemen.’
Anna was drie dagen de gast van Garbine. Ze moest bij het afscheid nogmaals beloven haar de afloop van de legende van Anna en Kiebe, zoals zij het noemde, te laten weten. ‘En wees voorzichtig op de weg naar Córdoba. Niet iedereen heeft goede bedoelingen.’
Yago
Het lopen door de bergen van Toledo viel haar zwaar. Ze boekte weinig vooruitgang in het heuvelachtige gebied met z’n hoge uitschieters. Ze wilde niet over de hoge punten en moest daarom regelmatig een omweg maken. Uit de stroomrichting van de beekjes kon ze opmaken, wanneer ze zo’n bergrichel was gepasseerd. De eerste beken stroomden naar het noorden en zodra ze door een dal kwam en een beek naar het zuiden zag stromen, wist ze dat het gelukt was. Ze was doodop en was bang dat haar proviand op zou raken vóór ze in de bewoonde wereld kwam. Drinkwater was er genoeg, dat was geen probleem. Ze stak een nieuwe bergrug over en het lukte tenslotte ook aan de andere kant van de Milagro-rivier te komen.
Het land was niet zo leeg als ze dacht. De bewoners gaven haar eten en wilden daar absoluut geen dirhems voor. Na een voetreis, die zich maar leek voort te slepen, bereikte ze uiteindelijk een grotere plaats, genaamd Cardeña. Ze kon hier eindelijk op adem komen. Hoe ver zou het nog zijn naar Córdoba?
Na een stevige maaltijd die Anna in stilte kon genieten, werd ze plotseling omringd door meerdere inwoners, die nieuwsgierig waren naar deze alleenreizende vrouw, die vanuit het ruigere noorden hun stad binnen was gekomen. Het was bijna onmogelijk hun nieuwgierigheid te stillen. Langzamerhand kreeg Anna een beeld van dit gebied tijdens deze gesprekken. Er werd hier aan mijnbouw gedaan en er waren transporten naar Córdoba. Er was een goede weg door het Pedrochesgebergte, waarlangs deze transporten plaatsvonden. Het was ook mogelijk om een beekdal zuidwaarts te volgen naar het El Arenoso-moeras, waar het mogelijk was te varen en via de Arenoso-rivier, die uitmondde in de Guadalquivir kon je dan tot in Córdoba komen. Het antwoord op haar belangrijkste vraag was: 6 dagen over de weg en 3 dagen over de rivier. Nog 3 dagen, dan was ze in Córdoba! Eindelijk op zoek naar Kybbe. Hoe zou het met hem gaan? Wat had hij allemaal meegemaakt? Ze moest zichzelf tot kalmte manen.
Puffend en hijgend beklom Anna wéér een nieuwe hoogte. Er leek geen einde aan te komen. In Cardeña was ze optimistisch geweest, misschien wel té optimistisch. Een steen schoot onder haar voet vandaan en ze probeerde haar evenwicht te behouden, waardoor ze met haar voet half op een andere steen stapte. Haar enkel klapte dubbel, een vlammende pijn schoot door haar voet. Ze schreeuwde het uit. Langzaam ebde de pijn weg, maar zodra ze probeerde op haar voet te staan, schoot een nieuwe pijnscheut door haar enkel. Ze zakte op de grond en begon te huilen. Wat was ze stom geweest. In de haast om bij Kybbe te komen, had ze de weg over water gekozen. Nu zag ze in, dat het een slechte keuze was. Was er wel een haven? Lag er wel een boot? En wat nu? Ze zat hier vast, zolang ze niet op haar voet kon staan. Ze speurde om zich heen naar een grote tak, die ze als steun kon gebruiken en keek recht in de ogen van een grote kat. Ze schrok. Blijf rustig, maande ze zichzelf. Het dier was meer dan een el hoog en had waarschijnlijk konijnen op z’n menu staan. Er was geen gevaar. Het dier stond onbeweeglijk op z’n hoge poten. Het had een okerkleurige vacht met veel kleine, bruinzwarte vlekken. De kop werd omlijst met lange bakkebaarden. De staart was kort en eindigde in een zwarte punt. Het dier stortte neer, een pijl stak uit z’n flank. Anna’s ogen vlogen in de richting waaruit de pijl was gekomen. Daar stond een grote bebaarde man met een boog in z’n hand, die hij over z’n schouder slingerde. ‘Zo, meissie, van die lynx zal je geen last hebben’, sprak hij in een goed verstaanbaar Latijns dialect.
Anna antwoordde: ‘Ik denk niet dat het dier een bedreiging voor mij was.’
‘Nee’, lachte de man, ‘maar ik heb nu wel een mooi vachtje. Jij hebt trouwens ook een mooi vachtje op je hoofd. Te horen aan je tongval en zo te zien aan je blonde haren, kom je niet hier vandaan. Waar ligt je oorsprong?’ Terwijl hij dit zei, trok hij een mes en begon hij de lynx vakkundig van z’n huid te ontdoen.
‘Ik kom uit Kinhem, uit het verre noorden’, antwoordde Anna.
‘Ben je dan een Viking-vrouw?’, vroeg hij met opgetrokken wenkbrauwen.
Anna lachte: ‘Nee, de Vikingen wonen nog verder naar het noorden. Hoewel ze zelfs aanvallen plegen op plaatsen als Bordeu.’
‘Bordeu? Há! Ze varen zelfs de Middellandse Zee op en wagen het de havensteden van het Kalifaat aan te vallen. En waar ga je, kennelijk in je eentje, zover van huis naartoe?’
‘Ik ben op weg naar Córdoba en hoopte daar via de Arenoso-rivier te komen.’
‘Dan tref je het dat je Yago tegen bent gekomen. Ik heb m’n boot in het El-Arenoso-moeras liggen. Ik zat alleen nog achter deze jongen aan voor ik m’n waren zou gaan verkopen in Córdoba. Ik ben dus Yago, hoe heet jij?’
‘Anna en ik wil graag mee, maar ik kan niet lopen. Ik heb m’n enkel verzwikt.’
‘Laat mij eens kijken.’ Yago pakte haar voet vast en voelde voorzichtig aan de zwelling in de enkel. Anna kromp ineen. Voorzicht bewoog hij haar voet heen en weer. ‘Hmm,’ bromde hij, ‘met enkele dagen rust gaat dit wel over. Er lijkt niets te zijn gebroken. Kom, steun maar op mij.’
Nadat hij de huid van de lynx had weggestopt in een zak die over z’n schouder hing, hielp hij Anna overeind en gingen ze samen op weg.
Er waren veel rustpauzes nodig, maar uiteindelijk bereikten ze de uitloper van het moeras, waar Yago zijn boot had vastgelegd. Terwijl hij de kleine boot door het moeras boomde, vertelde hij van alles over de omgeving. Hij was duidelijk hier opgegroeid, want hij wist alles over het planten-en dierenleven in deze streek. Eenmaal uit het moeras en op de rivier strekte het gebergte van de Sierra Morena zich eerst aan de westelijke zijde van de Arenoso-rivier uit en later op de Quadalquivir aan de noordzijde.
Yago vertelde haar over de uitgebreidheid van Los Pedroches. Het was een gebied waar graniet werd gehaald voor de bouw van huizen, kerken en moskeeën. Er lagen weidegebieden met kurk- en steeneiken en granietrotsen. Zodra ze in ruimer water kwamen in het grote moeras, had Yago een kleine mast opgezet en een zeil gehesen. De stroming van de rivier en een zacht briesje stuwden het bootje vooruit.
Anna kon niet echt hoogte krijgen van Yago. Het ene moment vertelde hij voluit en enthousiast, het volgende moment viel hij stil voelde ze zich onbehaaglijk onder zijn blik. Een wrede grimas richting haar, veranderde bliksemsnel in een lachende blik, wanneer ze onverwacht opkeek. Het ging zo snel dat ze de eerste keer dat het gebeurde, dacht dat ze het zich verbeeldde. Wie was deze man eigenlijk? Hij had haar geholpen toen ze vast was komen te zitten in het ruige terrein van Los Pedroches. Kon ze hem eigenlijk wel vertrouwen? Hij noemde zich jager en handelaar. Ze zag meer huiden in de boot buiten die van de lynx en verder lag er met dekens afgedekte waar. Ze herinnerde zich de woorden van Garbine in Toledo bij haar afscheid. Maar wat kon hij haar aandoen? Hij had gelegenheid genoeg gehad haar te onteren toen ze machteloos was door haar verzwikte enkel. Ze twijfelde aan zijn bedoelingen, maar hij had niets gedaan om haar te beschadigen of pijn te doen. Integendeel hij had haar geholpen. Ze had op hem gesteund op de tocht naar z’n boot en hij had haar er voorzichtig ingelegd. Hij gaf haar voedsel en te drinken. Waarom had ze dan toch zo’n naar gevoel?
Anna werd wakker met een heel zwaar hoofd. Haar ogen konden slechts op een kier worden geopend en ze had een hele droge mond. Ze lag in een bed en het was donker. Ze probeerde overeind te komen en viel kreunend weer terug op het bed. Wat was er gebeurd? Haar laatste herinnering was dat ze met Yago in z’n boot over de Qualdalquivir-rivier voer. Ze had wat fruit gegeten en een droog stuk brood met een beker wijn. Dat was het laatste. Ze had verder geen enkele herinnering. Was ze in Córdoba? Had Yago haar hier naartoe gedragen? Waar was hier?
Ze kwam met moeite overeind. Ze wilde drinken en ze wilde weten waar ze was. Er scheen licht onder de deur. Het was daglicht. Ze hoorde allerlei geluiden die van buiten kwamen. Het waren de geluiden van een stad. Nu rook ze ook de penetrante lucht, die leerlooierijen verspreiden. Ze probeerde de grendel. De deur bleef gesloten. Had Yago haar opgesloten? Ze rammelde aan de deur en schreeuwde. Er kwam geen reactie. Ze schuifelde terug de ruimte in. Haar ogen waren inmiddels aan de duisternis gewend. In het zwakke daglicht, dat door de kieren van de deur binnendrong, kon ze nu zien dat er een kan water naast haar bed stond. Gulzig dronk ze het dorstlessende vocht.
Er werd aan de deur gerommeld. Het slot knarste, de deur ging open en Yago kwam binnen. Het rumoer van de straat werd even luider, voordat de deur zich weer sloot. Yago ontstak een lamp. ‘Ik hou de luiken gesloten tegen pottenkijkers, als je het niet erg vindt.’
‘Hoe bedoel je? Waarom zit die deur op slot en wat doe ik hier in het donker?’, reageerde Anna.
‘Het is hier donker, zoals ik al zei, om nieuwsgierige blikken te vermijden. Zoals je waarschijnlijk al vermoedde, worden niet al mijn zaken door de overheid gewaardeerd. Gelukkig is er genoeg rivaliteit onder de grote families en kan ik daardoor m’n gang gaan.’
‘Dank voor de informatie, maar dat interesseert me niet. Ik wil nu graag naar buiten.’
‘Maar dat kan niet, lieve Anna’, fleemde Yago. ‘Ik kan je niet laten gaan, want er komt zo bezoek voor je.’
‘W…wat bedoel je?’, stamelde Anna.
‘Je moeder heeft je toen je nog een kind was waarschijnlijk gewaarschuwd om niet met vreemde mannen mee te gaan. Nou, dat is precies wat je straks wél gaat doen. Zie het van de positieve kant. Je hebt je schuld aan mij daarmee netjes afbetaald.’ Een bulderende lach klonk op. Anna sloeg toe met de waterkruik.

Qurtuba is Arabisch voor Córdoba. Al Medina is het ommuurde hart van de stad, waarin de grote Mezquita (moskee), de Juderia (Joodse wijk) en het Alcazar liggen. Dit was het door de Omajjaden op een oud Visigotisch fort gebouwde kasteel en paleis van de emir. De Uad-El-Kebir is de Gualdalquivir-rivier.
In de harem
Dit Arabische woord was haar onbekend. Ze was nu saqaliba. Sinds haar aankomst in dit paleis, had ze alleen vrouwen gezien. Deze hadden haar gebaad en ingewreven met oliën. Daarna had men haar in oriëntaalse kleding gestoken.
Haar aanval op Yago had tot niets geleid. Hij had haar gedwongen het goedje te drinken, dat hij waarschijnlijk ook al op de rivier in haar wijn had gedaan. Ze was zich slechts vaag bewust geweest van haar aankomst in deze weelderig ingerichte ruimtes.
De vrouwen waren verrast dat een Noord-Europese vrouw Arabisch sprak. Toen zij hen vertelde dat ze een vrije vrouw was en was overmeesterd door Yago, haalden ze hun schouders op. Alle saqaliba waren ooit vrij, zeiden ze. Maar oorlog en slavenhalers maakten daar vaak een einde aan. Maar het was goed dat zij Arabisch sprak, want dat zou het leerproces vergemakkelijken. Anna begreep dat ze opnieuw tot slavin was gemaakt.
Ze kreeg lessen. Hieruit leerde ze dat ze niet een gewone slavin was, maar een concubine. Als concubine zou ze een seksuele relatie met de heer des huizes krijgen. De heer was niemand minder dan de 45-jarige kalief zelf, Mohammad I.
Anna kreeg het Spaans benauwd bij de gedachte dat ze het bed moest delen met deze leider van het Kalifaat. De vrouwelijke saqaliba werden volgens haar lerares gewaardeerd om hun lichte huidskleur. De heer vond het belangrijk dat ze werden opgeleid en dat ze allerlei vaardigheden leerden, zodat ze voor hem aantrekkelijk en bruikbaar waren. De lesstof kende een groot bereik. Het varieerde van medische kennis tot muziekkennis.
Er ging een aantal dagen voorbij waarin de kalief zich niet vertoonde. Het leven in de harem kende een rustig patroon. Dat bestond uit studie, verzorging, hof- en religieuze rituelen en ontspanning. Ze stond niet onder dwang zich te bekeren tot de islam.
In deze harem leefden de vrouwelijke leden van de familie, met hun zoontjes, die hier mochten blijven tot hun 6de verjaardag. Verder waren er de ongetrouwde dochters, vrouwelijk huispersoneel, andere vrouwelijke familieleden en concubines.
Op een dag ging het gerucht onder de vrouwen dat de kalief die nacht in de harem zou komen. De paniek sloeg toe bij Anna. Aïsha zag het en pakte haar bij de schouders. ‘Rustig Anna. Haal diep adem. Luister, de kalief komt niet voor jou. Volgens de wetten moet de heer zich een hele menstruatiecyclus onthouden van seksuele activiteit met de nieuwe concubine.’
Anna haalde opgelucht adem. Voorlopig was ze veilig.
Aïsha bleek een speciale status te hebben. Zij was umm al-walad. Concubines die een kind kregen werden zo genoemd. Die status uitte zich bijvoorbeeld in het feit dat ze niet verkocht kon worden na de dood van haar meester. Kinderen van concubines werden als vrij beschouwd en kregen dezelfde status als de kinderen van de echtgenote van de man.
Aïsha vertelde ook dat de man volgens de Koran alleen seksuele relaties mocht onderhouden met z’n vrouw of met z’n concubine. Er scheen echter geen limiet te zijn aan het aantal concubines dat een man kon nemen.
Anna hoopte dat er heel veel nieuwe saqaliba tegelijk zouden komen, zodat zij over het hoofd zou worden gezien door de grote man.
Die avond wijdde Mohammad echter al z’n aandacht aan Anna. Hij sprak enige tijd met haar en liet haar voor hem dansen, voor hij met Aïsha hun vertrekken verliet.
De volgende dag was Aïsha terug in de harem. Ze speelde enige tijd met haar zoontje tot het tijd was voor zijn lessen.
Ook Anna ging verder met haar lessen in de harem van het Alcázar. Dit gebouw was meer dan een eeuw terug als een burchtpaleis gebouwd in opdracht van Abd ar-Rahman I, de stichter van het kalifaat. Het werd de officiële residentie van Al-Andalus. Hier zetelde de macht van het Rijk. Het behelsde de grootste bibliotheek het Westen, diverse baden en weelderige tuinen. Watermolens pompten het water uit de Guadalquivir op naar de tuinen. Hier waren ook saqaliba aan het werk, net als in het huishouden van de kalief. Ze werkten in de keuken, maar ook bij de munt, in de textielwerkplaatsen, bij de administratie en als wachters.
Er zat niets anders op. Ze moest zich onderwerpen als Mohammad bij haar kwam. Ze zou het echter lijdzaam ondergaan. Alle lessen in verleidingskunst, die zij hier had geleerd, weigerde ze te gebruiken. Ze hoopte dat de kalief snel genoeg van haar zou krijgen en ze verder gespaard zou worden voor zijn erotische verlangens.
Ze werd voorbereid op zijn bezoek. Eerst een bad, vervolgens met geurende oliën gemasseerd en in een zijden gewaad gehuld. Daarna was ze naar een slaapvertrek gebracht, waar centraal in de ruimte een groot, zacht bed stond.
Anna lag te trillen als een espenblad. De zenuwen gierden haar door de keel. Harald, de Viking die haar ooit ontvoerde, was een bruut geweest. Hij had zich met geweld aan haar opgedrongen. De herinnering, waarvan ze dacht hem ver weg te hebben gestopt, keerde terug. Zou deze machtige man ook zo bruut zijn?
De deur werd geopend en daar trad de heerser over het Omajjaden-rijk binnen. Met een gebaar gebood hij Anna haar kleding uit te doen. Hij ontkleedde zich snel en keek begerig op haar neer. Zo te zien verkeerde hij in staat van grote opwinding. Haar ogen gingen automatisch naar zijn erectie. De kop van z’n besneden lid, glom. Anna hield haar adem in en hield zich roerloos. Kennelijk had de heerser geen behoefte aan een voorspel. Haar passieve lichaam op het bed was kennelijk genoeg. Hij liet zich bovenop haar zakken en maakte aanstalten bij haar binnen te dringen. Het was onmogelijk. Ze kon zich niet stil houden. Ze kón dit niet passief ondergaan. Ze plaatste haar handen afwerend tegen z’n borst en riep in het Arabisch: ‘Ik bén geen slaaf. Ik ben een vrije vrouw en beloofd aan Kybbe. Híj is degene die ik zoek. Híj is degene naar wie ik verlang.’
Er flikkerde iets in de ogen van de machthebber. Het leek erop dat hij haar met geweld ging nemen.
Maar plotseling doofde dat uit. Z’n lid verslapte en hij trok zich terug van het bed. Zijn seksuele opwinding had plaatsgemaakt voor woede. Hij trok z’n kleed aan en beende de kamer uit, Anna in angst achterlatend.
Ze had de woede van de kalief gewekt. Ze had hem figuurlijk ontmand, op het hoogtepunt van zijn man zijn. Ze had z’n penis zien krimpen. Hoe groot waren z’n wraakgevoelens? Hoe zou hij haar straffen?
Een uur later werd ze opgehaald door Aïsha. De angst deed haar overgeven. De umm al-walad nam haar bij de hand en trok haar zachtjes mee, terwijl ze over haar schouder een meisje riep om op te ruimen. Ze ging met Anna in de hoek van de grote haremkamer zitten en sprak haar toe. ‘Ik weet niet wat er precies is voorgevallen tussen jou en onze heer, maar hij kwam briesend bij mij. Toen ik op hem in praatte om hem tot rust te brengen, vertelde hij dat men hem had moeten melden dat er al een man was in jouw leven. Klopt dat? Ben jij getrouwd?’
Anna antwoordde: ‘Niet precies. We wilden trouwen toen de soldaten van de heer van Vellesan kwamen en de brouwerij waar wij waren in brand staken. Ik ben de enige die dat overleefde. In de opstand die volgde is de heer verdreven en is mijn Kybbe, in de veronderstelling dat ik was verbrand, uit onze woonplaats vertrokken. Nu probeer ik hem al bijna een jaar te vinden. Ik heb de lage landen in het noorden verlaten om hem hier te zoeken. Maar op het laatste stukje naar Córdoba ben ik laaghartig overvallen en gevangen gezet en daarna gedrogeerd en hier afgeleverd.’
Een diepe frons trok over het gezicht van Aïsha.
‘Wat gaat de kalief nu doen?’, vroeg Anna haar angstig.
‘Luister Anna, je moet me je hele geschiedenis vertellen. Daarna kan ik je zeggen wat er waarschijnlijk gaat gebeuren.’
Dat deed Anna. Ze vertelde over haar jeugd en haar verhuizing naar Vellesan. Over haar gewelddadige vader en hoe Kybbe als jongen al voor haar op de bres sprong. Over hun opbloeiende liefde en hoe zij wreed werd weggehaald door de machinaties van de slechte heer van Vellesan en een Viking, die haar ontvoerde en misbruikte. Over haar ontsnapping en het terugvinden van haar familie en Kybbe. Over de brand, de opstand en haar tocht naar het Kalifaat. Ze eindigde met de drogering door Yago.
Toen Aïsha het allemaal had aangehoord, verzuchtte ze ‘Arme meid. Nu begrijp ik het en kan ik je vertellen hoe het zit. Een heer kan geen seksuele relatie aangaan met een concubine als haar status van slaaf twijfelachtig is, omdat ze onder dubieuze omstandigheden slaaf is geworden. Hetzelfde geldt voor vrouwen die al voor de aankoop getrouwd waren. Dat staat te lezen in Koran 4:22. Ik denk dat beide regels op jou van toepassing zijn. Ik ga met Mohammad over jou praten en dan zien we wel wat zijn beslissing zal zijn.’
Zoektocht met Inaya
Het was ongelofelijk. Niet alleen had Aïsha de kalief overtuigd van de onrechtmatigheid van Anna’s status als concubine in zijn harem, maar hij had haar zelfs vrijgelaten om op zoek te gaan naar Kybbe.
Voor haar vertrek vertelde Aïsha haar dat de stad uit 5 delen bestond. Ze hadden allen een eigen omwalling en je kon overal winkels, herbergen, markten en openbare baden vinden. Er was een veelheid aan ambachten. Vanuit het paleis liep Anna in noordelijke richting, waardoor ze terechtkwam in een wirwar van kleine smalle straatjes. Dit was de Joodse wijk.
Anna was verbijsterd door de grootte van de stad. Hij was vele malen groter dan Parisi, dat al zo’n onuitwisbare indruk op haar had gemaakt. Het overtrof haar stoutste verwachtingen. Het was zo ongelofelijk druk in de straten. Ze zag inderdaad overal bazaars, winkels en herbergen.
Het was een wonder dat zo’n grote stad, waar zoveel mensen zo dicht op elkaar woonden, zo schoon was. Het was in niets te vergelijken met Vellesan of andere plaatsen waar ze langs was gekomen op haar reis achter Kybbe aan. Ze zag ook de doorkijkjes naar patio’s. Alles was hier zo anders. Wat zou Kybbe het hier naar z’n zin hebben, want wat viel hier veel te leren. Maar waar moest ze haar zoektocht naar hem beginnen in deze immense stad? Het leek onbegonnen werk. Ze besloot te gaan vragen naar de grootste bouwlocatie in de stad. Kybbe kennende, maakte ze daar de meeste kans op succes. Ze was al nadenkend terecht gekomen op een boekenmarkt. Ze keek haar ogen uit. Het waren hier vooral vrouwen die bezig waren met het kopiëren van boeken. Ze sprak haar verwondering uit tegen één van hen. De vrouw lachte en vertelde haar dat hier zo’n zeventig kopiisten aan het werk waren en dat de vrouwen gespecialiseerd waren in het overschrijven van de Koran. ‘Mogen vrouwen dat dan doen?’, vroeg Anna ongelovig, want zij had in het islamitisch gebied, waar ze nu al maanden doorheen trok opgemerkt dat vrouwen zich toch meestal wijdden aan de verzorging van man en kinderen. ‘Ja hoor’, sprak de vrouw. ‘Er zijn ook hoger opgeleide vrouwen, die werken als secretaris, bibliothecaris of leraar en vrouwen die medicijnen of rechten studeren. Maar als je het niet erg vindt, ga ik nu verder met m’n werk.’
‘Wacht, ik heb nog één vraagje. Wat is op dit moment de grootste bouwplaats in de stad?’
‘Dan moet je natuurlijk bij de Mezquita zijn, de grote moskee, daar vindt op dit moment een uitbreiding plaats op gezag van onze kalief Abû `Abd Allah Muhammad ben `Abd ar-Rahman. Kijk, daar zie je de moskee boven de huizen uitsteken.’ En zij wees in de richting waaruit Anna was gekomen. De middagzon stond hoog aan de hemel. Met toegeknepen ogen keek Anna, naar de contouren van het gebouw in het zonlicht. Ze bedankte de vrouw en liep haastig de zon tegemoet.
Op de bouwplaats sprak ze een steenhouwer aan. Hij schudde z’n hoofd. Hij kende geen Kybbe. Zo ging het telkens wanneer ze iemand benaderde.
Hoe kon dat nou? Ze was er zo zeker van geweest Kybbe bij het grootste bouwwerk van de stad te vinden. Nu die hooggespannen verwachting in rook opging, liet ze haar schouders en hoofd hangen, terwijl ze doelloos de medina in sjokte. Bij een mooie fontein zeeg ze neer. Alle opgekropte emotie kwam eruit. De tranen stroomden over haar wangen, haar schouders schokten en haar handen trilden onbeheersbaar. In eerste instantie drong de stem niet tot haar door. Een jonge vrouw pakte haar vast en vroeg opnieuw: ‘Waarom ben je zo bedroefd, vreemdeling?’
Langzaam hief Anna haar hoofd en zag mededogen in een paar intens bruine ogen.
Ze slikte een paar keer en zei: ‘Ik zoek mijn geliefde. Hij is een jonge, blonde bouwer en heet Kybbe. Ik informeerde bij de Mezquita, want dat is het meest prestigieuze gebouw en als hij ergens door wordt aangetrokken dan is het wel door bijzondere bouwwerken. Echter, niemand schijnt hem te hebben gezien’, voegde ze eraan toe.
‘Masa’u Al-khair Anna, mijn naam is Inaya. Wat een toeval. M’n vader is de bouwmeester van de vernieuwing van de Mezquita, in opdracht van de kalief. Hoe komt het dat je jouw Kybbe hier zoekt?’
‘Al-khair An-Nur Inaya’, groette Anna terug en ze vertelde haar hierna van de zoektocht naar haar geliefde.
De jonge vrouw was onder de indruk en nam Anna mee naar het deel van de moskee, waar haar vader zich bevond.
De meester kon haar echter geen goed nieuws brengen. Kybbe was hier onbekend. Hij had zich in ieder geval nooit gemeld om aan deze Mezquita te mogen werken.
Anna’s teleurstelling was groot.
‘Zou het niet kunnen dat hij aan een van de andere bouwprojecten in de stad is verbonden, papa?’, vroeg Inaya haar vader.
Deze haalde z’n schouders op. ‘Dat is natuurlijk mogelijk. Maar als hij zo bevlogen is als Anna zegt, dan zou hij zich zeker bij mij hebben gemeld.’
‘Vind u het dan goed als ik met Anna rond ga vragen in de stad?’
De meester gaf haar toestemming en de twee vrouwen lieten de moskee achter zich om naar aanwijzingen van Kybbe’s aanwezigheid in de stad te zoeken.
‘Mag jij als moslima zomaar alleen door de stad lopen?’, vroeg Anna.
‘Hoe kom je erbij dat ik moslima ben?’, was Inaya’s wedervraag.
‘Je heet Inaya. Dat is toch een Arabische naam?’
‘Dat klopt. Maar dat wil nog niet zeggen dat ik moslima ben. M’n moeder vond het gewoon een mooie naam.’
Terwijl ze kriskras door de stad liepen wees Inaya Anna op de vele moskeeën, baden en verschillende woningen en winkels. Anna bleef zich verbazen tijdens de rondleiding van Inaya ‘Hoeveel mensen wonen hier wel niet?’, vroeg zij zich hardop af.
‘O, het zijn er denkelijk meer dan 300.000’, antwoordde Inaya haar. ‘Ongelofelijk! En al die mensen hebben hier werk. Ik zag boekverkopers, schoenmakers, wevers, slagers, juweliers en die man daar, wat doet ie?’ ‘Ah, die snijdt ivoor. Daar is veel vraag naar en de export ervan is groot, net als overigens die van kristal. Wist je dat het maken van kristal in deze stad is uitgevonden?’
‘Het verbaast me niks. Ik heb vandaag gezien dat vrouwen hier kunnen lezen en schrijven en dat ze belangrijke beroepen kunnen uitoefenen. Hoe zit dat eigenlijk met niet-moslims?’
‘Zoals je misschien hebt opgemerkt is iedereen hier zo’n beetje tweetalig. Wij spreken nu met elkaar in het Latijnse dialect van dit gebied. Dat is samen met het Arabisch de officiële taal. Zowel Arabieren als christenen en Joden spreken het allebei. Veel christenen zijn ambtenaar, financier, dokter, artiest en meester-ambachtsman. Mijn vader is één van hen.’
‘Hoe kunnen zoveel mensen op 1 plek leven zonder honger te lijden?’, vroeg Anna verbijsterd.
‘Toen je naar de stad reisde, móet je gezien hebben hoeveel landbouwgrond hier is. Dat kan omdat er een enorm irrigatiesysteem bestaat met watermolens en na’uras. Op de rivier en over de vele wegen vindt een intensieve handel plaats. Producten vanuit heel Europa, Afrika en Azië komen hier aan.’
Al pratend waren zij door de stadspoort bij de rivier gekomen en zag Anna de Ponte Romano. Vol verbazing keek zij naar de enorme stenen brug met bogen die de rivier overspande. ‘Dat is enorm! Zoiets heb ik nog nooit gezien.’
‘Deze brug is, net als de poort achter je, eeuwen geleden door de Romeinen gebouwd.’
‘Geweldig. Dat zou Kybbe ook prachtig vinden.’
Ze was doodmoe van een week lang zoeken naar Kybbe in deze enorme stad. Elke dag waren Inaya en zij erop uitgetrokken. Dat deden ze vanuit het huis van haar vader, waar Anna gastvrij onderdak had gekregen.
‘We moeten ons bezinnen op een meer systematische aanpak’, zei Anna rond het middaguur, na weer overal vragen te hebben gesteld. Het had niets opgeleverd.
Inaya zei heel voorzichtig: ‘Anna, ik denk dat je onder ogen moet zien dat Kybbe nooit in Cordoba is aangekomen. We zij echt overal geweest waar hij aan het werk had gekund. Wat we nu nodig hebben is wat ontspanning. Ik zou in ieder geval graag m’n vermoeide ledematen verzorgen in een badhuis.‘
Anna dacht daarop terug aan haar maanden in Parisi met Fatima en aan Poitiers met Yasmia en Amirah. De herinneringen aan die bezoeken aan de badhuizen deed haar verlangen naar een hernieuwde kennismaking met het fenomeen. Daar kon ze misschien andere informatie krijgen. In de badhuizen werd heel wat geroddeld en zeker over knappe mannen. Misschien leverde het haar nieuwe inzichten op hoe en waar ze naar Kybbe kon zoeken.
Op het moment dat ze in het badhuis kwamen werd er niet geroddeld, maar waren enkele oudere vrouwen seksuele voorlichting aan het geven aan de aanwezige meisjes. Ze spraken over verschillende verleidingskunsten en technieken om mannen te behagen. Anna begreep dat vrouwen ook met elkaar konden oefenen. ‘Is dat dan toegestaan?’ fluisterde ze vol verbazing in Inaya’s oor.
‘Het is een publiek geheim. Alleen binnen vrouwenkringen wordt erover gesproken. De mannen weten het wel, maar negeren het.’
‘En hoe zit het dan met mannen die verkeren met mannen?’, was Anna’s volgende vraag.
‘Dat is verboden. Het idee bestaat dat zulke neigingen voortkomen uit influisteringen van djinn, kwade geesten. Een man die betrapt wordt met een man kan worden gestenigd indien hij getrouwd is. Ongehuwden staat een geseling te wachten. Minderjarigen krijgen een berisping van de rechter. Om zulk gedrag te voorkomen is bepaald dat jongens vanaf 10 jaar niet samen in een bed mogen slapen. Maar ik denk dat het gevaar van geseling regelmatig wordt getrotseerd. Geloof me, jongens oefenen heus wel samen’, antwoordde Inaya.
Toen de gesprekken in de hamam overgingen op roddels over personen, probeerde Anna erachter te komen of Kybbe in de stad was gesignaleerd. Het resultaat was teleurstellend. Ze moest nu wel erkennen dat hij kennelijk nooit deze kant op was gekomen.
‘Misschien is hij in Sevilla’, opperde Inaya. ‘Dat is ook een snelgroeiende stad en één van de mooiste van het Kalifaat.’
Zou dat kunnen? Anna’s stemming klaarde zienderogen op.
‘Kom,’ onderbrak Inaya haar gedachtestroom, ‘we gaan onze huid schrobben met een kese. Die gaat daar zo mooi van glanzen. Daarna spoelen we ons af en dan is het tijd voor een huidmasker met rhassoul.’
De rhassoul bleek een soort pasta te zijn, die op de huid werd gesmeerd, opdroogde en later weer werd afgespoeld.
Het was een goed idee geweest van Inaya. Haar hele lijf tintelde van hernieuwde kracht en besluitvaardigheid. Ze ging naar Sevilla.
Tot haar verrassing ging Inaya mee. Ze had haar vader overgehaald toestemming te geven voor een familiebezoek. Haar oom zou twee dagen later terug gaan naar z’n huis in Sevilla, nadat hij enige zaken in Córdoba had afgerond. Inaya en Anna konden met hem mee en wisten zich daarmee van een onderkomen verzekerd, van waaruit ze én de verschillende familieleden konden bezoeken én de zoektocht naar Kybbe konden hervatten.
Lang hoefden ze niet te zoeken, want na luttele dagen zag Anna een bekend gezicht in de soukh van Sevilla. Het was Moussa Bennani, de man die haar reis naar Córdoba mogelijk had gemaakt. De eigenaar van het koopmanshuis in Parijs had een wijdvertakt netwerk voor zijn handelsschepen en karavanen door het Kalifaat en daarbuiten, tot zelfs in de gebieden in Noord-Afrika.
Het nieuws dat hij haar bracht over Kybbe was onthutsend.
Nu kreeg Anna te horen dat haar jeugdvriend uit Vellesan naar Keulen was gereisd, waar hij volgens Moussa gezocht werd voor de moord op paus Nicolaas. ‘Ik vermoedde dat het jouw vriend betrof, want z’n naam werd genoemd en het feit dat hij afkomstig was uit de lage landen. Aangezien ik geen idee had waar jij je bevond, kon ik je dit nieuws niet eerder overbrengen.’
‘Is Kybbe veroordeeld, Moussa?’, vroeg Anna.
‘Dat denk ik niet, want ik hoorde expliciet dat hij werd gezocht. Het is mij onbekend of hij is opgepakt en ik heb niets gehoord over een rechtszaak. Dat zou dan groot nieuws zijn en ongetwijfeld binnen de kortste keren door heel Europa worden verspreid. Het spijt me, Anna, maar het ziet er niet best uit voor jouw Kybbe.’
De tranen sprongen Anna in de ogen. Ze veegde ze bruusk van haar gezicht en zei: ‘Ik ga onmiddellijk naar Keulen. Ik moet weten wat er is gebeurd. Kybbe is onschuldig. Dat weet ik zeker.’
| Cookie name | Active |
|---|