DEEL 5
Op de rivier
868 n. Chr.
In de pleisterplaatsen langs de Donau drongen mondjesmaat de berichten door over de strijd om Constantinopel. Het was onduidelijk wie daar de boventoon voerde. Basileios I was sinds een jaar de nieuwe keizer van het Byzantijnse Rijk en verdedigde zijn hoofdstad met een aantal uitermate kundige krijgsheren. Het gerucht ging dat hij z’n voorganger en vriend, keizer Michael III, uit de weg had geruimd. Hetzelfde had hij ook al met diens oom en raadsheer Bardas gedaan. Hij huwde daarop de minnares van z’n voorganger. De heerser over het Bulgaarse Rijk belegerde nu Constantinopel. Basileios had het moeilijk omdat het oosten van z’n rijk tegelijkertijd werd aangevallen door kalief Al-Mu’tazz van het Abbasidenrijk.
Kybbe was enige tijd geleden vertrokken uit Ratisbon. De reis over de snelstromende rivier verliep rustig en zonder incidenten. Ze bereikten Linze, een stad die al een eeuw lang onder het gezag stond van de hertog van Beieren. Het leek erop dat in dit deel van het Duitse rijk niet naar hem werd gezocht. Na de misleiding van Sake was Darra toch weer op hun spoor gekomen, waarna ze in de Rijn waren gesprongen in een poging te ontkomen. Het had Gerhard het leven gekost. Misschien was de achtervolging opgegeven omdat er werd gedacht dat je een val in de Rijn niet kon overleven, of misschien zocht men nog steeds naar hem richting het Kalifaat. Kybbe was in ieder geval blij dat hij zijn plan naar Constantinopel te gaan had doorgezet. Ze voeren over de groene wateroppervlakte langs prachtige dichtbeboste heuvels, slechts af en toe onderbroken door een gemeenschap die zich vastklampte aan de weinige stukjes vlak land die direct aan de rivier waren gelegen. Bij Linze werd het zicht vanaf de rivier weidser, de heuvels leken lager. Kybbe hing een genaaide leren zak met wijn en een knapzak met voedsel over z’n schouder en begon aan de beklimming van de hoge heuvel buiten de stad. Op een hoogte van zo’n 800 el bood deze een prachtig vergezicht over de omgeving. Hij keek neer op het fonkelnieuwe kasteel, dat aan het marktplein in de stad was gesitueerd. Het illustreerde de belangrijke positie van Linze als lokale regeringsstad van de Beierse vorsten en als grote handelspost. Het schip waarmee hij voer, loste hier veel handelswaar en nam nieuwe producten aan boord voor het verder stroomafwaarts gelegen Mautern. Dat gaf Kybbe de tijd om een bezoek te brengen aan het nieuwe bouwwerk. Zoals altijd was hij nieuwsgierig naar de vakkennis van de lokale bouwmeester en van de ambachtslieden. Daarom daalde hij na z’n maaltijd af naar de stad. Het was er een drukte van belang. Mandenvlechters bedreven hun ambacht in de buitenlucht vóór hun woning. Overal klonken de geluiden van arbeid; uit de smidse, de bakkerij, het dok, de touwslagerij en de stallen. Vanaf de rivier waaide het geluid van menselijke activiteiten de stad in. Op het plein boden de stemmen van de handelaars tegen elkaar op. De weg naar het kasteel werd hem versperd door een opstootje. Er werd geschreeuwd en gegild en plotseling was hij door een meute vechtenden ingesloten. Kybbe kreeg een vuist op z’n kaak en een stoot in z’n ribben. Hij wankelde en viel, waarna hij in de chaos een struikelblok werd, waarover meerdere vechtlustigen onderuitgingen. Plotseling stopte het kabaal. De compact vechtende groep waaierde uiteen bij het verschijnen van de stadswacht. Velen sloegen op de vlucht, een aantal werd opgepakt.
Toen Kybbe weer bijkwam en diep ademhaalde schoot de pijn door z’n ribbenkast. In eerste instantie was hij daarom alleen met zichzelf bezig. Hij haalde oppervlakkiger adem. Waarschijnlijk had hij gekneusde ribben. Hij voelde aan z’n pijnlijke kaak voor hij opkeek. Slechts 1 oog functioneerde normaal en daarmee zag hij dat hij zich in een ruimte bevond met meerdere personen. Er rammelden sleutels, waarna een deur werd geopend en een bak naar binnen geduwd. ‘Hier schooiers. Eten.’
De deur ging weer dicht. Een aantal verdrong zich om de bak. Een van hen vlijde zich naast Kybbe neer met een stuk brood in de hand, dat hij snel opschrokte. ‘Je bent te laat man, de bak is al leeg’, sprak hij met volle mond.
Kybbe haalde z’n schouders op. Eten was wel het laatste waar hij nu belangstelling voor had. ‘Waar ben ik en waarom ben ik hier?’, vroeg hij aan z’n tijdelijke gesprekspartner.
‘Je zit in de nor. De wacht heeft iedereen die ze te pakken konden krijgen na de ruzie hierin gegooid’, luidde het antwoord.
‘En nu? Wat gaat er nu gebeuren?’
‘O, ze zullen ons er over een dag of twee wel uitlaten. Dat is de normale gang van zaken.’
Inderdaad werd een van de honger rammelende Kybbe, samen met de anderen, enkele dagen later vrijgelaten. De boot waarmee hij verder zou varen was vertrokken. Het zicht in z’n dichtgeslagen oog was al aardig verbeterd, maar hij had veel last van z’n gekneusde ribben. Dat zou hem nog wel een aantal dagen parten spelen. Hij bond een doek strak om z’n bovenlichaam opdat de pijn wat draaglijker werd en ging op pad om z’n honger te stillen. De cipiers hadden z’n buidel niet teruggegeven, waardoor hij nu platzak was. Kon hij ergens werk verrichten voor een maaltijd? Misschien waren z’n twee noden van dit moment te combineren. Dat waren voedsel en transport. Daarvoor kon hij het beste naar de haven gaan. Er was net een nieuw schip aangekomen en Kybbe zorgde ervoor dat hij vooraan stond toen het afmeerde. Hij schoot naar voren om zijn diensten aan te bieden. Hij werd aangenomen om de goederen van boord te sjouwen en een nieuwe lading te stouwen. Hij werkte in zo’n hoog tempo dat het oog van de kapitein op hem viel. Het geluk lachte hem toe, want er was door ziekte van een bemanningslid een plek vrijgekomen. Een harde werker was welkom. Zo kon hij eindelijk het gerommel in z’n maag een halt toeroepen.
Het was zwaar werk, maar hij was tenminste weer op de weg naar Constantinopel. Het schip had als eindbestemming Beligrad. Kybbe was van plan daar werk te zoeken in de bouw, zodat hij weer geld in z’n buidel had voor het vervolg van z’n reis. Beligrad betekende witte stad. Dat had in zijn oren een uitdagende klank. Misschien gebruikten ze hier andere methoden van bouwen, die hij nog niet kende. Zijn nieuwsgierigheid was gewekt.
De reis werd voortgezet. De volgende overslagplaats was Mautern, het meest oostelijke handelsstation van het Beierse Oostland. Het uit- en inladen verliep hier snel. De zaken werden efficiënt geregeld en enkele uren na de afvaart bereikten ze Tulln, waar een oude hoefijzervormige toren in de Donau stak. De toren was ooit een onderdeel van een Romeins kamp en werd nu gebruikt om dit stuk land aan de Donau te beveiligen. Kybbe hoorde dat er burchten langs de Donau waren, die bedreven waren in het beroven van langsvarende schepen, maar dat gebeurde sinds de uitbreiding van het Frankische Rijk naar het oosten, alleen nog buiten het rijk. Vooral in de Bulgaarse gebieden, zo vertelden z’n scheepsmaats.
Het stroomdal van de rivier was, sinds ze wegvoeren uit Mautern, veel breder geworden. Hier geen dichtbeboste hoge heuvels, maar meer vlak land. Regelmatig voegden zich rivieren bij de Donau. De zijinstromers varieerden van beekjes tot volwaardige rivieren. Hij merkte hoe de stroom daardoor werd beïnvloed. Hij leerde de namen van veel van deze rivieren kennen. Bij Komárno kwamen de rivieren Ván en Nitra in de Donau uit en even verderop de Hron en verschillende ellen verder de Ipel. De Donau maakte een scherpe bocht bij Vác en verlegde zijn koers van oost naar zuid, richting Boeda, de grensstad van het Oost-Frankische Rijk.
In dit deel van Europa was eigenlijk een constante strijd aan de gang. Lodewijk de Duitser had in 846 de Moravische vorst afgezet en een vazal als hertog aangesteld. Deze hertog Rastislav verwierf nieuwe gebieden in het oosten en er werd een grens vastgesteld met het Bulgaarse Rijk. Er waren een aantal militaire expedities van het Frankische leger tegen Rastislav, omdat deze niet zo’n betrouwbare vazal bleek.
Bij Boeda was een nieuwe passagier aan boord gekomen, die goed op de hoogte was van de politieke ontwikkelingen in dit gebied. Deze Dragan was van lagere Slavische adel en had meerdere keren aan de kant van Rastislav gevochten tegen de Franken. Na de maaltijd raakte hij op z’n praatstoel.
‘In 855 wisten we een grote invasie van Lodewijks leger tot staan te brengen. We verdedigden de stad Mikulcice met zo veel succes dat het Frankische leger de aftocht blies. Je had dat grote leger voor onze muren moeten zien. Ze waren machteloos tegen ons koppige verzet. Toen bleek dat ze niet in staat waren een langdurige belegering te beginnen en keerden ze om. Wij openden de poorten en gingen achter het leger aan. We achtervolgden de Franken en plunderden veel van hun bezittingen langs de Donau.’
Eén van de varensgezellen merkte op: ‘Ik meen me toch te herinneren dat keizer Lodewijk toen een groot Moravisch leger, dat z’n kamp aanviel, vernietigde.’
Dragan keek verstoord op naar de man, die z’n verhaal op zo’n onwelkome manier onderbrak.
‘Het gaat erom dat we die Franken met succes hebben verdreven. Daar brachten we graag offers voor. Trouwens drie jaar later bleek onze kracht opnieuw. Karloman, de zoon van Lodewijk, leidde toen een nieuwe expeditie tegen ons, maar ook dit werd een grote mislukking. Het wordt tijd dat we ons vrij maken van die verdomde Franken. De paus probeert ons het juk op te leggen van zijn kerk. Daarom heeft Rastislav vijf jaar geleden de keizer van het Byzantijnse Rijk verzocht geestelijken te sturen om het orthodoxe geloof te verspreiden. Cyrillus en Methodius hebben sinds die tijd grote successen daarin geboekt. Dat was natuurlijk tegen de zin van zowel Paus Nicolaas als de keizer. De paus denkt de vertegenwoordiger van God op aarde te zijn, maar dat is natuurlijk patriarch Ignatius.’
Bij deze woorden sprong een andere reiziger op. Kybbe had gezien welk effect Dragans woorden op hem hadden. De man had stijf rechtop gezeten en het leek alsof er wat in z’n hoofd begon te stomen. Met grote van woede flikkerende ogen stortte hij zich op Dragan.
‘Jij zelfingenomen hufter, een lesje in nederigheid is wat jij nodig hebt.’ Hij sloeg met z’n vuisten in op de verbaasde Moraviër.
‘Nicolaas is de enige opvolger van Petrus. Hij is het h…’
Verder kwam hij niet. Dragan herstelde zich en liet een enorme vuist op diens kaak terecht komen.
‘Stop!’, brulde de kapitein, ‘of ik laat jullie beiden overboord gooien.’
‘Dat zal niet nodig zijn’, bromde Dragan, wijzend op de bewegingloze figuur aan z’n voeten. ‘Hij kan bovendien niet zwemmen in deze staat. O ja, wil iemand hem vertellen dat z’n geliefde Nicolaas niet meer in leven is, als hij bij z’n positieven komt.’
Het noodlot sloeg toe vóór ze Opaty bereikten in het moerasrijke gebied. Sinds Tulln had hij verhalen gehoord van piraterij op de rivier. Desondanks kwam de aanval van de rivierpiraten volkomen onverwacht. De bemanning had weinig kans tegen de gehaaide vechters, hoewel het Dagan lukte om twee tegenstanders neer te halen vóór ze hem wisten te overmeesteren. Een groot mes stak uit z’n rug.
Kybbe zag in dat de situatie hopeloos was en hij dook overboord. Het was moeilijk zich te oriënteren met het felle licht van de hoog aan de hemel staande zon, dat weerkaatste in het water. Het was al heet in de laatste week van de meimaand. Het leek of er geen einde kwam, zijn armen voelden zwaar. Alle energie werd uit z’n lichaam getrokken en zijn zwemslag werd trager en trager. Uitgeput bereikte hij de oever. Hij was niet in staat op te staan. Versuft liet hij zich opdrogen in de hete zon. Hij was zich nergens meer van bewust, totdat sterke handen hem omhoog sjorden. Hij keek in het gezicht van een ruige, bebaarde kerel, die iets onverstaanbaars tegen hem zei. Hij schudde z’n hoofd. De man sprak hem opnieuw aan en weer schudde hij het hoofd. Daarop schoot een vuist van de bruut op hem af en werd het zwart voor z’n ogen.
Ali
Zomer 868
Het was een prachtig land waar ze door trokken. Het land van hertog Salan bevatte zeer vruchtbare gronden, bossen met veel wild en een overvloed aan vis in de moerassige gebieden. Het was het meest westelijke deel van het Bulgaarse Rijk. Dat alles was echter niet aan Kybbe besteed. De dagmarsen van de slavenhalers waren lang en het feit dat de gevangenen aan elkaar waren gebonden droeg niet bij aan een makkelijke tred. Hij vervloekte de dag dat hij van de regen in de drup was beland. Eerst waren het de rivierpiraten, die hem op de vlucht hadden gedreven en toen z’n ontsnapping geslaagd leek, waren de Bulgaarse slavenhalers bovenop hem gesprongen. Erger nog, ze liepen nu al dagen naar het westen en zo raakte hij steeds verder weg van Constantinopel. Hij was op z’n tocht over de Donau opgetogen geweest door het vooruitzicht van de grote stad en de bouwwerken die hem daar wachtten. De stad, gelegen aan de doorgang van de Middellandse- naar de Zwarte Zee, was al belangrijk in de tijd van Alexander de Grote en werd een van de grootste steden van het Romeinse Rijk. Daarom had Kybbe er ook vertrouwen in dat de stad de aanval van de Bulgaarse vorst Michael zou afslaan. Hij moest ontsnappen, maar de dagelijkse routine bracht geen enkele mogelijkheid. In z’n eentje zou het niet lukken en daarom keek Kybbe uit naar een mogelijke bondgenoot om een plan te maken en uit te voeren. De avondmaaltijd was de enige mogelijkheid om met andere gevangenen te praten. Ze zaten dan in een kring rond een houtvuur onder toezicht van hun gewapende wachters. De Bulgaren ontspanden pas als de maaltijd over was en de gevangen twee aan twee gebonden probeerden de slaap te vatten in een poging uitgerust te zijn voor een nieuwe vermoeiende dagmars. Dan hoorde Kybbe hun harde stemmen en een bulderende lach als een van hen een mop vertelde.
Kybbe schoof bij aanvang van de maaltijd een paar plaatsen op naar een jonge man die hem een geschikte kandidaat leek. Hij had hem al eerder geobserveerd. De man had een bepaalde houding over zich. Hij was niet terneergeslagen, zoals velen in deze groep en hij hield z’n hoofd omhoog tijdens de voettocht. Het lukte Kybbe tijdens de maaltijd niet om de man aan het praten te krijgen. Buiten z’n naam liet hij niets los.
De volgende avond zorgde Kybbe ervoor dat hij weer naast Ali zat. Hij had gedurende de dag bedacht dat hij om het vertrouwen van Ali te winnen, zijn eigen verhaal aan hem zou vertellen. Hij begon en kon zien dat de man iets ontdooide. Toen hij het erop waagde en sprak over de gebeurtenissen die leidden tot de dood van paus Nicolaas, werden Ali’s ogen groot. ‘Jíj bent de moordenaar van de paus.’
‘Nee, Ali. Ik vertel je net dat het een ongeluk was, waar ikzelf getuige van was.’
‘Ik weet alleen dat er twee mannen werden gezocht, die ervan werden verdacht de paus te hebben vermoord. De een zou een Fries zijn en de ander een Frank.’
‘Ik ben die Fries, maar dat ik wordt gezocht voor een ‘moord’, komt door de man die mijn leven al jarenlang tot een hel maakt, Darra, de meier van Vellesan.’
Nu wilde Ali het hele verhaal horen en Kybbe stak van wal.
In de dagen erna vertelde Ali zijn verhaal.
‘Ik weet dat je plannen hebt om te ontsnappen Kybbe, maar ik denk dat je meer kans hebt als we aankomen bij de Adriatische Zee’, zei Ali tegen hem.
Kybbe reageerde verbaasd: ‘Weet jij dan waar we heengaan?’
‘Jazeker, we worden door deze schurken verkocht aan de Narentijnen, die op hun beurt ons waarschijnlijk weer zullen doorverkopen op een slavenmarkt. Misschien op de Noord-Afrikaanse kust, maar ik hoop op Venetië.’
‘Waarom Venetië en hoezo ‘hoop’ je daarop?’
Ali begon te fluisteren. ‘Dit zijn schurken, rovers. Zij trekken zich niets aan van enig gezag. Daarom heb ik mijn mond niet opengedaan. Ze mogen niet weten wie ik ben, want anders zouden ze zich van mij kunnen ontdoen. Dat is zelfs heel waarschijnlijk, omdat ze kans lopen vervolgd te worden voor het gevangennemen van een diplomaat. Ze zouden te vrezen hebben van zowel het Kalifaat als van de Khan. Het is slimmer voor ze mij te laten verdwijnen, dan te proberen mij te verkopen of te onderhandelen over een losgeld. Nú zijn wij voor hen gewoon slaven, die geld gaan opbrengen. Zodra we binnen het gebied van het Kalifaat zijn, krijgen we onze vrijheid terug, want daar kom ik zeker bekenden tegen. Wat dat betreft gaan we de goede kant op, want we reizen naar het westen. Het is zelfs de snelste weg naar huis. ‘Hoe kun je daar zo zeker van zijn?’, vroeg Kybbe. ‘Mijn clan, de Chammariy, is de grootste van Al-Andaluz. Veel van mijn verwanten vervullen belangrijke functies in het bestuur van de kalief.’
Vol verbazing over deze wending in het verhaal, vroeg Kybbe: ‘Wat was jouw taak dan in dit gebied?’
‘Het doel van mijn tocht was om het Bulgaarse rijk en Moravië tot een bondgenootschap te bewegen tegen het Frankische Rijk van Lodewijk de Duitser. Het Kalifaat verwacht een aanval van de Franken en wil z’n grenzen veilig stellen. Het zou prettig zijn als Lodewijk zijn kracht over twee fronten moet verdelen.’
Kybbe begon het te begrijpen. ‘Ik weet dat Ratislav van Moravië strijd heeft geleverd met het Frankische leger.’
‘Precies,’ viel Ali in, ‘en zowel Ratislav als Michael van Bulgarije bevorderden de verspreiding van het orthodox-christelijke geloof door Cyrillus en Methodius. Daarmee wijzen ze de bemoeienis van de Latijns-christelijke kerk met hun gebieden af. De dood van de paus maakt het onzeker wat de gedragslijn van Keulen zal zijn. Daarom ben ik gestuurd om het vuurtje op te stoken.’
‘En is dat gelukt?’, vroeg Kybbe.
‘Tsja, ik ben alleen in de Bulgaarse hoofdstad geweest. Toen ik van Pliska op weg ging naar Roese met het plan om via de Donau naar Veligrad te reizen, het machtscentrum van Ratislav, werd ik onderschept door deze schurken.’
‘Maar waarom reisde je als diplomaat dan alleen?’
‘Omdat de bemoeienis van het Kalifaat met dit mogelijke verbond niet ontijdig aan het licht mocht komen. Zo kon ik ongestoord mijn opdracht uitvoeren.’
Kybbe lachte besmuikt. ‘Noem dat maar ongestoord.’
De Bulgaren dreven hen op als vee. Het werd een moeizame tocht. Dagenlang trokken ze door het geaccidenteerde gebied. Heuvel op heuvel af, door bossen, afgewisseld met rotsig open terrein. Er was geen enkele mogelijkheid tot ontsnapping, niet zoals ze aan elkaar waren geketend en zich voortsleepten onder de waakzame ogen van de mannen te paard. ‘s-Avonds fluisterde hij met Ali Het leek alsof zij hun hele leven samen hadden doorgebracht. Er was één ding dat Kybbe verwonderde en daar vroeg hij op een gegeven moment naar.
‘Ali, je bent toch een moslim?’
‘Ja.’
‘Maar ik zie je nooit bidden. Dat doen jullie toch een paar keer per dag?’
‘Wees stil Kybbe. Ze mogen niet weten wie of wat ik ben. Als ik de Salah zou uitvoeren en meerdere keren op een dag ga bidden, val ik op. Bovendien is er geen mogelijkheid voor reinheid in deze omstandigheden. Een moslim is ook niet goed verkoopbaar. Ik zal voor deze nalatigheid boete doen en mijn gebeden inhalen zodra het mogelijk is, Inshallah.’
‘Ik begrijp het Ali, maar wil je me af en toe iets vertellen over je geloof? Want als we in het Kalifaat komen, zoals jij zegt, wil ik wel wat meer weten van de Islam en van de taal.’
‘Natuurlijk Kybbe, want tenslotte is het hele leven islam. Het woord zelf betekent overgave en dat wil zeggen dat je je overgeeft aan de wil van Allah. Je weet dat ons heilige boek de Koran is. De aartsengel Djibriel gaf de tekst van Allah door aan de profeet Mohammed en deze heeft daarna de boodschap over onze wereld verspreid. Wat daarnaast voor ons van belang is, is de levenswijze van Mohammed zelf. Hoe hij heeft geleefd, wat hij heeft gezegd en wat z’n standpunten zijn. Dat staat allemaal in de soenna. Dat is de leidraad voor een goed leven voor elke moslim. Dat lijkt me genoeg als begin. Ik zal je telkens wat meer over onze godsdienst en manieren leren, maar nu stil want daar komt een van die slavenhalers ons weer vastketenen voor de nacht.’
Op een dag strompelde de groep over een hoogte, waar zij tussen de bomen een eerste glimp kregen van een schitterend blauwe zee.
‘We zijn bijna in Labineca, de thuisbasis van de Narentijnen’, fluisterde Ali tegen Kybbe. Ze spraken niet hardop tijdens de tocht, want dat tolereerden de Bulgaren niet. Menigeen had onderweg al de zweep gevoeld voor dat vergrijp.
Er volgde nog één maaltijd en overnachting in open terrein voor hun groep. Kennelijk was Labineca niet voor het duister te bereiken.
Tijdens de maaltijd kon Kybbe eindelijk weer met z’n vriend praten.
‘Je zei dat we worden verkocht aan de Narentijnen. Wie zijn dat?’
‘Dat zijn piraten, die zich hier aan de kust hebben gevestigd. Het zijn ongelovigen. Ze zijn een probleem geworden toen de Byzantijnse keizer in de eerste helft van deze eeuw, verzwakt door de strijd tegen de Bulgaren, Venetië in de steek liet. De Narentijnen zagen hun kans schoon en beroofden de Venetiaanse schepen. Maar sinds de grote Tariq Ibn Zyad dit jaar Venetië innam is er een halt toegeroepen aan hun piraterij. Waarschijnlijk zullen ze niet lang meer van hun onafhankelijkheid kunnen genieten. Ik werd ook uitgestuurd om met de Knyaz van het Bulgaarse rijk een overeenstemming te bereiken over ons beider invloed gebied. Hier in de Adriatische Zee komt de nieuwe grens tussen onze gebieden.’
‘Maar daar hebben wij niks aan. Wij zijn aan hun grillen overgeleverd. Wat gaan ze met ons doen?’
‘Ik hoop dat ze ons als slaven op de Venetiaanse markt gaan verkopen. Maar het zou ook kunnen dat ze ons naar een markt aan de overkant van de Middellandse Zee in het Kalifaat van de Abbasiden brengen.’
‘De Abbasiden? Dat zijn toch de grootste vijanden van de Omajjaden? Jij loopt daar gevaar.’
‘Als ze m’n identiteit ontdekken wel, maar dat is niet zo waarschijnlijk. Jij hebt nét zo’n groot probleem als ik, als we daar als slaaf worden verkocht. Het is onwaarschijnlijk dat we ons daar uit kunnen redden. Ik hoop dat ze naar het noorden zullen gaan en anders moeten we zien dat we, vóór we naar Afrika worden gebracht, weten te ontsnappen.’

De reis van Kybbe
- Colonia (Keulen); 2. Ratisbon (Regensburg); 3. Linze (Linz); 4. Tulln; 5. Boedapest; 6. Constantinopel; 7. Labineca; 8. Veneza (Venetië); 9. Granada; 10. Sevilla; 11. Córdoba; 12. Bordeu (Bordeaux); 13. Parisi (Parijs).
Nevena
Het werd duidelijk waarom ze daags tevoren niet doorgetrokken waren naar Labineca. De delta van de rivier de Neretva bestond uit een uitgestrekt moeras. De Bulgaren waren bevreesd geweest zich daarin te begeven in de schemering. Toen ze er doorheen trokken hoorden ze de geluiden van wel honderden soorten vogels en het getjirp en gezoem van vele insecten. Kybbe had het gevoel dat hij tot voedsel diende van alle bloedzuigende insecten die hier voorkwamen.
Eenmaal in de stad aangekomen, vergat hij de ellende en keek geïnteresseerd om zich heen.
Buiten het feit dat er geen enkele kerk stond, zag de stad er in de ogen van Kybbe heel gewoon uit. Opvallend waren enkele pastelkleurige huizen, maar verder waren er geen technologische hoogstandjes. Het waren de gebruikelijke onderkomens van deze regio, gebouwd zonder een gemeenschappelijk plan. Sommige leken op instorten te staan, andere zagen er beter onderhouden uit. Er was volop bedrijvigheid. Kybbe was ervan uitgegaan dat hier uitsluitend piraten leefden, maar voor z’n ogen ontrolde zich gewoon een normaal patroon van mannen, vrouwen en kinderen bezig met dagelijkse werkzaamheden en ambachtslieden, die allerhande werkzaamheden verrichtten.
Hij zag een haven waarin tal van kleine schepen op kalm water lagen te dobberen.
Er klonk veel geschreeuw toen een aantal gewapende mannen op hun groep afkwam. De Bulgaarse leider brulde iets terug en vervolgens namen de gewapende mannen de gevangenen over en leidden hen weg.
Ze werden ondergebracht in een grote schuur en daar kregen ze iets te eten en drinken.
Voordat ze naar binnen werden geleid had Ali de omgeving goed in zich opgenomen en hij zei nu tegen Kybbe dat ze moesten opletten of de routine die zich hier ontwikkelde hun kansen kon bieden om hun vrijheid te herwinnen. Er was echter geen sprake van ongezien wegsluipen.
Zo gingen enkele dagen voorbij zonder dat ze een kans zagen om er vandoor te gaan. Hadden ze hun kans gemist? Zouden ze geen mogelijkheid krijgen voor ze scheep moesten gaan?
Op een dag was het zover. Kybbe werd ruw overeind getrokken en sterke handen dwongen hem aan boord van een Narentijns schip. Het schip leek wel wat op een schelp die opengeklapt was. De toekomstige slaven werden aan elkaar gebonden en hurkten neer op de spanten tussen de zitplanken. De man naast Kybbe werd ook nog eens vastgezet aan een reling boven de spanten. Naast de bemanning waren er zo’n 20 gevangenen in het schip, maar Ali was er niet bij.
Ali zag Kybbe voor zich in een schip geduwd worden. Een grote bebaarde Narentijn wees naar het ernaast gelegen schip. De groep waarin hij liep werd daar naartoe gedirigeerd. Hij was voor de overtocht gescheiden van zijn vriend en hij voelde zich triest te moede. Hij moest in Venetië zo snel mogelijk Kybbe terug zien te vinden.
De schepen verlieten de haven. Ze voeren tussen de voor de kust liggende eilanden Hvar en Korcula door en ronden het laatste eiland, waarna de steven, tot Ali’s schrik, gericht werd naar het zuiden. Met het eiland Issa aan stuurboordzijde, zagen ze plots van achter het eiland een aantal schepen verschijnen. De schepen voerden een halve maan in hun vlag. Er brak paniek uit onder de Narentijnen. Ze probeerden te keren om de beschutting van hun thuishaven te bereiken. Ze hadden deze manoeuvre nog niet voltooid, toen de islamitische vloot op hen dook. Ze werden geënterd door de grotere en snellere schepen. Er brak een gevecht uit in het schip van Kybbe. De paniek onder de gevangenen was groot, want zij zaten vast en ingeklemd tussen de banken waarop werd gevochten. Na een enorme houw van een kromzwaard verloor de man naast Kybbe, die vastzat aan de reling z’n arm. De reling zelf bezweek onder de klap. De slaven probeerden de strijd te ontwijken en kwamen daardoor aan één zijde van het overhellende schip terecht. Aangezien ze nog aan elkaar vastzaten werden ze allen overboord getrokken toen enkelen van hen uit het schip vielen. De menselijke kluwen verdween al snel onder water, aangezien niemand kon zwemmen. Wanhopig probeerde Kybbe los te komen. Hij trok aan de knopen in het touw. De lucht verdween door z’n inspanningen in hoog tempo uit zijn longen.
De Narentijnen in het schip van Ali hadden geen tegenstand geboden en zich direct overgegeven. Zij werden aan boord van een van de Omajjaden schepen gebracht. Een officier en een klerk kwamen vervolgens aan boord om de antecedenten van de gevangenen te noteren. Ali produceerde vanonder zijn kleding de ring waaruit bleek dat hij een speciale gezant van het hof was. Hij werd onmiddellijk naar de bevelhebber van het flottielje gebracht. Daar werd hij met alle eerbied ontvangen, in nieuwe kleding gestoken en er werd hem een maaltijd voorgezet. Eén van de schepen zou hem direct naar Venetië brengen, waar hij passage zou kunnen boeken naar Malaga, de anderen zouden hun opdracht volbrengen. Namelijk het vernietigen van het piratenbolwerk Labineca. Ali drong er bij de bevelhebber op aan om uit te kijken naar een blonde Fries, die Kybbe heette. Als hij gevonden werd moest hij met alle égards worden behandeld en zo snel mogelijk naar het hof in Córdoba worden gebracht. Hij vond het rot z’n vriend achter te laten, maar hij kon de kalief niet laten wachten. Hij moest naar Córdoba.
In een kleine baai op het eiland Korcula lag een kennelijk levenloos lichaam op het zand langs de vloedlijn. Een krab tikte blijkbaar nieuwsgierig tegen een grote teen. Het been bewoog en het dier krabbelde snel weg. Was het een laatste stuiptrekking? Buiten het geluid van vogels en het geruis van kabbelend water, heerste er totale stilte. Deze werd plotseling doorbroken door een helder gezang. Een jonge vrouw bewoog zich langs de vloedlijn met een net en een mand. Ze liet deze vallen op het moment dat ze het lichaam ontwaarde en haastte zich ernaar toe. Met enige moeite keerde ze het lichaam op de rug en legde haar oor naast de mond van de drenkeling. Ze voelde lucht op haar wang! Nu zag ze ook z’n borst licht bewegen. Snel draaide ze hem op z’n zij. Een golf water liep uit z’n mond. Het lichaam kromde zich. Hij hoestte en toen ging een paar prachtig blauwe ogen open, die recht in de hare keken.
Hij begon te spreken in een haar onbekende taal. Ze schudde het hoofd en wees naar haar oren. Hij sprak opnieuw en deze klanken waren anders, rauwer. Opnieuw schudde ze het hoofd. Hij ondernam een derde poging met hetzelfde resultaat.
Toen Kybbe bijkwam keek hij in de twee meest donkerbruine ogen die hij ooit zag. Waar was hij en wie was zij? Hij vroeg het haar. Zij schudde echter het hoofd en wees naar haar oren. Toen probeerde hij het in het Arabisch en daarna in het Duits. Ze bleef naar haar oren wijzen en het besef daalde in dat ze wellicht doof was. Hij gebaarde naar zichzelf en zei ‘Kybbe’. Daarna wees hij naar haar. Ze zei: ‘Nevena’.
Er werd geroepen en Nevena keek in de richting van het geluid. Ze was dus toch niet doof, dacht Kybbe. Een oudere man kwam tussen de bomen vandaan en riep nogmaals haar naam.
‘Tata’, riep de vrouw en ze zwaaide. De man kwam naar hen toe en er ontspon zich een heel opgewonden gesprek in een taal die Kybbe geen herkenningspunten bood. De man stemde kennelijk in met haar voorstel en hij gebaarde Kybbe hen te volgen. Ze liepen een klein uur, waarbij Kybbe de mand van de protesterende jonge vrouw overnam. Met twee manden vol arriveerde het drietal in een plaats met de naam Blato.
Kybbe werd opgenomen in het huishouden van vader en dochter. Er was geen moeder aanwezig. Later zou hij het verhaal van dit tweetal te horen krijgen, maar vooraleer verliep de communicatie met handen en voeten. Kybbe maakte zich in deze dagen nuttig met allerlei klusjes. De woning annex schuur verdiende wel wat onderhoud. Daarnaast hielp hij op het land.
Haar vader heette Juraj en hij toonde Kybbe hoe de druiven moesten worden verzorgd. Takken en bladeren moesten worden weggesnoeid om alle energie naar de druiven te laten gaan. Hij werd door Juraj berispt als hij teveel gebladerte wegsnoeide. Hij begreep dat de druiven dan konden verbranden tijdens een droge periode. Het mocht echter ook niet te hard gaan regenen, want dan konden de druiven aangetast worden door schimmels en ging je hele oogst verloren. Het waren zaken waar Kybbe nooit bij had stilgestaan toen hij z’n eerste wijn in het Frankenland proefde. Het zou geen leven voor hem zijn. Het werd daarom tijd om verder te trekken, maar daarover verkeerde hij in tweestrijd. Hij wilde eigenlijk niet wachten tot de volgende maand wanneer de druiven werden geoogst, maar zijn gevoelens voor Nevena waren sterker geworden. Kon hij haar bewegen met hem mee te gaan? Mocht hij haar losscheuren van haar wortels op dit eiland? Deze overpeinzingen eindigden toen de feestavond in Blato begon. Het dorp was gebouwd op twee heuvels die gelegen waren aan een vruchtbare vallei, waar druiven en olijven werden verbouwd. Op het open stuk werd een vuur aangelegd, waar men begon met het bereiden van een gemeenschappelijke maaltijd. De lokale wijn smaakte voortreffelijk en Kybbe dronk er te veel van. Hij trok zich daarom rond middernacht terug. Even later kwam Nevena kijken hoe het met hem ging. Ze kuste hem lichtjes op z’n voorhoofd, waarna Kybbe z’n armen om haar heensloeg en haar vurig kuste. Een moment leek ze weerstand te bieden, maar toen ontspande ze zich en kuste hem terug. Hij probeerde haar uit te kleden, maar was zo onhandig dat hij zich verstrikte in z’n pogingen. Nevena legde een hand op zijn borst en trok kalm haar jurk over haar hoofd. Ze stond naakt voor hem en begeerte schoot door hem heen. Hij kon niet langer wachten en z’n lid schoot makkelijk bij haar binnen. In enkele seconden was het voorbij en Kybbe viel vrijwel onmiddellijk in slaap. Nevena veegde zich schoon, trok haar jurk weer aan en begaf zich tussen de feestvierders. Niemand had haar gemist.

De reis van Kybbe
- Labineca; 2. Blato; 3. Olipa; 4. Tajan; 5. Lausa.
Afscheid van Nevena
Kybbe werd wakker en herinnerde zich de gebeurtenis van de vorige nacht. Hij voelde het schaamrood naar zijn kaken vliegen. Had hij werkelijk gedaan wat hij zich dacht te herinneren? Had hij misbruik gemaakt van Nevena? Had hij met z’n dronken kop niet van haar af kunnen blijven? Had hij die pure geilheid niet even in bedwang kunnen houden? Hoe kon hij haar onder ogen komen? De deur ging open en Nevena kwam binnen. Ze zette een kom met pap voor hem neer. Stuntelig probeerde Kybbe zich te verontschuldigen voor zijn gedrag van de nacht ervoor. Ze hield echter een vinger tegen z’n lippen. ‘Ik had je makkelijk tegen kunnen houden, Kybbe. Het is niet dat je mij hebt overweldigd. Ik mag je graag en verwijt je niets. Nou ja, niets…? Het was wel een teleurstellende ervaring, moet ik zeggen.’
Weer kleurde z’n gezicht hoogrood. Nevena zag het en zei glimlachend: ‘Er is niets om je voor te schamen, als je een volgende keer maar wel wat beter je best doet.’
Twee dagen later deed Kybbe meer dan zijn best en Nevena liet zich op haar beurt ook niet onbetuigd. Uitgeput zegen ze naast elkaar in het gras ineen. Hier verklaarde Kybbe haar zijn liefde. Toen ze zei dat de liefde wederkerig was, begon hij over de toekomst zoals hij zich droomde. De vraag die hieruit voortvloeide was duidelijk. Was zij bereid met hem mee te gaan, om z’n droom te verwezenlijken? Voor een meisje als Nevena was dit een uitermate moeilijke vraag. Ze kende geen ander leven dan dat op het eiland. Ze was enig kind. Kon zij haar vader alleen achterlaten? Wilde Kybbe niet op het eiland bij haar blijven? Ze zouden samen hier in Blato een eenvoudig maar goed leven kunnen leiden. Ze besefte dat Kybbe’s eerste liefde de architectuur en het bouwen was. Ze werd verscheurd door twijfel.
Ook Kybbe had het moeilijk. Hij had zich al zolang gericht op z’n ambitie om bouwmeester te worden, dat hij zich afvroeg of hij ooit gelukkig zou kunnen zijn in deze uithoek van de wereld, zonder de mogelijkheid om kennis op te doen en deel te nemen aan grote bouwprojecten. Hij voelde een diepe genegenheid voor Nevena en dacht met veel warmte aan haar. Ze kon hem van het ene op het andere moment in vuur en vlam zetten. Maar een heel leven…
Ze wist dat ze hem moest laten gaan en bracht hem zelf naar de noordkust van Korcula, vanwaar hij mee kon varen naar Lausa in het zuidoosten. Hun laatste momenten samen getuigden van een grote tederheid en weemoed. De tranen rolden over haar wangen toen ze hem aan boord van de vissersboot liet gaan. Ze wendde zich af, opdat Kybbe het niet zou zien. Pas toen de boot zich verder van de wal had verwijderd keerde ze zich om en zwaaide hem uit. Kybbe zwaaide terug naar de eenzame figuur die hij daar achterliet.
De reis verliep zonder incidenten. Ze voeren langs het Peljesac schiereiland naar het zuiden tussen de eilanden Olipa en Tajan door in wat rustiger water naar Lausa.
Dit bleek een vriendelijk havenstadje, dat een bescheiden rol speelde in de doorvoer van producten van en naar het Bulgaarse achterland. Het kende een verbinding met Syracuse op Sicilië. Dat was Kybbe’s doel, want vanaf die grote stad werd gevaren op Malaga. Kybbe hoopte z’n vriend Ali in de hoofdstad van het Kalifaat weer te zien.
Zijn ervaringen bij de Narentijnse piraten indachtig, informeerde hij naar de veiligheid op de Middellandse Zee. De stuurman van de Kadima waarop hij als bemanningslid mee kon varen, vertelde hem dat het over het algemeen rustig was op de zee. ‘Het kalifaat is in het westen zo sterk geworden dat het voor de Vikingen niet meer mogelijk is bij de zuilen van Hercules de Middellandse Zee op te varen. De Omajjaden beheersen ook de kustgebieden van Noord-Afrika. In het oostelijk deel is het minder veilig. Dat komt omdat er onrust heerst in het Rijk van de Abbasiden-kaliefen. Die hebben Libië niet onder controle en vandaar wordt er wel aan zeeroverij gedaan.’
‘En de Narentijnen dan?’, vroeg Kybbe.
‘Die opereren voornamelijk meer naar het noorden op de Adriatische Zee. Ze zullen het wel moeilijk krijgen nu ook Venetië in handen van de Omajjaden is gevallen’, grijnsde de stuurman. ‘Voor ons kan het niet beter.’
Op de terugreis van Syracuse naar Lausa hadden ze een van de bemanningsleden ziek achtergelaten op Sicilië. Daarom mocht Kybbe nu als onbezoldigd bemanningslid mee. In Syracuse hoopte de kapitein z’n bemanningslid weer gezond op te pikken. Voor Kybbe was dit een welkome gelegenheid om een eerste stap te maken in z’n reis naar de wonderen van Córdoba.
Het liep echter weer mis. Pas laat hadden ze het achteropkomende schip in de gaten. Het schip was sneller dan dat van hun en met hun snebbe ramden ze het schip uit Lausa. Direct na de botsing gooiden ze de enterhaken uit en ontstond er een chaotisch gevecht aan boord van de Kadima.
Het was een ongelijke strijd. Wanhopig werd geprobeerd de zeerovers van hun dek te verdrijven. De kapitein had een zwaard en hij stortte zich samen met de stuurman op enkele piraten. Kybbe dook instinctief ineen.
Juist op tijd stapte hij opzij, waardoor een aanval met een speer rakelings aan hem voorbijging. Met een snelle reactie stak hij z’n mes in het dijbeen van de aanvaller, die daardoor z’n speer liet vallen. Hij greep naar z’n been en bracht zichzelf daarmee uit evenwicht en ging overboord. Lang kon hij niet genieten van deze kleine overwinning, want vlak daarna kreeg hij een klap op z’n hoofd, waardoor hij amechtig ineen zeeg op het dek. Toen hij bijkwam was de chaos compleet en werd er geroepen dat het schip zonk. De Kadima maakte snel water. Kybbe werd door twee piraten opgepakt. Ze jonasten hem aan boord van het piratenschip. Daar werd hij snel en efficiënt vastgebonden. Hij zag dat hetzelfde gebeurde met andere bemanningsleden van de Kadima. Er werden allerlei orders geblaft. De rovers begonnen in grote haast producten uit het ruim naar hun schip over te brengen. Ze moesten echter haastig van boord om niet met het schip ten onder te gaan.
De zeerovers waren kwaad, dat was wel duidelijk. Door het zinken van de Kadima waren ze waardevolle buit kwijtgeraakt. Ze hadden geprobeerd zo snel mogelijk goederen van het zinkende schip aan boord van hun eigen schip te brengen, maar zagen tenslotte met lede ogen het gros van de waren in de diepte verdwijnen. De mede-bemanningsleden van Kybbe die gewond of gedood waren lieten ze aan de zee over. De zeelieden die over waren gebracht naar het piratenschip zouden als slaven worden verkocht in Licata, op Sicilië. Omdat de Kadima Syracuse als bestemming had, meden de zeerovers deze stad. De slaven waren daar niet goed verkoopbaar omdat ze misschien werden herkend. Dat zou onplezierige situaties kunnen veroorzaken. Daarom koersten ze aan op Licata, op de zuidkust van Sicilië. Deze stad was in 827 veroverd door de Arabieren en er was een markt waar ook slaven werden verhandeld. Ze legden aan in de kleine natuurlijke haven. De Libische piraten raakten hun buitgemaakte koopwaar vlot kwijt op de markt. Kybbe werd gekocht door Ghalib al-Nasiri, een Arabische koopman. Hij was de enige van z’n scheepsmakkers die aan boord werd gebracht van Ghalib’s schip, maar niet de enige die tot slaaf was gemaakt. Twee vrouwen en vier mannen hadden hetzelfde lot ondergaan. Met Dusan raakte hij bevriend tijdens de één maand durende tocht naar Malaga.
Dusan was afkomstig uit het door de Bulgaren veroverde deel van de Balkan. Ze staken het dorp waar hij woonde in brand en namen veel dorpelingen mee, waaronder de vijfjarige Dusan zelf. Zijn ouders zag hij nooit meer. Hij groeide op aan de Zwarte Zeekust en vertrok daar een jaar geleden om z’n geluk in het westen te zoeken. Hij wilde in elk geval weg uit het Bulgaarse Rijk. Misschien kon hij nog familieleden terugvinden die zich z’n ouders herinnerden. Het mocht niet zo zijn. Als eenzame reiziger was hij een makkelijke prooi geweest voor mensenhandelaren.
‘En hier ben ik dan, aan boord van het schip van een koopman uit het Kalifaat. Jarenlang werd ik als arbeidskracht gebruikt door de Bulgaren en
nu ben ik gereduceerd tot het eigendom van een Arabier. Zal ik ooit in vrijheid kunnen leven?’, verzuchtte hij aan het einde van z’n relaas.
‘Misschien hoeft dat niet zo lang te duren als je denkt’, zei Kybbe.
Toen Dusan hem verwonderd aankeek, begon hij aan een verslag van z’n wederwaardigheden tot en met z’n ontmoeting met Ali. ‘Als we hem weten te berichten wanneer we in Córdoba zijn, zal hij zeker alles in het werk stellen om ons vrij te maken.’
Pogingen van Kybbe om direct met Ghalib te spreken en hem duidelijk te maken dat hij de vriend was van een belangrijke functionaris van het hof van de kalief, mislukten allen. Hij moest dus wachten tot een gelegenheid zich zou voordoen om de juiste personen ervan te overtuigen dat hij een vriend van Ali was.
Gedurende de zeereis werden Dusan en Kybbe ingezet voor allerlei werkzaamheden aan boord van het schip. De lading moest worden vastgesjord na elk havenbezoek en er moest vooral veel worden geschrobd. Ze mochten uiteraard niet gaan passagieren, wanneer in een haven werd aangelegd. Dat was slechts voorbehouden aan de bemanning. Zolang ze richting Córdoba gingen had Kybbe geen behoefte aan spectaculaire ontsnappingspogingen, zoals destijds op de Rijn. Toen stond hun leven op het spel, want Kybbe had geen illusies over het resultaat van een gevangenneming door Darra. Ze zouden zeker ter dood worden gebracht. Nu stelde hij al z’n vertrouwen echter in een hernieuwde ontmoeting met Ali in het Kalifaat.
Shatranj
Ze kwamen in Córdoba aan tijdens de Ramadan. De vrienden werden van elkaar gescheiden. Waar Kybbe het bezit bleef van Ghalib al-Nasiri, werd Dusan ondergebracht in het paleis van Mohammed ibn-Abi Amir, de vizier van kalief Mohammad.
Al snel begreep Kybbe dat hier twee talen werden gesproken. Door zijn kennis van het latijn, was het hem duidelijk dat het huispersoneel een variant daarvan sprak. De familie sprak echter Arabisch en die taal wilde hij zich zo snel mogelijk eigen maken. Er werd nog laat in de avond een maaltijd bereid voor Ghalib en zijn gezin.
De volgende dag werd hij in alle vroegte gewekt. Het was nog donker. Tot z’n verbazing zag Kybbe dat er een uitgebreide maaltijd klaar stond in de keuken en werd hen opgedragen de verschillende schotels naar de eetkamer te brengen. Al spoedig verschenen de diverse familieleden om het ontbijt te nuttigen.
Hij uitte z’n verbazing aan Álvaro: ‘Waarom staan ze zo vroeg op om te eten? Op het land begon de dag ook vroeg voor ons, maar nooit zó vroeg.’
‘Waar kom jij vandaan?’, was de verbaasde tegenvraag van de huisslaaf. ‘Weet je dan niet dat het ramadan is? De islamieten vasten in deze periode. Ze mogen dan alleen vóór zonsopgang eten en ná zonsondergang. De ochtendmaaltijd wordt shor genoemd, de maaltijd na het vasten iftar. Gelukkig hoeven wij als dhimmis daar niet aan mee te doen en kunnen we op christelijke tijden eten.’
Het grapje ontging Kybbe en met een serieus gezicht vroeg hij hoe lang die vasten van de islamieten duurde.
Met een zucht gaf Álvaro antwoord: ‘De ramadan duurt een maand.
Veel islamieten onthouden zich in deze maand niet alleen van voedsel en drinken, maar ook van geslachtsgemeenschap. Elke dag van de maand wordt door de oprechte moslim één van de dertig delen van de Koran gelezen, zodat aan het einde van de vasten de hele Koran is doorgenomen. Daarna wordt de periode afgesloten met `id-oel-fitr, het feest dat met familie en vrienden wordt gevierd.’
‘Vasten alle moslims in deze maand?’, luidde Kybbe’s volgende vraag.
‘Een moslim vast vanaf z’n twaalfde jaar. Zieken, zwangere vrouwen en kinderen zijn vrijgesteld. Zij hoeven niet te vasten, maar worden wel aangemoedigd het alsnog te doen zodra dat mogelijk is.’
Kybbe moest hierbij aan Ali denken, die z’n dagelijkse verplichtingen op een later tijdstip alsnog wilde vervullen, toen hij daarvoor in gevangenschap geen mogelijkheid zag.
Hij moest zo snel mogelijk de gewoontes van de islamieten leren kennen en daarvoor natuurlijk hun taal leren. Hij vroeg Álvaro ernaar. Deze was het met hem eens dat je je makkelijker in een omgeving kon bewegen als je op de hoogte was van de regels die werden gehanteerd. Hij vertelde ook dat er in het huishouden een aantal mensen was dat Kybbe wel zou willen helpen bij het zich eigen maken van de Arabische taal.
De dagen regen zich aaneen terwijl Kybbe z’n weg zocht in deze, voor hem, nieuwe wereld. Al snel werd duidelijk dat hij meerwaarde had in het huishouden. Oorspronkelijk gebruikte men hem vooral voor simpele klusjes en sjouwwerk. Toen er echter een defect aan de toelevering van water naar het huis van Ghalib optrad, had Kybbe zich er geïnteresseerd mee bemoeid en vervolgens het probleem opgelost. Hij verdiepte zich verder in de techniek die hier achter zat en werd zich bewust van de enorme vindingrijkheid van de Arabische wetenschappers en ingenieurs. Hij ontdekte dat het watervoorziening systeem de hele stad behelsde. Hydraulische technologie zorgde voor de aanlevering van drinkwater. Er waren ook grote hoeveelheden water nodig voor rituele wassingen in moskeeën en voor de hamams. Hij ontdekte eveneens dat de stad een rioleringssysteem kende van onderling met elkaar verbonden riolen. Dit bracht hem nieuwe inzichten in de functionaliteit van gebouwen.
Kybbe kreeg steeds meer het vertrouwen van de familie Nasiri en hij bewoog zich vrij door de stad. Tijdens de vastenmaand klonk overal ramadan moebarak bij begroetingen. De meerderheid van niet-moslims in de stad hoefde zich niet te onthouden van eten en drinken tijdens de dag en hoewel schelden, vloeken en kwaadspreken als extra kwalijk werd gezien tijdens de ramadan, werd er volop geroddeld in de uitspanningen waar mensen elkaar ontmoetten. Uit die roddels maakte Kybbe op dat alles niet zo harmonieus was als op eerste gezicht leek. Er bleken verschillende facties in de stad te zijn, die elkaar machtsposities betwistten. Dat werd bevestigd toen hij z’n vriend Dusan in zo’n gelegenheid ontmoette. Nadat zij van elkaar waren gescheiden bij de verkoop, was Dusan terechtgekomen in het paleis van de huidige Vizier. Dusan wist enige smeuïge details over de verhouding tussen de clans op te dissen.
Het einde van de ramadan was gevierd en een nieuwe maand ging voorbij.
Kybbe wende snel aan het leven in de stad. Alles ging hier sneller. Het eten was gevarieerd en de voorzieningen waren uitstekend. Iedereen ging hier naar een badhuis. De hamam was toegankelijk voor iedereen. Het maakte niet uit of je arm of rijk was, meester of slaaf. Hier ontmoetten de mensen elkaar en reinigden zich. Er was altijd schoon stromend water en je huid werd grondig gereinigd door de stoom. Álvaro had hem de eerste keer meegenomen en alles uitgelegd. Kybbe had geaarzeld om het voor hem vreemde ritueel te ondergaan. Hij zat vol vragen over de werking van het systeem en toen hij de weldadige ervaring had ondergaan, bedacht hij dat hij deze nooit meer zou willen missen.
Hij leerde alles wat er te weten viel over de werking van een hamam en sprak met mensen uit verschillende windstreken over de verschillen met hun bad rituelen. Hij moest lachen toen hij dacht aan de wasbeurten die zijn moeder hem in Kinhem gaf. De herinnering aan het koude water van de beek in de winter zorgde ervoor dat hij spontaan kippenvel kreeg.
Vol verwondering keek hij om zich heen in die wonderbaarlijke mix die Córdoba vertegenwoordigde. Er was sprake van een versmelting van allerlei etnische en religieus-culturele groepen. Je had de Arabieren en de Berbers, die tot elkaar veroordeeld leken, want er bestond een onderhuidse animositeit tussen die twee. Bovendien vielen zij al uiteen in verschillende facties. Het pro-Arabische beleid van de kaliefen had al eerder tal van opstanden uitgelokt en berbers speelden daarin een rol. Er waren verder zwarte Soedanezen. Die waren oorspronkelijk binnengekomen als slaven, net als de sagaliba uit Midden-Europa. Zij fungeerden vooral als huurlingen. De meerderheid van de inwoners bestond echter uit muladies, de geïslamiseerde autochtone Iberische bevolking. Verder waren er de dhimmis. Daaronder vielen de christenen en joden. De verhoudingen tussen de groepen waren vaak erg gespannen. Álvaro wees hem op leden van de verschillende groepen als zij op straat liepen. Zo werden voor Kybbe de klassenverschillen aanschouwelijk. Hij zag de edelen, die al-khâssa werden genoemd. Daaronder stonden de landeigenaren en de handelaars. Onderaan de ladder stond tenslotte het plebs.
Hij sprak regelmatig over deze zaken met Dusan, die zich eigendom wist van een van de hoogste edelen en de man met de hoogste functie na de kalief.
Kybbe’s meester behoorde tot de klasse daaronder en tot een familie die sterke banden had met de stam waartoe kalief Mohammad behoorde.
‘Weet je wat zo moeilijk is, Dusan? Nu ben ik uiteindelijk hier in de mooiste stad van het Kalifaat en nu heb ik geen enkele mogelijkheid om mijn wensen uit te laten komen. O, ik ben vrij genoeg in dienst van Ghalib al-Nasiri, maar m’n handen jeuken om aan het werk te mogen gaan bij de Mezquita, of een ander groot bouwwerk en dat is onmogelijk zolang ik als bezit van iemand wordt gezien.’
‘Ja Kybbe’, verzuchtte Dusan, ‘ik zou ook liever m’n eigen baas zijn, maar ik zie geen mogelijkheid om dat voor elkaar te krijgen. Eigenlijk weet ik m’n hele leven al niet beter. Alleen de laatste maanden toen ik aan m’n tocht begon, voelde ik me eindelijk bevrijd. Toen moesten die k…Bulgaren het zo nodig voor mij weer verpesten en eindigde ik in gevangenschap.’
Hij verviel in stilzwijgen.
Kybbe verzonk in z’n innerlijke wereld en dacht aan z’n ongecompliceerde jeugd. Die herinneringen werden al snel vervangen door het beeld van een levenloze Saartje, opgevolgd door dat van z’n voortvluchtige vader in de hut in het moeras en vervolgens verscheen de tronie van Darra, die hem grijnzend aankeek, voor zijn geestesoog. De tranen biggelden over z’n wangen toen alles vervaagde voor het beeld van de brandende brouwerij en het gegil van z’n daarin opgesloten verwanten. Anna, o Anna!
Geluid van een belendende tafel wekte hem uit z’n mijmering. Hij keek opzij en zag dat twee mannen een spel waren begonnen. Er stonden verschillende stukken op een bord dat 8 x 8 velden bevatte. Alle velden hadden dezelfde kleur. Belangstellenden kwamen aanlopen om de voortgang van het spel te volgen.
‘Wat is dat voor een spel?’, vroeg Kybbe. ‘
Een van de toeschouwers keerde zich naar hem toe en zei: ‘Dat is Shatranj. Het komt uit Perzië.’
‘En wat is de betekenis van die figuren die ze verzetten?’
‘Aha! Dat stuk daar is de Shah. Het is de bedoeling om hem mat te zetten of om je tegenstander een kale shah te bezorgen. Dat is de firzan, de raadsheer, die kan 4 velden bereiken. De olifant,’ wees de toeschouwer, ‘beweegt diagonaal en mag over andere stukken heen springen. Dan is er nog het paard, de rukh, ofwel de strijdwagen en de voetsoldaat, Als een voetsoldaat de overkant weet te bereiken promoveert hij tot firzan.’
Het ging Kybbe allemaal wat te snel en hij besloot het spel aandachtig te volgen. Het spel raakte teneinde en nu begreep Kybbe wat de man bedoelde met een kale shah. De speler met de witte stukken had alle stukken van z’n tegenstander veroverd op de shah na. De zwartspeler mocht kennelijk nog 1 keer een zet doen, maar hij zag ervan af.
Vragend keek Kybbe de man aan die hem het spel had proberen uit te leggen. Deze verklaarde: ‘Als alleen de shah op het bord over is en hij met 1 zet de tegenover hem staande shah ook kaal kan maken, eindigt het spel in remise. Dat was hier niet het geval, want wit had nog meerdere stukken op het bord.’
Twee andere mannen namen plaats achter het bord en zetten de stukken op. Ze volgden ook dit spel tot het einde en begrepen steeds beter het karakter van dit uitermate strategische spel. Kybbe raakte in gesprek met andere volgers en kreeg te horen dat het spel snel aan populariteit won bij alle lagen van de bevolking.
‘De kalief zelf speelt het. Ze zeggen zelfs dat hij verslaafd is aan het spel’, zei een van de mannen.
Dat kon Kybbe begrijpen. Hierna leerde hij het spel zelf en zowel Dusan als hij speelden het vanaf dat moment regelmatig. Eerst alleen met elkaar, daarna ook met anderen.
De samenzwering
Er was iets bijzonders aan de hand. Huishoudelijk personeel had een neusje voor dit soort zaken. De vizier had bezoek van een aantal mannen, waarvan bekend was dat hun families in het verleden problemen hadden gekend met kalief Abd al-Rahman II en diens opvolger Mohammad. De negen mannen waren niet tegelijk gekomen, maar één voor één met tussenpozen. De paleisbewoners waren zich kennelijk niet bewust van deze ontwikkeling. Maar het huispersoneel des te meer. In de keukens en de andere werkplekken werd altijd volop geroddeld over de families die hier woonden en hun bezoekers. Wat was de bedoeling van de vizier met deze vijanden van de kalief. Iemand wist te melden dat deze families omgekocht werden met functies in het bestuur en het leger in verband met de op handen zijnde strijd met keizer Lodewijk de Duitser. Ook geloofde hij dat er gevochten zou gaan worden tegen de Abbasiden in Noord-Afrika.
Dusan hoorde de geruchtenmachine binnen het paleis aan en z’n nieuwsgierigheid werd geprikkeld.
Op dat moment sprak de vizier: ‘Ik hoop dat je de gelieerde clans hebt weten te overtuigen van de potentie van ons plan. Zij vormen een cruciaal bestanddeel ervan.
Met de steun van de belangrijkste Berber-families kan ik de kalief aan de kant zetten en beloof jullie maatschappelijke positie te verhogen. Jij neemt zelf natuurlijk mijn rol als vizier over.’
‘Ik kan u verzekeren dat de Riffijnen ons steunen. De clans van Moudid, Bouhannouch en Bensaid brengen op dit moment alles in gereedheid. Musa ben Nusayr staat klaar om de posities in Ifriqua over te nemen.’
‘Juist, het is van belang dat onze acties gelijktijdig op het afgesproken tijdstip plaatsvinden, op de derde van de maand Dhoe al-Hidzjah, zodat we de zaken kunnen normaliseren vóór het Offerfeest plaatsvindt.’
Een complot! Dusan trilde van opwinding. Dit was de kans om zich vrij te maken. Wanneer de kalief van dit complot op de hoogte kon worden gesteld zou de beloning voor de brenger van het nieuws zeker de vrijlating uit slavernij zijn. Maar hij kon die boodschap niet zelf brengen. Hij zou niet worden geloofd. Die Ali zou op de hoogte moeten worden gebracht van het feit dat z’n vriend Kybbe hier was. Hij zou niet twijfelen aan het woord van Kybbe en de kalief niet aan het woord van zijn familielid Ali.
Voorzichtig trok hij zich terug. Als hij z’n aanwezigheid verraadde door een onverhoeds geluid zou het z’n einde betekenen. Daarvan was hij overtuigd. Opgelucht bereikte hij de keuken. Niemand had hem gezien.
In deze overtuiging stapte hij de straat op. Hij wilde Kybbe zo snel mogelijk op de hoogte brengen. Maar eerst spoedde hij zich naar een beroepsschrijver.
Hij betaalde hem voor het schrijven en het bij het paleis afleveren van de volgende zin in het Arabisch: ‘Je vriend Kybbe bevindt zich hier in Córdoba, in het huis van Ghalib al-Nasiri.’
Daarna haastte hij zich terug naar het paleis om te melden dat hij klaar was met zijn taak voor die dag en dat hij de medina inging om shatranj te spelen. De huismeester knikte hem toe dat het goed was.
Dusan was zich niet bewust van z’n omgeving, gefocust als hij was op 1 ding, namelijk dat Kybbe op de hoogte moest worden gesteld van het complot en de brief aan Ali.
Een schaduw volgde hem.
Bij het vertrek van de gasten van de vizier, werd hij aangesproken door de huismeester. ‘Vergeef mij heer, maar tijdens uw bespreking met de achtenswaardige heren, zag ik een van uw slaven uit de naastliggende gang glippen. Wat wilt u dat ik doe?’
De vizier dacht even na en zei: ‘Spoor hem op en laat hem volgen. Ik wil weten waar hij naar toe gaat. Hij mag echter onder geen beding met iemand spreken. Laat onze man in dat geval een mes gebruiken en z’n buidel pakken, zodat het een straatroof lijkt.’
De huismeester vertrok buigend en ging op zoek naar Dusan. Hij vond hem niet op de plek waar hij volgens z’n taak zou moeten zijn. Maar na korte tijd meldde Dusan zich zelf bij hem met het verzoek de medina in te mogen omdat z’n dagtaak was volbracht.
Opgelucht haastte Dusan zich naar z’n afspraak door de smalle straatjes. Daar werd hij tegengehouden. Een oudere man begroette hem met ‘Masa’u Al-khair’ en zag tot z’n schrik Dusan voor zich in elkaar zakken. Een bebaarde man liep hard weg. Bloed liep over de straatstenen, terwijl de oude man om hulp riep. In de commotie was de moordenaar, na een zijstraat ingeglipt te zijn, teruggekomen van de andere kant. Terwijl zich mensen verzamelden rond het slachtoffer, leidde hij de oudere heer weg.
Kybbe was op weg naar de uitspanning om shatranj met Dusan te spelen, toen hij de grote opwinding gewaar werd.
‘Wat is er aan de hand?’, vroeg hij aan een jongen, die reikhalzend het zijstraatje inkeek. ‘Er schijnt daar een man neergestoken te zijn’, antwoordde de knaap.
Nieuwsgierig baande Kybbe zich een weg naar de ongelukkige.
Zijn ogen werden groot toen hij neerkeek op het lichaam. ‘Dat lijkt wel… verdomme het ís Dusan!’ Haastig knielde hij neer bij zijn vriend.
Dusan opende z’n ogen en probeerde te spreken, terwijl er bloed uit z’n mond liep. Kybbe bracht z’n oor dichtbij en ving de zwakke fluistering op. ‘Complot vizier…moord kalief….tel Ali.’ Dusan’s hoofd zakte opzij. Z’n ademhaling stokte.
Kybbe besefte dat z’n vriend dood was en nog iets…als er een complot was en Dusan daarom was vermoord, dan liep hijzelf nu ook gevaar. Haastig keek hij om zich heen en trok zich vervolgens langzaam terug uit de groep nieuwsgierigen.
Het papier werd bij aflevering door de schrijver naar de werkkamer van de vizier gebracht. ‘Weet jij iets van een persoon die Kybbe heet en bevriend is met Ali, de neef van de kalief?’
‘Nee, die naam heb ik nog nooit gehoord.’
De vizier las hierop de enkele zinsnede opnieuw.
‘Mmm, ik kan er niets bijzonders aan ontdekken. Het lijkt niet belangrijk. Wie bracht deze boodschap?’
‘Een schrijver, heer.’
Heb je hem gevraagd, wie hem deze opdracht heeft gegeven?’
‘Nee, heer.’
‘Hmm, ik zie geen bezwaar. Lever het maar bij de nubïlin Ali ibn Moehsin af.’
Kybbe was direct teruggekeerd naar het huis van Ghalib. Dusan had gezegd dat er een complot van de vizier was om de kalief te vermoorden en vroeg hem, dacht hij, dat aan Ali te melden. Maar hoe kwam hij in contact met Ali. Hij had hier al eerder over nagedacht en was telkens tot de slotsom gekomen dat hij niet toegelaten zou worden tot het paleis. Hij had geprobeerd erachter te komen op welk moment hij kans had Ali op een openbare plek te treffen. Maar in het roddelcircuit was geen nuttige informatie naar voren gekomen. Het leek wel alsof Ali niet in de stad was. Zou hij dan Ghalib al-Nasiri op de hoogte brengen van het complot? Hij vermoedde dat de koopman het zou weglachen. Hoe kon Kybbe nu in een positie verkeren om zulke informatie te hebben? De slaven vertelden elkaar allemaal opgeblazen verhalen over de grote families. Nee Kybbe was in zijn ogen te onbetekenend.
Terwijl Kybbe peinsde hoe hij het complot onder de aandacht kon brengen van de kalief, maakte Ali een vreugdedansje. Hij had z’n broer vastgepakt en jubelde: ‘Kybbe leeft, hij leeft! En hij is hier! In Córdoba!’
Z’n hele familie kende het verhaal. Hoe hij Kybbe ontmoette en dat ze door Bulgaarse schurken naar het piratennest Labineca waren gebracht. Hoe ze daaropvolgend van elkaar gescheiden waren en hij Kybbe’s schip in de diepte had zien verdwijnen.
‘Ik ga ogenblikkelijk naar het huis van Ghalib al-Nasiri.’
Opgewonden door het vooruitzicht z’n vriend spoedig te zien, verliet hij het paleis. Hij weigerde zich te laten vergezellen, want hij wilde geen moment meer wachten.
De koopman werd onmiddellijk op de hoogte gebracht van het feit dat de neef van de kalief binnen was gelaten. Hij haastte zich naar de ontvangstkamer. ‘Heer Ali, wat een verrassing en genoegen u hier te mogen ontvangen. Wat is er van uw dienst?’
‘Ik wil dat de persoon Kybbe ogenblikkelijk voor mij wordt gebracht.’
‘ U…u bedoelt mijn huisslaaf, Kybbe?’ , stotterde Ghalib.
‘Slaaf? Er is maar één Kybbe en ik wil hem onmiddellijk zien.’
Ghalib al-Nasiri klapte in z’n handen en de huismeester haastte zich om Kybbe te halen. De koopman stond verbijsterd toe te kijken hoe Ali en Kybbe elkaar in de armen vielen.
‘Ik dacht dat ik nooit meer zou zien. En dat je verdronken was bij de aanval op de piraten. Ik wil alles van je weten. Kom met mij mee en vertel je verhaal.’
‘Ehm…,’ interrumpeerde Ghalib ‘maar hij is mijn slaaf, heer Ali.’
Ali keek hem vernietigend aan. ‘Deze man dient onmiddellijk in vrijheid te worden gesteld. Ik zal je voor het verlies compenseren.’
Zodra ze buiten waren zei Kybbe: ‘Ali, eerst moet ik je iets heel belangrijkst vertellen. Een andere vriend van mij is enkele uren geleden in de medina vermoord omdat hij belangrijke informatie had over een complot om de kalief af te zetten en misschien wel te vermoorden.’
‘Wááát! Weet je dat zeker?’
‘Ja, hij vertelde het me met z’n laatste ademtocht. Hij zei Complot vizier…moord kalief….tel Ali. Ik denk dat hij met het laatste bedoelde dat ik jou moest informeren. Hij wist dat wij vrienden waren. Maar als slaaf kon ik jou niet bereiken, dus…wat een toeval dat jij naar mij zocht!’
‘Dat is helemaal geen toeval. Nu snap ik het. Die slimme vriend van jou stuurde mij een bericht. Daarin schreef hij waar ik jou kon vinden. Maar nu is het zaak zo snel mogelijk de kalief op de hoogte te stellen.’
Toen dat was gebeurd en ze Mohammad ervan hadden overtuigd dat het geen roddel was, maar dodelijke ernst, werden de raderen in werking gesteld.
Het plan was van de kalief zelf. In kleine vertrouwde kring gaf hij z’n opdracht. ‘We arresteren de vizier en verhoren hem zonder enige scrupules. Daarmee laten we de samenzweerders weten dat we op de hoogte zijn van het complot. Dan zullen enkele verraders die het in de broek doen, uit de stad vertrekken. Die mannen pakken we op en verhoren we eveneens. De kring van samenzweerders die zo bij ons bekend raakt zal op die wijze uitdijen, tot we iedereen te pakken hebben.’
Op deze wijze werd de staatsgreep in de kiem gesmoord. De samenzweerders werden zonder uitzondering zwaar gestraft en Kybbe kreeg op voorspraak van Ali als beloning een aanstelling bij de uitbreidingswerkzaamheden van het Alcazar.
Hij was eindelijk aangekomen op z’n al zo lang gedroomde bestemming.
Een zeereis
869 n.Chr.
Er kwam een einde aan een periode van bijna een jaar, die hij buiten z’n werk met Ali doorbracht. De dood van Lotharius II en de kwestie van zijn opvolging vergrootte de spanningen die er al bestonden tussen de grootmachten in Europa. Er werd een congres in Straatsburg gepland. De aanwezigheid van Ali als diplomaat voor de Omajjaden was daar gewenst. Zonder Ali stortte Kybbe zich nog ferventer op z’n studie en werk. Er verstreek nog eens een aantal maanden. Het congres had een nieuwe oorlog niet kunnen voorkomen. Berichten bereikten Córdoba van gevechten in de lage landen tussen de Friezen en het leger van Rorik. In Afrika kwam het tot botsingen tussen de Omajjaden en het Abbasidische Rijk. De Bulgaren keken vanuit hun nieuw veroverde Constantinopel naar een legerkamp van de Abbasiden aan de overkant van de Bosporus.
De volgende dag na hun afscheid, slenterde Kybbe door de Medina. Eerst mijmerde hij over z’n nieuw verworven kennis en de verschillen tussen een moderne stad als Córdoba en het vlek Vellesan. De architectuur en de bouwprocessen stonden toch wel een heel eind af van het traditionele bouwen in Kinhem. Daar waren de vloeren in hun eerste onderkomens gemaakt van kalk, klei, mest, zure melk, eieren en slijm. Als je dat vergeleek met de prachtige mozaïek vloeren in deze Arabische gebouwen, was er nog een flinke inhaalslag te maken in zijn thuisland. Hoe graag zou hij al deze nieuwe technieken en inzichten toepassen in z’n eigen streek. O, was Anna er nog maar. Hoe groot zou zijn geluk dan zijn. Hij twijfelde of het voor hem ooit mogelijk zou zijn een nieuwe liefde te vinden. Geen vrouw zou datzelfde intense gevoel bij hem los kunnen maken. Tranen welden op in zijn ogen, terwijl hij neerzat bij een prachtige fontein. Zijn blik was op dat moment zo naar binnen gericht, dat hij de schoonheid ervan niet opmerkte. Van de persoon die naast hem kwam zitten was hij zich slechts vaag bewust. Hij schrok dan ook op toen ze hem aansprak. Hij keek in de ogen van een prachtige donkerharige vrouw.
‘Waarom ben je zo bedroefd, vreemdeling?’, vroeg zij.
Kybbe haalde z’n schouders op: ‘Is niet iedereen bedroefd die zijn liefste verliest?’, klonk zijn wedervraag.
‘Natuurlijk. Ik moet me verontschuldigen voor m’n vrijpostigheid, maar ik had een déjà vu, want meer dan een jaar geleden zag ik hetzelfde beeld van zo een groot verdriet op precies dezelfde plek. En de reden dat die jonge vrouw treurde was gelijk aan die van jou. Ook zij had blonde haren en haar noordelijke oorsprong was net zo duidelijk als die van jou. Misschien komen jullie wel uit dezelfde streek. Haar naam was Anna.’ Kybbe keek haar met stomheid geslagen aan. ‘Anna? Maar dat was ook de naam van mijn liefste. Ze kwam om het leven in een vuurzee.’
‘Dat is inderdaad een groot toeval. Deze Anna werd mijn vriendin en we deelden onze hartsgeheimen. Ze is onlangs vertrokken naar Keulen, toen een koopman uit Parisi haar vertelde dat hij gehoord had van een jonge bouwer uit Frisia, die verdacht werd van moord. Deze bouwer was al heel snel na z’n aankomst in de stad gepromoveerd tot assistent van de bouwmeester. Ze had uitgeroepen dat het wel haar geliefde Kyppe moest zijn.’
Vol ongeloof staarde Kybbe haar aan. ‘Hoe kan dit? Ik heet Kybbe, maar ik heb gezien dat mijn Anna… Hoe is het mogelijk? Zou het kunnen dat…?’ De opwinding werd Kybbe te machtig. De tranen biggelden over z’n wangen.
De vrouw sloeg een arm om hem heen. ‘Ben jij Kybbe? Ben jij de man die ze is achterna gereisd om hem te vinden? Dit is echt ongelooflijk. Je moet zeker met me meegaan. Mijn vader zal je verhaal ook aan willen horen, want hij heeft mij met Anna mee laten gaan naar Sevilla om jou te zoeken.
Haar naam was Inaya en haar vader was Kybbe’s baas, de meesterbouwer van de Mezquita.
Inaya was verontwaardigd toen ze hoorde dat Kybbe op dit moment de assistent van haar vader was. ‘Hoe kan dat nou, pappa, dat je je niet eens hebt gerealiseerd dat dit de man was die Anna zocht.’
Haar vader voelde zich beschaamd: ‘We hebben het er nooit over gehad. Zijn naam liet bij mij geen belletje rinkelen en onze gesprekken bleven beperkt tot bouwtechnische zaken. Ik heb Kybbe nooit in verband gebracht met jouw eigenzinnige vriendin.’
Inaya haalde haar schouders op en vroeg: ‘Vertel eens Kybbe, hoe zit dat nou met dat verhaal over de paus? Er wordt beweerd dat jij hem hebt vermoord. Moussa Bennani, de koopman uit Parisi, vertelde ons in Sevilla dat jij daarvoor wordt gezocht.’
Kybbe trok een pijnlijk gezicht en zei: ‘Dat komt vooral door toedoen van de meier van Vellesan. Vanaf het begin dat hij in Kinhem kwam heeft hij mijn familieleden benadeeld, geterroriseerd en vermoord. De verschrikkelijke apotheose was toen hij onze brouwerij in brand liet steken, waarbij alle aanwezigen inclusief mijn tante, m’n moeder en Anna in de vuurzee omkwamen.”
‘Anna niet’, viel Inaya hem in de rede.
‘Nee, ik begrijp er niets van. Hoe kan ze dat inferno hebben overleefd? Zou m’n moeder misschien…?’
‘Nee, Anna was heel stellig. Iedereen is daar omgekomen. Ze zei dat ze ongelofelijk veel geluk had. Maar hoe zit dat met die moord op de paus?’
Kybbe vervolgde z’n verhaal. ‘Het was een ongeluk. De paus verloor z’n evenwicht bovenop het gewelf. Cornelius, de bouwmeester, probeerde hem tegen te houden en werd vervolgens meegesleept de diepte in.
Darra was er als de kippen bij en beweerde dat hij mij de paus een duw had zien geven en dat ik de moord samen met een vriend had beraamd. Hij kreeg daarna de opdracht ons gevangen te nemen, waarbij we tot twee keer toe wisten te ontsnappen. Bij de tweede keer verdronk Gerhard in de Rijn.’
Hierna vertelde Kybbe het hele verhaal tot aan de ontknoping van het complot in Córdoba en zijn daaropvolgende vrijlating als slaaf door Ali.
‘Wat een verbazingwekkend verhaal’, zei Inaya’s vader en hij keek Kybbe aan met hernieuwd respect.
‘Maar nu ik weet dat Anna nog leeft wil ik haar zo snel mogelijk achterna. Het spijt me meester, maar ik moét Córdoba en de Mezquita verlaten.’
Inaya en haar vader knikten gelijktijdig. ‘Dat begrijp ik volkomen’, zeiden ze in koor.
De voorbereidingen voor het vertrek namen een aanvang. Het plan was om in Malaga scheep te gaan naar de monding van de Seine.
Het kon Kybbe niet snel genoeg gaan. Hij had niet veel bezittingen om mee te nemen. Het allerbelangrijkst was zijn goed gevulde geldbuidel. Buiten Inaya was er niemand waar hij afscheid van hoefde te nemen. Hij beloofde haar een boodschap te sturen als hij Anna vond.
In enkele dagen bereikte hij de kust. Meerdere dagen gingen voorbij aleer hij een kapitein vond, die hem mee wou nemen op zijn tocht naar Honfleur.
Hoewel Kybbe betaalde voor z’n passage, kon hij niet louter stilzitten. Hij voelde zich niet te goed om klusjes te doen en werd zodoende al snel als deelgenoot van de bemanning gezien. Hij hielp met schoonmaken, voerde een kleine reparatie uit aan de helmstok en hielp met het hijsen en reven van het zeil. Arturo, de stuurman was snel om, nadat hij aanvankelijk z’n bedenkingen had tegen het meenemen van passagiers. ‘Die jongen is niet lui’, zei hij tegen de kapitein. ‘Hij is ook handig en heeft een scherp oog voor wat er moet gebeuren. Ik hoef niet alles uit te leggen. Als we erop konden rekenen dat elke passagier zo was, hadden we geen bemanning nodig en verdienden we dik extra geld.’ Ze lachten bij dit absurde idee.
Halverwege de trip naar Lissabon bemerkte Kybbe, dat er water in het ruim stond en meldde dit bij Arturo.
‘Dat is normaal, Kybbe’, antwoordde deze. ‘Er lekt altijd wel wat water door de naden. Daarom moet het schip van tijd tot tijd het dok in.’
Toen ze eenmaal de Jabal Tariq voorbij waren gevaren, werd de zee woester, maar de storm brak pas los toen ze al veilig in de haven van Lissabon waren afgemeerd. Aangezien de kapitein niet verder wilde varen vooraleer de storm bedaarde, had Kybbe drie dagen de tijd de stad te bekijken. Het leger van de Omajjaden had Lissabon al vroeg in de 8e eeuw ingenomen. De nieuwe moskeeën werden bovenop de Romeinse tempels gebouwd en de stad werd versterkt met een muur, de Cerca Moura. Onder het nieuwe bestuur floreerden de ambachten en de handel. Zowel katholieken, Berbers als Joden vestigden zich in de stad. Alle gemakken die Kybbe in Córdoba had genoten, waren ook hier te vinden.
Ondanks z’n ongeduld slaagde hij erin om te ontspannen. Hij bezocht een badhuis, studeerde een dag in de grote bibliotheek en bekeek de architectuur van de laatst ontworpen gebouwen in het besef dat het onmogelijk was sneller op de plaats van bestemming te arriveren. Het gonsde van de geruchten in de stad. Er werd gezegd dat Lotharius II was overleden en dat z’n kinderen hun erfrecht werd ontzegd.
‘Lodewijk de Duitser pikt het hele gebied in’, zei één van de zeelui. ‘Ja,’ vulde een ander aan, ‘en ik heb gehoord dat die Noorman, Rorik, met een leger naar de lage landen is getrokken om het gebied voor Lodewijk op te eisen.’ Kybbe verliet de uitspanning met sombere gevoelens. Hij was naar binnen gegaan in de hoop een potje shatranj te kunnen spelen, maar het nieuws over z’n thuisland bedrukte hem. Als Rorik terug was, kon Darra niet ver weg zijn. Zou hij Vellesan weer opeisen? Voor z’n ogen verscheen het beeld van een grijnslachende Darra. Die arme Vellesanners!
Ten langen leste ging de storm liggen en Kybbe haastte zich naar de kade om weer scheep te gaan. De nieuwe lading met bestemming A Coruña werd aan boord gebracht.
De kust gleed aan stuurboordkant voorbij. Het werd een rustige vaart naar het schiereiland in het noordwesten van Iberië, waarop de stad was gelegen. Van verre was de Torre de Hercules te zien. De eeuwenoude vuurtoren keek aan drie zijden uit op een ruige zee, die werd opgezweept door de wind, die hier vrij spel had. Liggend op een heuvel torende hij wel 260 el boven het wateroppervlak uit.
De Maravilla werd hier snel gelost en van nieuwe handelswaar voorzien.
Het schip leek meer water te maken en Arturo sprak z’n zorgen daarover uit.
De kapitein zei dat ze er in A Coruña niets aan konden doen. ‘Maar als ik het zo zie, halen we San Emeterio wel en daar kunnen we het dok in.’
De Maravilla werd snel gelost en van nieuwe handelswaar voorzien. Kybbe was getuige van een woordenwisseling, die ontstond tussen de kapitein en de belader. Uiteindelijk haalde de kapitein z’n schouders op. Toen hij bij het schip arriveerde hoorde Kybbe hem zeggen dat er niets anders opzat dan met minder vracht naar San Emeterio te varen en daar een werf op te zoeken. Het bleek dat het schip toch meer water maakte dan normaal was. Het zou opnieuw moeten worden gebreeuwd. Dezelfde dag nog kon de Maravilla al koers zetten naar de stad op de noordkust van Iberië.
Hoewel de zee zich rustig hield, was het hard werk om de lading droog te houden. Er moest permanent worden gehoosd en ze waren dan ook opgelucht toen de haven van San Emeterio in zicht kwam.
Na het lossen van de vracht in de haven voeren ze de rivier op tot de grote scheepswerven, waar de Maravilla in het dok werd getrokken.
Terwijl de rest van de bemanning de stad introk op zoek naar ontspanning, bleef Kybbe bij de werf rondhangen. Hij knoopte een praatje aan met enkele scheepsarbeiders.
‘Kijk,’ zei een van hen tegen de geïnteresseerd toekijkende Kybbe. ‘Je moet overal evenveel vezels aanbrengen en niet een te grote druk uitoefenen.’ Hij drukte de vezels in de kieren door met een houten breeuwhamer op een breeuwbeitel te slaan. Kybbe zag dat de beitel een ronde groef had. De arbeider vertelde hem dat de beitel zo stomp was om te voorkomen dat de vezels afgesneden zouden worden in het werk.
‘Als je te weinig pakking in een kier stopt veroorzaakt dat alsnog lekkage en als je teveel vezels op één plek aanbrengt, kan de scheepshuid helemaal ontzet raken.’
Hierna dekte hij het werk af met pek, dat hij door verhitting vloeibaar maakte.
Kybbe bedankte de arbeiders op de werf en ging op zoek naar de bemanning van de Maravilla. Hij zag dat San Emeterio eigenlijk uit twee wijken bestond. De Puebla Vieja en de Puebla Nueva waren met elkaar verbonden door een brug over de Río de Becedo. De scheepsmaten hadden hun vermaak in het oude deel gevonden en verwelkomden Kybbe als de kameraad die ingewijd moest worden in de geneugten die de stad te bieden had. Het was een stukje ontspanning dat hij goed kon gebruiken. Heel even waren zijn gedachten niet bij Anna.
De Maravilla was weer in puike conditie. De kapitein had niet stilgezeten in de tijd die de reparatie in beslag had genomen. Allerlei producten lagen klaar in een pakhuis aan de kade. Deze waren zouden zeker makkelijk verkocht kunnen worden in Bordeu. Zo zou het verlies dat geleden was door het niet kunnen benutten van de volledige laadcapaciteit in A Coruna en de kosten voor de reparatie, mooi worden gecompenseerd.
Vanaf Bordeu zouden ze daarna rechtstreeks naar Honfleur varen.
Er wachtte hen echter een nieuwe verrassing bij het opvaren van de Gironde. Een schreeuw klonk over het zonovergoten water van de riviermonding: ‘Achter Vikingschepen!’
Iedereen op het schip keek om en daar verschenen de zo kenmerkende drakenschepen in beeld.
‘Alle hens’, brulde de kapitein. ‘Zo snel mogelijk de haven in.’
De haven van Blanquefort lag recht voor ze. Haastig voeren ze hier binnen. ‘Hopen dat ze doorvaren naar Bordeu’, zei de kapitein tegen z’n stuurman en hij deed een schietgebedje.
De drakenschepen volgden de Maravilla echter de haven in.
‘Van boord, jongens. Zoek bescherming aan wal. Snel!’, gilde Arturo. Kybbe griste z’n schamele bezittingen bij elkaar en vluchtte de wal op. Hij zag dat de bewoners een groot vuur hadden aangestoken, waar dikke rookwolken omhoog dreven.
Inmiddels hadden de schepen de wal bereikt en een horde Vikingen sprong aan land. Zwaaiend met hun korte zwaarden en bijlen renden ze het stadje in. De bewoners vluchtten hun huizen in. Een aantal rende naar de kerk en een enkele ruiter galoppeerde het stadje in grote haast uit. Kybbe verschool zich achter een van de grote wijnvaten op het plein en had vandaar prima zicht op de Vikinghorde die haar plundering begon. Mannen werden zonder pardon neergemaaid. De korte zwaarden deden hun werk. Vrouwen werden gillend uit hun huizen gehaald en als schapen bijeengedreven. De kinderen hielden angstig moederhanden vast en probeerden zich zoveel mogelijk achter hun rokken te verschuilen. De verhalen die Kybbe te horen had gekregen van z’n vader en oom over de overval op hun dorp in Wieringen werden met de beelden die hij nu zag, geïllustreerd. Machteloos keek hij toe. Een kleine jongen rende zijn kant op en dook achter een van de vaten. Een grote Noorman rende achter hem aan en kreeg hem, zich over de ton buigend, te pakken. Hij sloeg de jongen met de achterkant van z’n bijl op het hoofd. Kybbe was net te laat. Hij was overeind gekomen om de jongen te beschermen en stak z’n mes in de nek van de Viking. De man ging brullend neer. Twee andere Noormannen werden hierdoor gealarmeerd en kwamen dichterbij. Een donderend geraas van hoeven klonk, terwijl een Arabische eenheid zich op de Vikingen stortte. Te voet vormden de plunderaars geen partij voor de Arabische ruiters. De twee belagers van Kybbe vielen onder de pijlen die zij afschoten. Het pleit was snel beslecht. Er werden geen gevangenen genomen en de Vikingen die achter waren gebleven om hun schepen te bewaken zagen in dat het onmogelijk was hun kameraden te redden en voeren weg uit de haven.
Kybbe nam de bewusteloze jongen in z’n armen en vroeg in het Arabisch aan de commandant van de eenheid of er een arts was om naar de verwonding te kijken.
‘In Bordeu is een hospitaal, waar een Joodse arts en z’n zoon naar hem kunnen kijken’, antwoordde de soldaat.
Om hem heen heerste chaos. Mensen zaten verslagen op straat, ouders zochten kinderen en andersom, sommigen staarden alleen maar voor zich uit, niet in staat zich te verroeren. Maar er kwam ook al wat organisatie op gang. Een groepje mannen en vrouwen was bezig de lijken te verzamelen bij de kerk. Kybbe laveerde hier tussendoor en kreeg gezelschap van Arturo.
De jongen werd aan boord van de Maravilla gebracht. De hele bemanning had het avontuur overleefd en er werd koers gezet naar Bordeu,
‘Wat een geluk dat die soldaten er zo snel waren’, zei de kapitein.
Arturo zei dat het geen toeval was. Hij had gehoord dat het stadje een jaar daarvoor ook al te maken had met een overval door Vikingen. De Wali had om dit deel van de kust te beschermen al eerder een permanente macht bij Bordeu gelegerd. De bewoners van Blanquefort staken een vuur aan als er een aanval dreigde en de ruiters wisten door de rookwolken dat hun aanwezigheid vereist was. Omdat ze al op patrouille waren konden ze zo snel reageren op het noodsignaal.
In Bordeu werd Kybbe al snel naar het hospitaal gewezen en hij bracht de jongen daar binnen.
De arts liet hem de jongen neerleggen en onderzocht hem. Kybbe voelde een grote verantwoordelijkheid. Als hij de Viking eerder aangevallen had, zou de jongen niet gewond zijn geraakt. Hij voelde zich schuldig daarover. ‘Komt het goed met hem, dokter?’, vroeg hij.
‘Tsja, zo op het eerste gezicht mankeert hij verder niets, maar een klap op het hoofd kan zich op allerlei manieren uiten. Zo’n anderhalf jaar geleden heb ik een jonge vrouw uit het noorden behandeld, die was aangevallen door een beer. Haar reisgenoten hadden haar gered, maar wisten niet wat ze verder met de bewusteloze vrouw aan moesten. Ik heb haar meegenomen naar Bordeu, maar had geen idee of en hoe ze uit haar langdurige slaaptoestand zou ontwaken. Dit geval lijkt daar sterk op.’
Kybbe’s belangstelling was gewekt. ‘Uit het noorden zegt u? Weet u ook haar naam?’
‘Wat was het ook weer?’, mompelde de arts peinzend. Hij keek op en riep uit: ‘Mijn zoon weet dat vast. Hij was in ieder geval smoorverliefd en heeft haar wekenlang verzorgd, terwijl ze in die slaaptoestand verkeerde. Waar zit die jongen?’ Hij bracht z’n handen naar z’n mond en riep door de trechter die hij zo vormde: ‘Joshua kom eens hier.’
Een stuntelige jongeman met een pluizig baardje verscheen in de deuropening.
‘Wat is er pappa?’
Dat meisje, dat jij vorig jaar verzorgde, hoe heette zij ook weer?
Het gezicht van de jongen begon te stralen. ‘Dat was Anna, een prachtige vrouw uit Kinhem. O, wat was ik blij toen ze eindelijk ontwaakte.’
Kybbe’s mond was opengevallen. ‘Anna? Mijn Anna?’
De jongen reageerde onmiddellijk: ‘Jouw Anna? Maar… dan ben jij Kybbe, de man waar ze naar zocht. Ze was ervan overtuigd jou in Córdoba te vinden. Hebben jullie elkaar gevonden?’, vroeg hij gretig.
‘Helaas, nee. Ik hoorde pas dat ze in Córdoba was geweest, toen ze alweer weg was, nadat ze informatie had gekregen dat ik in Keulen was gezien. Nu ga ik haar daar zoeken.’
De arts merkte op. ‘Dan hoop ik niet dat jullie elkaar mis blijven lopen. Het zal trouwens heel moeilijk worden nu de kans op oorlog met het Frankische Rijk steeds groter wordt.’
Het klooster van Moissac

1.San Emeterio; 2. Jaca; 3. Lourdes; 4.Toulouse; 5. Moissac; 6. Lyon, 7. Bordeu; 8. Dijon; 9. Straatsburg; 10. Parisi; 11. Marseilles.
Anna was met een handelskaravaan vanuit Sevilla naar het noordoosten getrokken naar Saraqusta. Aangezien dat de eindbestemming was, overlegde ze wat de beste route was naar het Frankische Rijk. Ze besloot uiteindelijk de pelgrimsroute bij Jaca door de Pyreneeën te nemen naar Lyon en door te trekken naar Straatsburg, waar ze een boot op de Rijn zou nemen tot aan Keulen. In Jaca ontmoette ze enkele pelgrims, die van plan waren via de Vallei van Canfranc het gebergte in te gaan en af te dalen aan de Gallische kant. Het werd een zware tocht, temeer daar er een noodweer uitbrak. Het was onmogelijk een schuilplaats te vinden. Een ijzige regen verkilde de pelgrims tot op het bot. Sterk verzwakt bereikten ze Lourdes. Daar kwamen ze weer wat op krachten en vervolgden hun weg naar Moissac. Dichte bossen, stroomdalen en sterk geaccidenteerd terrein maakten de voortgang niet makkelijk en Anna was uitgeput. Ze zette door, maar de dagen regen zich aaneen in een eentonig voortsjokken. Hoe het gelukt was de grote afstand naar de pleisterplaats te overbruggen wist ze niet. Grote delen van de tocht werd ze ondersteund door haar medereizigers. ’s-Avonds viel ze doodmoe neer en de volgende ochtend sleepte ze zich weer voort.
Ze had het benauwd, haar adem kwam steeds moeilijker en ze produceerde een piepend geluid bij het inademen. Ze voelde zich slap en had koude rillingen. Ze hoestte en wist dat ze koorts had.
De pelgrims brachten haar naar het klooster van Moissac en vertrouwden haar toe aan de zorg van de nonnen.
Zuster Lucilla had het herbarium onder haar hoede en was dus de aangewezen persoon om de uitgeputte gast weer op de been te helpen. Zij hoorde het hoesten en gereutel aan, proefde van het zweet op Anna’s hoofd, voelde aan haar pols en bromde iets. Ze was geen vrouw van veel woorden. Alleen tussen haar planten en in het gebed voelde zij zich thuis.
‘Hoe kunnen we haar helpen, zuster Lucilla?’, vroeg de novice, die door moeder-overste was aangewezen de non bij te staan.
Zuster Lucilla telde op haar vingers af: ‘Vocht, soep, fenegriek, knoflook.’ De novice keek haar niet begrijpend aan, maar de non had zich al omgedraaid om fenegriek uit de tuin te halen. Hulpeloos keek het meisje haar na. Moeder-overste keek medelijdend naar haar. Niet onvriendelijk zei ze daarom: ‘Hup zuster Berenice, zorg dat onze patiënt koel wordt gehouden met natte doeken, zodat de koorts afneemt. Voer haar daarna alles wat zuster Lucilla je brengt. Verschoon haar regelmatig en bid voor haar tussen deze werkzaamheden door.’
Het gezicht van zuster Berenice lichtte op en zij haalde dadelijk natte doeken ter verkoeling van de jonge vrouw die aan haar zorgen werd toevertrouwd. Zuster Lucilla bracht fenegriekthee. Een andere non kwam kijken en legde de novice uit dat deze thee ervoor zorgde dat het gif dat ziekmaakte uit het lichaam werd gedreven.
‘En de knoflook, zuster?’, vroeg Berenice.
‘Ah, dat verzacht de hoest. Ze moet daar veel van binnenkrijgen, want het verlaagt de lichaamstemperatuur en ze zal er meer lucht door krijgen. Een ziek lichaam heeft veel rust nodig om te genezen. Zorg er dus voor dat ze zich niet inspant. Ze heeft ook veel vocht nodig.’
De weken gingen voorbij, vóór Anna iets aan kracht herwon. De koorts was eindelijk gezakt, maar al haar spieren deden pijn en het hoesten bleef. Ze was ook snel vermoeid en van haar verzorgsters moest ze het bed houden. Een hervatting van haar reis zat er niet in. Uiteindelijk legde ze zich daarbij neer. Ze had echter behoefte iets te doen. De novice had een idee: ‘Je mag je niet teveel vermoeien. De beste bezigheid is misschien het lezen van een boek. Dan heb je wat afleiding en kun je stoppen als het te vermoeiend wordt. Zal ik je de bijbel brengen?’, vroeg zuster Berenice.
‘Heb je nog andere boeken?’
‘Natuurlijk’, lachte de novice. ‘We hebben een behoorlijk grote bibliotheek. Er zit zelfs een Arabisch boek bij, maar dat kan niemand lezen.’
‘O, maar dat zou ik wel eens willen proberen’, zei Anna.
‘Kan jij Arabisch lezen?’, vroeg Berenice vol ongeloof.
‘Ja, dat heb ik in Córdoba geleerd.’
Opgewonden klapte ze in haar handen: ‘Dit moet Moeder-overste horen! Ik ga het boek halen.’
Korte tijd later keerde zij met Moeder-overste terug en overhandigde Anna een boek. Anna opende het.
Zuster Berenice riep uit: ‘Je begint aan de verkeerde kant.’
Anna glimlachte en zei: ‘Nee hoor zuster, het Arabisch leest van achter naar voren en van rechts naar links.’
‘Kun je mij vertellen waar dit boek over gaat, Anna?’, vroeg Moeder-overste.
‘Het is een werk van de Perzische geleerde Al-Khwarizmi. Het boek heet Zij al-Sindhind en gaat, zo lees ik hier, over astronomie.’ Al bladerend lichtte Anna toe. ‘Er staan allerlei tabellen in. Hier worden de bewegingen van de zon en daar die van de maan beschreven. Ook noemt hij vijf planeten.’
Moeder-overste hief bezwerend haar handen en zei: ‘Stop maar Anna. Dit riekt naar goddeloosheid. De bijbel zegt dat de Heer de aarde heeft geschapen en de mens naar z’n evenbeeld als centrum van de schepping. Dat is mijn houvast. Er zitten veel goddeloze ideeën achter hetgeen geleerden in dit islamitische rijk verzinnen. Dat is gek want in de Islam stelt God ook de mens in het centrum van de schepping net als wij.
Het is jammer dat de islamieten de heilige drie-eenheid niet erkennen. Ze zien Jezus wel als profeet, maar niet als de zoon van God. Het Concilie van Nicea is hierin duidelijk geweest. In onze kerk staat de drie-eenheid van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest voorop.
Wat er door deze geleerden wordt beweerd is een voortzetting van het denken uit de tijd dat de boodschap van God was vergeten. Gelukkig heeft Jezus die boodschap teruggebracht onder de mensen.’
Anna vond dat een nogal beperkte gedachtegang en er klonk een licht protest in haar stem. ‘De tijd schrijdt voort, eerwaarde moeder. God heeft ons hersens gegeven en daarmee ontwikkelen we ons verder. Toen ik in Córdoba was, waren geleerden bezig op allerlei terreinen nieuwe ideeën te ontwikkelen en er werden veel ontdekkingen gedaan. Zo….’
Moeder-overste maakte een afwerend gebaar. ‘Nee Anna, onze opdracht is in dienst van de Heer te leven. Zo’n boek gaat niet boven het woord van God.’ Ze keerde zich om en verliet het vertrek, gevolgd door zuster Berenice.
Anna zuchtte. Ze had tijdens haar reis kennis gemaakt met verschillende invullingen van geloof en besloten dat geen ervan haar de vrijheid gaf, die ze nodig had. Kybbe dacht langs dezelfde lijnen. Hij was losgekomen van de oude religie en had evenmin de kerk van zijn moeder omarmt. Wat geloof betreft lag zijn belangstelling alleen bij de gebouwen waarin de geloven werden beoefend. Ze begon te lezen. De uitleg van Al-Khwarizmi was echter dermate ingewikkeld, dat ze het boek al snel weer aan de kant legde. Ze wilde een verhaal lezen of mooie poëzie. Ze hoopte dat zoiets ook te vinden was in de kloosterbibliotheek.
De dagen regen zich aaneen tot maanden aleer ze voldoende was hersteld om verder te reizen.
In juni van het jaar 869 was het zover. Anna nam afscheid van de zusters die ze zo goed had leren kennen in de maanden dat ze in het klooster verbleef.
Ze vond aansluiting bij een reizend gezelschap, dat Lyon als eindbestemming had. Daar aangekomen vond ze een stad die overheerst werd door twee heuvels, die van elkaar werden gescheiden door het dal van de Saône. Er stonden oude Romeinse theaters op een van de heuvels. Ze wilde de, door haar ziekte, verloren tijd zo snel mogelijk goedmaken. Wie weet vond er al een proces tegen Kybbe plaats! Ze móest naar Keulen. Gelukkig kon ze een boot vinden die de Saône richting Straatsburg bevoer. Twee maanden na haar vertrek uit het klooster kwam ze aan in Straatsburg.
Daar was een grote activiteit. Soldaten waren overal te zien. Buiten de stad was een enorm kamp opgetrokken. Zoveel paarden had Anna nog nooit bij elkaar gezien. De ruiters waren heel anders dan degenen die ze bij haar tocht had gezien in Bordeu, Cordoba en Sevilla.
Wat was hier aan de hand? Al gauw kwam ze erachter dat Lotharius II was overleden en dat een oorlog tussen het Frankische Rijk en het Kalifaat dreigde over diens erfenis. Daarom was hier zo’n grote legermacht geconcentreerd. Men verwachtte een aanval van Lodewijk de Duitser, de keizer van het Frankische Rijk. De onbekende ruiters waren Seltsjoeken. Het waren duivelskunstenaars op de rug van een paard. Ze kwamen uit het verre oosten en vochten als slaafsoldaten voor de kalief. Muhammad had het succes van het leger van de Abbasiden, dat gedomineerd werd door deze Turkse stam, gekopieerd.
Het bleek onmogelijk naar het oosten te reizen. De doorgaande wegen waren geblokkeerd, evenals de vaarwegen. Ze besloot buiten deze routes om te gaan. Het zou natuurlijk langer duren vóór ze Keulen bereikte, maar ze moest naar Kybbe toe.
Enige dagen later bevond ze zich in de Elzas in de waterrijke delta van de Sauer. Hier had ze al lange tijd gedurende haar voettocht geen mens gezien. Dit was haar kans om het Duitse rijk van de Franken binnen te gaan, over het water. Maar hoe kwam ze daar? Er waren twee problemen te overwinnen; ze had een vaartuig nodig en meer dan haar globale richtingsgevoel. Het leek wel op Waterland, waar Aeijolt zich zo lang verscholen had en de moerassige gebieden waar zij door was gevaren na haar vlucht uit Hallem. Ze ging op zoek naar menselijke activiteit. Wie hier woonde leefde van visvangst en jacht. Ze had genoeg sporen van wild gezien op haar tocht door de delta en de geluiden uit het dierenrijk waren niet te missen. Om hier te leven had je zeker een bootje nodig. Een luide kreet deed haar schrikken en een stap achteruitzetten, waardoor ze struikelde en ruggelings in een modderpoel viel. Het was geen menselijke kreet geweest, maar moest afkomstig zijn van een dier. Het was niet nodig bang te zijn. Grote roofdieren waren hier waarschijnlijk niet. Misschien een roofvogel. Ze keek op en zag een rookpluim boven wat lage bomen aan de andere kant van een breder stuk water. Nu ze toch al nat was en smerig besloot ze naar de overkant te zwemmen en geen tijd te verspillen een pad over land te vinden. Dat viel tegen. Rillend hees ze zich uit het water op de kant. Het water droop uit haar kleding. Wrang dacht ze: Ik ben tenminste weer schoon. Recht voor haar lag de bron van de rookpluim. Hij rees op uit een simpele hut van takken en riet. Indachtig eerdere ervaringen, stelde ze zich op achter een bosschage in afwachting van een bewoner. Een vrouw kwam neuriënd naar buiten. Ze droeg een kleuter op haar heup en leegde een pot een paar meter verder in het water. Opgelucht kwam Anna overeind om haar te begroeten.
Tijdens haar eerste goede maaltijd in dagen vertelde Anna over haar zoektocht tot groot enthousiasme en verbazing van de vrouw en haar inmiddels teruggekeerde man. Nu genoten ze van een verse vismaaltijd, bereid van de vangst, waarmee hij was aangekomen.
Op Anna’s vraag of ze haar verder konden helpen om in het land van Lodewijk de Duitser te komen, leek de man onwillig, maar z’n vrouw bracht hem tot zwijgen en daarop gaf hij toe. Hij keerde zich naar Anna en zei:
‘Ik kan je morgen naar het punt brengen waar de Sauer in de Rijn uitstroomt.
Verderop is een veer over de Rijn. Als je de rivier oversteekt en daarna doorgaat naar het noorden, kom je in Neuburg. Daar kun je aan boord gaan van een schip dat je verder richting Keulen brengt.’
Bij het krieken van de dag werd Anna gewekt. Ze kreeg een kom pap voorgezet en haar drinknap werd gevuld met vers water. Na een kort maar hartelijk afscheid, voer zij met de visser door de uitgestrekte delta, waar de Rijn tenslotte in zicht kwam. Hier werd ze aan land gezet en vertrok ze op een moeizame tocht naar het veer, waar ze overtocht mocht verwachten. De dag erop bereikte ze Neuburg aan de Rijn. Ze vond langs de rivier meerdere kleine boten. Elk daarvan bracht haar een stukje verder naar het noorden tot zij in het, in feeststemming verkerende, vissersplaatsje Mannheim aankwam. Anna wist niet dat Kybbe hier twee jaar daarvoor had deelgenomen aan dit winterfeest. Ze was zich ook niet bewust van de aanwezigheid van de bemanningsleden van het schip ‘de Speijer’, waarmee Kybbe hier was gekomen op z’n reis naar Constantinopel. Zij brachten het winterfeest traditiegetrouw in Mannheim door. Het winterse weer ten spijt, wilde ze zo snel mogelijk naar Keulen. Na de festiviteiten vertrok ze daarom met een schip dat de rivier helemaal tot Keulen zou afvaren. Onderweg informeerde ze verschillende keren voorzichtig naar de moord op paus Nicolaas, maar het leek of deze gebeurtenis al te ver in de beleving van de bewoners van dit gebied was weggezakt. Een bemanningslid vertelde haar, dat men dacht dat de moordenaars destijds in de rivier waren verdronken. Dit wilde Anna echter niet geloven. Ze voelde diep van binnen dat Kybbe nog in leven was.
Keulen kwam in zicht. Het schip meerde aan de kade en Anna liep de stad in. Ze had inmiddels ervaring genoeg om een veilige plek te zoeken voor haar verblijf in een stad. Een klooster kwam daarom het eerst in aanmerking en viel te prefereren boven een herberg. Bovendien was het heel waarschijnlijk dat Kybbe daar had vertoefd, of in ieder geval gesproken had met de monniken. Hij zou de kans op het vergaren van kennis niet hebben laten lopen. Toen ze zich meldde bij de grote abdij en sprak over Kybbe, werd ogenblikkelijk een broeder gehaald, die luisterde naar de naam Robertus. Hij bleek de broer van een vriend van Kybbe. Nu kreeg Anna het verhaal te horen van de beschuldiging van pausmoord aan het adres van Kybbe en Gerhard en hun daaropvolgende vlucht uit de stad. Robertus had gehoopt dat Anna hem meer informatie kon geven, maar zij wist slechts wat zij in Sevilla had gehoord. Moussa Benani had destijds niet gesproken over een medevluchteling. Dit was de eerste keer dat ze de naam Gerhard hoorde.
‘Na Kybbe’s komst naar de stad werkten ze samen aan de bouw van de nieuwe basiliek en raakten ze bevriend. Toen de paus verongelukte en het gebouw instortte, hebben ze geprobeerd mensen te redden die onder het puin bekneld waren geraakt. Gerhard vertelde me dat er twee mannen uit de woonplaats van Kybbe waren gekomen, die hem aangegeven hadden bij de keizer voor de moord op de paus. De een was een edelman en de ander een geestelijke.’
Op deze woorden van Robertus reageerde Anna met een gefluisterde zucht: ‘Darra en Anselm’.
‘Precies! Dat zijn hun namen. Darra kreeg de opdracht om Gerhard en Kybbe te achtervolgen en mee terug te nemen om veroordeeld te worden. Anselm heeft zich volledig ingewerkt in de entourage van aartsbisschop Gunthar, een machtig persoon in deze stad en tevens een tegenstander van onze abt. Kennelijk is het m’n broer en z’n vriend gelukt om uit handen van Darra te blijven, maar sinds de laatste onverrichterzake terugkeerde, is er niets meer vernomen van de twee vrienden.’
‘Dus Anselm is hier nog steeds?’, vroeg Anna.
‘Ja, zoals ik al zei is hij niet ver van bisschop Gunthar te vinden.’
’En Darra?’
‘Die is regelmatig met z’n leenheer Rorik bij de keizer zelf. De hoge heren bereiden een oorlog voor tegen het Kalifaat, wordt gezegd.’
Ík denk dat dat wel klopt, want de grensovergangen naar het kalifaat zijn gesloten en ik ben langs grote groepen soldaten gekomen in het grensgebied’, deelde Anna de monnik mee.
Abt Tatwin zelf sprak ook met Anna en hij bleek goed geïnformeerd.
‘De oorlog zal waarschijnlijk van start gaan, als er eindelijk een nieuwe paus is gekozen. Door de strijd tussen Gunthar en Rimbert, de aartsbisschop van Bremen-Hamburg is het vooralsnog onmogelijk gebleken om tot een pauskeuze te komen. De keizer zal zich pas aan een oorlog wagen als hij zich gesteund voelt door de kerk. Hij hoopt op Gunthar.’
De gesprekken met de monniken betekende het einde van Anna’s plannen. Ze had hier in Keulen niets meer te zoeken en wilde zeker niet Darra of Anselm tegen het lijf lopen. O, ze had even met het idee gespeeld, maar het was duidelijk dat Darra niets nieuws over Kybbe te melden had. Bovendien was het beter hem in de waan te laten dat zij niet meer in deze wereld was.
In haar overpeinzingen merkte ze niet dat iemand haar aansprak. Pas bij de tweede keer hoorde ze haar naam vragend uitgesproken. ‘Anna? Ben jij dat?’
Ze keek op in het gezicht van de Friese koopman Sake, uit een leven dat zo lang in het verleden leek te liggen.
‘Anna? Kybbe zei dat je omgekomen was in een brand in de brouwerij. Hoe kan dit?’
‘Sake! Heb jij Kybbe dan gesproken?’, bracht Anna ademloos uit.
Sake vertelde over z’n ontmoeting met Kybbe langs de Rijn.
‘Hij is dus naar het zuiden gevlucht? Weet je meer? Broeder Robertus vertelde mij dat het Darra niet gelukt is Kybbe en z’n vriend te arresteren. Waar is hij nu? Ging hij naar Córdoba?’
‘Ho, Anna. Stop. Niet zo snel. Om je laatste vraag het eerst te beantwoorden. Ja, Ik weet dat Kybbe in Córdoba is gekomen. Daar is hij vrijgemaakt door de kalief zelf, omdat door hem een complot tegen de kalief in de kiem kon worden gesmoord. De samenzweerders werden berecht en Kybbe werd de assistent van de meesterbouwer van de stad.’
‘In Córdoba? Kybbe in Córdoba? Daar kom ik vandaan! Ik heb hem daar gezocht.’ Anna merkte niet de verbijstering op het gelaat van Sake op en ging door. ‘En wat bedoel je met vrijgemaakt door de kalief? Zat hij in de gevangenis? Waarvoor dan? Voor de moord op de paus?’
Sake haalde diep adem en stak z’n hand afwerend op. ‘Nee, Anna. Kybbe was tot slaaf gemaakt op weg naar het Kalifaat, als ik het goed heb begrepen. Ik denk niet dat de kalief veel op had met paus Nicolaas, maar Kybbe is zeker niet schuldig aan diens dood. Hij verzekerde mij dat het een ongeluk was en dat hij er getuige van was.’
‘Kom,’ zei Anna, ’Laten we ergens gaan zitten. Je moet me er alles van vertellen.’
‘Dat is goed, maar ik ben ook heel erg nieuwsgierig naar jouw verhaal. Ben je helemaal naar Córdoba gegaan? Maar hoe dan? En hoe kom je hier, nu de grenzen naar het Kalifaat zijn gesloten?’
Het werd een lang gesprek, waarbij ze elkaar het hele relaas deden.
Het was een opluchting dat Sake bevestigde wat zij van binnen al die tijd had gevoeld, namelijk dat Kybbe nog in leven was. Daarbij was het fijn te horen dat hij z’n dromen had waargemaakt en een belangrijke positie in Córdoba innam. Maar, vroeg ze zich af, moest ze dan weer terug naar Córdoba? Zou ze die hele lange reis opnieuw moeten ondernemen?
Wie zou haar kunnen helpen? Wie zou haar kunnen adviseren? Hoe kon ze met Kybbe in contact komen? Zou hij nog in Córdoba zijn of was hij alweer doorgereisd naar een andere bestemming? Als hij werkte voor de bouwmeester, was hij dan op de hoogte van het feit dat zij nog in leven was? Had hij Inaya gesproken? In dat geval zou hij het weten en ging hij haar achterna. Zou hij haar spoor helemaal naar Straatsburg en Keulen kunnen volgen? Hier zou hij haar zeker niet moeten gaan zoeken. Dat was levensgevaarlijk. Hij zou direct ter dood worden gebracht. Denk na Anna! Wat is het beste om te doen? Kybbe moest een boodschap krijgen dat zij in leven was en dat hij niet naar Keulen moest gaan.
Ze bracht haar angst voor Kybbe’s leven naar voren in het gesprek met Sake. ‘Als Kybbe in Córdoba hoort dat ik hem ging zoeken in Keulen, reist hij me achterna. Dat mag niet gebeuren! Hoe kan ik hem deze boodschap bezorgen?’
Sake wreef over z’n kin en vroeg: ‘Wat zouden jullie doen als je weer samen was?’
Anna antwoordde direct: ‘Dan zouden we ons leven in Vellesan hernemen.’
Sake nam een beslissing: ‘Ik moet eerst nog wat zaken stroomopwaarts afwikkelen. Dat betekent dat ik eind maart hier terug zal zijn en doorreis naar Frisia. Vaar met mij mee naar Dorestad. Daar kunnen we contact opnemen met het handelshuis van Moussa Benani. Hij heeft contacten in het hele Kalifaat en dus ook met Córdoba. Als er een man in staat is Kybbe te bereiken, dan is hij het.’
Anna had gehoopt direct af te kunnen reizen, maar begreep dat het toch sneller en in ieder geval veiliger zou zijn met Sake mee te varen. Ze zou niet langer naar Kybbe toe reizen en het riskeren elkaar mis te lopen. In plaats daarvan zou Kybbe naar haar toe komen. Ze kon in Vellesan voorbereidingen treffen voor zijn komst. Ze straalde bij de gedachte.
In het scriptorium van het klooster voelde Anna zich thuis. Broeder Basilius ervoer hoe waardevol Anna was. Toen hij begreep dat Anna het Arabische schrift machtig was, haalde hij een boek uit de grote kast.
‘Mij is verteld dat dit Arabische boek gaat over de ideeën van de grote Griekse filosoof Aristoteles. Klopt dat?, vroeg hij.
Anna nam het boek ter hand en bestudeerde de eerste bladzijden enige tijd, waarna ze antwoordde dat het inderdaad over Aristoteles ging. Het daaropvolgende enthousiasme van de monnik, bezwoer ze met de opmerking dat er waarschijnlijk allerlei gedachten werden vermeld, waarvan zij de Arabische terminologie niet kende. Ze sprak af, dat ze een poging tot vertaling zou wagen. Broeder Basilius mocht echter z’n hoop niet te hoog stellen.
Het was hard werk en zoals Anna al had gedacht, was er veel dat zij niet begreep of in woorden kon vatten. Na enkele weken voelde ze behoefte aan wat simpeler zaken van het leven en begaf zich naar het marktplein in de stad. Ze had een nieuwe kam nodig. Bij het afrekenen werd haar oog getroffen door een bekende gestalte. Ze keek recht in het gezicht van Darra. Het leek of haar benen zich het gevaar eerder realiseerden dan haar hersens, want ze zette het direct op een lopen. Een verblufte Darra zette zich veel later in beweging. Anna wierp een blik over haar schouder en zag dat haar oude vijand begon te rennen. Paniek greep haar bij de keel. Ze keek links en rechts naar een mogelijkheid te ontsnappen. Ze verhoogde haar inspanningen en rende voor haar leven. Gefixeerd als hij was op de rennende vrouw voor hem, botste Darra tegen een kar met vaten die op zijn pad kwam. Vloekend rolde hij over de grond. Hij krabbelde zo snel als hij kon op en keek in de richting van de vluchtende Anna. Ze was weg! Hij keek naar alle kanten. Waar was ze? Hoe was het mogelijk? Niemand was de brouwerij in Vellesan levend uitgekomen. Het was onmogelijk. Eerst was Kybbe hem ontsnapt en nu dit fantoom.
Anna keek hijgend vanuit haar schuilplaats naar de speurende Darra. Voetje voor voetje schoof ze achteruit. Ze moest terug naar het klooster. Daar was ze veilig. Ze zou daar blijven tot de terugkeer van Sake.
DEEL 6
Oorlog
Kybbe had in de haven van Honfleur afscheid genomen van z’n makkers op de Maravilla. Ze hadden samen een avontuur beleefd en voelden zich met elkaar verbonden. De gebeurtenissen in Bordeu had hun band versterkt. Nu bevond hij zich al enige tijd in een schip op weg naar Parisi, de hoofdstad van deze Wilaya. De grote stad doemde op uit de mist. Zijn zoektocht begon natuurlijk bij het huis van Moussa Bennani. Inaya had hem verteld hoe deze zakenman Anna had geholpen op háár zoektocht naar hem. Ongeduldig trommelden z’n vingers op de reling.
Eindelijk legde het schip aan en Kybbe toog onmiddellijk naar het Tolhuis om informatie te vragen over Moussa Bennani. Daar bleek de koopman heel bekend te zijn en het kostte, na enkele aanwijzingen, geen enkele moeite diens woning te vinden. Kybbe gebruikte de klopper in de vorm van een hand en al na luttele ogenblikken zwaaide de deur open. Een jongeman vroeg hem naar de reden van z’n bezoek. Kybbe begon aan een verhaal over de zoektocht naar z’n verloren liefde en dat zijn Anna bevriend was met de dochter van Moussa Bennani. De jongeman glimlachte en nodigde hem uit binnen te komen. Hij werd naar de koopman zelf gebracht, waar hij opnieuw zijn verhaal deed. Moussa reageerde enthousiast en riep: ‘Wat een geweldig verhaal! Wacht even Kybbe, dit moet ze horen.’
Hij klapte in z’n handen en riep: ‘Fatima!’
Even later verscheen een beeldschoon meisje in de kamer. Haar vader wenkte haar en fluisterde in haar oor. Haar ogen werden groot en ze keek naar Kybbe. Ze sloeg haar hand voor haar mond. Daarna begon ze opgewonden te praten: ‘O, als Anna eens wist dat je hier was. We hebben samen zo naar je gezocht in Parisi. Ze was ervan overtuigd dat je hiernaartoe was gegaan, om de geheimen van nieuwe bouwwerken te ontdekken. We zijn alle bouwplaatsen af geweest en hebben in de bibliotheken naar je gezocht. Tenslotte besloot ze om naar de hoofdstad te gaan. Eigenlijk hebben m’n vader en ik haar, door haar vragen, op die weg gezet. Ze trok de conclusie dat jij alleen voor het beste zou gaan. Dat betekende naar Córdoba.’
‘Maar, weet je waar ze nu is?’, vroeg Kybbe. ‘Heeft ze contact gezocht?’
‘Nee’, antwoordde Moussa. ‘Ik heb na de ontmoeting in Sevilla niets meer van haar gehoord. Ze wilde zo snel mogelijk naar het noorden, naar Keulen. Ze moet welhaast de landroute naar het noorden hebben genomen en dan via de Rijn naar Keulen zijn gegaan. Dat zal vast vóór de troepensamentrekkingen zijn gebeurd. Nu kom je de grens niet meer over. Elk moment kan de grote oorlog met het land van de Franken uitbreken.’
‘Hmm’, peinsde Fatima. ‘Als ze al enkele maanden geleden in Keulen is aangekomen, zal ze je daar vergeefs hebben gezocht.’
‘Ja,’ vulde Moussa aan, ‘dat betekent dat ze het spoor bijster is, want niemand kan haar daar vertellen dat je naar Córdoba bent gegaan.’
‘Wat zal ze dan gaan doen?’, vroeg Kybbe haast wanhopig.
‘Tsja, dat is moeilijk. Ze heeft informatie nodig.’
Opgewonden viel Fatima haar vader in de rede: ‘Dan zal ze zeker naar ons toekomen pappa!’ Ze jubelde het uit: ‘Anna komt terug naar Parisi.’
Moussa maande haar tot kalmte. ‘Rustig, Fatima! Als Anna deze kant op wil, zal ze problemen ondervinden de grens over te komen. Als de oorlog losbarst wordt het vrijwel onmogelijk om voorbij de linies te komen. Aan de andere kant is er misschien genoeg tijd verstreken voor haar om al weer terug in Gallië te zijn. Als ik jou was Kybbe, zou ik eerst een tijdje afwachten of Anna hier voor m’n deur opduikt.’
In de tijd die hierop volgde bleef Kybbe de gast van Moussa. Fatima liep met Kybbe door de straten van Parisi. Z wilde hem alles laten zien en alles laten doen wat zij ook had gedaan. Ook een bezoek aan de hamam stond op het programma. Kybbe kende dat fenomeen natuurlijk uit Cordoba. Hij werd door Moussa meegenomen. Ze kwamen tot de conclusie dat ze veel gemeenschappelijk hadden. Moussa sprak een tijdje met een oude vriend terwijl Kybbe een weldadig bad nam. Toen ze elkaar weer troffen in de rustruimte was Moussa nog vol van het gesprek dat hij zo-even had. ‘Die geniepige Duitse keizer heeft niet alleen onrechtmatig het rijk van zijn neef Lotharius ingepikt, maar heeft ook een verbond gesloten met de Denen, die op dit moment onze kustverdediging op verschillende plekken aanvallen’, bracht hij uit.
Kybbe was verontrust. ‘Dat is slecht nieuws. Betekent dit dat de Omajjaden deze oorlog kunnen verliezen?’
‘Nee, zeker niet. Want zelfs als het rijk aan twee kanten tegelijk wordt aangevallen is de slagkracht van ons leger superieur. De nieuwe Turkse ruiterij heeft haar waarde al bewezen op slagvelden in het oosten.’
‘Waardoor is het leger van het Kalifaat zo effectief?’, vroeg Kybbe.
Moussa dacht even na en antwoordde vervolgens: ‘Ik denk dat onze aloude beproefde methode van het oprichten van een speermuur wanneer de vijandelijke cavalerie aanvalt, zorgt voor de grootste winst.’
‘Een speermuur?’, vroeg Kybbe. ‘Wat moet ik me daarbij voorstellen?’
‘Dat houdt in dat de infanterie in een gevechtsopstelling staat met de lansen naar de vijand gericht. Als haar cavalerie daar doorheen wil breken, kijkt de vijand lelijk op z’n neus.’
Drie weken later kwam er bericht van de oostgrens.
Moussa zei: ‘Het zijn moeilijke tijden, Kybbe. Wij hebben er hier in Parisi nog weinig last van, maar aan de kust hebben ze te maken met een veelheid aan invallen door de Vikingen. Aan de oostgrens is nu de oorlog losgebarsten. Ik denk niet dat Anna voorbij de linies is geraakt, want dan zou ze hier wel zijn verschenen.’
Wat zal ze nu dan doen, vroeg Kybbe zich af. Hij kreeg een ingeving. Het was slechts een strohalm, waar hij zich aan vastklampte. Alles was echter beter dan niets. Daarom vroeg hij: ‘Hoe is de situatie in het noorden, aan de grens tussen het Duitse Rijk en Lotharingen? Weet je dat Moussa?’
‘Dat gebied heeft Lodewijk zich toegeëigend na de dood van z’n neef Lotharius. Hij heeft Rorik daar naar toegestuurd om de Friezen onder de duim te krijgen.’
‘Dan is het dus makkelijk vanuit Keulen naar Dorestad te reizen’, luidde Kybbe’s conclusie.
‘Ja’, gaf Moussa toe, ‘dat denk ik wel.’ Plotseling, daagde het hem. ‘Denk je dat ze naar mijn neef in Dorestad gaat om contact op te nemen?’
‘Dat lijkt me een mogelijkheid’, zei Kybbe. In feite is het een strohalm waaraan ik me vastklamp. Ik heb niet veel anders.’
De voorbereidingen werden getroffen om af te reizen naar Dorestad. Kybbe moest echter nog een week wachten voor er een schip van Moussa naar de havenstad vertrok. Die planning werd in de war geschopt door de Vikingen. Moussa was op de Noordzee 3 schepen aan hen kwijtgeraakt en werd gedwongen z’n schema te herzien. Zelfs voor iemand als Moussa was dit een enorme aderlating. Voor Kybbe was het een ramp. Hoe kon hij nu naar Dorestad? Hij zou over land naar het noorden moeten. Zijn gedachtestroom werd onderbroken door nieuwe berichten. Nadat graaf Rorik met een leger Frisia was binnengevallen, was de strijd niet snel beslist. Telkens laaide er weer ergens in het gebied een vuurtje op, wanneer Rorik dacht alles onder controle te hebben.
‘Volgens mijn bronnen vechten de Friezen hard voor hun vrijheid’, zei Moussa op een dag tegen een ongedurige Kybbe. ‘Rorik heeft Dorestad stevig in handen, maar verder krijgt hij steeds weer met rellen en opstanden te maken. Ik wacht eerst af hoe de zaken zich daar ontwikkelen voor ik weer een schip die kant op stuur.’
Kybbe liet zich door Moussa overtuigen te wachten tot er meer duidelijkheid was over de situatie in de lage landen.
Terwijl de dagen vergleden in een bedrieglijke rust, bouwde de spanning aan het front zich op. Men had verwacht dat de aanvallen van de Vikingen in het westen gelijk op zouden gaan met een grootscheepse aanval van de Franken aan de oostgrens. Dat was echter niet gebeurd. Naar de reden kon men slechts gissen. In het nieuwe jaar kwam die aanval alsnog.
De veldslag duurde slechts 1 dag.
Kybbe en Moussa bevonden zich in een uitspanning, waar zij shatranj speelden. Een groepje verzamelde zich rond een soldaat die heftig met z’n armen bewoog terwijl hij sprak.
‘Kom’, zei Moussa. ‘Hij heeft het over de oorlog.’
Ze drongen zich naar voren om het verhaal te horen. De soldaat sprak: ‘Het Frankische leger stond op klassieke wijze opgesteld: De infanterie was in verschillende linies in het centrum neergezet en de cavalerie bevond zich aan de zijkant daarvan, op de vleugels. De achterhoede stond onder bevel van Karloman, de zoon van de keizer. Lodewijk zelf had het commando over de voorhoede.
Toen de slag begon trokken de Seltsjoekse boogschutters zich terug voor het aanstormend centrum van de vijand en stelden zich op in de vorm een halvemaan, terwijl ze het oprukkende leger bleven beschieten. De vijand wist de discipline niet te handhaven. Soldaten begonnen zich, in paniek door de constante pijlenregen, los te maken uit de hoofdmacht. De vijandelijke cavalerie viel ondoordacht aan, waardoor ze in het heuvelachtige landschap in onze val liep. Lodewijk gaf toen opdracht tot een algemene terugtocht.
Hierop besloot onze legerleiding tot een grootscheepse aanval. Lodewijk voorzag de vernietiging van z’n leger en besloot opnieuw aan te vallen. Karloman volgde het bevel van z’n vader niet op. Hij gaf opdracht terug te keren naar het basiskamp met het vermoeden dat de keizer was gesneuveld.
De voorhoede en de achterhoede werden daardoor van elkaar gescheiden. Een hele vleugel werd door ons vernietigd. Lodewijk wist nauwelijks het vege lijf te redden. En tenslotte werd ook de achterhoede uiteengeslagen. Kortom, we behaalden een schitterende overwinning en Lodewijk droop met de staart tussen de benen af.’
De toehoorders begonnen te juichen en te klappen.
Er stond hun een grote verrassing te wachten bij thuiskomst. ‘Ali!’, juichte Kybbe toen de pas aangekomen gast opstond uit z’n stoel. Kybbe en Ali grepen elkaar bij de schouders en schudden eraan alsof ze appels uit bomen lieten vallen. Ze grijnsden en sloegen elkaar op de schouders. ‘Hoe kom je hier in Parisi terecht?’
‘Nou,’ was het gortdroge antwoord, ‘per schip.’ Fatima lachte om het ernstige gezicht dat Ali trok. Toen kon ook Ali zich niet meer ernstig houden. Hij lachte uitbundig. ‘Ik ben op weg naar Aken voor een bilateraal overleg met Lodewijk en dacht misschien nieuws over jou te kunnen vinden bij Moussa Bennani. Dus ik wacht hier op de heer des huizes en kijk nou eens, ik tref je hier zelf aan. Hoe is het mogelijk. Maar jij wist het Fatima en je hebt niks gezegd toen je mij binnen liet!’
De jonge vrouw lachte: ’Nee, ik was nieuwsgierig hoe de verrassing zou uitpakken.’ Ali lachte daarop toegeeflijk mee.
Er werd natuurlijk flink bijgepraat. Tot Kybbe’s verbazing kon Ali hem vertellen over de ontsnapping van Anna aan de avances van de kalief. Ali was op de hoogte van alle ins en outs aan het hof. Hoewel hij meer tijd met z’n vriend door had willen brengen kon Ali slechts korte tijd blijven. Na de overwinning van het Omajjaden-leger was het zaak zo snel mogelijk vredesbesprekingen te beginnen en daarin was voor hem een hoofdrol weggelegd. Ze namen afscheid met de belofte elkaar weer te zien nadat de vrede was getekend.
De herberg
870 n.Chr.
Kybbe was hem ontglipt op het moment dat hij dacht toe te slaan. De arrestatie en veroordeling van een pausmoordenaar had Darra veel prestige op kunnen leveren en de mogelijkheid op te klimmen, waarschijnlijk een titel te verwerven en opgenomen te worden in de hoge adel. Nu bleef hij afhankelijk van Rorik en de persoonlijke allianties die de Deen wist te smeden. Maar ook Rorik was afhankelijk van de wensen en grillen van zijn heer, keizer Lodewijk. Het duurde erg lang voor de plannen die in 868 waren gesmeed ten uitvoer konden worden gebracht. Lodewijk had de Moravische vorst Ratislav opgeruimd, maar kreeg nu problemen met diens opvolger Svatopluk. Zijn eigen zoon Karloman speelde hierin een rol omdat door zijn toedoen Svatopluk de macht kon grijpen in Moravië.
Een tweede deel van het grote plan liep ook niet lekker. Het lukte Rorik namelijk niet om andere Denen warm te maken voor een gecoördineerde aanval op de westkust van het Kalifaat. Het grote heidense leger van Ivar de Beenloze en Halfdan Ragnarsson was bezig om de Engelse koninkrijken stuk voor stuk in te nemen. Daarbij werd het de voet dwarsgezet door Ethelred en Alfred van Wessex. De koning en zijn broer boden heftig tegenstand in alliantie met de koning van Mercia.
Pas toen de verovering tot stilstand kwam en Alfred een afkoopsom betaalde aan de Vikingen, wist Rorik zijn Deense landgenoten over te halen. De tegenzin van de Denen lag ook in het feit dat Rorik tot twee keer toe had geprobeerd om het koninkrijk van Denemarken in te nemen. Die veldtochten waren op een mislukking uitgelopen. Veel Vikingen keken echter nog steeds met een scheef oog naar Rorik en diens neef Godfred.
Om de oorlog tegen het Kalifaat succesvol te laten zijn, was ook een snelle pauskeuze noodzakelijk om de steun van de kerk te verwerven. Een sterke paus kon een leidende rol spelen in een conflict met de islam. Hij kon een moreel appel doen en zo de steun voor de oorlog vergroten. De keuze van een nieuwe paus was echter een zaak van lange duur geworden.
Ook de problemen die Lodewijk in Moravië ondervond zorgde voor grote vertraging. Terwijl Rorik oprukte in Frisia en de Vikingen de kust van Gallië bestookten, bleef een aanval van het Grote Frankische leger uit.
Het doel van Rorik, Frisia snel onderwerpen en vervolgens het Kalifaat vanuit het noorden aan te vallen, kon door de onverwacht felle weerstand van de Friezen geen doorgang vinden.
Het Omajjaden-leger was de Vikingen in het westen simpel de baas door de stationering van bereden eenheden langs de kust. De Denen wendden zich vervolgens weer naar Brittannië, dat voor hen lucratiever was. Vanuit het noorden hadden de Omajjaden niets te vrezen, want tegen de tijd dat Rorik de Friezen eindelijk had onderworpen, had het Frankische leger op het slagveld al het onderspit gedolven.
‘Het plan is in het zuiden lelijk in de soep gelopen, maar wij hebben ons gebied terug. Dit moeten we consolideren’, zei Rorik tegen Darra.
Als leenman van Lodewijk stond hij na diens nederlaag in een sterkere positie. Het toegenomen belang van de handelspositie van Dorestad zorgde voor meer armslag in de relatie met z’n leenheer. Hij had hier echter wel een probleem, dat hij niet snel kon oplossen. De haven was al enige tijd aan het verzanden. Grotere schepen hadden problemen hier aan te meren. Het baggerwerk dat Rorik liet uitvoeren was gebrekkig en werd niet goed uitgevoerd. De natuur deed het werk al snel weer teniet.
Darra werd hersteld in z’n functie als meier van Vellesan en omliggend gebied. Hij werd gehaat door een groot deel van de inwoners, maar nadat de Friezen weer waren onderworpen, werd elke vorm van protest door hem direct op gewelddadige wijze de kop ingedrukt. De straffen waren streng en mondden vaak uit in de dood van degene die het gewaagd had hem tegen te werken. Hij had een nieuwe groep getrouwen om zich heen verzameld. Z’n ruiters werden gevreesd.
Anselm was met Darra meegekomen. Hij kreeg het door z’n band met de Keulse aartsbisschop Gunthar -die door zijn steun voor de nieuwgekozen paus Ioannes VIII in ere was hersteld- voor elkaar om uitgezonden te worden als titulair bisschop. Zijn taak was de kerk in Kinhem een steviger basis te geven en verder uit te bouwen.
Z’n vroegere verklikker, de kapelaan Wolfsfroyde, had zich na het echec van enkele jaren daarvoor in Vellesan weten te handhaven. Hij was echter niet geliefd in het vlek. Je zou kunnen zeggen dat hij werd geduld, omdat er geen andere geestelijke beschikbaar was. Met z’n terugkomst kon Anselm de touwtjes dan ook weer stevig in handen nemen. Wolfsfroyde deed wat hij hem opdroeg.
Vanuit Hallem moest Rorik steeds weer nieuwe brandhaarden van Fries verzet doven, tot tenslotte in oktober 870 alles tot rust leek te zijn gekomen en het feodale systeem was hersteld.
In Vellesan had Floor de nieuwste ontwikkelingen met een bang hart aanschouwd. Sinds de vlucht van Darra, was het leven stukje bij beetje beter geworden voor haar. Door de terugkeer van de meier, werden de pijnlijke herinneringen, aan het verschrikkelijk lot dat haar vrienden ondergingen, weer tot leven gewekt. Zelf had ze daarvóór al haar dochter en man verloren. Clauwaert had zich teweer willen stellen tegen die ellendeling, die nu weer terug was in het vlek. Zijn einde was droevig geweest. Ze had zich tenslotte herpakt en dacht dat ze dit alles achter zich had gelaten. Eindelijk had het geluk haar weer toegelachen. Een nieuwe man, een goedlopende zaak.
Ze dacht aan Anna. Wat zou er van haar zijn geworden? Ze dacht terug aan de dag dat Anna als een feniks uit dat verschrikkelijke vuur voor haar deur was verschenen en naar Kybbe had gevraagd. Hoe zou het hem zijn vergaan? Hadden ze elkaar uiteindelijk gevonden? Het leek haar een schier onmogelijke taak die Anna op zich had genomen. Hoeveel gevaren zouden haar niet belagen als vrouw in een gewelddadige wereld met mannen als Darra? Maar Anna wist eigenlijk niet anders met een vader als Roef, bedacht zij. Ze hoopte dat alles goed zou komen voor het stel. In ieder geval had Roef z’n trekken thuisgekregen bij een ruzie in zijn herberg. Na de vlucht van Darra was hij nog onhebbelijker en saggerijniger geworden. Een klant had de behandeling die hij van de herbergier kreeg niet gepikt. Een worsteling ontstond en Roef was blauw aangelopen. De omstanders voelden zich niet geroepen in te grijpen. Eigenlijk had vrijwel iedereen een hekel aan de onbehouwen herbergier. Zijn begrafenis werd verzorgd door Wolfsfroyde en alleen Fergus, de brouwer, had de plechtigheid bijgewoond.
Een van de nieuwkomers uit Dorestad had de herberg in bezit genomen en opgeknapt. Niemand had bezwaar gemaakt, ook Fergus niet, want Abe werd een belangrijk afnemer van zijn brouwsel. De herberg kreeg steeds meer klandizie en Abe kon het in z’n eentje niet bolwerken. Floor had indertijd ervaring opgedaan in de brouwerij bij Duna en Marzoeta. Toen ze hoorde dat Abe hulp zocht, had ze de stoute schoenen aangetrokken en zich bij de herberg gemeld. Er was direct een klik geweest. Floor had gedacht nooit meer lief te kunnen hebben en had zich gepantserd naar de buitenwereld, maar Abe had haar verdedigingsmuur steentje voor steentje afgebroken en was uiteindelijk doorgedrongen tot haar kern. Een jaar later waren ze man en vrouw. Hetgeen in de kerk bezegeld was door Wolfsfroyde.
Nu echter was ze bevreesd. De teruggekeerde, wraakzuchtige meier zou zich haar wel eens kunnen herinneren als de vrouw van Clauwaert en de vriendin van Marzoeta en Aeijolt. Wat zou er dan in z’n zieke en perverse hoofd afspelen? Zou hij hun leven afpakken? Ze rilde van afschuw bij die gedachte.
Voorlopig was Darra zich echter niet bewust van haar. Zijn haat was vooral gericht op Kybbe. Hij wilde aan de ene kant geloven dat Kybbe verdronken was in de rivier, maar aan de andere kant bedacht hij allerlei scenario’s voor wraak, wanneer het jong nog in leven was en hij het in handen zou krijgen. Hij was de oorzaak geweest voor zijn gedwongen vertrek. Hij had met z’n ontsnapping bij de Rijn Darra belachelijk gemaakt Daardoor had Darra de kans verspeeld om toe te treden tot de hoge adel. Hij vond dat hij veel meer verdiende dan deze armzalige meierij, als vazal van een gemankeerde Viking. Een grote verrassing was ook de verschijning van Anna geweest, eerder dat jaar op het marktplein van Keulen. Hij had zijn ogen niet geloofd toen hij haar zag. Toen hij haar uit het oog verloor, had hij opdracht gegeven naar haar uit te kijken.
Hij ging hoogstpersoonlijk al zijn bezittingen af. De horigen moesten in de gaten worden gehouden. Darra was ervan overtuigd dat iedereen probeerde hem een oor aan te naaien. Hij zou ervoor zorgen dat hij z’n rechtmatige deel van de opbrengsten kreeg en dat ook de tollenaar niet te veel achter hield. Het zou mooi zijn als hij een muntrecht kon binnenhalen. Dat zou zijn positie drastisch verbeteren. Vellesan was sinds zijn vertrek gegroeid, maar het was jammer genoeg nog steeds een vlek en geen handelsstad van betekenis, zoals Dorestad.
Zo kwam hij op een dag in de herberg van Abe terecht. De populariteit van de uitspanning was hem al eerder ter oren gekomen en hij had zich afgevraagd of de herbergier hem misschien een grotere afdracht schuldig was. Het loonde de moeite om zelf eens poolshoogte te nemen. Samen met z’n nieuwe rechterhand besloot hij er te gaan eten en goed rond te kijken.
Een groepje van tien pelgrims op reis naar de kapel van Sint Adelbertus zat aan maaltijd. Ze waren vrolijk en lieten zich rijkelijk voorzien van het gerstenat om de kelen te smeren. Dat was te horen. Zij waren van plan hier te overnachten. Verder waren er wat reizende kooplieden, een groep Vellesanners, waarvan Darra er enkelen herkende en wat loslopers.
Het eten dat hij kreeg voorgeschoteld was niet verkeerd en het bier van Fergus was natuurlijk van prima kwaliteit. Dat was nog eens een goed plan geweest van Guy, bedacht hij. Wat jammer dat hij was geveld door die gladjanus van een Aeijolt. Hij miste z’n vriend nog bijna dagelijks. Bij het verlaten van de herberg trok een vrouw zijn aandacht. Ze keek hem met een vreemde blik na en sloeg snel haar ogen neer toen ze die van hem troffen. ‘Er is iets met die vrouw’, zei hij tegen Alubert. ‘Ze heeft iets bekends, maar ik kan er niet de vinger opleggen. Ga jij eens informeren en kijk wat je over haar te weten kan komen.’
Toen Floor Darra binnen had zien komen, zei ze tegen Abe: ‘Die man kan ons kwaad doen. Hij is degene, die mijn vorige man, mijn vrienden en hun hele familie heeft beschadigd en vermoord. Hij is het kwaad in eigen persoon. Ik moet er niet aan denken wat hij ons kan aandoen. Ik wil niet naar binnen als hij er is. Stel je voor dat hij zich Clauwaert herinnert, wanneer hij mij ziet.’
Abe probeerde haar te kalmeren. ‘Rustig maar, Floortje. Waarom zou hij ons kwaad willen doen. Wij hebben een goedlopende zaak en dat is ook in zijn voordeel.’
‘Geloof maar niet dat dat wat uitmaakt, lieve schat van me. Marzoeta had een goedlopende brouwerij en wat deed die snoodaard? Hij stal haar receptuur en brandde haar zaak plat. Ik ga hem niet bedienen.’
‘Blijf jij dan maar hier, buiten z’n gezichtsveld, als je zo bang bent. Ik zal hen wel bedienen.’ Abe ging de grote kamer binnen om de bestelling van de heer van Vellesan op te nemen.
Er ging een tweetal dagen voorbij eer Alubert zijn bevindingen kwam melden bij Darra. ‘Die vrouw is bekend in het vlek. Ze heet Floor en werd weduwe, nadat haar man de dood vond bij een poging de meier te vermoorden. Zij is onlangs opnieuw getrouwd met de herbergier. Hij is vrij recent naar Vellesan gekomen en nam de herberg over toen de vorige eigenaar bij een ruzie om het leven kwam. De mensen die ik sprak hadden geen goed woord over voor de vorige herbergier en voor de toenmalige meier.’
‘Hmm’, reageerde Darra enigszins verstoord.
Hij begreep het nu.
Natuurlijk! Zij was de vrouw van die tongloze schurk. Aan het einde van hun rit naar Vellesan had hij zich met z’n mannen enige ontspanning gegund, toen zij het verleidelijks in de beek hadden gezien. Dat was toch het recht van een heer. De gewone mensen moesten doen wat hun heer hen opdroeg. De vader had een hoop stampij gemaakt, samen met die Wieringer-clan van Aeijolt. Een heer kon zich natuurlijk niet laten beledigen en verdacht maken. Dat zou z’n machtspositie aantasten. Het plan dat Guy, Anselm en hijzelf hadden uitgedacht om de opstandigheid te onderdrukken, had echter meer problemen opgeleverd dan ze hadden kunnen denken. De sloebers waren stijfkoppig en leken er alleen maar sterker op te worden. Uiteindelijk zat er niets anders op dan het probleem met wortel en tak uit te roeien. Dat was niet helemaal gelukt. Kybbe was hem ontsnapt en nu bleek ook de vrouw van Clauwaert nog in leven. Nu begreep hij dat de blik waarmee ze hem aangekeken had, er een was van haat. Als ze net zo stijfkoppig was als haar man, kon dat in de toekomst weer voor problemen zorgen. Bovendien had ze een nieuwe man aan haar zijde, die succesvol was en populair onder de Vellesanners. Darra bedacht peinzend wat hij kon doen. Zou Floor aan de kant zetten genoeg zijn? Of zou hij dan een nieuwe vijand krijgen in Abe, de herbergier. Hij krabde aan z’n kin. Hier moest hij eens goed over nadenken.
Een idee rijpte in zijn hoofd. Het was eigenlijk briljant vond hij. Hij stuurde Alubert erop uit om Fergus te halen. Toen deze voor hem stond zei hij: ‘Beste Fergus, wat vind je van het idee om de herberg over te nemen?’
Fergus begon te pruttelen: ‘Dat is toch veel te veel werk. Ik heb m’n handen vol aan de brouwerij, zoals het er nu voorstaat en Abe is een goede afnemer.’
‘Luister sukkel. Je gaat het natuurlijk niet in je eentje doen. Er komen mensen om je te helpen en die betaal je. Dat kan makkelijk, want je gaat dan veel meer verdienen. Stel je voor. Je neemt je eigen bier af en verdient aan de verkoop in de herberg. Daarnaast heb je dan ook inkomsten uit logies en eten.’
‘Ja, maar ik kan helemaal niet koken!’, protesteerde de brouwer.
‘Wat ben je toch een sukkel. We vinden heus wel iemand die kan koken.’
‘Maar ik…’
‘Basta! Ik zeg wat je moet doen. Ik wil dat je het doet. Ik geef je een seintje, wanneer je de boel kan overnemen en ik zorg ook voor mensen die je gaan helpen. En nu, opgedonderd. Terug naar je brouwketel.’
Verschrikt vloog Fergus naar buiten.
Ondertussen wreef Darra in z’n handen. Zo, een potentieel probleem zou weldra worden opgelost en via Fergus zou hij een groter aandeel binnenhalen.
Hij richtte z’n pijlen niet op Floor, maar op de herbergier.
Op een dag werd Abe opgepakt en voor de meier gebracht. De aanklacht kwam van Fergus. Tot zijn verbijstering werd hij beschuldigd van wanbetaling. Hij zou voor tientallen leveringen niet hebben betaald. De tweede aanklacht kwam van de meier zelf. Hij zou te weinig hebben afgedragen aan het bestuur. Er moest worden betaald voor het verblijf van gasten in de herberg.
Hoezeer Abe ook protesteerde, het hielp hem niet. Natuurlijk had hij Fergus betaald voor het leveren van de fusten bier. De meier veroordeelde Abe tot het betalen van een forse boete. Fergus was slechts gebruikt door Darra. De boete verdween in z’n geheel in Darra’s geldkist.
Abe kwam onthutst en zeer kwaad terug bij Floor. ‘Het zijn dieven. Die meier is de grootste ervan. Ik kan niet eens bewijzen dat het een valse beschuldiging is. Iedereen danst naar zijn pijpen. Ik heb geen munt meer over om voorraad te kopen’, brieste hij.
Floor sloeg haar armen om hem heen. ‘Ik zei het je toch. Darra is een schurk, die iedereen te pakken neemt die hem ook maar een strobreed in de weg legt. Hij heeft mij gezien en zich herinnerd wie ik ben. Het was niet genoeg Clauwaert te vermoorden. Alles wat hem herinnert aan protest moet verdwijnen. Nu pakt hij jou aan, omdat je met mij bent. Zijn doel is om mij te vernietigen, daarvan ben ik overtuigd. In dat proces wordt jij meegesleept.’
Abe protesteerde, maar Floor legde hem het zwijgen op en ging verder. ‘Je moet van mij scheiden. Je moet mij de deur uitzetten als je de herberg wilt behouden.’
Weer protesteerde Abe en weer legde ze een vinger tegen zijn lippen. ‘Stil, mijn schat. Het is dat, of we bouwen samen elders een nieuw bestaan op.’
‘Ik denk er niet aan. Jij blijft bij mij en wij blijven hier in Vellesan. Nu ga ik de maaltijd bereiden voor onze pelgrims. Zorg jij verder voor de klanten.’ Hij stampte woedend weg naar de kookplaats. Met een diepe zucht keek Floor hem na.
Dorestad

- Hallem (Bergen); 2. Limbon (Limmen); 3. Vellesan (Velsen); B. Beverhem (Beverwijk); 4. Heiligerloo (Heiloo); 5. Haralem (Haarlem); 6. Litte (Leiden); 7. Utrecht; 8. Dorestad (in de buurt van het huidige Wijk bij Duurstede); 9. Daventre (Deventer); 10. Numaga (Nijmegen); 11. Bryggia (Brugge); 12. Gand (Gent); 13. Antwerpen; 14. Loven (Leuven); 15. Keulen.
Anna hoefde geen angst meer te hebben. Zowel Darra als Anselm waren vertrokken. Rorik was begonnen aan de herovering van Frisia om z’n gezag te herstellen. Alle leenmannen waren in zijn kielzog teruggekeerd naar de lage landen. Ze kon zich nu vrij bewegen door de straten van Keulen en hielp broeder Basilius in afwachting van de terugkeer van Sake.
Haar lange wachten werd beloond, toen ze eind maart met de Friese koopman aan boord ging van een schip met Dorestad als eindbestemming. Twee weken later kwamen zij aan bij de splitsing van de Rijn en de Lek waar de havenstad was gesitueerd. Hier namen ze afscheid van elkaar, nadat Anna Sake had verzekerd dat ze onmiddellijk naar de woning van Sahin zou gaan, de Moorse koopman, die ze bij haar eerste bezoek aan de stad om raad had gevraagd.
Sahin wist van Anna’s verblijf bij Moussa en was geïntrigeerd door de jonge vrouw, die half Europa was afgereisd om haar geliefde te vinden. Hij herinnerde zich nog het gesprek waarin ze hem vroeg wat de beste plek was voor iemand met bouwkundige interesses om heen te gaan. Haar intensiteit had hem zeer aangesproken. Natuurlijk betekende haar vriendschap met z’n geliefde nichtje Fatima, dat hij haar gastvrij onthaalde. Er werd opdracht gegeven een kamer voor Anna gereed te maken. Ze besprak met hem de brief die zij aan Moussa wilde sturen. Kybbe mocht haar beslist niet volgen naar Keulen. Sahin keek ervan op dat Kybbe werd verdacht van de moord op de vorige paus. Anna verzekerde de koopman ervan dat het om een ongeluk ging. Dat was haar ook bevestigd door verschillende bronnen, zei ze.
‘Het zijn onzekere tijden’, zei Sahin. ‘Weliswaar oogt het hier in Dorestad rustig en is men op bevel van graaf Rorik weer bezig met het uitbaggeren van de haven, maar de oorlogsdreiging blijft maar boven onze hoofden hangen.’
In de maanden hierna ontstond voor Anna een nieuw patroon. Ze maakte zich nuttig voor Sahin door z’n handelsregister bij te houden. Dat vergde maar enkele uren per week, waardoor ze veel tijd had om te wandelen en de abdij te bezoeken, waar ze bevriend raakte met de kloosterlingen. De bibliotheek was niet erg uitgebreid en niet te vergelijken met die van Basilius in Keulen. De weinige exemplaren waren echter wel de moeite waard. De monniken keken vreemd op van haar verzoek om kapitalen te mogen tekenen. Aarzelend stemde de bibliothecaris ermee in. Daar kreeg hij snel spijt van. Anna bleek geen talent te hebben voor deze kunst. Het kunnen schrijven was één ding, maar het schilderen van kapitalen was iets heel anders. Het vellum was te kostbaar om door een amateur te worden verspild.
Het leek haar wel of het steigersysteem in de haven nog verder was uitgebreid. De steigers en platformen waren nog langer. Sahin vertelde haar dat het noodzakelijk was de steigers te verlengen, omdat de rivier zijn loop steeds verder naar het oosten leek te verleggen.
De stad kende geen verdedigingswerken, maar er was wel een vluchtburcht met een systeem van grachten eromheen. Niet alle inwoners konden in tijden van nood hier een vluchtplaats bemachtigen. Dat was bij Vikingovervallen in vorige decennia wel gebleken.
Anna was zo verstandig om zich niet in de wijk te begeven, waar ze twee jaar eerder was overvallen. Gijs mocht dan dood zijn, maar de pooier was niet de enige laaghartige schoft in de stad. De zelfkant in een havenstad was altijd groot, had ze geleerd.
Wanneer kon haar brief bij Moussa zijn? Zou Kybbe naar Parisi zijn gegaan en had hij Moussa getroffen? Ze moest er niet aan denken dat hij haar spoor op een andere manier had opgepikt en haar naar Keulen was gevolgd. Ze kon echter niets anders doen dan wachten en dat viel haar zwaar.
In november zagen de inwoners van Dorestad de vlaggen en banieren van het grote leger van Rorik, dat positie innam ten zuiden van de stad.
‘Nu gaat het erom spannen’, zei Sahin. ‘Ik heb gehoord dat er een leger van het Kalifaat deze kant op komt. Als Rorik wordt verslagen, ligt de stad voor hen open. Ik hoop met heel m’n hart dat dat gebeurt. Het zou veel meer zekerheid geven. We zouden dan sowieso beter worden beschermd tegen Viking overvallen en reken er maar op dat het ten goede komt aan onze welvaart. De laatste twintig jaar is die hier achteruit gehold. Het belang van Dorestad is in die periode afgenomen. De rivier trekt zich terug van de stad. De ingenieurs van het Kalifaat zijn in staat om waterbouwkundige verbeteringen te verzorgen, zodat de haven weer kan floreren.’
Anna had in het kalifaat gezien waartoe het in staat was en was het op basis daarvan eens met Sahin. Hoe zou het nu in Vellesan gaan? Bevond Darra zich onder de manschappen van Rorik, ginds op het komende slagveld? Dat moest natuurlijk wel zo zijn. Hij was tenslotte door z’n leeneed aan de graaf verplicht z’n militaire taak te vervullen. Wat zou het geweldig zijn als hij op het slagveld zou blijven en Rorik de strijd zou verliezen.
Het leger van het Kalifaat was aangekomen en nam positie in tegenover dat van Rorik. De veldslag zou naar alle waarschijnlijkheid bij het krieken van een nieuwe dag beginnen. De daaropvolgende dag waren de geluiden van de veldslag tot in de stad hoorbaar. Anna ging snel naar de vluchtburcht om zicht te hebben op de strijd die zich verderop ontrolde. Voor een ongeoefend oog zag het strijdgewoel er chaotisch uit, maar enige tijd later leek het alsof een deel van het Frankische leger terugweek. De linies braken! Het leger van Rorik sloeg op de vlucht. Anna zag het gebeuren en ze jubelde het uit. Ze rende naar beneden en holde het hele stuk terug om Sahin deelgenoot te maken van de overwinning van het Kalifaat. Er leken meer mensen dan normaal de stad te verlaten.
‘De mensen die te vrezen hebben van de komst van onze militairen, kiezen het hazenpad’, zei Sahin smalend. Het zal voornamelijk het tuig zijn uit de wijk hierachter. De dieven vrezen de wetten van het Kalifaat.’
Anna was opgewonden. Haar energie moest gekanaliseerd worden. Ze kon niet stilzitten. Ze besloot tot een stevige wandeling in de namiddag om haar hoofd leeg te maken. Ze liep naar het oosten via de haven en fantaseerde tijdens het lopen over de komst van Kybbe naar Dorestad en hun gezamenlijke reis naar een vrij Vellesan. Ze dwaalde langs de lintbebouwing aan de rivier en merkte dat ze bijna aan het einde ervan was gekomen. Het werd al schemerig. Daarom keerde ze haastig om. Het zou beter zijn voor donker terug te zijn in het huis van Sahin. Nu ze om zich heen keek, zag ze dat zich verder niemand buitenshuis bevond. Het duister verdiepte zich. Anna versnelde haar pas. Een grote donkere gestalte stapte achter een boom vandaan en greep haar vast. Ze raakte in paniek en probeerde zich los te worstelen. Er was echter geen ontkomen aan de ijzeren greep. Een tweede schim klemde een hand op haar mond. Haar voeten werden onder haar weggeslagen en ze voelde zich opgetild worden, terwijl de duistere figuren naar adem hapten om hun greep op haar kronkelende lichaam te behouden. Even later werd ze neergelegd. Gras kriebelde in haar nek. Harde handen drukten haar stevig op de grond, terwijl een ander paar de kleding van haar lichaam scheurde. Een zwaar gewicht zonk op haar neer. Om haar in bedwang te houden, moest de tweede man z’n handen verplaatsen. Anna gilde het nu uit. De man, die met z’n volle gewicht op haar lag, vloekte.
De ander zei: ‘Ik kan er niks aan doen Koos. Ze blijft zich los worstelen.’
‘Hou haar dan…’ Hij onderbrak zichzelf, toen rennende voeten klonken en er in een onverstaanbare taal werd geschreeuwd.
De kleinere man riep: ‘Koos, wegwezen! Het zijn de Moren. Ze zijn hier in de stad. De druk op Anna nam of toen de grote man haastig opstond. Ze grabbelde wanhopig rond, op zoek naar haar kleren. Een enorme kreet klonk en staal suisde door de lucht. Warm vocht vloeide over Anna’s lichaam. Naast haar zakte haar overweldiger ineen. Een grof gezicht verscheen boven haar en de angst besprong haar opnieuw. Toen klonk het in het Arabisch: ‘Wees niet bang. Ik doe je geen kwaad. Ik wil je alleen maar helpen. ’Hij drapeerde een mantel over haar schouder, nadat hij haar overeind had geholpen. In het licht van meerdere fakkels herkende Anna de aanrander, die dood aan haar voeten lag. Een snerpende gil klonk iets verderop. Een andere Arabisch stem klonk vanuit het duister: ‘Ik heb die andere schoft ook te pakken.’ Anna trilde over haar hele lichaam. ‘Je verstaat me natuurlijk niet’, bromde de Arabier, ‘maar het is voorbij. Wees niet bang.’
Anna kon niet stoppen met huilen. De tranen stroomden over haar wangen, terwijl ze de hand van de Arabier vastpakte en ze hem snikkend in zijn taal bedankte.
De man was stomverbaasd. ‘Je spreekt mijn taal. Ongelofelijk. Maar laten we eerst zorgen dat je veilig onder dak komt. Waar kunnen wij je naar toe brengen? Heb je hier een verblijfplaats?’
Sahin was opgewonden en opgetogen. De strijd was gewonnen. Het leger van Rorik had de strijd verloren. Het einde van de dag naderde en de krijgsheren zouden weldra in de stad arriveren. Hij wilde ze ontvangen en onderdak aanbieden. Hij hoopte dat ze snel zouden komen, nu er nog daglicht was.
Die hoop was ijdel. De schemering viel al in. Sahin liet fakkels ontsteken. Als ze hadden besloten nog vandaag de stad binnen te gaan, zouden ze zeker op het licht afkomen. Het kon natuurlijk zijn, dat ze besloten hadden om morgen het stadsbestuur tegemoet te treden. Die bestuurders hadden zich na de veldslag niet meer laten zien. Sahin wist niet of zij in angst voor de veroveraars de stad waren ontvlucht.
Het geluid van meerdere stemmen bereikte zijn oren. Opwinding maakte zich van hem meester. Ze waren dan toch gekomen.
Toen de mannen binnen de lichtkring van de fakkels kwamen, trad een van hen Sahin tegemoet. De formele begroeting van Sahin wuifde hij ter zijde, terwijl hij sprak: ‘We slaan de introducties even over. Eerst moet deze vrouw worden verzorgd.’
Twee soldaten traden naar voren met de gehavende Anna, over wie ze zich hadden ontfermd.
Sahin schrok: ‘Anna! Wat is er gebeurd?’
Anna huilde nog steeds en was niet in staat te antwoorden.
De krijgsheer nam weer het woord: ‘Antwoorden komen later. Laat een arts naar haar verwondingen kijken en leg haar dan in bed. Rust lijkt het beste.’
Sahin zorgde ervoor dat Anna het gevraagde kreeg. Hij was geschokt en zat vol vragen. De krijgsheer eiste nu z’n aandacht op.
Hij stelde zich voor als Abd al-Mutarrif, generaal van het noordelijke leger en wilde zo snel mogelijk een gesprek met het stadsbestuur. Sahin begeleidde de militairen naar de bestuurders. Die waren echter onvindbaar. Hierop liet Al-Mutarrif alle handhavers verzamelen. De ordedienst kreeg te verstaan dat ze hun werkzaamheden moesten voortzetten zoals ze waren gewend, tot er een nieuw bestuur was gevormd.
Nu pas was er tijd voor de ontvangst die Sahin voor ogen had. Hij kreeg te horen welke situatie de generaal had aangetroffen toen hij in de stad aan kwam en hoe zij Anna hadden bevrijd uit de klauwen van misdadige elementen. Sahin was aangedaan en vertelde tot Al-Mutariffs grote verbazing dat Anna bekend was aan het hof van de kalief.
In de dagen hierna onderging Dorestad in rap tempo grote veranderingen. In het kielzog van de soldaten bereikten bestuurders, ingenieurs, arbeiders op elk terrein en zakenlieden de stad. Geleidelijk verdween de lethargie waarin Anna zich bevond. Niet langer nam Kybbe de vooraanstaande plek in haar gedachten in. Ze wilde zo snel mogelijk weg uit Dorestad. De herinneringen aan gebeurtenissen hier dienden volledig uit haar geheugen te worden gewist. Ze kon de aanblik ervan niet meer velen. Hoeveel ze ook aan Sahin had te danken, ze kon niet blijven. Ze besloot terug te keren naar Vellesan.
Thuis
870 n.Chr.
De onderhandelingen tussen het Kalifaat en het Frankische Rijk verliepen moeizaam en sudderden door tot laat in het jaar.
Dit kwam voornamelijk door de halsstarrigheid van Lodewijk. Hij bleef vasthouden aan de nalatenschap van z’n neef. Wat ook niet hielp om resultaat te behalen aan de onderhandelingstafel was het feit dat hij zijn cultuur als superieur zag aan die van de Islam. Ali wilde vanuit zijn opdracht tot een vredesregeling vooral duidelijk gedefinieerde en goed te beschermen grenzen in het oosten en noorden. Het Kalifaat besloot de oorlog te verleggen naar het noorden om zo druk uit te oefenen op Lodewijk.
Het leger rukte ongehinderd op tot de grote rivieren, die de lage landen doorsneden. Daar stond Rorik met z’n manschappen klaar om weerstand te bieden. Hij had gehoopt dat Lodewijks leger opnieuw zou aanvallen nadat het Kalifaat de grens had overschreden. Hij vreesde dat zijn tegenstander te sterk voor hem zou zijn. Daarom talmde hij. Maar het verlies van Dorestad zou onacceptabel zijn. Dat gevaar dwong hem z’n leger in te zetten. Het Omajjadenleger bleek niet zo groot te zijn als gedacht. Bij het aanschouwen van het vijandelijke leger voelde Rorik z’n zelfvertrouwen toenemen. Hij besloot te vertrouwen op het getalsmatige overwicht van zijn met lange zwaarden en lansen gewapende cavalerie. Hij liet hen meermalen charges uitvoeren. De ridders droegen maliënkolders en hun paarden werden beschermd met een pantser.
Ook nu verrichtten de Turkse strijdkrachten echter gymnastische hoogstandjes op paardenruggen. De in meerderheid Frankische ridders konden hier niet tegenop. De Turkse soldaten waren al van jong af aan getraind in paardrijden en boogschieten vanaf de rug van een galopperend paard. Ze waren mobieler dan enige andere soldaat en legden makkelijk grote afstanden op 1 dag af. Zij decimeerden het Frankische leger in hoog tempo.
Rorik ontvluchtte het slagveld. Hij zag dat de strijd verloren was. De vlucht van hun krijgsheer, zorgde voor chaos in zijn leger. Voetsoldaten gaven zich over of probeerden te vluchten. De overgebleven ruiters gaven hun paarden de sporen en verdwenen rap uit het gezichtsveld van de overwinnaars. Velen vluchtten naar het oosten.
Tijdens de opmars van het Kalifaat naar Dorestad en de mobilisatie van Roriks leger hadden de Friezen zich bewapend. Ze belaagden nu overal de achtergebleven vazallen van de graaf. De feodale structuur werd direct afgeschaft. Omdat het landsheerlijk gezag was gestopt vormden de bewoners zelf het bestuur. Bepalend hiervoor was het grondbezit.
Het klooster van Hallem werd daardoor een lokale machtsfactor. Anselm zag z’n rol als bisschop gedwarsboomd door de abt. In plaats van kerkelijk leider van Kinhem werd hij door het wegvallen van de grafelijke macht en de afwezigheid van Darra, teruggeworpen tot een functie in Vellesan. Maar ook die positie was precair, gezien het feit dat vele Vellesanners hem niet bliefden.
Net als in de rest van Frisia beoefenden de boeren voornamelijk de veeteelt en akkerbouw, hetgeen ze combineerden met handel. In het hele gebied werd het geld van de muntslag in Dorestad gebruikt, maar ook de sceatta en andere Europese munten. Met de komst van de Omajjaden werd nu natuurlijk de dirhem de meest gebruikte munt in Dorestad.
Ali was teruggekeerd in Parisi. De vredesonderhandelingen in Straatsburg waren vastgelopen. Het antwoord uit Córdoba was kort. Hij kreeg de opdracht zich naar de hoofdstad van de Wilaya te begeven en van daaruit het contact tussen de kalief en de legerleiding te onderhouden. Het leger kreeg opdracht om op te rukken naar het noorden. Het idee was daarmee zodanige druk uit te oefenen dat Lodewijk alsnog akkoord zou gaan met de voorgelegde vredesregeling. De keizer had tijd nodig om nieuwe krachten te verzamelen na zijn nederlaag. Hij kon niet reageren op de aanval. Zijn onderhandelingspositie zou zwakker worden. Met de inname van Dorestad zou het Kalifaat de rivierendelta beheersen en daarmee handelsroutes die belangrijk waren voor het Frankische Rijk.
Kybbe keek Ali met open mond aan. ‘De lage landen in handen van het Kalifaat? Geen Rorik meer als graaf van Frisia?’
‘Dat laatste weet ik niet’, antwoordde Ali. Op dit moment trekken onze troepen op naar Dorestad. Als ze de stad in handen hebben, stoppen ze. Het rivierengebied wordt onze nieuwe buitengrens.’
‘Dus het leger komt niet in Kinhem?’, vroeg Kybbe.
‘Nee, de legerleiding heeft opdracht gekregen om niet verder te gaan.’
‘Dus ik kan eindelijk naar Dorestad om Anna te zoeken?’
Er verscheen een diepe frons op het gelaat van Ali. ‘Dat lijkt me onverstandig. Wacht tot de stad is ingenomen door onze troepen. Ik zal de legerleiding een boodschap sturen naar haar uit te kijken als ze eenmaal in de stad zijn. Wacht daar op. Doe niets overhaast.’
Het lang verwachte bericht kwam toch nog onverwacht. Een opgetogen Ali kwam hen in de hamam opzoeken, nadat hij Fatima alleen thuis had getroffen. Ze vertelde hem naar het badhuis te gaan. Hij zei hen dat Dorestad was ingenomen. ‘De Franken zijn verslagen en Rorik is gevlucht.’
Moussa en Kybbe sloegen elkaar op de schouders van plezier.
‘We gaan meteen met je mee Ali. Dit moeten we vieren’, sprak Moussa.
Toen ze gezeten waren hieven ze hun bekers. ‘Er gaat niets boven een goed glas wijn’, zei Moussa. ‘De profeet, geheiligd zei zijn naam, heeft destillaten verboden. Terecht, want je kunt er gek van worden. Bier en wijn zijn gelukkig zuiver. Proost vrienden.’ Ze konden niet anders dan instemmen met deze woorden.
De voorbereidingen voor het laatste stuk van Kybbe’s reis werden nu getroffen. Een van de handelsschepen van Moussa op weg naar Ribe zou onderweg Dorestad aandoen en hem daar afzetten. Het afscheid viel allen zwaar. Zelfs Moussa zag er aangedaan uit. Fatima liet haar tranen de vrije loop en hing om de hals van Kybbe. Deze zei: ‘Als de oorlog voorbij is en je taken het toelaten, moet je naar Vellesan komen, Ali.’
Zijn vriend omhelsde hem: ‘Ik zal zeker die kant op komen, als er definitief vrede is gesloten.’
Ook Moussa voorzag een weerzien in de toekomst. ‘Fatima zal net zo lang aan m’n hoofd blijven zeuren tot ze naar Kinhem mag. Dat zal ik alleen toestaan onder mijn directe hoede’, lachte hij z’n tanden bloot.
Met een laatste ferme klap van Ali op z’n schouder stapte Kybbe op de boot. Hij voer weg, z’n thuisland tegemoet.
Nu hij eindelijk op weg was leek alles soepeler te verlopen. De zee hield zich kalm en leeg. Slechts enkele schepen kwamen in zicht en geen van hen had kwade bedoelingen. Kennelijk hadden alle Vikingen zich geconcentreerd op de Britse eilanden. Nergens waren de gevreesde drakenschepen te bekennen.
Als reiziger had Kybbe meerdere tegenslagen te verwerken gekregen en weinig bezittingen meegedragen. Nu werd hij, tegen het einde van het jaar, met een zak, waarin wat kleding en toiletartikelen aan een van de steigers van Dorestad afgezet. Hij had een grote beurs onder z’n kleding met een flink bedrag aan munten. Ali had er op gestaan dat hij die in ontvangst nam. ‘Het is slechts een schamele beloning voor de dienst die je de kalief hebt bewezen’, had hij erbij gezegd.
Kybbe antwoordde dat zijn vrijheid en de aanstaande hereniging met Anna al de grootste beloning betekende die mogelijk was. Hij had het geld natuurlijk moeten accepteren, want Ali zei met een strenge blik: ‘Anders zal ik je, uit hoofde van m’n positie als vertegenwoordiger van het hoogste gezag, verbieden uit te varen.’
Aan het einde van het jaar wandelde Anna Vellesan binnen. Het duurde niet lang voordat ze werd herkend. En er klonk een verwonderd gefluister. ‘Dat is toch Anna? Hoe is het mogelijk?’
Als een lopend vuurtje verspreidde zich het verhaal van de wonderlijke wederopstanding van Anna.
Floor hoorde het. Ze liep snel naar buiten en rende haar tegemoet, toen ze zag dat het gerucht waar was. ‘Anna! Hoe is het mogelijk!’
Tranen van geluk biggelden over beider wangen en ze vielen elkaar snikkend in de armen.
Anna werd direct door haar meegetroond naar de herberg. Daar stond Abe te wachten, verbijsterd dat z’n vrouw zo hard de deur was uitgelopen.
Floor wilde alles tegelijk weten. Teveel vragen rolden van haar lippen om direct te beantwoorden. Anna riep: ‘Rustig Floor, rustig. Laten we gaan zitten en wat drinken, dan kan ieder van ons de nieuwsgierigheid van de ander bevredigen.’
Floor herpakte zich en commandeerde Abe om direct wat van het lichte brouwsel te gaan halen.
Nadat de verversing was neergezet en Abe zich nieuwsgierig bij de twee vrouwen had aangesloten, wilde ze dat Anna als eerste ging vertellen. Als inwoner van Vellesan was ze nooit verder dan enkele ellen buiten het vlek geweest. Ze luisterde dus met rode oortjes en vol ongeloof naar de belevenissen van Anna op haar zoektocht naar Kybbe. Anna vertelde haar verhaal tot aan de terugkeer naar Dorestad en het uitbreken van de oorlog. De pijnlijke episodes in Dorestad liet zij onvermeld.
‘Maar je hebt Kybbe dus niet gevonden’, merkte Floor op.
‘Nee, maar ik weet dat hij in leven is en zich waarschijnlijk in Parisi bevindt. Sahin heeft een brief naar Moussa gestuurd, waarin staat dat ik in Dorestad aankwam. Ik weet niet of die brief Kybbe zal bereiken. Maar als hij bij Sahin komt zal hij me hiernaartoe kunnen volgen.’
Floor had haar relaas in spanning aangehoord. In haar gezicht weerspiegelde zich de gebeurtenissen, die angst en blijdschap inhield. Ze slaakte ontzette kreten, toen ze vernam hoe de twee elkaar waren misgelopen in Córdoba en bij de episodes van Anna met de beer en met de zoons van Giselbert in Turnhout.
Abe zei: ‘Het is een godswonder als jullie elkaar uiteindelijk weten te vinden.’
Nu moest Floor haar verhaal doen. Anna was verheugd dat zij in Abe een nieuw anker in het leven had gekregen en was benieuwd naar de ontwikkelingen in Vellesan sinds haar vertrek.
Ze kon zich niet langer inhouden en vroeg: ‘Is Darra hier teruggekomen? Ik heb hem het laatst in Keulen gezien en daarna vertrok hij met Rorik.’
Abe antwoordde dat Darra inderdaad z’n positie als meier weer had ingenomen, maar dat hij en z’n ridders met Rorik naar het front waren vertrokken. ‘Dat was wel schrikken hier in Vellesan toen dat grote leger vanuit Hallum over de heerweg aankwam. We waren opgelucht dat het buiten het vlek bleef. Nadat Darra en z’n mannen waren uitgereden, trok het verder naar het zuiden. Sindsdien leven we onder het bestuur van een hoofdmanschap. Deze Friese vrijheid bevalt ons uitstekend.’
Floor beaamde dat: ‘Alles ging goed nadat Abe en ik samen waren gegaan. De herberg draaide geweldig en we maakten veel vrienden. Toen Darra terugkwam veranderde alles. Hij verzon van alles om ons te dwarsbomen en ik zei al tegen Abe dat we Vellesan moesten verlaten. Gelukkig voor ons trok het Kalifaat toen deze landen binnen en moest Darra met Rorik mee.’
Floor balde haar vuisten: ‘Ik hoopte zo dat Rorik zou verliezen en Darra op het slagveld zou achterblijven.’
‘Maar wat doen de Omajjaden nu ze hebben gewonnen? Hebben we het slechte ingeruild voor het nog slechtere, wanneer het kalifaat Vellesan inneemt?’, vroeg Abe.
Anna reageerde hierop. ‘Ik denk niet dat je daar bang voor hoeft te zijn, Abe. Ik weet zeker dat de kalief het gebied boven de grote rivieren niet in gaat nemen. Dorestad zal z’n meest noordelijke stad worden. Dat heb ik gehoord uit een gesprek tussen Sahin en de veldheer van het Kalifaat. De loop van een rivier biedt als grens een betere mogelijkheid tot bescherming.’
‘Dan hebben we alleen te vrezen dat Rorik hier de strijd weer aangaat met de vrije Friezen. In dat geval zal ook Darra terugkeren’, was de conclusie van Abe.
Anna moesten natuurlijk haar intrek nemen in de herberg. Floor stond er op dat ze bij haar zouden blijven tot ze met een teruggekeerde Kybbe een eigen onderkomen zou vinden. Ze zag het al helemaal voor zich: ‘Als jullie dan eenmaal gesetteld zijn, kunnen jullie een ceremonie ondergaan om je band definitief te maken. Er gaat natuurlijk een groot feest komen om die binding te vieren.’
Hierop viel Abe in: ‘Maar eerst komt de viering van het winterfeest. Heel Vellesan verheugt zich op de komende dagen.’
Terugkeer
871 n.Chr.
Kybbe arriveerde in de maand Safar van het jaar 258 in Dorestad. Hoewel de Islamieten geen kerstviering kenden, was de overwegend christelijke stad in feeststemming. De nieuwe jaartelling werd door het grootste deel van de inwoners niet gebruikt. Voor hen was het december 870. Sahin verwelkomde Kybbe als een vriend van de familie en hij werd voorgesteld aan generaal Al-Mutariff. De generaal kende het verhaal van de aanslag op de kalief en de daaropvolgende invrijheidsstelling van de betreffende slaaf, die vriendschap had gesloten met de belangrijkste diplomaat van het hof. Hij kende Ali persoonlijk en was direct gecharmeerd van Kybbe. Daar droeg het feit dat Kybbe in het Arabisch met hem converseerde en het spel kon spelen dat dicht aan het hart van Al-Mutariff lag, grotelijks aan bij.
Kybbe kreeg van Sahin te horen hoe Anna uitgekeken had naar zijn komst, na het versturen van de brief aan Moussa. Het hart van de aspirant bouwmeester sprong op bij het horen van dit verhaal. Het vervolg raakte hem echter als een sprong in een ijskoude winterse rivier. Hij rilde van afschuw bij het aanhoren van de verschrikking die haar was overkomen op de avond van de overwinning op Rorik. Ze had niet meer in Dorestad willen blijven, zei Sahin. Daarop was ze vertrokken naar Vellesan. Het liefst was hij direct achter haar aan gereisd naar Kinhem, maar er was die ochtend een boodschap van Ali gekomen met het verzoek om diens komst naar Dorestad af te wachten. De generaal en de koopman drongen er bij Kybbe op aan om dat verzoek in te willigen.
Enkele dagen later kon hij z’n oude vriend begroeten in de haven van de stad. Ali had verwacht dat Kybbe inmiddels herenigd zou zijn met Anna en verkeerde in de veronderstelling dat zij in Dorestad had gewacht. Al-Mutariff bracht hem snel op de hoogte van de ontwikkelingen sinds de overwinning op het slagveld.
Ali legde z’n handen op de schouders van z’n vriend en zei: ‘Wat een trieste ontwikkeling, Kybbe. Ik leef met jou en Anna mee. Ga naar haar toe, troost haar en probeer haar wonden te helen. Ik wilde jou met Anna hier ontmoeten. Dat kan helaas niet. Daarnaast wilde ik informeren hoe ik je kan helpen met het opstarten van bouwplannen die je waarschijnlijk in Vellesan wil verwezenlijken.’
Kybbe vertelde hem dat hij een bescheiden start wilde maken met de bouw van een hamam. Daarbij zou hij twee goede ambachtslieden kunnen gebruiken. Ali beloofde een paar metselaars en een bekwame timmerman te sturen. Hoezeer Kybbe het samenzijn met Ali ook waardeerde, de magneet die Anna was, trok harder aan hem. Hij moest naar Vellesan. Daags daarna namen ze afscheid en vertrok Kybbe naar Kinhem.
Bij z’n entree in Vellesan werd hij al spoedig omringd door een aantal enthousiaste inwoners. Het verhaal van Anna en Kybbe was gretig door het vlek verspreid. Degenen die het tweetal voor hun vertrek hadden gekend en zich de verschrikkelijke brand en de vlucht van Darra herinnerden vertelden het aan een ieder die het wilde horen. De enthousiaste ontvangst was daarom niet zo vreemd. Kybbe werd direct naar de herberg van Abe en Floor begeleid. Deze kwamen naar buiten toen ze het rumoer gewaar werden. Hun ogen verwijdden zich toen ze Kybbe in het midden van de groep ontwaarden en Floor riep opgewonden: ‘Anna, kom! Het is Kybbe!’
Anna kwam naar buiten gerend. Ze zag Kybbe en wierp zich in z’n armen. Het publiek joelde en juichte. Er werden spontaan dansjes gedaan in de straat. Toen het jonge paar naar binnen ging, drongen de inwoners achter hen aan de herberg binnen. Floor zorgde ervoor dat de deur naar het privégedeelte werd gesloten en liet Abe achter om voor de menigte te zorgen. Er zou wel wat genuttigd worden onder het vertellen van grote verhalen. Ze twijfelde niet of er zouden al snel allerlei sterke verhalen door het vlek gonzen.
Floor keek toe hoe Anna en Kybbe elkaar opnieuw in de armen vielen. Tranen biggelden over hun wangen, terwijl Floor vergenoegd toekeek naar de hereniging van haar jonge vriendin met de man waarvoor ze bereid was naar het einde van de wereld te gaan. Ze besloot Abe te gaan helpen en het verliefde stel alleen te laten om elkaar te vertellen wat ze hadden meegemaakt, sinds ze van elkaar waren gescheiden door de verschrikkelijke gebeurtenissen in Vellesan.
Toen Floor de kamer had verlaten, wilde een uitgelaten Anna weten hoe het Kybbe was vergaan sinds hij Vellesan had verlaten.
Kybbe begon te vertellen terwijl hij haar handen in de zijne nam.
‘Ik wist niet wat ik moest doen toen ik de brouwerij in vlammen op zag gaan. M’n vader sleurde me mee en weerhield me ervan de vlammenzee in te lopen in een poging bij jou te komen.’
‘Dat zou zinloos zijn geweest’, zei Anna. ‘Het zou alleen maar je dood hebben betekend.’
‘Maar hoe heb jij dat inferno dan overleefd?’, vroeg Kybbe.
Anna zei dat ze dat later wel zou vertellen, maar eerst wilde ze zijn verhaal helemaal horen. Kybbe vervolgde het met de vlucht van Darra en Anselm en hoe z’n vader daarbij de dood vond. Anna reageerde geschokt, maar spoorde hem vervolgens aan door te gaan. Dus vertelde Kybbe over z’n reis naar Keulen en hoe hij onderweg de kost verdiende. Aan bod kwamen ook zijn indrukken van het landschap en de aanblik van de eerste echte stad die hij zag. Hij beschreef Keulen als een grote havenstad met interessante overblijfselen uit de Romeinse tijd. Hij was er relatief gelukkig, voor zover dat mogelijk was met het beeld van de brandende brouwerij voor ogen. Er was een enorme bibliotheek in de stad, waar hij graag verkeerde en het werk aan de kathedraal leerde hem veel. Hij vond een goede vriend in Gerhard. Deze waarschuwde hem na het ongeluk met de paus, dat Darra het als moord verkocht aan de keizer en dat Kybbe de moordenaar was. Gerhard was samen met hem de stad ontvlucht.
Dat wist Anna natuurlijk van broeder Robertus. Ze onderbrak hem echter niet, maar liet hem verder vertellen. Er zou later nog genoeg tijd zijn om vragen te stellen. Kybbe vertelde haar over de achtervolging door Darra en de ontsnapping die Gerhard het leven kostte. Zijn ogen werden vochtig bij dit deel van het verhaal. Hij herpakte zich en ging verder met het relaas van z’n eenzame voettocht naar Regensburg.
Anna riep uit: ‘Dat herken ik goed. Hoeveel dagen heb ik alleen maar bomen gezien en deed alles in m’n lichaam pijn van de lange dagmarsen.’ Kybbe wilde daar meer van weten, maar Anna zwaaide ongeduldig met een arm en zei: ‘Nee. Ik wil dat jij doorgaat.’
Daarom begon hij over de gelukkige tijd op de Donau. Hij waande zich toen buiten het bereik van de keizerlijke macht en verheugde zich op een toekomst in Constantinopel. Eindelijk zou hij zich kunnen wijden aan de bouw van grote constructies. Het mocht niet zo zijn. Achteraf gezien misschien wel tot z’n geluk, want de stad werd even later ingenomen door de Bulgaarse vorst. Bovendien zou hij er dan waarschijnlijk nooit van in kennis zijn gesteld dat Anna nog in leven was. Ze zouden dan niet hier samen hebben gezeten in hun nieuw gevonden geluk.
Door de overval van piraten op de rivier kwam Kybbe in een moeras terecht. De poging hen te ontvluchten had er echter voor gezorgd dat hij in handen was gevallen van Bulgaarse slavenhalers. Een kreetje ontsnapte aan Anna’s lippen. Ze hield zich verder echter stil.
Dus vertelde hij over z’n ontmoeting met Ali en de lange gesprekken die ze samen voerden. Ze dachten dat ze samen zouden worden verkocht door de Narentijnen, waar ze aan werden overgedragen. Ze werden echter van elkaar gescheiden en aan boord van verschillende schepen gebracht.
‘Toen we de haven uitvoeren werden we aangevallen door een vloot van het kalifaat. Het schip waarop ik zat vastgeketend werd tot zinken gebracht.’
Anna reageerde ontzet. ‘Hoe heb je dat overleefd?’
‘Ik heb werkelijk geen flauw idee. Ik kwam op een gegeven moment bij op het strand van een eiland, dat Korcula wordt genoemd. Het eerste wat ik daar zag was een jonge vrouw, die met haar vader garnalen en schaaldieren aan het vangen was. Zij namen me mee naar hun dorp. Daar heb ik een maand doorgebracht.’
‘Was je met die vrouw, Kybbe?’
‘Wat kan ik zeggen, Anna? Ja, ze was de eerste die mij wist te raken. Al die tijd kon ik alleen maar aan jou denken en om je treuren. Ik keek naar geen enkele vrouw om. Met Nevena leek het of ik het verleden kon loslaten. Ik begon plannen te maken. Nevena had echter andere plannen. Zij kon haar thuis en haar vader niet verlaten. Ik wist dat ik nooit gelukkig zou kunnen blijven op dat eiland en ik vertrok. Ze bracht mij zelf weg en zorgde voor passage naar Lausa. Alles leek voorspoedig te gaan op weg naar Sicilië. Het liep echter wéér mis. Voordat we er erg in hadden werden we van achteren geramd door een veel sneller piratenschip. Er was een chaotisch gevecht aan boord van ons schip. We hadden geen schijn van kans. Ik kreeg een klap op mijn hoofd en werd als slaaf verkocht in Licata aan Ghalib al-Nasiri, een Córdobaanse koopman in wiens huis ik vanaf de aankomst in de stad werkte. Aan boord van zijn schip deed ik onderweg een nieuwe vriend op, Dusan. Hij kwam als slaaf terecht in het paleis van de vizier van Córdoba. We brachten onze vrije tijd meestal samen door. Hij hoorde van het complot tegen de kalief en zorgde ervoor dat mijn vriend Ali het te horen kreeg. Dusan betaalde met z’n leven voor deze daad. Hij werd op straat neergestoken en stierf in mijn armen. Ali zorgde ervoor dat alles in orde kwam en de kalief maakte mij uit dankbaarheid vrij en bezorgde me een betrekking bij de bouwmeester. Dat was de vader van Inaya, maar daar kwam ik pas veel later achter. Van Inaya hoorde ik dat jij nog in leven was. Ze vertelde dat jij met haar door Córdoba ging en in alle uithoeken naar mij zocht, tot je besloot de zoektocht voort te zetten in Sevilla, waar je hoorde dat ik in Keulen was gezien. Toen ik dat vernam heb ik m’n spullen gepakt en direct een boot genomen om je achterna te reizen naar Keulen. Bij Bordeu richtten Vikingen een slachtpartij aan toen wij daar aanlegden. Wij bleven gelukkig gespaard en werden gered door ruiters van het Kalifaat. Ik bracht na de strijd een jongen, die voor mijn ogen was neergeslagen naar een Joodse arts in Bordeu en daar vernam ik tot m’n verbijstering en geluk, dat hij jou daar met soortgelijke symptomen had verzorgd, of liever gezegd, zijn zoon deed dat. Er is niet veel meer te vertellen. We kwamen aan in Honfleur. Ik vond een boot naar Parisi; informeerde op de kade naar Moussa en was gedwongen in de stad te blijven tot de strijd zich had uitgespeeld. Ik wilde je achterna naar Keulen, maar gelukkig werd dat verhinderd door de oorlog. Fatima dacht dat je vanuit Keulen naar haar huis zou komen en daarom bleef ik daar op je wachten. Na verloop van tijd werd het duidelijk dat het feitelijk onmogelijk voor je was naar Parisi te komen en we bedachten dat je dan waarschijnlijk Sahin zou opzoeken. Later arriveerde jouw brief. Eind december was het eindelijk zo ver en kon ik naar Dorestad. Van daar uit vertrok ik naar Vellesan en vond jou hier tot m’n onuitsprekelijke geluk.’
Anna’s hart sprong op en beloonde hem met een heerlijke kus, maar stapte terug toen ze de stem van Abe hoorde die tegen Floor zei: ‘We hebben de tortelduifjes nu wel lang genoeg alleen gelaten.’
Het paar stapte het vertrek binnen.
Nu kreeg Kybbe te horen wat er in de jaren van z’n afwezigheid in Vellesan was voorgevallen en herhaalde hij in beknopte vorm hetgeen hij aan Anna had verteld over zijn wederwaardigheden. Tegen de tijd dat de slaap hen overmande, besefte hij dat Anna nog niets had verteld.
Abe zag dat de jonge mensen uitgeput waren. De emoties waren hoog opgelopen en rust was nodig. Als man van de regelmaat gaf hij Floor een seintje en zei: ‘Wij gaan naar bed. Anna toon jij Kybbe waar hij slaapt? Welterusten.’
Het jonge paar viel al snel in slaap, moe als ze waren. Het bleef lange tijd rustig, maar op een gegeven moment werd Kybbe gewekt door een zacht gesnik. ‘Wat?’, begon hij.
Anna drukte haar vinger tegen z’n lippen en er klonk een zacht ‘Ssst’ in het donker van de kamer.
Haar warme lichaam kroop tegen hem aan.
‘Eindelijk, na al die tijd’, zuchtte ze.
Hun gezichten waren naar elkaar gericht en een vonk sloeg over toen hun lippen elkaar raakten. De passie verdiepte zich. Kybbe’s lid zwol op. Hij draaide Anna op haar rug en plaatsen z’n handen naast haar om z’n gewicht te verminderen. Op dat moment blokkeerde er iets in haar. Ze plaatste haar handen tegen zijn borst en duwde hem weg. ‘Nee, Kybbe…Ik kan het niet…Nog niet.’ Ze huilde. ‘Laat me gewoon tegen je aanliggen, je voelen en een beetje knuffelen.’ Ze snapte het zelf niet. Ze hunkerde ernaar hem te voelen en tegelijkertijd was er iets dat haar remde.
Kybbe verslapte en liet zich weer naast haar vallen. Hij was teleurgesteld dat haar passie zo plotseling was verdwenen.
‘Wat is er Anna? Vertel het me alsjeblieft. Wat doe ik verkeerd?’
‘Het ligt niet aan jou, Kybbe’, fluisterde ze snikkend. ‘Het ligt aan mij. Mijn hoofd doet raar. Er zijn dingen gebeurd, waardoor…’ Ze stokte.
‘Vertel het me, Anna. Wat is er gebeurd?’
Ze schudde het hoofd. ‘Niet nu, Kybbe. Ik kan het nu niet vertellen. Heb geduld. Laten we elkaar alleen maar kussen en strelen. Dan vallen we samen in slaap en verdwijnen de demonen.’
Kybbe drong niet aan. Hij wist wat er was gebeurd in Dorestad en wilde daar graag met haar over praten. Hij zag nu hoe moeilijk ze het daarmee had en durfde niet het initiatief te nemen. Hoewel hij vol zat met vragen en haar dolgraag wilde helpen, zou hij geduld moeten opbrengen. Hij streelde zacht haar haar. Misschien zou een omweg helpen? In het donker lagen ze naast elkaar en Kybbe begon met een vraag: ‘De dokter in Bordeu had het over jou en een aanval door een beer. Wil je me vertellen wat er is gebeurd?’
Kennelijk was dit een veilig onderwerp want Anna begon te vertellen. Haar verhaal duurde tot in de kleine uurtjes en waar ze begonnen was met de aanval van de beer en haar ontwaken in Bordeu, eindigde ze met haar langdurig verblijf in het klooster van Moissac en haar daaropvolgende reis naar Keulen en Dorestad. Overmand door slaap sliepen ze een gat in de daaropvolgende dag.
De aanval
Hun leven in Vellesan volgde al snel een vast patroon. Anna hielp in de herberg en Kybbe begon met de uitvoering van z’n plannen om het leven in Vellesan te moderniseren en aangenamer te maken. Wat hij in Córdoba had gezien, kon hij hier op kleine schaal toepassen. Stel je voor watervoorziening direct naar een hamam. Nooit meer jezelf wassen in een koude beek of plas. Tijdens z’n reis had hij in de bibliotheken van kloosters ook genoeg ideeën opgedaan uit oude boeken. De Romeinen kenden ook al stromend water en pasten dat overal in toe.
Een eigen woonplek was geen probleem. Het nieuwe hoofdmanschap stemde ermee in dat Anna en Kybbe hun intrek namen in de voormalige meierij. Kybbe werd bovendien aangewezen als afgevaardigde voor de Upstalsboom, de landdag van de vrije Friezen.
Op eigen kosten begon Kybbe aan de bouw van een hamam. Er werd een stuk grond beschikbaar gesteld aan de westkant van het vlek. Het kostte hem heel wat hoofdbrekens voor wat betreft de verwarmingsinstallatie en het watertoeleidingssysteem. Niet alles was zelf te vervaardigen. Er dienden duidelijke instructies naar Moussa te worden gestuurd, zodat de juiste componenten in Vellesan konden worden afgeleverd. Het gebouw op zich vormde geen probleem. Hij baseerde zich daarbij op de Egyptische indeling en een Córdobaanse façade van baksteen.
Daarvoor legde hij eerst een veldoven aan. Die bestond uit twee muren, waartussen de stenen werden opgestapeld en vervolgens gebakken. Hij liet gaten aan de zijkant, waardoor stokers brandstof tussen de stenen konden gooien. Na enkele weken bakken, werd het vuur gedoofd, zodat de stenen uit de oven konden worden gehaald.
Elke avond kroop Anna dicht tegen Kybbe aan. Hij onderdrukte telkens weer z’n aanstormende lustgevoelens. Iets hinderde haar zodanig dat ze niet in staat was zich te geven. Hij zou voorzichtig moeten zijn, want hij wilde haar zeker niet weer kwijtraken. Daarom voerden ze lange gesprekken over Kybbe’s plannen, over een gezamenlijke toekomst en over het leven in Vellesan en haar inwoners. Ze vermeden de heikele onderwerpen. Slechts mondjesmaat vertelde Anna over haar belevenissen.
Eigenlijk wist ze het wel, maar had het niet aangedurfd Kybbe te vertellen, dat ze zwanger was. Ze was bang voor zijn reactie. Bang dat hij haar af zou wijzen, dat hij zich van haar af zou keren. Maar ze kon het niet langer verhullen, toen haar buik begon te zwellen.
Dat, dacht Kybbe, had hij natuurlijk kunnen verwachten met de kennis die hij had van hetgeen Anna was overkomen in Dorestad.
Toen Anna hem uiteindelijk snikkend vertelde dat ze in verwachting was, suste hij haar. ‘Niet huilen, Anna. Ik laat je niet in de steek’, bezwoer hij haar angst. Verbijstering en blijdschap namen haar om beurten in bezit. ‘Maar hoe?…Waarom?…Wat?…’
‘Maak je niet bezorgd’, vervolgde Kybbe. ‘Ik zal altijd bij je blijven en het kind zal ons kind zijn.’
Anna’s hart sprong op. Haar angst dat Kybbe haar zou verlaten omdat ze zwanger was van een ander, was ongegrond geweest. Haar borst zwol op van liefde voor haar man.
Twee maanden na aanvang van Kybbes project verschenen er drie mannen uit zuidelijke streken in Vellesan. Dat ze uit het zuiden kwamen was duidelijk voor de bewoners. Een van hen had een olijfkleurige huid en de twee anderen waren beduidend donkerder. Er heerste grote opwinding bij hun komst, want er kwamen weliswaar genoeg mensen van buiten langs, Franken, Noormannen en een enkele keer een van de Britse volken, maar er was nog nooit iemand gekomen vanuit het Kalifaat. Zoiets exotisch had men nog nooit gezien.
Ze spraken een onbegrijpelijke taal. Men stuurde ze naar de herberg in de overtuiging dat het om pelgrims ging.
Floor zag de ongelukkige pogingen tot communicatie van Abe aan en zei tegen hem: ‘Geef ze iets te drinken, dan haal ik Kybbe. Die kan ze vast wel verstaan.’ Ze holde weg en kwam even later met hem terug. De mannen bleken gestuurd te zijn door Ali. Het waren twee metselaars en een timmerman.
De boodschap die ze brachten, namens Ali, was dat hij verwachtte een normaal bad te kunnen nemen als hij naar Vellesan kwam.
Kybbe lachte uitbundig. Hij riep tegen de wolken ‘Dat gaat lukken, m’n vriend.’
Achterin de kelderruimte vond Kybbe een kist. Daarin zat een kleinere kist vol met munten. Dit was kennelijk de privéschat van Darra. De inkomsten van de meierij bestonden in meerderheid uit goederen. Een deel van de oogst bijvoorbeeld. Daarvan moest dan weer een groot deel afgedragen worden aan de graaf. Kennelijk had Darra de tolgelden afgeroomd en wie weet welke zaakjes hij nog meer had. Kybbe aarzelde wat te doen. Uiteindelijk besloot hij dat het ten goede moest komen aan de Vellesanner gemeenschap. Dit geld zou hij gebruiken voor de bouw van de hamam en andere faciliteiten. Een verdeling van het geld onder de Vellesanners zou alleen maar problemen opleveren. Tenslotte hoefde niemand te weten van het bestaan ervan.
De metselaars verwerkten de bakstenen in hoog tempo. Ze volgden hierbij nauwkeurig het ontwerp van Kybbe.
Hij hield zichzelf bij de bouw voornamelijk bezig met de water- en verwarmingssystemen. Hij bouwde het systeem na, waarmee hij in Córdoba vertrouwd was geraakt.
Alles liep op rolletjes tot het moment dat hij de loden pijp in een eerder gegraven sleuf wilde leggen. Hij voelde een steek in z’n rug en daarop het warme vocht dat langs z’n lichaam liep. Hij draaide zich om en kon een tweede steek gedeeltelijk afweren met een opgeheven arm. Een nieuwe snee kleurde die arm rood. Hij zag z’n aanvaller, die in lompen was gehuld. Z’n rechterarm met de loden pijp zwaaide door en hij raakte de hand met het mes. De man stapte achteruit, draaide zich om en vluchtte met behulp van een kruk, terwijl hij een nutteloos been achter zich aan sleepte. Kybbe’s knieën knikten. Hij had niet de kracht een achtervolging in te zetten. Idriss vond hem bloedend uit twee wonden. Met behulp van Emran bracht hij Kybbe naar Floor en waarschuwden zij Anna. De twee vrouwen maakten zijn wonden schoon. Floor wist welke kruiden er moesten worden gebruikt. Anna wist dat er water moest worden gekookt. Die les had zij in de harem geleerd.
Het duurde enige tijd voor de wonden zodanig waren genezen dat Kybbe verder kon met z’n werk aan de hamam. Gelukkig kon hij vertrouwen op de mannen die Ali had gestuurd. Zij waren onverdroten doorgegaan.
Het werk liep daarom slechts geringe vertraging op. Voor het zomerfeest van 872 zou hij zeker klaar en in bedrijf zijn.
Een avondwandeling had hen naar de duinrand gebracht, waar Kybbe als kind een zandstorm had overleefd. Anna zag hem stilstaan en staren zonder te zien. Zachtjes raakte ze hem aan. ‘Je bent zo ver weg Kybbe. Waar denk je aan?’
De scherpte kwam terug in z’n blik toen hij z’n ogen op Anna richtte. ‘O Anna, ik dacht aan die dag dat ik hier met Saartje in de beukende wind stond en dat Jannes ons redde. Daarna zag ik haar weer in haar blootje in de beek staan, waarop ik wegvluchtte vanwege haar naaktheid. Ik beloofde haar te beschermen, maar ik liep weg toen ze hulp nodig had.’
Anna zei: ‘Je beseft toch dat je als jongetje niets had kunnen ondernemen tegen Darra en z’n mannen, toen ze die gruweldaad begingen. Je zou zonder enige scrupule afgemaakt zijn door dat schorem.’
‘Ik weet het’, zuchtte Kybbe, ‘maar ik zal dat beeld nooit meer kwijtraken. Ze liepen terug naar hun woning en gingen naar bed.
Die avond kroop Anna weer dicht tegen Kybbe aan. Hij onderdrukte z’n aanstormende lustgevoelens. Anna had meer tijd nodig. Hij zou zo lang wachten als nodig was. Bovendien was ze nu meer dan vijf maanden zwanger en hij was bang haar pijn te doen. Hij voelde zich nog net zo onhandig en onwennig als hij als 12 jarige was geweest.
Kybbe kwam aan het einde van een lange werkdag thuis. In tegenstelling tot alle dagen sinds ze samenleefden, was Anna afwezig. Hij bedacht dat ze vast bij Floor zou zijn om haar met het een of ander te helpen. Best leuk om vanavond in de herberg te eten, bedacht hij zich. Monter verliet hij de voormalige meierij en liep naar de herberg om wat te drinken bij Abe.
Anna was daar echter niet. Floor zei dat ze haar de hele dag niet had gezien. Hierop groeide de ongerustheid in Kybbe. Hij dacht na waar Anna zou kunnen zijn en ging van de ene plek die in hem op kwam naar de andere. Abe werd er ook op uitgestuurd door Floor. Al snel verzamelde hij een aantal inwoners, die bereidwillig meezochten. Een groepje ging het duingebied in, een andere verkende het eerste deel van het veengebied ten oosten van Vellesan. Anna bleef onvindbaar. Gedwongen door de invallende duisternis, moest de zoektocht opgeschort worden tot de volgende dag. Het lukte Kybbe niet de slaap te vatten. Allerlei scenario’s spookten door z’n hoofd en bij het krieken van de dag zwierf hij weer door het landschap op zoek naar zijn zwangere vrouw. Voor z’n geestesoog verschenen beelden van Anna ergens in barenswee. Ze lag in een poel van bloed. Hij veegde de tranen uit z’n ogen, schudde die beelden uit z’n hoofd en zocht met een verbeten trek om z’n mond verder.
Abe had weer een zoekploeg samengesteld en ze trokken het moeras in.
De zwerver
Net als Rorik meende Darra dat de veldslag in hun voordeel zou uitvallen. De vijandelijke ruiters waren slechts licht bewapend en qua voetvolk waren ze in de minderheid. Toen het afgesproken aanvalssignaal kwam, sprong z’n paard voorwaarts. Hij wist zich op de flanken gedekt door zijn eigen mannen. Het liep echter compleet anders dan verwacht.
Vol afgrijzen zag Darra vier van z’n beste mannen vallen onder de pijlen van de rondwervelende Turkse ruiters.
De licht bewapende ruiters bleken ongrijpbaar en zaaiden dood en verderf.
Het leger brak in stukken. Velen vluchtten in paniek. Toen hij zag dat Rorik zich terugtrok, wendde Darra z’n rijdier en probeerde het slagveld te ontvluchten. Het bleef bij een poging, want z’n paard werd getroffen. Het dier ging neer en Darra zag de grond snel op zich afkomen. Daarna werd alles zwart.
Hij kwam bij bewustzijn door het geluid van kraaien. Z’n hoofd deed zeer, toen hij het oplichtte om te kijken. Het strijdterrein lag bezaaid met lijken. Er was geen enkele beweging. De strijd was voorbij. Hij probeerde zich te bewegen. Hij zat vast! Z’n linkerbeen lag beklemd onder het paardenlijf. De pogingen om los te komen, bezorgden hem onverdraaglijk pijnscheuten. Het duurde uren voordat hij er uiteindelijk in slaagde zich los te wrikken uit het dode gewicht van het paard. Hij had helse pijn. Hij vond stokken om hem te steunen terwijl hij alleen z’n rechterbeen neerzette. Hoe kwam hij terug in Vellesan? Kon hij z’n positie als meier weer innemen? Hadden nog enkele van zijn mannen het overleefd? Kon Rorik zijn positie als graaf nog handhaven met z’n gedecimeerde leger? Eerst moest hij zien of z’n been verzorgd kon worden.
Het duurde maanden voordat hij z’n weg terugvond naar Kinhem. Z’n verbrijzelde been was nog slechts een onbruikbaar aanhangsel. Het bezorgde hem een voortdurende pijn. Leunend op een door hemzelf uit een groot stuk hout gesneden kruk, strompelde hij Kinhem binnen. Z’n voddige kleding hing ruim om z’n sterk vermagerd lichaam. Een grijze vormloze baard droeg bij aan het beeld van een landloper. Hij werd niet herkend. Wat was er veel veranderd in de maanden voorafgaande aan- en na z’n ongeluk.
Hij begaf zich naar de kerk om erachter te komen wat er met z’n oude bondgenoot was gebeurd.
Anselm was bezig bij het altaar, toen hij de zwerver de kerk binnen zag strompelen. Zijn afkeer van zulk volk was vele malen groter dan zijn christelijke naastenliefde. Hij stond op het punt de man met z’n eigen kruk eruit te jagen, toen hij de vagebond hoorde zeggen: ‘Anselm, ik ben het, Darra!’
Verschrikt deed hij een stap terug. ‘Darra? Mijn god man, wat is er met jou gebeurd?’ Hij keek om zich heen. Er was niemand te zien. Snel troonde hij hem mee naar z’n eigen onderkomen. Darra stonk en Anselm kon z’n onbehagen nauwelijks verbergen. Nadat Rorik was vertrokken naar het slagveld, was het voor hem moeilijker geworden z’n ambities te verwezenlijken. Gelukkig was hij onder de nieuwe Friese vrijheid niet weggejaagd. Men accepteerde hem kennelijk in zijn functie. Het was nog steeds mogelijk om de positie van de kerk in Kinhem te versterken. Dat kon echter alleen als het Kalifaat het gebied met rust liet. De aanwezigheid van Darra betekende een complicatie in zijn streven. Hij wilde zich niet langer met hem associëren. Elke poging van de voormalige meier zijn positie terug te winnen, was tot mislukken gedoemd. Dat begreep Anselm wel. Het verbitterde verslag van Darra hoorde hij in stilzwijgen aan. Hij moest zo snel mogelijk van de man af. Toen Darra aan een klaagzang begon over z’n misfortuin en hij alle schuld daarvoor bij Kybbe legde, begreep Anselm dat hij beter niets kon zeggen over Kybbe’s nieuwe rol in Vellesan.
Hij maakte Darra duidelijk dat hij niet van plan was hem enige hulp te bieden en raadde hem aan zich in veiligheid te brengen. ‘Ga weer naar Keulen en maak daar wat van je leven. Hier is niets voor je. Als de mensen hier je herkennen, ben je ten dode opgeschreven.’
Met deze woorden stuurde hij Darra weg.
In de dagen hierna had de zwerver Vellesan vanuit diverse schuilplaatsen beloerd. Op een dag zag hij Anna. Hij had het toch goed gezien, zoveel maanden geleden in Keulen. Ze was geen hersenschim geweest. Op de een of andere manier had het secreet de brand overleefd en was dezelfde weg gegaan als het addergebroed Kybbe. En vervolgens zag hij dat Kybbe ook terug was en dat het stel zijn huis bewoonden. De woede laaide in hem op. Zij waren schuldig aan z’n vlucht uit Vellesan. Zij waren schuldig aan z’n huidige positie en gebrek. Hij zag niet in dat dit een volkomen irrationele gedachtegang was. Hij was furieus. Hij wilde zich wreken op Kybbe.
Niemand had hem tot dan toe herkend. De mensen keurden de zwerver geen blik waardig. Hij bespiedde Kybbe op de bouwplaats en zag dat hij zich omringd had met islamitische arbeiders. Hij sprak tegen hen in dat rare taaltje van ze. Ze lachten met elkaar. Het stuk ongeluk heulde met de vijand. Hij zou er een eind aan maken, zwoer hij bij zichzelf.
Nadat Anselm hem had weggestuurd had hij een schuilplaats gevonden in een, zo te zien, al lang ongebruikte hut in het moerasgebied. Hij wist dat hij nooit meer een volwaardige rol zou kunnen spelen in Keulen. De elite zou een invalide als hij niet in haar kring opnemen. Alles wat hem restte was de kans op wraak. Zijn leven was voorbij, maar niet vóór hij zich had gewroken. In z’n hut beraamde hij een plan. Kybbe wist niet dat hij hier was en was zich van geen gevaar bewust. Rekening houdend met z’n lamme been, moest hij ongezien dicht bij hem kunnen komen om z’n plan ten uitvoer te brengen. Het beste was dat te doen op Kybbe’s terrein, wanneer de oorzaak van zijn ellende in beslag werd genomen door z’n werk. In de vijfde maand van het jaar zag hij z’n kans schoon en mislukte het plan doordat z’n messteken niet onmiddellijk succes hadden. Hij was geen partij voor een gezonde jonge kerel en met Kybbe’s vrienden in de buurt, durfde hij het karwei niet af te maken. Zelfs op halve kracht zou Kybbe hem misschien beroven van z’n mogelijkheid zich te wreken. Daarom was hij gevlucht, vóór ze hem konden pakken. Hij verborg zich weer in z’n toevluchtsoord, waar hij zich al snel bewust werd van zoekacties, die natuurlijk het gevolg waren van z’n aanslag. Gelukkig namen die na een tweetal weken af en stopten toen geheel. Ze zochten hem niet langer.
Er waren enkele weken overheen gegaan sinds z’n onverwachte ontmoeting met Darra. Anselm dacht dat deze zijn advies had opgevolgd. Maar toen hij hoorde van de aanval op Kybbe wist hij beter. De man was al die tijd onzichtbaar geweest. Waar hij zich ophield was moeilijk te zeggen. In ieder geval had nog niemand over hem gesproken. Anselm wist hoe groot de haat van Darra voor Kybbe was. Hij besloot echter dat hij niet in de positie verkeerde om de Vellesanners op de hoogte te brengen van de aanwezigheid van hun gehate meier. Het spel zou zichzelf uit moeten spelen.
Darra had inmiddels een nieuw plan bedacht om zich te wreken. Hij was verblind door z’n haat voor Kybbe, besefte hij. Er was echter een betere manier om met z’n kwelgeest af te rekenen. Hij had tijdens z’n verspiedingen gezien hoe het jonge stel met elkaar omging. Het feit dat Anna Kybbe achterna was gereisd naar Keulen, opende z’n ogen voor een nieuwe mogelijkheid. Wanneer hij Anna zou weten weg te halen bij Kybbe, zou hij deze meer pijn doen, dan een puur lichamelijke aanval, zoals hij al had geprobeerd. De onzekerheid over haar lot, zou hem waarschijnlijk meer aangrijpen, dan wanneer hij haar in Vellesan zou doden. Anna te pakken krijgen zou wel lukken, maar hoe kon hij haar hier naar het veengebied transporteren. Eerst moest hij een lastdier in handen zien te krijgen.
Anna was nu meer dan 6 maanden zwanger. Haar stemmingen wisselden voortdurend. Soms was het walging als ze dacht aan het zwetende gore lichaam van Koos bovenop haar. Het was dezelfde smeerlap als degene die haar de eerste periode in het bordeel in Dorestad had misbruikt. Ze wist het niet alleen doordat z’n kameraad hem bij naam had geroepen, maar ze herinnerde ook de penetrante lucht van z’n lijf bij de eerdere ontmoeting. Hoe zou ze dat ooit kunnen vergeten! Dan weer dacht ze aan het leven dat in haar groeide en verlangde ze ernaar het te kunnen zien. Ze deed de was bij de beek, terwijl ze nadacht over de nabije toekomst. Toen ze zich voorover boog werd ze overvallen door een diepe duisternis.
Een klap op haar hoofd met een dikke stok was de oorzaak daarvan. Darra sleurde haar bewusteloze lijf over de grond naar een ezel, die hij had gestolen. Hij wist haar over de rug van de ezel te tillen en bond haar handen onder de buik van het dier aan haar voeten, opdat ze onderweg niet van de ezel zou vallen. Hierna leidde hij het dier het veengebied en het moeras in, naar z’n schuilplaats.
Toen Anna bijkwam was ze gedesoriënteerd. Het eerste dat ze voelde was de harde, vochtige grond, waarop ze lag. Ze wilde overeind komen, maar merkte dat haar handen en benen waren vastgebonden. Met haar ogen registreerde ze de kale binnenzijde van een vervallen hut. Paniek greep haar bij de keel. Waar was ze? Wie had haar hier gebracht? Wat zou er gebeuren? Kramp schoot door haar hele lijf. Ze kon er niets tegen doen. Ze probeerde de pijn weg te laten ebben door stil te blijven liggen. Heel langzaam ontspanden haar spieren zich. De gammele deur ging open en een groteske schaduw blokkeerde even het zonlicht, dat binnenviel. Strompelend, leunend op een stok kwam een haveloze man binnen. Hij zag dat ze weer bij bewustzijn was en begon te praten. Toen hoorde Anna het, een gehate stem uit het verleden, Darra!
‘Jij!’, haar adem stokte.
Darra begon hysterisch te lachen en kakelde: ‘Dag Anna, dag mispunt. Ben je niet blij me te zien? Dat ik verworden ben tot een arme zwerver in een wrakkig lijf? Dat ik alles kwijt ben geraakt en nu als invalide door het leven ga, verscholen in een armzalige hut in het moeras, is jullie schuld. Dat van je vriendje en z’n hele aanhang. Ik heb wel gezien hoor, hoe jullie nu mooi weer spelen in Vellesan en de inwoners bespelen als poppen. Je vindt het vast niet leuk dat ik je daar hebt weggesleurd. Nou, ik ben wél heel blij jou zo te zien. Eindelijk kan ik rechtzetten wat jullie mij hebben aangedaan. We gaan plezier maken. O nee, ik kan beter zeggen dat ík plezier ga maken.’ Hij lachte opnieuw z’n grauwe tanden bloot.
Darra greep een zweep die aan de muur hing en liet hem hard neerkomen op het weerloze lichaam. Anna schreeuwde het uit van de pijn. Darra bleef, maniakaal lachend, de zweep hanteren tot haar kleding aan flarden was en haar huid op verschillende plaatsen opengereten.
‘Dat was leuk, Anna. We gaan dit nog vaak doen’, zei de zwerver nahijgend.
De pijn was zo hevig dat Anna buiten bewustzijn was geraakt. Het was een kleine genade dat ze de laatste woorden van Darra niet hoorde.
De zoektocht naar Anna werd voortgezet. De wanhoop groeide, maar Kybbe, Floor en Abe wisten niet van opgeven. Vele vrienden bleven hun trouw. Het duingebied was doorzocht evenals de bossen. Het moeilijkst te doorzoeken was het moerassige veengebied. Ze vorderden hier maar langzaam. Als Anna dood was zouden ze haar in dit landschap zeker niet terugvinden. Ze wisten niet dat ze tijdens deze zoektocht door koortsige ogen werden gadegeslagen.
Darra zag met lede ogen aan dat de zoekploegen al zigzaggend steeds een stukje dichter bij zijn bergplaats kwamen. Hij zou nog maar weinig tijd hebben om Anna te pijnigen. Ze was nu al twee keer buiten bewustzijn geraakt tijdens de afstraffing. Telkens had hij haar tussendoor wat eten gevoerd en laten drinken De tweede keer had hij de vodden van haar lichaam gescheurd en had hij genoegen geschept in de striemen en wonden die hij haar had toegebracht. Hierna had hij de wonden opnieuw opengescheurd met zweep en kruk. Hij had haar koortsachtig rillend achtergelaten. Hij zou haar nog een laatste keer straffen en dan haar leven en dat van haar ongeboren kind beëindigen.
Toen Darra twee dagen na de laatste afstraffing de hut binnenstapte, kwam een wolk vliegen hem tegemoet. Vol walging keek hij naar het tafereel voor hem. Anna lag in een grote plas, waarin Darra een foetus en nageboorte zag, omringd door vliegen. Rillend vluchtte hij de hut weer uit. Het was voorbij. Hij legde opgespaard droog hout en takjes tegen de hut aan en stak het aan. Hierna vluchtte hij verder het moeras in. Achter zich hoorde hij de ezel balken. Het dier was achter de hut aan een paal gebonden. Stom, dat hij hem had vergeten. Hij hoorde stemmen naderbij komen. Nee, hij kon niet meer terug om het dier te halen. Hij keek nog eens om en zag dikke rookwolken opstijgen.
Een balkende ezel! Abe keek op in de richting van het geluid. Daar was iemand. Hij zag een rookpluim. Jazeker, daar was iemand! De mannen verlegden hun koers direct naar dat punt. Er stond iets in brand. Ze versnelden hun pas. Abe sprintte vooruit. De ezel stond in paniek te rukken aan z’n touw. Terwijl een van de mannen met 1 haal het touw doorsneed, klonk een zwak gejammer op uit het brandende krot.
‘Er is iemand binnen!’, brulde Abe. Hij stormde naar binnen, zonder op enig gevaar voor hemzelf te letten. De mannen zagen hem weer buiten komen op het moment dat het complete dak instortte. Hij had het slappe lijf van Anna in z’n armen en rende langs hen heen direct het water in.
Terug in Vellesan werden Anna en Abe verzorgd. Ze hadden allebei brandwonden opgelopen. Anna’s toestand was kritiek. Naast haar brandwonden had ze een miskraam gehad en veel bloedverlies geleden. Haar lichaam zat onder de wonden. Kybbe zat aan haar bed en weigerde haar hand los te laten. Uiteindelijk haalde Floor hem over wat te eten en drinken. Ze ontfermde zich over Abe en had enig succes in het bestrijden van diens pijn met haar kruiden. Van hem hoorde ze van de verschrikking bij de hut. Abe was ontzet door het beeld dat hij voor ogen kreeg nadat hij de hut was ingestormd. Zonder na te denken had hij Anna opgepakt en naar buiten gedragen, terwijl de vlammen aan hun likten. ‘Ik dacht dat ze dood was, Floor! Dat kleine wezentje dat daar bij haar op de grond lag. Verschrikkelijk!’
Floor troostte haar man, wiens tranen veel meer dan z’n eigen pijn vertegenwoordigden.
Beetje bij beetje verbeterde Anna’s situatie. Wekenlang verkeerde ze in een schemerwereld, maar op een gegeven ogenblik leek een omslagpunt bereikt. Ze zou het overleven. In de maand augustus kon Kybbe haar voor het eerst weer voorzichtig in z’n armen nemen en vertelde Anna over haar noodlot. ‘Het was Darra, Kybbe. Nadat hij jou had aangevallen, wilde hij je via mij raken. Het was z’n bedoeling dat we het geen van beiden zouden overleven.’
‘Het was dus Darra? Al die tijd heeft hij zich verborgen gehouden. We zijn in gevaar zo lang hij leeft.’
Kybbe sprak hierover met Abe en ze besloten op geregelde tijden te patrouilleren in het veengebied.
Er gingen nog meer weken overheen, voor Anna volledig was hersteld. Haar lichaam zou voor altijd geschonden blijven. Haar buik, armen en rug toonden nu permanent littekens, die het gevolg waren van de geselingen. Hier en daar was de huid als het ware doorschijnend als gevolg van de diepere brandwonden, die ze had opgelopen tijdens de laatste stage van haar ontvoering. De miskraam had weer andere littekens nagelaten. Haar geest zou ook moeten helen. Gelukkig hadden Kybbe en zij elkaar nog.
Voor het eerst na Anna’s beproeving in het moeras, kroop het stel weer tegen elkaar aan in bed. Kybbe had haar duidelijk gemaakt dat het blijvend gevolg van haar verwondingen voor hem geen enkele belemmering vormde in z’n liefde voor haar. Anna had het er heel moeilijk mee, dat ze voor altijd getekend zou zijn. Langzamerhand wist Kybbe haar te overtuigen en herkreeg ze haar zelfvertrouwen.
Nu lag Anna behaaglijk in de kromming van zijn armen. Ze voelde zich gelukkig. Ze was eindelijk echt terug in Vellesan. Ze kusten elkaar en verkenden elkaars lichaam met lippen en vingers. Kybbe streelde haar littekens. Hij had ze geaccepteerd als onderdeel van haar en ze voelde zich nu bevrijd.
De begeerte groeide tijdens deze liefkozingen. De remmingen in haar geest waren verdwenen. Er was geen uitstel mogelijk. Ze had geen enkele belemmering meer Kybbe te ontvangen en toen het gebeurde ging de hemel open. De emoties wisselden elkaar in hoog tempo af. Ze lachte, ze huilde; blijdschap en weemoed vervulden haar in een vreemde mix van allerlei emoties.
Kybbe voelde haar lichaam schokken en haar tranen liepen over z’n borst, waar ze zich krampachtig aan vastklampte.
‘Liefste, allerliefste Anna, waarom huil je?’, vroeg hij zacht.
‘O, Kybbe, het is zo heerlijk bij jou te zijn. Nu kan ik eindelijk weer voelen.’
En terwijl hij haar zachtjes streelde, kon ze ten lange leste het verhaal vertellen van de gebeurtenissen in Dorestad. Over de pooier die haar opgesloten had en gedwongen tot prostitutie. De walgelijke Koos, die haar op straat de kleren van het lijf scheurde en haar daarna binnen bruut nam. ‘Ik werd als cadeautje door die pooier aan z’n vriendjes beschikbaar gesteld. Ik heb me zó smerig gevoeld! Ik hield me steeds voor dat ik niet schuldig was. Djurre, Haio en Ulbo hebben me gered. Zij haalden me weg uit het bordeel van Gijs. Ze hebben mij later weer gered uit de klauwen van de hooggeboren zoons van graaf Giselbert. Ja, hoog geboren, maar van de meest laaghartige soort. Ik hoopte dergelijke vernederingen nooit meer te hoeven ondergaan. Daarom verkrampte ik helemaal toen ik uitgekozen werd in de harem van kalief Mohammad en was ik bang, toen Yago mij had gedrogeerd, weer hetzelfde lot te moeten ondergaan. Toen ik weer in Dorestad kwam, voelde ik me veilig bij Sahin. Op de avond na de grote veldslag werd ik echter verrast door twee smeerlappen. Een hield me vast terwijl de ander bij me binnendrong. Ik voelde me zo klein en machteloos. Een moment van onoplettendheid en de smeerlappen van deze wereld zien hun kans schoon.’
Deze nacht kwamen ze dichter bij elkaar dan ooit. Het voelde goed.
Vrienden
872 n.Chr.
De storm was hevig geweest. Het striemende zand had z’n weg gezocht over de akkers en in de straten van Vellesan. De oogst zou mager zijn dit jaar. Het was slechts nog een korte tijd tot het zomerfeest zou plaatsvinden. Anna had een zeer dikke buik en Kybbe liep constant bezorgd om haar heen. Met enige regelmaat zag ze zich genoodzaakt hem weg te sturen. Nu de hamam klaar was leek z’n enige doel haar voor de voeten te lopen. Hij bedoelde het goed, maar Anna was niet van plan te gaan liggen en wachten op de komst van de baby. Ze wilde bezig blijven zo lang als het kon. Ze hoopte maar dat de vrienden, die zij tijdens hun reizen hadden gemaakt op tijd voor hun ceremonie in Vellesan zouden zijn. Elke dag die verstreek werd het hun banger te moede. Op de dag van de zomerzonnewende ging er een rimpeling door het vlek. Opgewonden kreten klonken door de straten. Ze waren gekomen. Voor de voormalige meierij stapten Ali, Fatima, Moussa en Sahin van hun paarden. Drie dagen voor de 24ste juni, de dag waarop de aloude viering van de zonnewende plaatsvond. Het feest was met de komst van het christendom min of meer losgeraakt van z’n oorsprong. Het was ook de dag van de geboorte van Johannes de Doper. Het maakte de meeste inwoners niet uit wat ze vierden, als er maar gefeest werd.
Het was een hartelijk weerzien tussen de vrienden.
‘Aha, de vrouw die de kalief versmaadde, omdat ze een arme sloeber uit Frisia verkoos.’
Kybbe keerde zich om en zei: ‘Anna, dit is nou Ali.’
Anna kleurde rood terwijl Ali het verhaal smakelijk opdiende. Ze herpakte zich: ‘Zonder de umm al-walad had ik me geen raad geweten. Hoe kun je je verzetten tegen zo’n machtig man? Aïsha heeft mij gered.’
Natuurlijk waren ze dol enthousiast over het feit dat Anna in verwachting was. Fatima begon haar direct te bemoederen. Anna vertelde haar dat ze voor die positie al iemand had in de persoon van Kybbe. De vrienden uit het zuiden moesten hier hartelijk om lachen. De omstanders begrepen niets van die vrolijkheid, omdat de hele conversatie in het Arabisch werd gevoerd. Ze gingen hun huis in, waarna verhalen werden uitgewisseld. Allen werden in de oude meierij gehuisvest.
Hierna nam Ali Kybbe apart en zei: ‘Je hebt me in het verleden verteld over de zandstormen die hier voorkomen en oogsten kunnen verwoesten. Ook vertelde je over de schuilplaats van je vader in de moerassen, die hier nog al uitgebreid schijnen te zijn. Gezien de groei van Vellesan leek het mij belangrijk om ervoor te zorgen dat er een einde zou komen aan de onberekenbaarheid van de oogst. In Egypte heb ik kunnen zien hoe ze moerassig gebied omzetten in vruchtbare akkers. Daarom heb ik in Parisi geregeld dat er technici naar Vellesan komen. Dat is mijn cadeau aan jullie. Zij zullen ervoor zorgdragen dat de moerassen drooggelegd worden. Zij leveren de kennis, die ze hebben opgedaan in Egypte en de gereedschappen. Jij moet zorgen voor menskracht. Voor je het weet heb je er een vruchtbaar gebied bij met grazige weiden.
Kybbe keek hem verrast aan. ‘Hoe dat zo, Ali? Vanwaar zo’n gift? Dit is een enorm cadeau!’
‘Ten eerste beste vriend, ben ik je vriend’, zei hij met een olijk gezicht. ‘Ten tweede kunnen we je niet genoeg belonen voor het redden van het Kalifaat. Ten derde is het goed een volk aan onze noordgrens te hebben dat ons vriendelijk is gezind. Genoeg redenen om dit land tot ontwikkeling te brengen. En nu wil ik je hamam zien en met jou kletsen over al je ideeën en hoe het je hier vergaat.’
Kybbe gaf uitleg over zijn ontwerp en over de problemen die de installaties hadden opgeleverd bij de uitvoering. Terwijl ze van hun bad genoten zei Ali, dat hij nooit had geweten hoe ingewikkeld zo’n badinrichting was. ‘Ik heb het altijd als iets vanzelfsprekends beschouwd. Ik genoot van mijn bad en van de gesprekken met vrienden in een hamam. Ik heb me nooit verdiept in de werking van alles. Het is geweldig dat je dit allemaal hebt bedacht, Kybbe.’
Kybbe protesteerde lachend. Hij was gevleid door de lof van z’n vriend, maar vond het wel nodig te vertellen, dat hij het niet had bedacht, maar anderen, die daarover al in de romeinse tijd boeken hadden geschreven. ‘Ik heb slechts de kennis uit boeken en wat ik zag in Córdoba hier toegepast.’
Toen ze elkaar in de rustkamer vertelden over hun ervaringen in het afgelopen jaar, kwamen ook de aanslagen van Darra aan bod. Toen Ali dat verhaal hoorde, reageerde hij bezorgd: ‘Je bent verzorgd door twee vrouwen zonder medische kennis? Je had wel wondkoorts kunnen krijgen. En dat Anna het heeft overleefd zonder goede medische hulp, is een wonder!’
Kybbe protesteerde en zei dat Anna veel had geleerd in de harem en dat Floor veel afwist van geneeskrachtige kruiden. Ali wuifde dat weg en zei: ‘Nu er meer mensen van mijn volk hiernaartoe komen, is er ook een goede arts nodig. Ik zal ervoor zorgen, dat hij met de ingenieurs meekomt. Als jij een bescheiden moskee voor hen wil bouwen, dan is wat mij betreft de zaak beklonken.’
Kybbe was compleet overrompeld. ‘Dat gaat niet lukken, Ali. Ik kan niet in een tweetal maanden genoeg stenen laten bakken en een moskee bouwen.’
‘Het hoeft niet zo ingewikkeld, Kybbe. Bouw iets van hout. Hou het eenvoudig. Er hoeven geen massa’s mensen in het gebedshuis.’
Het mooie zomerse weer had aangehouden, waardoor het mogelijk was de festiviteiten op het marktplein te laten plaatsvinden. Allerlei spelen en spelletjes werden gedurende de dag gehouden. In een hoek van de markt was ruimte gemaakt voor de kinderen om bokje te springen en werd er gebikkeld met rechthoekige botjes. Een aantal kinderen maakte veel lawaai met fluitjes en trommels. De allerkleinsten imiteerden de grotere kinderen met hun rammelaars. In een andere hoek waren groepen mannen bezig hun kracht en behendigheid te demonstreren in touwtrek wedstrijden. Net buiten Vellesan werd er een spel gespeeld met een schapenleren bal, gevuld met geitenhaar. Men sloeg de bal met de vuist. De bedoeling was dat de tegenstander hem niet meer kon retourneren.
Op het middaguur verzamelden veel Vellesanners zich bij het podium dat in het midden van het marktplein was opgebouwd. De twee bekendste inwoners van het vlek zouden hier een eigen ritueel houden. Anna en Kybbe hadden hun samenzijn willen bekrachtigen ten overstaan van hun vrienden en bekenden. Lange tijd hadden ze gesproken over de uitvoering hiervan. Ze waren niet gelovig. Dat neemt niet weg dat ze zeker hadden gekozen voor een ceremonie geleid door een geestelijke zoals hun oude verdwenen vriend Bruno. Ze moesten er echter niet aan denken dat hun verbintenis geleid werd door Anselm of Wolfsfroyde.
Terwijl de markt volstroomde met belangstellenden klonk muziek. Op het podium zaten Ali, Moussa, Sahin, Fatima, Abe en Floor. Het paar betrad het podium, waar zij elkaar een belofte deden. Kybbe keek Anna diep in de ogen en beloofde haar en hun aanstaande baby zijn voortdurende liefde en bescherming, waarna Anna hetzelfde deed met de woorden: ‘Ik heb je lief en zal altijd over je waken.’
Daarna stonden Floor en Abe op en hingen beide een ketting om. Hun vereniging werd onder gejuich met een kus bezegeld.
Nu namen de muzikanten plaats op het podium. Hun muziek vermengde zich met de fluiten en trommels en het enthousiaste geschreeuw en gegil van de kinderen, die zich weer op hun spelletjes wierpen.
Er werden twee speelborden opgesteld voor de volwassenen. Ali en Kybbe zetten zich aan het bord om shatranj te spelen. Moussa en Sahin namen plaats achter het andere bord. Het spel trok veel bekijks. Een man drong zich naar voren tussen de toeschouwers door en riep: ‘Dat wil ik ook leren.’
Verstoord keek Kybbe op. Zijn ogen werden groot en hij stamelde: ‘Jabik?’
Het spel was op slag vergeten en onder de ogen van een verbijsterde Ali, vielen de twee mannen elkaar in de armen.
‘Ik neem het wel van Kybbe over, Ali’, zei Anna en ze ging aan de andere kant van het bord zitten. ‘Kybbe zal eerst wel alles van z’n jeugdvriend willen weten.
Ali’s ogen twinkelden: ‘Weet je wel zeker dat je tegen mij bent opgewassen?’
Anna lachte en klopte op haar buik: ‘Dat geloof ik zeker, want ik speel voor twee.’
Jabik vertelde dat hij bij terugkomst uit Limbon van de brand in de brouwerij hoorde en hij had de zwartgeblakerde restanten gezien. Van een oude man vernam hij het gruwelijke verhaal van de dood van zoveel bekenden. Hij was bij Floor terechtgekomen en hoorde van haar dat Kybbe en Anna in leven waren. Beide waren met onbekende bestemming vertrokken.
Jabik besloot dat er niets meer voor hem was in Vellesan en z’n geluk te beproeven in Dorestad. Daar was hij terecht gekomen bij de muntslag. ‘Ik moest daar de geslagen munten weghalen en er een muntplaatje voor in de plaats leggen. Dan werd het bovenstempel op het onderstempel geplaatst en de munt geslagen. Ik heb er veel geleerd en ben tenslotte stempelsnijder geworden. Er is veel veranderd in Dorestad de laatste maanden onder de Omajjaden, maar ik kon m’n functie behouden. Nu sloegen we niet langer sceatta’s, maar dirhems. Er is veel ten goede veranderd. De handel is verveelvoudigd en de welvaart neemt weer toe.
Toen hoorde ik dat er een belangrijke functionaris van het Córdobaanse hof was gearriveerd, op doorreis naar Vellesan. Dat wekte natuurlijk mijn interesse. En wat schetste mijn verbazing toen de naam Kybbe in het gesprek kwam opdraven. Na verder informeren kwam ik erachter dat bij het zomerfeest in Vellesan een bijzondere gebeurtenis zou plaatsvinden. Ik heb zo snel mogelijk m’n boeltje gepakt en stond net op tijd in de menigte om te zien hoe Anna en jij een ketting kregen omgehangen door Floor en een mij onbekende man.’
Natuurlijk moest ook Kybbe vertellen wat hem was overkomen sinds hun laatste samenzijn.
In de avond klonk weer muziek en werd er uitbundig gedanst. Eerst nog bij daglicht, daarna werden er vuren ontstoken. Het feest ging tot na het nachtelijk uur door.
Wraak
872 n.Chr.
Toen ze Anna kwamen halen, had hij zich snel verborgen. Het zou zinloos zijn geweest zo’n grote groep het hoofd te bieden. Hij had zich in de krakkemikkige staat waarin hij verkeerde nooit te weer kunnen stellen. Hij had z’n hut in de fik gestoken en was daarna gevlucht. Hij had een nieuwe schuilplaats moeten zoeken en opnieuw waren inwoners van Vellesan naar hem op zoek geweest. Hij had ze echter allemaal kunnen ontlopen. Nu waren er echter nieuwe ontwikkelingen in het moeras. Hoe lang zou hij de nieuwkomers nog kunnen ontwijken? Dagelijks waren er groepen arbeiders aan het graven. Verborgen in het riet bespiedde Darra hen. Tussen hen in zag hij mensen die gekleed waren als in het Kalifaat. Hij knarsetandde. De smeerlappen waren hier dus ook al de baas. Hij wist hoe hij zich door het moeras moest bewegen en hoe hij aan voedsel kon komen. Dat had hij op de harde manier geleerd in de periode na z’n poging Kybbe te doden. Hij was erg bang geweest dat ze hem zouden vinden en moest regelmatig wegduiken als zich weer een groepje Vellesanners in het moeras begaf. Na een tijdje waren de zoekacties gestopt. Ze hadden hem gezocht. Daarvan was hij zeker. Zijn leven was voorbij. Het kon hem niet veel schelen of ze hem te pakken kregen, maar niet voordat hij wraak op Kybbe had kunnen nemen. Tot die tijd zou hij verborgen blijven. Maar hij wist dat hij nu haast moest maken. Ze kwamen te dichtbij. Het moest er niet aan denken dat het hem niet meer gegeven zou zijn z’n laatste doel te bereiken. Hij had er vrede mee, dat deze laatste daad z’n dood zou betekenen. Dat deed hem niets, maar eerst….zijn wraak!
Het hout kwam uit de directe omgeving. De overige benodigdheden voor de bouw van een moskee werd door bemiddeling van Ali door Moussa en Sahin aangeleverd via de haven van Dorestad. Jabik had Kybbe al eerder verteld over de grote onderneming van de Arabieren en Berbers om de haven van Dorestad uit te diepen, zodat er weer grote schepen aan konden meren. De haven was onder Rorik al jarenlang aan het verzanden. Jabik hielp Kybbe zoveel als hij kon. Samen met Emran vorderde het werk vlot. Ondanks de opdracht tot het bouwen van een simpele moskee, wilde Kybbe er toch een stempel opdrukken. Dat deed hij door een veel slankere minaret te ontwerpen dan gebruikelijk was. Hij wilde het kleine gebouw een elegante uitstraling geven. In steen zou dat onmogelijk zijn geweest, maar deze minaret was van hout. Toen de Egyptische waterbouwkundigen het zagen, spraken ze Emran verwonderd toe. Deze stond te glunderen en te knipogen naar Kybbe. Dankzij Emran’s vakmanschap had het plan van Kybbe uitgevoerd kunnen worden.
Toen Kybbe de volgende dag de laatste hand legde aan de dakrand, gleed de simpele houten ladder onder hem weg. Hij kwam hard op de grond terecht en brak daarbij zijn arm. Een schaduw boog zich over hem heen. Kybbe stak z’n goede arm op en het mes van z’n aanvaller trok een diepe snee. Darra zag z’n wraak in vervulling gaan. Op het moment dat hij in triomf wilde toesteken zag hij uit z’n ooghoek een beweging. Hoewel Darra zich nog half naar haar toekeerde en z’n kruk omhoog bracht, kon hij Anna’s slag niet meer afweren. Met bovenmenselijke inspanning onder het slaken van een ijselijke kreet liet ze de zware hamer neerkomen. Afgrijzen tekende Darra’s gelaat net voor de hamer er een krater in sloeg.
Het horen van Anna’s kreet deed enkele Vellesanners toesnellen. Ze zagen hoe ze een landloper met een hamer te lijf ging en vervolgens hijgend ineen zonk. Ze snikte luid terwijl haar vliezen braken.
‘Het is Darra’, schreeuwde Kybbe naar Abe, die net kwam aangerend.
Verbijsterd staarden de inwoners naar het surrealistische tafereel. Een schreeuw van Abe bracht ze weer tot bewustzijn. ‘Haal de arts voor Anna.’
Terwijl een jongen wegrende om de dokter te halen, knielde Abe naast Kybbe op de grond. Hij scheurde een reep van Kybbe’s hemd en bond die stevig om diens arm om het bloeden te stoppen. Ook Floor was aan komen hollen. Ze spuwde op Darra’s lijk voor ze zich ontfermde over Anna.
Daarna werden zowel Kybbe als Anna toevertrouwd aan de zorgen van de arts. Gelukkig waren er geen complicaties bij de bevalling. Ze noemden het meisje Pytske, naar de zus van Kybbe, die zo ongelukkig om het leven kwam. Kybbe verlangde ernaar haar in z’n armen te nemen, maar met slechts 1 bruikbare arm leek dat niet verstandig.
Het duurde enige tijd voor de breuk was geheeld, maar gelukkig was de moskee vrijwel klaar. De voorlopige huisvesting van hun gebedsruimte in de meierij, kon nu ingeruild worden voor een eigen moskee. De islamieten in Vellesan waren Kybbe heel dankbaar.
De vruchtbare gronden, die na de drooglegging van de moerassen beschikbaar kwamen, zorgden voor een toestroom van mensen. Er werd al snel meer voedsel geproduceerd en de handel nam dientengevolge in omvang toe. Ook kwamen er steeds meer pelgrims naar Kinhem. Het vlek groeide sneller uit dan ooit. De zandstormen die in het duingebied konden huishouden en de voedselgewassen bedierven, verloren hun vernietigende werking voor de nieuwe gronden. Het zand reikte niet zo ver. Veel bomen werden gekapt voor de bouw van nieuwe woningen.
Anselm had veel succes met de relikwieën en het beeld van Sint Engelmundus. Van heinde en verre kwam men om het wonder te aanschouwen. De inkomsten waren navenant. Het succes zorgde ervoor dat Anselm het plan opvatte tot de bouw van een grotere kerk. Het tempo waarin Vellesan groeide en het aanzwellend aantal pelgrims dat het beeld van de heilige en de relikwieën wilde zien, maakte de bouw van een kerk met meer uitstraling noodzakelijk, volgens Anselm. De opdracht voor de bouw van deze Engelmunduskerk kon maar aan één persoon worden toevertrouwd. Dat besefte Anselm terdege. Hij was veel praktischer ingesteld dan zijn oude bondgenoot Darra. De vraag was of Kybbe een zelfde instelling had, of dat hij het verleden niet kon loslaten. Als jongen had hij tenslotte met een beschuldigende vinger naar Anselm gewezen en hoewel Darra verantwoordelijk was voor de dood van zijn familieleden, rekende hij dat Anselm misschien ook aan. Tenslotte hadden Kybbe en Anna hem en de kerk, gedurende de lange tijd die zij nu terug waren in Vellesan, gemeden als de pest. Hun binding aan elkaar had geen christelijk ritueel gekend en was niet door Wolfsfroyde of hemzelf geheiligd.
De vraag van Anselm was echter dermate verleidelijk voor Kybbe, dat hij bereid was te gaan praten met de geestelijke. Dit was zijn kans om een groot en mooi gebouw neer te zetten in z’n eigen woonplaats. Hij zou technieken gebruiken die hij in Córdoba had leren kennen. De bouw zou jaren duren. Hij kon er z’n ziel en zaligheid inleggen en een leven in rust en comfort leiden in de plaats waar hij was opgegroeid en z’n liefde had gevonden.
Het hoofdmanschap had overeenstemming bereikt over de vestiging van een eigen muntslag, nu Dorestad in handen van de Omajjaden was. Jabik had veel tijd besteed om hen te overtuigen van het nut van een eigen muntslag. Het resultaat was dat hij als muntmeester werd aangesteld. Het werd een drukke tijd, want er moest gezocht worden naar een geschikt gebouw. De aanlevering van materialen diende te worden verzekerd. Er was een kracht nodig die de metalen platen op dikte sloeg en iemand die ze op maat kon knippen. Het belangrijkste wat Jabik nodig had waren de stempels en een aambeeld. Het zou ook moeilijk zijn een goede stempelsnijder te vinden. Om een algemeen geaccepteerde munt te slaan, was het nodig dat een essayeur de grondstof kon controleren op fijnheid. Die moest benoemd en beëdigd worden door het hoofdmanschap. Er moest ook worden gezocht naar een onafhankelijke waardijn voor de eindcontrole van de geslagen munten.
Vellesan was hard op weg om te promoveren van vlek naar stad.
In de herberg van Abe en Floor werd nu vaak het spel gespeeld dat Kybbe had geïntroduceerd. In Parisi had hij het vaak gespeeld. Zijn eerste leerling in Vellesan was Anna geweest, gevolgd door Abe en Jabik. Inmiddels waren meer Vellesanners aan het spel verknocht geraakt.
Na een aantal spelletjes shatranj zaten ze nog gezellig met een glas bier na te praten. Er was weer een groep pelgrims in de herberg gearriveerd. Kybbe zei: ‘Er zit geen enkel kwaad bij de pelgrims. Ze zijn alleen zo verschrikkelijk lichtgelovig en dat wordt uitgebuit door geestelijken als Anselm. Begrijp me niet verkeerd. Het christelijk geloof streeft naar het goede. Dat heb ik o.a. kunnen zien aan de monniken die ik ontmoette. Hun werk is belangrijk en waardevol. Mijn moeder werd bekeerd en geloofde oprecht. Ze werd verraden door geestelijken van de kerk. Er zijn zwakke en slechte mensen in de kerk. Mensen die alleen aan hun eigenbelang denken, zoals hier Wolfsfroyde en Anselm. De laatste heeft m’n jeugdvriendinnetje verkracht en daar later om gelachen met Darra en z’n mannen, met wie hij samen heulde. De wind is echter gedraaid, Darra is verdwenen en hij moet nu rekening houden met ons Hoofdmanschap. Ik ben er echter van overtuigd dat hij nog steeds alleen aan z’n eigen belangen denkt. Kijk maar eens hoe hij de leugen van het beeld van Engelmundus cultiveert.
Toen ik in Keulen was heb ik de slechtheid gezien in kerkelijke functionarissen, die macht nastreefden over de hoofden van de gewone mensen. Paus Nicolaas was de uitzondering, moet ik zeggen. Hij kwam op mij over als een eerlijk mens. Net als kapelaan Bruno, de man van mijn zus, die zonder een spoor verdween in een poging de slechteriken aan te pakken.’
‘Waarom ga je dan die kerk bouwen voor Anselm als hij alleen op eigen gewin uit is?’, vroeg Jabik.
‘Het geloof en die kerk is niet het probleem. Gezien de groei van Vellesan is het wenselijk een grotere ruimte voor de christenen te hebben. Ik zou voor de islamieten ook een grote moskee bouwen als zij in aantal toenamen. Mijn moeder geloofde in het goede en ze geloofde in God. Mijn vader prentte mij echter in hoe de kerk in de tijd van Karel de Grote opereerde en hoe ze mensen dwong om christen te worden. Hij respecteerde de keuze van m’n moeder, maar hij wilde er zelf niks van weten. Oom Riuum was nog echt van het oude geloof en hij offerde regelmatig bij de poel in het moeras. Er waren destijds best nog veel Vellesanners die offerden in het moeras en andere oude rituelen beoefenden. Ik weet niet of de oude goden of de nieuwe bestaan. Ik heb er nog geen bewijs van gezien. Ik vertrouw liever op mezelf en op m’n vrienden.’
‘Zo denk ik er ook over’, zei Anna en ze wierp een warme blik naar Kybbe. De baby in haar armen leek dit ook te beamen, want ze liet een boertje. De drie volwassenen schoten in de lach.
Godsoordeel
277 n.Chr.
De Grote- of Sint Engelmunduskerk was nog lang niet klaar, maar kon wel al in gebruik worden genomen. De beuk en zijbeuken waren van een dak voorzien en daarmee bruikbaar voor de christelijke dienst. Het beeld van Engelmundus had een centrale plek gekregen en de relieken lagen nu te pronken in prachtige kistjes. In de kerk werd eenmaal per week een markt gehouden. De regen kon geen spelbreker meer zijn voor de kraamhouders en hun klandizie.
De kleine Pytske trok aan de rok van haar moeder. ‘Mamma, mag ik met Tijn en Saartje spelen?’ Anna verschikte de peuter op haar arm en keek naar haar dochtertje. ‘Dat is goed Pytske, maar ga niet te ver weg.’
Het meisje liep blij met kleine huppelpasjes weg, op zoek naar haar vriendjes. Anna wilde nog wat inkopen doen voordat ze zich zou zetten aan haar werk voor die dag. Ze moest enkele brieven schrijven voor inwoners van Vellesan, die dat zelf niet konden en daarnaast was ze begonnen lees- en schrijfonderricht te geven aan kinderen. Haar streven was dat alle kinderen naar school zouden kunnen gaan. Ze wist dat het onmogelijk was dat doel te bereiken. De kinderen mochten naar school en spelen zolang ze nog niet konden werken. Hun arbeid was vaak broodnodig in de gezinnen.
Zelf was ze nu gezegend met twee prachtige kinderen. Pytske was een intelligent kind en leerde snel. De nieuwe Kybbe zou het vast niet minder doen in de toekomst. Anna had erop gestaan dat hun tweede kind Kybbe zou worden genoemd. ‘Ik heb een belangrijke tijd in m’n leven naar jou gezocht. Jij vormde mijn verleden en mijn heden. Een nieuwe Kybbe vormt de toekomst.’
Kybbe senior stond op een afstandje te kijken naar de processie, waarvan Anselm een jaarlijks terugkerend spektakel had gemaakt. Nu voor het eerst vanuit de Grote kerk. Het was een indrukwekkende processie die vele christenen aantrok. Reikhalzend keken zij toe hoe het beeld van de heilige Engelmundus door de dragers naar de vindplaats van de relikwieën werd gebracht en naar de bron, die de heilige ooit had geslagen. Hier volbracht de vooroplopende Anselm een ceremoniële handeling. Na twee rondgangen door Vellesan ging de optocht terug naar de kerk. Toen de dragers het beeld weer op z’n voetstuk wilden zetten, begon het te wankelen. Anselm, die zich naar de menigte had omgekeerd om een zegen uit te spreken, werd getroffen door de vallende heilige. Haastig werd het beeld opgetild en trok men de geestelijke er onderuit. Kybbe was door een zijbeuk gelopen en zag het beeld vallen. Het was hem snel duidelijk dat Anselm op het moment van diens grootste triomf het aardse had moeten verlaten.
Als er werkelijk een hemel en een hel zou bestaan, hoopte hij dat Anselm in de laatste terecht was gekomen. Een glimlach gleed over z’n gezicht.
Het leven was goed. Eindelijk was alles op z’n pootjes terecht gekomen met hun gezinnetje in het bloeiende Vellesan.
Nieuwe dreigingen lagen echter op de loer. In het oosten vond een wedergeboorte plaats van het Byzantijnse Rijk. Keizer Basileios wist de controle over Constantinopel te herwinnen. Het Kalifaat van de Abbasiden werd verzwakt door de Zanj Opstanden, waardoor er speelruimte kwam voor de Byzantijnen in Klein-Azië. Door een overeenkomst met de Magyaren en Moravië werd het Bulgaarse Rijk van meerdere kanten aangevallen. Grootvorst Álmos was met z’n Magyaren naar het westen van Oekraïne getrokken en legde de Slavische stammen daar schatting op. Patriarch Photios van Constantinopel was eerder de tegenspeler geweest van paus Nicolaas. Zij vonden beiden dat ze het primaat hadden over alle christenen. Nu zocht hij de samenwerking met de nieuwe paus in Keulen. Ze vonden een gemeenschappelijke grond in een vermeende bedreiging van de christelijke kerk door de Islam. Daarop ontvouwden ze een plan voor een Heilige Oorlog. Karloman, de nieuwe Frankische keizer, zag in zo’n strijd de mogelijkheid om het rijk, waarover z’n overgrootvader had geheerst, te herstellen.
Europa zou op haar grondvesten schudden.
-Einde-
–

1.Winchester; 2. Dorestad; 3. Ribe; 4.Keulen; 5. Parisi (Parijs); 6. Bordeu (Bordeaux), 7. San Emeterio (Santander); 8. A Coruna (La Coruna); 9. Lissabon; 10. Sevilla; 11. Malaga; 12. Córdoba; 13. Granada; 14.Saraqusta (Zaragoza); 15. Marseille; 16. Roma (Rome); 17. Veneza (Venetië); 18. Ratisbon (Regensburg); 19. Linz; 20. Tulln; 21. Veligrad; 22. Boeda (Boedapest); 23. Beligrad (Belgrado); 24. Labineca; 25. Lausa; 26. Constantinopel (Istanbul); 27. Kiev; 28. Holmgard (Novgorod); 29. Licata.
Enkele historische achtergronden
Frisia
Frisia bestond al in de Romeinse tijd, maar wanneer kwamen de Friezen daar? De eerste geschreven bronnen over Friezen zijn uit de eerste eeuw n.Chr. In de zevende eeuw namen de Franken de Romeinse benaming voor dit gebied over. Ze raakten hier in conflict met regionale krijgsheren zoals Radboud, die koning der Friezen werd genoemd. De oorlogen die volgden hadden mede als resultaat de kerstening van de Friezen.
In de 6e eeuw, begon de bevolking te groeien. Er waren nederzettingen zoals Vellesan op de strandwallen en bij de riviermondingen.
Toen Karel de Grote in 785 dit gebied innam, voerde hij de Lex Frisonum in. Dit was een optekening van lokale wetten en gewoontes. Hieruit blijkt dat er in de 8e en 9e eeuw drie standen waren in Frisia: edelingen (edele vrijen), frillingen (onedele vrijen) en letslachta (halfvrijen of horigen). Men kende ook slavernij.
De politieke organisatie in Frisia veranderde pas toen er een machtsvacuüm kwam in de periode die de Friese vrijheid wordt genoemd.
De Utrechtse bisschop Koenraad van Zwaben werd vermoord, alsmede graaf Hendrik van Northeim. Keizer Barbarossa bepaalde daarop in 1165 dat de graaf van Holland en de bisschop van Utrecht samen de benoeming van een graaf van Friesland moesten regelen.
Als Floris IV van Holland in 1234 overlijdt ontstaat er in het vacuüm, de Friese vrijheid, waarin hoofdmanschappen het gezag voeren binnen Friesland. Dit is een lokale vorm van bestuur. In regionale overlegorganen in de vorm van landdagen wordt dan over grotere politieke vraagstukken beslist.
De periode van de Friese Vrijheid eindigt met de overwinning van keizer Karel V van Habsburg in Friesland in 1524.
Het Emiraat van de Omajjaden
Onder Abd ar-Rahman II (792-852) bloeide kunst en cultuur in al-Andalus. Geneeskunde, astronomie, poëzie, filosofie en muziek kregen een boost. Córdoba werd verheerlijkt als ‘Sieraad van de Wereld’ en kende in haar bloeiperiode een inwonertal van 300.000. Er waren honderden hamams en moskeeën. Het was ook ‘de stad van de boeken’ en het telde vele bibliotheken. Er waren ook meerdere hospitalen. De stad kende straatverlichting, waterleidingen en geplaveide straten. Het was de meest ontwikkelde stad van Europa.
In 822 kwam Ziryâb in Córdoba aan. Als vermaard musicus, componist, dichter en zanger, richtte hij een conservatorium op. Niet alleen Córdoba, maar ook de andere steden in al-Andalus kenden concentraties van artsen, juristen, dichters en wetenschappers. Uit heel Europa kwamen mensen die in deze steden colleges volgden aan de gevestigde universiteiten.
Het Frankische Rijk van Lodewijk de Duitser
In de negende eeuw verzwakte het Karolingische Rijk na de dood van Karel de Grote steeds meer. Zijn enig overgebleven zoon, Lodewijk de Vrome verdeelde later het rijk onder zijn drie zoons, die elkaar daarop de tent uitvochten. In 843 legden ze zich uiteindelijk bij de verdeling neer. De keizerstitel kwam terecht bij het Middenrijk (Lotharingen) van Lotharius I. Lodewijk de Duitser erfde Oost-Frankenland en broer Karel de Kale West-Frankenland. Oost-Frankenland bestond uit de hertogdommen Saksen, Franken, Thüringen, Allemannië (zonder de Elzas), Rhetië en alle oostelijke marken. Regensburg werd de hoofdstad. In 865 accepteerde Moravië het gezag van het Oost-Frankische Rijk. Na zijn dood kreeg Lodewijk de benaming ‘Germanicus’ (de Duitser), omdat het grootste deel van zijn grondgebied bestond uit het voormalige Germanië.
Het Middenrijk – Lotharingen
Toen het rijk van Karel de Grote uiteenviel, na de dood van diens zoon Lodewijk de Vrome werd Lotharius keizer en verkreeg hij het middelste deel. Dat kon hij in 843 uitbreiden met Frisia en liep van wat nu een groot deel van Nederland is, zuidwaarts via Luxemburg tot ver in Italië.
Na zijn dood in 855 werd dat gebied verdeeld onder zijn drie zonen. Lotharius II erfde het deel waar het Nederlandse gebied onder viel en dat werd iets later bekend als het koninkrijk Lotharingen.
In 869 overleed hij, waarna het gebied werd verdeeld tussen zijn ooms: Lodewijk de Duitser en Karel de Kale. Zo ontstonden twee grote rijken: Duitsland en Frankrijk. De lage landen werden onderdeel van het Duitse Rijk.
Noormannen en het Deense koninkrijk
De Vikingen staan veelal bekend als plunderaars. Maar dat is een eenzijdig beeld. Ze kwamen uit de Scandinavische gebieden en verspreiden zich naar het zuiden tot ver in de Middellandse Zee, naar het westen via IJsland en Groenland tot in Amerika en in het oosten langs de grote rivieren tot in Oekraïne aan de Zwarte Zee. Daar werden zij ‘Roes’ genoemd. De veroverings- en plundertochten begonnen in 793 in Engeland. Vanaf 840 begonnen de Noormannen met kolonisatie. Er was een groot overschot aan jonge mannen en een tekort aan meisjes. Aangezien alleen de oudste zoon erfde, zagen velen zich genoodzaakt een andere bron van inkomsten te zoeken en sloten ze zich aan bij handels- en plundertochten.
Hun grondbezit in Engeland werd de Danelaw genoemd.
In de 9de eeuw was het koninkrijk Denemarken verwikkeld in een opeenvolging van dynastieke problemen. Een voorbeeld daarvan vormt Harald Klak, wiens bijnaam ‘de bezoedelde’ luidde. Hij was er een aantal keren koning tussen 812 en 827 en verbond zich met de Frankische keizer Lodewijk de Vrome. In 814 werd hij door z’n neven verjaagd en na zijn terugkeer opnieuw in 823. Zijn rivalen waren tegen een verbintenis met het Frankische Rijk. In 827 werd hij weer eens verjaagd. Waarschijnlijk werd hij in 852 vermoord, maar toen was hij al lang uit beeld. Hij was niet de enige Deense koning die in de 9de eeuw werd vermoord.
Ook de vader van de nieuwe koning, Horik I onderging dat lot in 810.
Intriges alom binnen de voor- en tegenstanders van een verbintenis met de Franken. Zo keerden Rorik en Godfred in 855 terug naar Denemarken, toen koning Horik I stierf. Deze leenmannen van Lotharius probeerden daar de macht te grijpen. Dit mislukte.
Het Groot-Moravische Rijk
In de 7de eeuw vestigden de Westelijke Slaven zich in het huidige Moravië en in westelijk Slowakije. De precieze grenzen van het rijk van Mojmir I aan het begin van de 9de eeuw zijn niet bekend.
De vorst erkende het koningschap van Lodewijk de Duitser en Moravië werd vanuit Beieren tot het christendom bekeerd. Er was ook een anti-Frankisch sentiment in het gebied. Deze riep de hulp van het Byzantijnse Rijk in. De nationale Slavische kerk werd geïnspireerd op de orthodox-christelijke leer in Constantinopel. In 864 wilde Lodewijk Moravië weer in het gareel brengen. De Franken werden eerst verdreven, maar in 874 werd er een akkoord gesloten, waarna Moravië er veel grondgebied bij kreeg. In de 10de eeuw viel het rijk uiteen en ontstond het vorstendom Hongarije.
Het Bulgaarse Rijk
De Bulgaren kwamen uit Centraal-Azië en vormden in de 7e eeuw samen met de lokale Slavische bevolking de eerste Bulgaarse staat in de Donaudelta. Het strekte zich uit van de Adriatische Zee tot in het huidige Oekraïne. Ze werkte in de 8ste eeuw samen met het Byzantijnse Rijk om de Arabieren buiten Europa te houden. In feite werd Europa ook door de Bulgaren beschermd tijdens de tweede golf van de Volksverhuizingen, door de nomadische volken vanuit Azië tegen te houden. In 1018 werd het door het Byzantijnse Rijk ingenomen, maar in de 12e eeuw wisten de Bulgaren zich los te maken en een tweede rijk te stichten.
Het Byzantijnse Rijk
In 330 verplaatste keizer Constantijn de hoofdstad van het Romeinse Rijk naar Byzantium, de stad die naar hem werd hernoemd. Vanaf de 7de eeuw kreeg Constantinopel te maken met een drievoudige dreiging: het Frankische Rijk vanuit het westen, het Bulgaarse Rijk vanuit het noorden en het Arabische Rijk vanuit het oosten.
In de 8ste en 9de eeuw werd het Rijk verzwakt door interne godsdienstige strijd en verlies aan de grenzen. Het wist echter haar belangrijke economische en militair strategische positie aan de Bosporus te behouden. Een breuk tussen het westerse en oosterse christendom ontstond in 867. Onder keizer Basileios I begon vanaf 876 een nieuwe bloeiperiode. In 1453 kwam het Rijk ten einde toen de Ottomaanse Turken de stad Constantinopel innamen.
De Republiek Venetië
Venetië was als hertogdom een onderdeel van het Byzantijnse Rijk na het uiteenvallen van het Romeinse Rijk. Het werd in de 8ste eeuw een speelbal tussen de Franken en de Byzantijnen, maar in 841 wist het onafhankelijk te worden. De patriciërs van de stad kozen een doge als hoogste bestuurder. Het bezat de grootste handelsvloot op de Middellandse Zee. Venetië was economisch en militair zeer sterk en vernieuwend. Door de handelsstad leerde Europa wissel-en kredietbanken kennen, evenals boekhouding en obligatiemarkten. De scheepsbouw was ook vernieuwend. De bloei zou tot in de 17de eeuw aanhouden.
De Engelse koninkrijken
Vanaf ongeveer 500 ontwikkelden zich in het huidige Engeland, door de komst van verschillende Germaanse stammen, een aantal rijken, waaronder Essex, Sussex, Lindsey, Surrey, Middle Anglia, Hwicce, Mercia, Wessex en Northumbria.
Wessex werd de belangrijkste staat onder koning Egbert (770-839).
De Denen en Noren kwamen in golven en veroverden de macht in grote delen van Engeland. Zij werden bestreden door Alfred de Grote, die in 897 de controle wist te verwerven over bijna heel Engeland. Zijn kleinzoon
Athelstan werd waarschijnlijk in 925 tot de eerste koning van heel Engeland gekroond.
Steenfabricage in de middeleeuwen
Het fabriceren van stenen is al eeuwenoud. De eerste met de hand gemaakte steen komt uit Mesopotamië. Daar werden rond 3200 v.Chr., tussen de rivieren Eufraat en Tigris, de eerste stenen gemaakt. Ze werden van leem gevormd en in de zon gedroogd. Circa 50 v.Chr. werd er in Rome baksteen gefabriceerd. Stenen worden hier ten lande voor het eerst in het 13e-eeuwse Friesland aangetroffen. In de volgende twee eeuwen zou Friesland de grootste producent van baksteen worden. In de overige delen van Nederland zien we pas ovens verrijzen in de 17e eeuw, vooral langs de grote rivieren. Veelal werden de stenen in veldovens gebakken, in de open lucht. Zo’n oven bestond uit twee muren waartussen de stenen werden opgestapeld. Daarna werden ze gebakken. De stokers gooiden de brandstof door gaten aan de zijkant. Het bakken van de stenen kon wel enkele weken duren. Het vuur werd gedoofd, waarna men de stenen uit de oven haalde.
Verklarende woordenlijst:
Abbasiden, de heersende dynastie in het islamitische gebied van het Midden-Oosten en Noord-Afrika.
A Coruña, de stad La Coruna
Al-Andaluz, het Kalifaat van de Omajjaden in Europa en Noord-Afrika.
Al-khair An-Nur, betekent zoiets als ‘Jij ook een goedendag toegewenst’.
Almari, Aelmere, Flevomeer. Na de grote doorbraak tussen de Noordzee en het Flevomeer werd het in de 12de eeuw Zuiderzee en in de 20ste eeuw IJsselmeer.
Arghul, een soort klarinet afkomstig uit Egypte. Het is gemaakt van twee rieten pijpen van ongelijke lengte met gekleurd draad bijeen gebonden.
Beligrad, Belgrado. Destijds onderdeel van het Bulgaarse Rijk.
Blótfeest, een offerfeest van de Vikingen, gehouden in een Langhuis.
Boeda, Frankische grensstad op de westelijke oever van de Donau. Met het deel Pest op de oostelijke oever is het nu de hoofdstad van Hongarije.
Bonn, werd als Romeinse legioenvesting in 35 n.Chr. gebouwd en groeide in de eeuwen daarna uit tot belangrijke handelsstad aan de Rijn.
Bordeu, Bordeaux.
Brécia, Braﬞc is een van de eilanden voor de Dalmatische kust.
Cañadas, brede stroken land in een groot deel van Spanje, waar de schaapkuddes al eeuwenlang van de zomerweiden naar de winterweiden trekken. Deze stroken mogen nooit bebouwd worden.
Concilie van Nicea (325), de rooms-christenen of trinitariërs kenden de drie-eenheid. God, Jezus en de Heilige Geest zijn identiek en gelijk aan elkaar. Het arianisme, dat beweerde dat Jezus alleen een menselijk karakter had, werd bestempeld als ketterij.
Dhoe al-Hidzjah, de twaalfde en laatste maand van de islamitische kalender. Het is de maand van de hadj, de bedevaart naar Mekka.
Dirhem, sinds de 7de eeuw de belangrijkste zilveren munt in het rijk van de Omajjaden. Het kende deelstukken van ½, ¼, 1/8 en 1/16.
Dorestad, de belangrijkste handelsstad in het kustgebied. Lag ter hoogte van Wijk bij Duurstede.
Doumbek, een Noord-Afrikaanse trommel van zeer oude oorsprong.
Finisterre, letterlijk het einde van de wereld. De meest westelijke punt van Spanje, wat al het eindpunt was van bedevaarttochten vóór de christelijke tijd.
Fli, rivier die liep van het Flevomeer naar het Borndiep tussen Terschelling en Ameland, waar hij uitstroomde in zee.
Friese vrijheid, de periode van 1234, wanneer Floris IV van Holland overlijdt tot 1524, wanneer keizer Karel V van Habsburg in Friesland overwint. In deze periode van machtsvacuüm nemen lokale besturen de taken van de landsheer over.
Gaynat, zangmeisjes.
Ghina, seculiere kunstmuziek binnen de Islamitische wereld.
Haralem, Haarlem.
Hallem, het huidige Egmond-Binnen.
Halle, Schwäbisch Hall, plaats ten oosten van Heilbronn.
Hamam, badhuis.
Heiligeloo, Heiloo was een Germaanse heilige plaats. De prediker Willibrord bouwde hier rond 720 n.C. een kerk.
Heimezen, Heemskerk.
Hoofdmanschap, een lokale vorm van bestuur tijdens de periode van de Friese vrijheid.
Huda, karavaanlied dat zich ontwikkelde als klaagzang bij lange reizen.
Iberisch schiereiland, het huidige Spanje en Portugal.
Ifriqua, Afrika.
Isla Frisia, deel van West-Friesland gelegen in en nabij het huidige Wieringen.
Issa, Vis is een van de eilanden voor de Dalmatische kust.
Jabal Tariq (de berg van Tariq), de Straat van Gibraltar. Deze is vernoemd naar de Marokkaanse legerleider Tariq ibn Zijad. Hij stak in 711 met 7000 Berberse strijders vanuit Marokko over naar Spanje via Gibraltar.
Jaca, stadje aan de voet van de Pyreneeën. Hier zou bij een veldslag in de 8ste eeuw een leger van voornamelijk vrouwen de Moren hebben verslagen. Elk jaar wordt dit op de eerste vrijdag in mei nagespeeld.
Kerpina, stadje gelegen op de weg van Keulen naar Aken.
Kese, een schrobhandschoen voor gebruik in de hamam.
Kinhem, Kennemerland.
Korcula, eiland voor de Kroatische kust.
Labineca, een piratenstad van de Narentijnen aan de Dalmatische kust.
Lausa, door Iliryriers in de 7e eeuw gestichte stad op het schiereiland van het huidige Dubrovnik.
Lesina, Hvar is een van de eilanden voor de Dalmatische kust.
Lex Frisorum, de wet der Friezen werd rond 800 door Karel de
Grote vastgelegd en gold ook in Kennemerland.
Licata, havenstad op Sicilië.
Limbon, Limmen werd waarschijnlijk gesticht door Willibrord of een van zijn volgelingen. Daarmee is het een van de oudste dorpen van Noord-Holland.
Linze, Het huidige Linz in Oostenrijk.
Litte, Leiden.
Lincesce, onder deze naam werd Linz am Rhein voor het eerst genoemd in 874.
Malahi, verboden plezier.
Mansus, de hoeve van een horige boer. Deze omvatte zoveel land als door de boer en zijn gezin bewerkt kon worden.
Maravilla, het schip waarmee Kybbe van Malaga naar Honfleur vaart.
Masa’u Al-khair, een groet die zoveel betekent als Goedendag.
Mautern, stad in Oostenrijk, die al in de Romeinse tijd een belangrijke handelsplaats was (Favianus). Na de verovering door Karel de Grote in 803 werd het het meest oostelijke handelsstation in het Donaugebied.
Mawali, niet moslims uit het buitenland.
Medina, Arabisch woord voor stad.
Mezquita, de Grote moskee van Córdoba.
Mohammad I (Abû `Abd Allah Muhammad ben `Abd ar-Rahman), kalief van Al-Andaluz van 852-886.
Mozaraab, een christen in gebieden onder moslimoverheersing.
Mukhannathun, mannelijke equivalent van de gaynat.
Muladi, van het Arabische muwallad, wat betekent: aangepast of gemengd ras. Dit kon een tot de islam bekeerde christen zijn of een zoon van een gemengd christen-moslimkoppel.
Neuburg am Rhein, lag tot 1590 op de rechter-Rijnoever; door natuurlijke veranderingen van de stroombedding kwam het tenslotte op de linkeroever te liggen.
Nubïlin, Arabische aanspreektitel.
Na’ura, waterrad.
Numaga, Nijmegen.
Oed, vijfsnarig instrument met een peerachtige vorm.
Oelama, Islamitische rechts-en schriftgeleerden.
Offerfeest (eid al-adha), wordt gevierd op de tiende dag van de maand Dhoe al-Hidzjah.
Omajjaden, de heersende dynastie in het Europese islamitische gebied.
Oncale, het huidige Unkel, een stadje aan de oostoever van de Rijn, ten zuiden van Bonn.
Opaty, Apatin, stad in het huidige Servië, gelegen op de linkeroever van de Donau.
Pagus, gouw (De gouw Kennemerland heeft door de eeuwen heen geen
vaste grens).
Palts, koninklijke verblijfplaats. Er lag een heel netwerk van paltsen door het Frankenrijk. De koning/keizer reisde met z’n hofhouding van palts naar palts.
Parisi, Parijs.
Petten, hier werd één van de eerste kerken gebouwd bij heilige bronnen.
Pliska, de hoofdstad van het Bulgaarse Rijk.
Qurtuba, Córdoba.
Ramadan moebarak, betekent gezegende ramadan.
Ratisbon, Regensburg.
Rekere, rivier die bij Egmond uitstroomde in zee.
Rhassoul, soort klei die gebruikt wordt als verzorgingsproduct.
Rheinbach, stad in Duitsland, die in 761 voor het eerst werd vermeld. Een van de langste Romeinse aquaducten, het Eiffel-aquaduct liep door tot in het centrum.
Ribe, de oudste stad van Denemarken. In 710 gesticht als marktplaats van Friezen en Noormannen.
Riffijnen, oorspronkelijk uit het Rif-gebergte in Marokko afkomstige Berberse moslims.
Salah, één van de vijf meest fundamentele religieuze verplichtingen van elke moslim. Dit rituele gebed wordt vijf keer per dag uitgevoerd.
Sama, religieuze muziek.
San Emeterio, Santander. De stad bestond uit La Puebla Vieja en La Puebla Nueva, die met elkaar waren verbonden door een brug over de Río de Becedo.
Saraqusta, Zaragoza.
Saqaliba, Arabische term voor Europese slaven.
Sceatta, zilveren munt, die vanaf 650 in omloop was. Friese handelaren brachten de munt hier in omloop. Een van de muntplaatsen was Dorestad.
Schenk of mondschenk, de middeleeuwse titel van de dienstedele die de tafel van zijn heer bediende. Hij was ook verantwoordelijk voor het bestuur van een deel van het grondgebied. De titel verdween in de Late Middeleeuwen.
Segontia, het huidige Sigüenza in Spanje. De stad werd gesticht in de 4e eeuw v.Chr. en lag toen iets verderop.
Shatranj, voorloper van het schaakspel. Het was populair bij alle lagen van de bevolking en genoot groot aanzien. Aan het einde van de negende eeuw bereikte het een hoogtepunt, toen de kaliefen het spel fanatiek steunden.
Snebbe, scherpe metalen punt aan de voorsteven, waarmee een schip kon worden geramd.
Torre de Hercules, oude Romeinse vuurtoren in La Coruna. De toren is 55 meter hoog en ligt op een heuvel, waardoor hij 120 meter boven zee uit torent. Het is de oudste nog functionerende vuurtoren ter wereld.
Tullina, Tulln aan de Donau. De residentie van het Huis Babenberg.
Turon, de stad Tours in Frankrijk.
Umm al-walad, concubine in een harem, die een speciale status krijgt na de geboorte van haar kind.
Veligrad, het machtscentrum van het Moravische Rijk.
Vellesan, Velsen.
Visigothen, Germaans volk dat een belangrijke rol speelde in de val van het Romeinse Rijk. In de vroege middeleeuwen hadden de Visigoten een eigen koninkrijk in Spanje en Zuid-Frankrijk.
Vlek, nederzetting met stedelijke kenmerken. Het is ‘het vlek’ in tegenstelling tot de tegenwoordige betekenis ‘de vlek’, dat iets kleins is.
Waterland, moeras- en watergebieden tussen de huidige Markerwaard/IJmeer en Kennemerland.
Wilaya, administratieve afdeling onder een gouverneur, een Wali.
Xaintonge, (Double saintongeaise). Bossen in het zuidwesten van Frankrijk.
Maten en gewichten:
Een voet is een lengtemaat van ca. 30 cm, onderverdeeld in 12 duimen (ca. 2,5 cm). Een el is ca. 69 cm.
Een dagwand is een oppervlaktemaat. Het is de oppervlakte die één boer, geholpen door een os voor de ploeg, in één dag kan omploegen. Dit is ca. 330 vierkante meter.
Een morgen is de oppervlakte die in één ochtend kon worden omgeploegd. De grondbelasting werd per morgen betaald (de morgenbede).
Een stoop is een inhoudsmaat van tweeënhalve liter. Hij was van aardewerk of metaal en had een oor. Een stoop is onderverdeeld in twee mingelen. Een pint is ca. een halve liter.
Personages in het boek:
Abd al-Mutarrif, generaal van het noordelijke Omajjadenleger
Abe, herbergier in Vellesan en tweede man van Floor.
Aeijolt, vader van Kybbe en Pytske.
Aïsha, de umm al-walad in de harem van kalief Mohammad I.
Ali ibn Moehsin ach-Chammariy, vriend van Kybbe. Telg uit een belangrijke familie in het Kalifaat van Al-Andaluz.
Alubert, rechterhand van Darra na z’n terugkeer in Vellesan.
Álvaro, bediende in het huishouden van de koopman Ghalib al-Nasiri.
Anna, de grote liefde van Kybbe in Vellesan en dochter van Roef de herbergier.
Anselm, aartsdiaken.
Arturo, stuurman aan boord van de Maravilla.
Atze, zoon van Duna.
Barteld van Davetre, meier van Vellesan.
Basilius, een Benedictijner monnik in Keulen.
Benedikt, een monnik in de Abdij van Sint Emmeram in Ratisbon.
Berenice, novice in het klooster van Moissac.
Bogdan, doumbek-speler die Anna ontmoet in Pamplona.
Bruno, kapelaan in Vellesan, man van Pytske.
Burk, leider van een bende in het Grotenhoutbos bij Turnhout.
Carlos, reisgenoot van Anna op de camino.
Cebren, oed-speler die Anna ontmoet in Pamplona.
Claes van Hoeleyde, meliores uit Vellesan.
Clauwaert, timmerman bouwer en later brouwer in Vellesan, vader van Saartje.
Cornelius, bouwmeester van de nieuwe basiliek in Keulen.
Darra (Darragh) van Alveringem, meier van Vellesan.
David, Joodse arts in Bordeu.
Dieke, meisje uit de groep kinderen uit Kybbe’s jeugd in Vellesan.
Djurre, een van de drie jonge pelgrims die met Anna reizen.
Dragan, Moravische edelman.
Duna, zus van Marzoeta en brouwer.
Dusan, vriend van Kybbe nadat zij slaaf zijn gemaakt op Sicilië.
Edfu, arghul-speler die Anna ontmoet in Pamplona.
Emran, timmerman in Vellesan.
Fatima, vriendin van Anna in Parisi, dochter van Moussa Bennani.
Fergus, brouwer uit het zuiden.
Floor, vrouw van Clauwaert en moeder van Saartje. Later samen met Abe.
Fried, lid van de bende van Burk.
Garbine, gastvrouw van Anna in Toledo.
Gerhard, vriend van Kybbe in Keulen.
Gijs, pooier in Dorestad.
Gustav, een van de gewapende mannen van Darra.
Guy de Monclosse, rechterhand van Darra.
Haio, een van de drie jonge pelgrims die met Anna reizen.
Harald, een ridder van Rorik en ontvoerder van Anna.
Idriss, metselaar in Vellesan.
Ignatius I, patriarch van Constantinopel van 847-858 en van 867-877.
Inaya, vriendin van Anna in Córdoba.
Jabik, jongen die spioneert voor Guy.
Jannes, neef van Clauwaert en jager.
Joukje, meisje uit de groep kinderen uit Kybbe’s jeugd in Vellesan.
Joshua, zoon en assistent van de Joodse arts in Bordeu.
Juraj, vader van Nevena op het eiland Korcula.
Koos, inwoner van Dorestad.
Krijn, een van de oorspronkelijke dorpsbewoners in het gezelschap van Aeijolt, doof.
Kybbe, zoon van Aeijolt en Marzoeta, broer van Pytske.
Lucilla, zuster die het herbarium van het klooster van Moissac beheert.
Marzoeta, moeder van Kybbe en Pytske, vrouw van Aeijolt en brouwer.
Moussa Bennani, koopman in Parisi, vader van Fatima.
Nef, lid van de bende van Burk.
Nevena, jonge vrouw die Kybbe op het eiland Korcula helpt.
Oeds, vrije boer. Buurman van Claes van Hoeleyde.
Pytske, dochter van Aeijolt en Marzoeta, zus van Kybbe, vrouw van Bruno, moeder van Stilgar.
Riuum, een van de oorspronkelijke dorpsbewoners in het gezelschap van Aeijolt.
Robertus, broer van Gerhard, monnik in het klooster van Keulen.
Roef, herbergier en vader van Anna.
Rorik, graaf in Frisia en dus ook heer van Kinhem.
Saartje, dochtertje van Floor en Clauwaert.
Sahin, Moorse koopman in Dorestad.
Sake, Friese koopman.
Sigmund, een van de pelgrims die Anna ontmoet in Angoulême.
Simon van Litte, kerkbouwer in Vellesan.
Ssani, een van de zangmeisjes die Anna in Pamplona ontmoet.
Steinar, ridder in dienst van graaf Rorik, ontvoerder van Pytske en vader van Stilgar.
Stilgar, zoontje van Pytske en de Viking Steinar.
Sven, Deense bouwmeester.
Tamu, een van de zangmeisjes die Anna in Pamplona ontmoet.
Tatwin, abt van het klooster in Keulen.
Ulbo, een van de drie jonge pelgrims die met Anna reizen.
Wolfsfroyde, kapelaan in Vellesan.
Yago, jager, stroper en sjacheraar in Córdoba.
Yakini, een van de zangmeisjes die Anna in Pamplona ontmoet.
Yasmia en Amirah, twee dochters uit het Arabische gezin dat Anna opvangt in Poitiers.
Historische figuren:
Abd ar-Rahman I (?-732), emir en leider van het Moorse leger in Spanje, verloor de slag bij Poitiers in 732 n.Chr.
Abd ar-Rahman II (792-852), emir van Córdoba.
Alfonso II (ca.760 – 842), koning van Asturië.
Alfred de Grote 848/49-899, koning van Wessex en van de Angelsaksen van 871-899.
Alfried, bisschop van Utrecht (ca.867-879).
Al-Khwārizmī (Muḥammad ibn Mūsā al-Khwārizmī ca.780 – ca.850), Perzische geleerde die invloedrijke werken schreef over wiskunde, astronomie en geografie.
Al-Mu’tazz (847-869), Abbasidische kalief.
Bardas (?-866), oom en raadgever van keizer Michaël III van Byzantium.
Basileios I (827-886), keizer van het Byzantijnse Rijk. Onder zijn regering kwam de Slavische wereld in de vaste greep van de Byzantijns-christelijke cultuur. Hij herstelde het rijksgezag op de Dalmatische kust en in Zuid-Italië en breidde zijn invloed in Azië uit tot de bovenloop van de Eufraat.
Bonifatius (675-754), Angelsaksische missionaris en bisschop in het Frankische Rijk. Gedood bij Dokkum.
Cyrillus, bedenker van het Cyrillische schrift waarin de Bijbel in het Slavisch werd vertaald (ca.827-869).
Eparchius van Angoulême (?-581), kluizenaar bij Angoulême, abt
Ethelred I (ca. 837-871), koning van Wessex en Kent van 865 tot 871.
Giselbert I, graaf in de Maasgouw en de Lommegouw (ca. 825-885).
Godfred Haraldson, neef van Rorik Yngling.
Gunthar (?-873), aartsbisschop van Keulen.
Hadrianus II (792-872), paus en opvolger van Nicolaas I.
Hrabanus Maurus (780-856), aartsbisschop van Mainz, abt van Fulda en toonaangevend geleerde. Schreef o.a. De laudibus sanctae crucis de bekende pinksterhymne Veni Creator Spiritus. Zijn werk werd zo gewaardeerd dat hij de titel Praeceptor Germaniae kreeg: ‘Leermeester van Germania’.
Halfdan Ragnarsson (?-877), een van de drie broers die met het Grote heidense leger Brittannië binnenviel vanaf 865.
Hunger (?-866), bisschop van Utrecht (854-866).
Ioannes VIII, paus te Rome in 872 en aldaar in 882 gestorven.
Ivar de Beenloze (794-873), een van de drie broers die met het Grote heidense leger Brittannië binnenviel vanaf 865.
Jacobus de Meerdere (?-44), één van de twaalf apostelen van Jezus Christus. Volgens de overlevering predikt Jacobus na Jezus dood in Spanje.
Karel de Grote (768-814), keizer van het Frankische Rijk.
Karel Martel (689-741), hofmeier van het Frankische Rijk, wint in 732 n.Chr. de Slag bij Poitiers van het Moorse leger.
Karloman (ca.830-880), hertog van Beieren, koning van Oost-Francië en van Italië, oudste zoon van Lodewijk de Duitser.
Livinus van Gent (ca.580-657), een Ierse monnik, die na 600 naar Gent en Zeeland vertrok om daar de christelijke leer te preken. Hij werd in 842 heiligverklaard door paus Gregorius IV.
Lodewijk de Duitser (806-876), ook bekend als Lodewijk II of Lodewijk de Beier, een kleinzoon van Karel de Grote en de derde zoon van de opvolgende Frankische keizer Lodewijk de Vrome. Hertog van Beieren en koning van Oost-Francië.
Lotharius I (795-855), zoon van Lodewijk de Vrome en Ermengarde van Haspengouw, Rooms-keizer van 817 tot 855.
Lotharius II (ca.835-869), koning van Lotharingen .
Methodius, vertaler van de Bijbel in het Slavisch en aartsbisschop van Moravië (ca.815-885).
Michael I (?-907), Knyaz van het Bulgaarse Rijk.
Michaël III (840-867), keizer van het Byzantijnse Rijk. Hij werd vermoord door z’n opvolger.
Mohammad I, voluit Abû abd Allah Mohammad ben abd ar-Rahman (852–886), emir van Córdoba.
Mohammed ibn-Abi Amir (937-1002), de vizier van kalief Hichâm II (976-1013). Hij verwierf alle macht in al-Andalus van 978 tot zijn dood in 1002.
Nicolaas I, de Grote (820-867), paus te Rome.
Pepijn, graaf van Vermandland (Vermandois) (817-877).
Reinier I van Henegouwen (850-915), zoon van Giselbert I.
Rastislav (846–870), vorst van het Groot-Moravische Rijk.
Richwin van Verdun (848-923), zoon van Giselbert I.
Rimbert van Turholt (830-888), aartsbisschop van Bremen-Hamburg (865-888).
Rorik Yngling (825-880), graaf in Frisia.
Salan, Bulgaarse hertog. Na 896 werd zijn gebied ingenomen door Hongaren. Het bestaan van de figuur Salan is niet zeker, omdat de historische bron niet helemaal betrouwbaar is.
Svatopoluk I de Grote, heerser over het Groot-Moravische Rijk van 870 tot 871 en van 871 tot 894.
Tarik Ibn Zyad, Omajjaden-aanvoerder, die Spanje veroverde (711-718) na de oversteek met een groot leger uit Noord-Afrika.
Vitruvius (ca. 85-20 v.Chr.), Romeins militair, architect en ongenieur.